Herfsttij Der Middeleeuwen Studie Over Levens En Gedachtervorme
Chapter 12
De meest eigenlijke toepassing van het ridderideaal op den oorlog bestond in de afgesproken aristieën, 't zij van twee strijders of van gelijke groepen. Het befaamde Combat des Trente is er het type van. Froissart vond het geweldig mooi, maar teekent toch tenslotte aan; "Li aucun le tenoient à proèce, et li aucun à outrage et grant outrecuidance." [299] Een tweegevecht van Guy de la Trémoïlle en den Engelschen edelman Pierre de Courtenay in 1386, dat strekken zou om de superioriteit van Engelschen of Franschen te bewijzen, wordt door de Fransche regenten Bourgondië en Berry verboden en nog op 't laatste oogenblik verhinderd. [300] De afkeuring van dezen nutteloozen vorm van dapperheidsbetoon wordt ook gedeeld door Le Jouvencel, van wien wij reeds vroeger in 't licht stelden, hoe bij hem de ridder plaats maakt voor den kapitein. Wanneer de hertog van Bedford een gevecht aanbiedt van twaalf tegen twaalf, laat de schrijver van _Le Jouvencel_ den Franschen aanvoerder antwoorden: er is een algemeene spreekwijze, dat men niets moet doen op aanstichten van zijn vijand. Wij zijn hier, om hen uit hun stelling te verdrijven, en dat geeft ons werk genoeg. En de uitdaging wordt geweigerd. Elders laat hij Le Jouvencel een van zijn officieren zulk een wedkamp weigeren met de verklaring (waarop hij overigens tenslotte terugkomt), dat hij tot zoo iets nooit verlof zou geven. Het zijn verboden dingen. Wie zulk een tweegevecht begeert, wil aan een ander iets ontnemen, namelijk zijn eer, om zich een ijdele glorie toe te kennen, die van geringe waarde is, terwijl hij intusschen den dienst van zijn koning en van de publieke zaak verwaarloost. [301]
Dat klinkt als een stem van den nieuwen tijd. Niettemin bleef de gewoonte van die tweegevechten tusschen de fronten tot na de Middeleeuwen voortduren; uit den tachtigjarigen oorlog kent men den strijd van Breauté en Lekkerbeetje op de Vughtsche heide in 1600 en van Lodewijk van de Kethulle tegen een grooten Albaneeschen ruiter voor Deventer in 1591.
Het krijgsbelang en de tactiek drongen meestal de ridderlijke opvattingen naar den achtergrond. De voorstelling, dat ook de veldslag zelf niet anders is dan een eerlijk afgesproken kamp om het recht, komt nog telkens naar voren, maar vindt zelden gehoor tegenover de eischen van het krijgsbeleid. Het Engelsche leger stelt den Schotten voor, om uit hun gunstige positie af te dalen in de vlakte, opdat men elkander kan bestrijden. Wanneer de koning van Frankrijk geen toegang vindt om Calais te ontzetten, stelt hij den Engelschen beleefd voor, ergens een slagveld te bepalen. Willem van Henegouwen gaat nog verder: hij doet den Franschen koning het voorstel, drie dagen wapenstilstand te houden, ten einde in dien tijd een brug te bouwen, waardoor de legers elkaar kunnen bereiken om slag te leveren. [302] In al die gevallen wordt het ridderlijke aanbod geweigerd; het strategisch belang behield de overhand, ook bij Philips den Goede, toen hij een zwaren strijd te voeren had met zijn riddereer, omdat hem op één dag driemaal de veldslag is aangeboden, en hij dien niet heeft aanvaard. [303]
Er bleef, ook al moest voor de werkelijke belangen het ridderideaal zwichten, nog gelegenheid genoeg, om den oorlog fraai aan te kleeden. Welk een bedwelming van fierheid moet er niet zijn uitgegaan van het bonte en pralende krijgsdecoratief zelf! In den nacht vóór Azincourt sterken de beide legers, in de duisternis tegenover elkaar gelegen, hun moed met de muziek der trompetten en bazuinen, en het wordt ernstig beklaagd, dat de Franschen er niet genoeg hadden "pour eulx resjouyr", en daardoor in lager stemming bleven. [304] In het laatst der vijftiende eeuw komen de landsknechten met de groote trommels, [305] een ontleening aan het Oosten. De trom met haar direct hypnotische, onmuzikale werking beduidt treffend den overgang van het ridderlijke tijdperk naar het modern-militaire; zij is een element in de mechaniseering van den krijg. Omstreeks 1400 is al de schoone en half spelende suggestie van persoonlijken wedijver in roem en eer nog in vollen fleur: door helmteekens en blazoenen, vanen en wapenkreten behoudt de strijd een individueel karakter en een element van sport. Den geheelen dag hoort men de kreten der verschillende heeren uitroepen in een wedspel van hoogmoed. [306] Vóór en na het gevecht bezegelen de ridderslagen en de rangverhoogingen het spel: ridders worden tot bannerets verheven door het afsnijden van den wimpel van hun vaantjes. [307] Het beroemde kamp van Karel den Stoute voor Neuss is ingericht met al den feestelijken praal van een hofstaatsie: sommigen hebben hun tent laten bouwen "par plaisance" in den vorm van een kasteel, met galerijen en tuinen eromheen. [308]
De krijgsbedrijven moesten bij de opteekening worden gevat in het raam van ridderlijke opvattingen. Men wilde op technische gronden onderscheiden, wat een slag en wat een treffen was, want elk gevecht moest in de annalen van den roem zijn vaste plaats en naam hebben. Zoo zegt Monstrelet: "Si fut de ce jour en avant ceste besongne appellée la rencontre de Mons en Vimeu. Et ne fu déclairée à estre bataille, pour ce que les parties rencontrèrent l'un l'autre aventureusement, et qu'il n'y avoit comme nulles bannières desploiées". [309] Hendrik V van Engeland doopt zijn groote overwinning, "pour tant que toutes batailles doivent porter le nom de la prochaine forteresse où elles sont faictes", plechtig als den slag van Azincourt. [310] Het overnachten op het slagveld gold als het erkende teeken der overwinning. [311]
De persoonlijke dapperheid van den vorst in den slag heeft somtijds een bedenkelijk kunstmatig karakter. Froissart beschrijft een strijd van Eduard III tegen een Fransch edelman bij Calais in termen, die zouden doen vermoeden, dat het geen bittere ernst was. "Là se combati li rois à monsigneur Ustasse moult longuement et messires Ustasse à lui, et tant que il les faisoit moult plaisant veoir". Tenslotte geeft de Franschman zich over, en wordt het geval besloten met een souper, dat de koning zijn gevangene aanbiedt. [312]--In het gevecht van Saint Richier laat Philips van Bourgondië wegens het gevaar zijn prachtige wapenrusting door een ander dragen, maar het heet, dat het is, om als een gewoon krijgsman zichzelf beter te beproeven. [313] Wanneer de jonge hertogen van Berry en Bretagne Karel den Stoute volgen in zijn guerre du bien public, dragen zij, naar aan Commines werd verteld, schijnharnassen van satijn met vergulde spijkertjes. [314]
Overal steekt de leugen door de gaten van het ridderlijke staatsiekleed. De werkelijkheid verloochent voortdurend het ideaal. Vandaar dat het steeds meer zich terugtrekt in de sfeer van litteratuur, feest en spel: daar alleen was de illusie van het schoone ridderlijke leven te handhaven; daar is men onder elkaar in de kaste, waarbinnen al die sentimenten enkel gelding hebben.
Het is verbazend, zooals de ridderlijkheid onmiddellijk in gebreke blijft, waar zij zou moeten gelden jegens niet-gelijkwaardigen. Zoodra het lageren in stand betreft, ontbreekt elke behoefte aan ridderlijke hoogheid. De edele Chastellain heeft niet het geringste begrip voor de koppige burgereer van den rijken brouwer, die zijn dochter niet aan 's hertogen soldaat wil geven, en er lijf en goed aan waagt, om den hertog te weerstreven. [315] Froissart vertelt zonder een zweem van eerbied, hoe Karel VI het lijk van Philips van Artevelde wilde zien. "Quand on l'eust regardé une espasse on le osta de là et fu pendus à un arbre. Velà le darraine fin de che Philippe d'Artevelle." [316] De koning zou zich zelfs niet ontzien hebben, het lijk te schoppen, "en le traitant de vilain". [317] De gruwelijkste wreedheden van de edelen tegen de burgers van Gent in den oorlog van 1382, wanneer zij veertig graanschippers verminkt en met uitgestoken oogen naar de stad terugzenden, bekoelen Froissart geen oogenblik in zijn geestdrift voor de ridderij. [318] Chastellain, die zwelgt in de heldendaden van Jacques de Lalaing en zijns gelijken, vermeldt zonder eenige sympathie die van een onbekenden Gentschen knaap, die alleen op Lalaing aanviel. [319] La Marche zegt althans naïef van heldenfeiten, door een Gentenaar uit het volk verricht, dat het van belang zou zijn geweest, als het "un homme de bien" geweest was. [320]
Op alle wijzen drong anders de werkelijkheid de negatie van het ridderlijke ideaal aan de geesten op. De veldheerskunst had sedert lang de tournooihouding opgegeven: de oorlog van de veertiende en vijftiende eeuw was er een van besluipen en verrassen, van strooptochten en raids. De Engelschen hadden het eerst het afstijgen van de ridders in den slag ingevoerd, en het werd aan Fransche zijde overgenomen. [321] Eustache Deschamps meent spottend, dat het dient om het vluchten te beletten. [322] Op zee, zegt Froissart, is het ijselijk vechten, want daar kan men niet wijken en vluchten. [323] Buitengewoon naïef komt de ontoereikendheid der ridderlijke opvattingen als militair beginsel uit in het _Debat des hérauts d'armes de France et d'Angleterre,_ een tractaat van omstreeks 1455, waarin in den vorm van een twistgesprek de voorrang van Frankrijk boven Engeland wordt betoogd. De Engelsche heraut heeft den Franschen gevraagd, waarom zijn koning niet een groote scheepsmacht onderhoudt, gelijk die van Engeland. Wel, antwoordt de Fransche heraut, dat heeft hij niet noodig, en bovendien: de Fransche adel houdt meer van den oorlog te land dan ter zee, om verschillende redenen: "car il y a danger et perdicion de vie, et Dieu scet quelle pitié quant il fait une tourmente (storm), et si est la malladie de la mer forte à endurer à plusieurs gens. Item, et la dure vie dont il fault vivre, qui n'est pas bien consonante à noblesse." [324] Hoe gering van uitwerking ook nog, reeds kondigde het kanon de toekomstige veranderingen van den oorlog aan. Het was als een ironische symboliek, dat het puik der dolende ridders "à la mode de Bourgogne," Jacques de Lalaing, gedood werd door een kanonschot. [325]
Er was aan de adellijk-militaire carrière een financieele kant, die dikwijls zeer vrijmoedig wordt bekend. Elke bladzijde der laat-middeleeuwsche krijgsgeschiedenis geeft te verstaan, hoe zeer het daarbij aankwam op het maken van aanzienlijke gevangenen, terwille van den losprijs. Froissart verzuimt niet te vermelden, hoeveel de bedrijver van een geslaagde overrompeling bij de zaak verdiende. [3286 Maar behalve de directe baten van den oorlog spelen ook de pensioenen en renten en gouverneursposten in het leven van den ridder een groote rol. Het vooruitkomen wordt grif als doel aanvaard. "Je sui uns povres homs qui desire mon avancement", zegt Eustache de Ribeumont. Froissart vertelt zijn eindelooze faits divers van den ridderkrijg onder andere tot voorbeeld van de dapperen, "qui se désirent à avanchier par armes." [327] Deschamps heeft een ballade, waarin de ridders, knapen en sergianten van het hof van Bourgondië staan te hunkeren naar den betaaldag, met het refrein:
"Et quant venra le tresorier?" [328]
Chastellain vindt het natuurlijk en gepast, dat iemand die naar aardschen roem streeft, gierig en berekenend is, "fort veillant et entendant à grand somme de deniers, soit en pensions, soit en rentes, soit en gouvernemens ou en pratiques." [329] En inderdaad schijnt zelfs de edele Boucicaut, die allen ridders ten voorbeeld werd gesteld, van bijzondere geldzucht niet vrij te zijn geweest. [330] De nuchtere Commines begroot een edelman naar zijn salaris als "ung gentilhomme de vingt escuz." [331]
Tusschen al de luide verheerlijking van het ridderlijke leven en den ridderlijken krijg klinkt af en toe de bewuste negatie van het ridderideaal: soms nuchter, soms hoonend. De edelen zelf zagen bijwijlen de opgepoetste ellende en de valschheid van zulk een leven van krijg en tournooien.[332] Het was niet te verwonderen, dat de twee sarcastische geesten, die voor het ridderdom niet dan spot en minachting hadden, elkaar gevonden hebben: Lodewijk XI en Philippe de Commines. De beschrijving van den slag bij Montlhéry bij Commines is in haar nuchter realisme volkomen modern. Hier geen schoone heldendaden, geen fictief dramatisch verloop, maar slechts het relaas van een voortdurend komen en gaan, een twijfelen en vreezen, steeds verteld met een licht sarcasme. Hij schijnt erin te genieten, als hij van smadelijk vluchten kan vertellen en van den moed, die terugkeert, als het gevaar geweken is. Hij gebruikt weinig het woord "honneur", en behandelt de eer bijna als een noodzakelijk kwaad. "Mon advis est que s'il eust voulu s'en aller ceste nuyt, il eust bien faict.... Mais sans doubte, là où il avoit de l'honneur, il n'eust point voulu estre reprins de couardise". Zelfs waar hij bloedige ontmoetingen verhaalt, zoekt men vergeefs de terminologie der ridderschap: het woord dapperheid of ridderlijkheid kent hij niet. [333]
Zou het zijn Zeeuwsche moeder Margaretha van Arnemuiden zijn geweest, van wie Commines zijn nuchteren geest had? Het schijnt immers wel, dat in Holland, ondanks den Henegouwschen Willem IV, den ijdelen avonturier, de riddergeest vroegtijdig aan het afsterven was, terwijl juist Henegouwen, waarmee het vereenigd was, altijd het echte land van den ridderlijken adel is geweest. Bij het Combat des Trente was de beste aan Engelsche zijde een zekere Crokart, een voormalige knecht van de heeren van Arkel. Hij had in den oorlog groot fortuin gemaakt: wel 60.000 kronen en een stal met dertig paarden; daarbij had hij grooten roep van dapperheid verworven, zoodat de koning van Frankrijk hem ridderschap en een aanzienlijk huwelijk beloofde, als hij Fransch wilde worden. Deze Crokart kwam met zijn roem en zijn rijkdom in Holland terug, en hield er grooten staat; maar de Hollandsche heeren wisten nog wel, wie hij was, en namen geen notitie van hem, zoodat hij terugkeerde naar het land, waar men ridderlijke faam beter waardeerde. [334]
Wanneer Jan van Nevers zich gereedmaakt, om de reis naar Turkije te ondernemen, waar hij Nicopolis zou vinden, laat Froissart hertog Albrecht van Beieren, den graaf van Holland, Zeeland en Henegouwen, tot zijn zoon Willem zeggen: "Guillemme, puisque tu as la voulenté de voyagier et aler en Honguerie et en Turquie et quérir les armes sur gens et pays qui oncques riens ne nous fourfirent, ne nul article de raison tu n'y as d'y aler fors que pour la vayne gloire de ce monde, laisse Jean de Bourgoigne et nos cousins de France faire leurs emprises, et fay la tienne à par toy, et t'en va en Frise et conquiers nostre héritage." [335]
Van al de landen van Bourgondië was de adel van Holland bij de kruisgeloften van het feest te Rijssel verreweg het slechtst vertegenwoordigd. Toen na het feest nog meer geloften schriftelijk in de verschillende landen werden ingezameld, kwamen er uit Artois nog 27, uit Vlaanderen 54, uit Henegouwen 27, en uit Holland 4, en deze luiden nog zeer voorwaardelijk en voorzichtig. [336]
* * * * *
De chevalerie zou niet het levensideaal van eeuwen zijn geweest, indien daarin niet hooge waarden aanwezig waren geweest voor de ontwikkeling der samenleving, indien het niet sociaal, ethisch en aesthetisch noodzakelijk was geweest. Juist in de schoone overdrijving had eenmaal de kracht van dit ideaal gelegen. Het is, alsof de middeleeuwsche geest in haar bloedige hartstochtelijkheid slechts te leiden was, door het ideaal veel te hoog te stellen: zoo deed het de kerk, zoo deed het de ridderlijke gedachte. "Without this violence of direction, which men and women have, without a spice of bigot and fanatic, no excitement, no efficiency. We aim above the mark to hit the mark. Every act hath some falsehood of exaggeration in it." [337]
Doch naarmate een cultuurideaal meer gevuld is met de aanspraak op de hoogste deugden, is de disharmonie tusschen levensvorm en werkelijkheid grooter. Het ridderideaal met zijn nog half-religieuzen inhoud kon slechts worden beleden door een tijd, die nog voor zeer sterke realiteiten de oogen kon sluiten, die vatbaar was voor de volstrekte illusie. De zich vernieuwende beschaving dwingt, dat uit den ouden levensvorm de al te hooge aspiraties worden prijsgegeven. De ridder gaat over in den virtuoso der Renaissance, in den Franschen gentilhomme der 17e eeuw, tenslotte in den modernen gentleman, en bij elke transformatie schijnt een hulsel van leugen af te vallen.
De ridderlijke levensvorm was al te zwaar beladen met idealen van schoonheid, deugd en nuttigheid. Bezag men hem met nuchteren werkelijkheidszin, zooals Commines, dan leek al die hooggeroemde chevalerie zoo nutteloos en onecht, een opgemaakte vertooning, een belachelijk anachronisme: de werkelijke roerselen, die de menschen deden handelen en het lot van staten en gemeenschappen bepaalden, lagen er buiten. Was de sociale bruikbaarheid van het ridderlijk ideaal uiterst zwak, nog zwakker stond het met de deugdverwezenlijking, de ethische zijde, die immers ook door het ridderideaal werd gepretendeerd. Van een waarlijk geestelijk streven uit gezien was al dat edele leven louter zonde en ijdelheid. Doch zelfs van het louter aesthetische gezichtspunt bezweek het ideaal: zelfs de schoonheid van dien levensvorm was aan alle kanten open voor ontkenning. Al mocht het ridderlijke leven soms burgers begeerlijk schijnen, uit den adel zelf kwam de groote moeheid en onvoldaanheid voort. Het schoone spel van het hoofsche leven was zoo bont, zoo valsch, zoo druk. Weg uit die moeizaam opgezette levenskunst naar veiligen eenvoud en rust.
Er waren dan twee wegen van het ridderlijk ideaal af: die naar het werkelijke, actieve leven en den modernen geest van onderzoek, en die naar de wereldverzaking. Maar deze laatste weg splitste zich als de Y van Pythagoras in tweeën: de hoofdlijn was die van het echte geestelijk leven, de zijlijn hield den rand van de wereld met haar genietingen. De zucht naar het schoone leven was zoo sterk, dat ook waar de ijdelheid en verwerpelijkheid van het hof- en strijdleven was erkend, nog een uitweg open scheen naar aardsche levensschoonheid, naar een nog zoeter en lichter droom. De oude illusie van het herdersleven straalde nog altijd als een belofte van natuurlijk geluk met al den glans, waarmee zij sinds Theocritus geschenen had. De groote bevrediging scheen mogelijk zonder strijd, door een vlucht, weg van den wedijver vol haat en nijd om ijdele eer en rang, weg van de drukkende, overladen weelde en staatsie en van den wreeden, gevaarlijken krijg.
De lof van het eenvoudig leven was een thema, dat de middeleeuwsche litteratuur reeds van de Oudheid had meegekregen. Het dekt zich niet volkomen met de pastorale; men heeft te doen met een positieve en een negatieve uiting van hetzelfde sentiment: de eerste is de pastorale, de laatste de hofvlucht, de lof der aurea mediocritas, de verloochening van het aristocratische levensideaal. Doch beide vloeien voortdurend ineen. Op het thema van de misère van het hofleven hadden reeds in de twaalfde eeuw Johannes van Salisbury en Walter Mapes hun tractaten _De nugis curialum_ geschreven. In het veertiendeëeuwsche Frankrijk had het zijn klassieke uitdrukking gekregen in het gedicht van Philippe de Vitri, bisschop van Meaux, musicus en poëet beide, door Petrarca geprezen: _Le Dit de Franc Gontier_. [338] De versmelting met de pastorale is hier volkomen.
"Soubz feuille vert, sur herbe delitable Lez ru bruiant et prez clere fontaine Trouvay fichee une borde portable, Ilec mengeoit Gontier o dame Helayne Fromage frais, laict, burre fromaigee, Craime, matton, pomme, nois, prune, poire, Aulx et oignons, escaillongne froyee Sur crouste bise, au gros sel, pour mieulx boire." [339]
Na den maaltijd kussen zij elkander "et bouche et nez, polie et bien barbue"; vervolgens gaat Gontier in het bosch een boom hakken, terwijl dame Helayne aan het wasschen gaat.
"J'oy Gontier en abatant son arbre Dieu mercier de sa vie seüre: "Ne sçay--dit-il--que sont pilliers de marbre, Pommeaux luisans, murs vestus de paincture; Je n'ay paour de traïson tissue Soubz beau semblant, ne qu'empoisonné soye En vaisseau d'or. Je n'ay la teste nue Devant thirant, ne genoil qui s'i ploye. Verge d'uissier jamais ne me deboute, Car jusques la ne m'esprent convoitise, Ambicion, ne lescherie gloute. Labour me paist en joieuse franchise; Moult j'ame Helayne et elle moy sans faille, Et c'est assez. De tombel n'avons cure." Lors je dy: "Las! serf de court ne vault maille, Mais Franc Gontier vault en or jame pure." [340]
Dat bleef voor de volgende geslachten de klassieke uitdrukking van het ideaal des eenvoudigen levens, met zijn veiligheid en onafhankelijkheid, met de geneuchten van matigheid, gezondheid, arbeid en natuurlijke, onverwikkelde liefde in het huwelijk.
Eustache Deschamps zong den lof van het eenvoudig leven en den afkeer van het hof in tal van balladen na. Hij geeft onder andere één trouwe nabootsing van _Franc Gontier:_
"En retournant d'une court souveraine Où j'avoie longuement sejourné, En un bosquet, dessus une fontaine Trouvay Robin le franc, enchapelé, Chapeauls de flours avoit cilz afublé Dessus son chief, et Marion sa drue...." [341]
Hij breidt het thema uit met de bespotting van krijgsmansleven en ridderschap. In soberen ernst beklaagt hij de ellende en wreedheid van den oorlog: geen slechter stand dan die van den krijgsman: de zeven hoofdzonden zijn zijn dagelijksch werk, hebzucht en ijdele roemzucht zijn het wezen van den krijg.
... "Je vueil mener d'or en avant Estat moien, c'est mon oppinion, Guerre laissier et vivre en labourant: Guerre mener n'est que dampnacion." [342]
Of wel hij verwenscht spottend dengeen, die hem zou willen uitdagen, of laat zich door zijn dame het duel, dat men hem om haar opdringt, uitdrukkelijk verbieden. [343] Doch meestal is het het thema der aurea mediocritas op zich zelf.
"Je ne requier à Dieu fors qu'il me doint En ce monde lui servir et loer, Vivre pour moy, cote entiere ou pourpoint, Aucun cheval pour mon labour porter, Et que je puisse mon estat gouverner Moiennement, en grace, sanz envie, Sanz trop avoir et sanz pain demander, Car au jour d'ui est la plus seure vie." [344]
Roemzucht en winstbejag brengen niets dan ellende, de arme is tevreden en gelukkig, en leeft ongestoord en lang:
... "Un ouvrier et uns povres chartons Va mauvestuz, deschirez et deschaulx Mais en ouvrant prant en gré ses travaulx Et liement fait son euvre fenir. Par nuit dort bien; pour ce uns telz cueurs loiaulx Voit quatre roys et leur regne fenir." [345]
De gedachte, dat de eenvoudige werker vier koningen overleeft, beviel den dichter zoo goed, dat hij haar herhaaldelijk te pas bracht. [346]
De uitgever van Deschamps' poëzie, Gaston Raynaud, neemt aan, dat al de gedichten van deze strekking, [347] veelal onder de beste, die Deschamps maakte, zijn toe te schrijven aan zijn laatsten tijd, toen hij, ontzet van zijn ambten, verlaten en teleurgesteld, de ijdelheid van het hofleven zou hebben begrepen. [348] Een inkeer zou het dus zijn. Zou het niet veeleer een reactie, een moeheidsverschijnsel zijn? De adel zelf, midden in zijn leven van jagenden hartstocht en overdaad heeft, stel ik mij voor, deze producten begeerd en genoten van zijn brooddichter, die een andermaal zijn gaven prostitueerde, om hun grofsten lachlust te bevredigen.