Herfsttij Der Middeleeuwen Studie Over Levens En Gedachtervorme
Chapter 11
Sommigen doen voorzichtig voorwaardelijke geloften, die tegelijk getuigen van de ernstige bedoeling en van het voldaan zijn met den schoonen schijn. [269] Soms naderen de geloften reeds tot de "philippine", die er een bleeke rest van is. [270] Een spottend element ontbreekt zelfs niet bij den grimmigen Voeu du héron; immers Robert van Artois biedt den koning, hier voorgesteld als minder belust op den krijg, den reiger aan, als den bangsten der vogels. Als Eduard zijn gelofte heeft gedaan, lachen allen. Jan van Beaumont, wien de _Voeu du héron_ de vroeger reeds vermelde woorden [271] in den mond legt, die met fijnen spot het gepassioneerde karakter onthullen van de geloften, bij den wijn en onder de oogen der vrouwen gedaan, doet volgens een ander verhaal bij den reiger de cynische gelofte, dat hij dien heer zou dienen, van wien hij 't meest aan geld en goed te wachten had. Waarop de Engelsche heeren lachten. [272]--Hoe moet, ondanks alle pompeuze gewichtigheid, waarmee de Voeux du faisan werden opgenomen, de tafelstemming zijn geweest, wanneer Jennet de Rebreviettes de gelofte kon doen, om, als hij niet vóór den krijgstocht de gunsten van zijn dame deelachtig werd, bij den terugkeer uit het Oosten de eerste vrouw of jonkvrouw te huwen, die twintig duizend kronen heeft ... "se elle veult". [273] Toch trekt diezelfde Rebreviettes de wereld in, om als "povre escuier" avontuur te zoeken, en strijdt bij Ceuta en Granada tegen de Mooren.
Zoo lacht de moede aristocratie om haar eigen ideaal. Wanneer zij met alle middelen van fantazie en kunstvaardigheid en rijkdom haar hartstochtelijken droom van het schoone leven had getooid en gekleurd en tot plastischen vorm gebracht, dan bezon zij zich, dat het leven toch eigenlijk niet zoo schoon was, en lachte. IJdele waan, die ridderheerlijkheid, mode en ceremonie, een fraai en leugenachtig spel! De werkelijke geschiedenis der laatste Middeleeuwen, zegt de historicus, die uit de acta de ontwikkeling van staat en bedrijf naspeurt, heeft met die valsche ridderlijke Renaissance weinig te maken; het was een oud vernis, dat reeds afbladderde. De mannen, die die geschiedenis maakten, waren waarlijk geen droomers, maar zeer berekenende, nuchtere staatslieden en kooplieden, 't zij vorsten, edelen, prelaten of burgers.
Zeker, dat waren zij ook. Maar de geschiedenis der beschaving heeft evenveel te maken met de droomen van schoonheid en den waan des edelen levens als met de cijfers van bevolking en belasting. Een onderzoeker, die de hedendaagsche maatschappij bestudeert uit den groei van banken en verkeer, uit de politieke en militaire conflicten, zou aan het eind van zijn studiën kunnen zeggen: ik heb van de muziek heel weinig gemerkt, die heeft blijkbaar in dezen tijd weinig voor de cultuur beteekend.
Zoo is het eenigermate, wanneer men ons de geschiedenis der Middeleeuwen uit de staatkundige en economische bescheiden beschrijft. Bovendien zou het kunnen zijn, dat het ridderideaal, zoo gekunsteld en versleten als het was, op de zuiver staatkundige geschiedenis der laatste Middeleeuwen toch nog voortdurend machtiger invloed had uitgeoefend, dan men zich gewoonlijk voorstelt.
De bekoring van den adellijken levensvorm was zoo groot, dat ook de burgers hem aannemen, waar zij kunnen. Wij stellen ons de Artevelde's voor als echte mannen van den derden stand, fier op hun burgerlijkheid en hun eenvoud. Integendeel: Philips van Artevelde hield vorstelijken staat, hij liet alle dagen voor zijn hôtel de speellieden blazen, als hij aan tafel ging, liet zich bedienen uit zilveren vaatwerk, of hij de graaf van Vlaanderen was, ging gekleed in scharlaken en menu vair als een hertog van Brabant of graaf van Henegouwen, reed uit als een vorst, het ontrolde vaantje voor hem gedragen met zijn blazoen van sabel met drie zilveren hoeden. [274] Wie schijnt ons moderner dan de geldmagnaat der vijftiende eeuw, Jacques Coeur, de voortreffelijke financier van Karel VII? Als men de levensbeschrijving van Jacques de Lalaing mag gelooven, heeft de groote bankier hartelijk belang gesteld in het ouderwetsche dolende-ridderschap van den Henegouwschen held. [275]
Alle hoogere vormen van het burgerlijke leven van den nieuweren tijd berusten op navolging van adellijke levensvormen. Evengoed als het brood in het servet en het woord "serviette" zelf hun herkomst hebben uit den middeleeuwschen hofstaat, [276] zijn de burgerlijkste bruiloftsaardigheden afstammelingen van de grandioze "entremets" van Rijsel. Om de cultuur- historische beteekenis van het ridderideaal ten volle te begrijpen, zou men het moeten volgen in Shakespeare's en Molière's tijd tot aan den modernen gentleman.
Hier echter is het er om te doen, de werking van dat ideaal op de werkelijkheid in de laatste Middeleeuwen zelf aan te wijzen. Lieten staatkunde en oorlogvoering zich inderdaad eenigermate beheerschen door ridderlijke voorstellingen? Ongetwijfeld, zoo niet in haar deugden, dan toch in haar fouten. Zooals de tragische vergissingen van den hedendaagschen tijd voortspruiten uit den waan van het nationalisme en den cultuurhoogmoed, zoo sproten die van de Middeleeuwen meer dan eens voort uit de chevalereske gedachte. Ligt niet het motief voor de schepping van den nieuwen Bourgondischen staat, die grootste fout, die Frankrijk kon begaan, in een ridderlijk moment? Koning Jan, het ridderlijke warhoofd, schenkt het hertogdom in 1363 aan den jongen zoon, die bij Poitiers naast hem stand had gehouden, toen de oudere vluchtte. Evenzoo is de bewuste gedachte, die de latere anti-fransche politiek voor de geesten der tijdgenooten moet rechtvaardigen: de wraak voor Montereau, de verdediging van ridderlijke eer. Ik weet wel, men kan dat alles ook verklaren uit berekenende, zelfs vooruitziende politiek, maar dat neemt niet weg, dat de waarde van het feit, het beeld van het feit van 1363 voor de tijdgenooten was en bleef: de ridderlijke moed, vorstelijk beloond. Die Bourgondische staat in zijn snelle ontplooiing is een gebouw van politiek overleg en geslaagde nuchtere berekening. Maar wat men de Bourgondische idee zou kunnen noemen, kleedt zich steeds in de vormen van het ridderideaal. De bijnamen der hertogen: het Sans peur, le Hardi, het Qui qu'en hongne, dat voor Philips door le Bon verdrongen werd, zijn alle opzettelijke vindingen van de hoflittérateurs, om den vorst te plaatsen onder de stralen van het ridderlijke ideaal. [277]
Daar was één groot politiek streven, dat onverbrekelijk verbonden was aan het ridderideaal: de kruistocht, Jeruzalem! Want Jeruzalem, zoo heette nog altijd de gedachte, die als hoogste politieke idee allen vorsten van Europa voor oogen stond, en hen voor en na tot handelen dreef. Er was hier een zonderling contrast tusschen het reëele politieke belang en de politieke idee. Er bestond voor de Christenheid der veertiende en vijftiende eeuw een Oostersche kwestie van de uiterste urgentie: het afweren der Turken, die reeds Adrianopel genomen (1378) en het Servische rijk vernietigd hadden (1389). Op den Balkan lag het gevaar. Doch Europa's eerste en noodzakelijkste staatkunde kon zich nog niet losmaken van de kruistochtidee. Zij kon de Turksche kwestie slechts zien als een onderdeel van de groote heilige taak, waarin de voorvaders waren te kort geschoten: de bevrijding van Jeruzalem.
Bij deze gedachte nu stond het ridderlijk ideaal op den voorgrond; hier kon en moest het een bijzonder nadrukkelijke werking uitoefenen. Immers het godsdienstig gehalte van het ridderideaal vond hier zijn hoogste belofte, en de bevrijding van Jeruzalem kon niet anders zijn dan heilig, edel ridderwerk. Juist doordat nu het godsdienstig-ridderlijke ideaal zich bij het bepalen der Oostersche staatkunde in zoo sterke mate deed gelden, kan tot zekere hoogte het geringe succes der Turkenbestrijding worden verklaard. De expedities, die bovenal nauwkeurige berekening en geduldige voorbereiding eischten, werden ontworpen en opgezet onder een hoogere spanning, die niet leidde tot een rustige overweging van het bereikbare, maar tot een verromantiseering van het plan, die ijdel kon zijn of noodlottig kon worden. De katastrofe van Nicopolis in 1396 had getoond, hoe gevaarlijk het was, een nuttige expeditie tegen een zeer strijdbaren vijand op te zetten in den ouden trant van een dier ridderlijke reizen naar Pruisen of Litauen, om wat arme heidenen dood te slaan. Wie zijn het, die de kruistochtplannen ontwerpen? De droomers als Philippe de Mézières, die er zijn leven aan wijdde, de politieke fantasten, zooals Philips de Goede het met al zijn sluwe berekening was.
Alle koningen hadden de bevrijding van Jeruzalem nog altijd tot een obligate levenstaak. In 1422 is Hendrik V van Engeland stervende. De jonge veroveraar van Rouen en Parijs wordt weggerukt midden uit het werk, waarmee hij Frankrijk in ellende had gestort. De geneesheeren hebben hem aangezegd, dat hij geen twee uur meer heeft te leven; de biechtvader en andere geestelijken zijn verschenen, de zeven boetpsalmen worden gelezen. Als het woord klinkt: Benigne fac, Domine, in bona voluntate tua Sion, ut aedificentur muri Jerusalem, [278] laat de koning stilhouden en zegt luide, dat het zijn voornemen was geweest, om na het herstellen van den vrede in Frankrijk Jeruzalem te gaan veroveren, "se ce eust esté le plaisir de Dieu son créateur de le laisser vivre son aage". En daarna laat hij de lezing der boetpsalmen voltooien, en sterft weldra. [279]
De kruistocht was sedert lang ook een voorwendsel geworden om bijzondere opbrengsten te heffen; ook Philips de Goede heeft van die gelegenheid ruimschoots gebruik gemaakt. Doch enkel veinzerij uit winstbejag zal bij hem het plan toch niet zijn geweest. [280] Het schijnt een mengeling van ernstig streven en den toeleg, om door dit bij uitstek nuttige en tevens bij uitstek ridderlijke plan zich als den redder der Christenheid een glorie te verzekeren boven zijn meerderen in rang, de koningen van Frankrijk en Engeland. Le voyage de Turquie bleef een troefkaart, die niet werd uitgespeeld. Chastellain bevlijtigt zich om toch vooral te doen uitkomen, dat het den hertog wel ernst was, maar ... er waren gewichtige bezwaren, de tijd was er nog niet rijp voor, de invloedrijke lieden schudden het hoofd, dat de vorst op zijn leeftijd nog zulk een gevaarlijken tocht zou ondernemen; zoowel de landen als de dynastie zouden gevaar loopen. Terwijl de paus de kruisvaan zond, door Philips met eerbied ontvangen in Den Haag en in plechtige processie ontplooid, terwijl bij het feest te Rijssel en daarna de geloften tot de reize verzameld werden, terwijl Joffroy de Toisy de Syrische havens onderzocht, Jean Chevrot, de bisschop van Doornik, de collecten leidde en Guillaume Fillastre zijn gansche uitrusting reeds klaar had, en er reeds schepen voor den tocht in beslag waren genomen, heerschte er toch een vage verwachting, dat de tocht niet zou doorgaan. [281] Des hertogen eigen gelofte te Rijssel klonk dan ook wel zeer voorwaardelijk: hij zou gaan, mits de landen, die God hem had toevertrouwd om te regeeren, in vrede en veiligheid zijn. [282]
Uitvoerig voorbereide en luidruchtig aangekondigde krijgsexpedities, waar niets van komt, schijnen overigens, ook afgescheiden van het kruistochtideaal, in dezen tijd als politieke renommage in trek te zijn geweest: zoo de voorgenomen tocht der Engelschen tegen Vlaanderen in 1383, die van Philips den Stoute tegen Engeland in 1387, waartoe de prachtige vloot zeilree lag in de haven van Sluis, die van Karel VI tegen Italië in 1391.
Een zeer bijzondere vorm van ridderlijke fictie met het doel van politieke reclame was het altijd weer aangekondigde en nimmer verwezenlijkte vorstenduel. Ik heb vroeger elders uiteengezet, hoe de staatsgeschillen der vijftiende eeuw nog als een twist van partijen, een persoonlijke querelle werden opgevat. [283] Men dient "la querelle des Bourguignons". Wat was natuurlijker, dan dat de vorsten het zelf gingen uitvechten, gelijk nu nog in het politieke spoorweggesprek wordt verzucht?--Inderdaad was deze oplossing, die zoowel een primitief rechtsgevoel als de ridderlijke fantazie bevredigde, telkens aan de orde. Wanneer men leest van de uitvoerige toebereidselen tot die vorstelijke tweegevechten, vraagt men zich twijfelend af, of dit alles enkel een fraai spel van bewust veinzen is geweest, de zucht naar een schoon leven alweer, of wel dat de vorstelijke kampvechters werkelijk den strijd hebben verwacht. Zeker is het, dat de geschiedschrijvers van dien tijd het even ernstig opnemen als de kamplustige vorsten zelf. Monstrelet wijdt terstond in den aanvang van zijn kroniek een ruime plaats aan de uitdaging van koning Hendrik IV van Engeland door Lodewijk van Orleans. [284] In het woeste en schitterende brein van dien Orleans, waar plaats was voor vurige devotie, kunstzin en fantastische idealen van ridderstrijd en hoofsche liefde naast débauche, cynisme en tooverpraktijken, kan ook zulk een strijd wel een hartstochtelijk voornemen zijn geweest. En evengoed geldt dat van den pompeuzen geest van Philips den Goede. Hij is het alweer, die het thema met al de middelen van zijn rijkdom en prachtliefde het statigst uitwerkt. Het was Humphrey van Glocester, dien hij in edelen vorm uitdaagde (1425). In de uitdaging wordt duidelijk als motief vermeld: "pour éviter effusion de sang chrestien et la destruction du peuple, dont en mon cuer ay compacion", "que par mon corps sans plus ceste querelle soit menée à fin, sans y aler avant par voies de guerres, dont il convendroit mains gentilz hommes et aultres, tant de vostre ost comme du mien, finer leurs jours piteusement." [285] Alles werd voor den strijd in gereedheid gebracht: het kostbare harnas en de prachtige kleederen, die de hertog dragen zou, waren vervaardigd; er werd gewerkt aan tenten, standaarden en vanen, wapenrokken voor de herauten en poursuivants, alles bezaaid met de blazoenen van 's hertogen landen, met den vuurslag en het Sint Andrieskruis. Philips was in training: "tant en abstinence de sa bouche comme en prenant painne pour luy mettre en alainne." [286] In zijn park te Hesdin oefende hij zich dagelijks onder leiding van ervaren vechtmeesters. [287] De rekeningen vermelden de kosten, aan dat alles besteed, en nog in 1460 was de kostbare tent, voor deze gelegenheid vervaardigd, te Rijssel te zien. [288] Maar van het gevecht kwam niets.
Dit belette niet, dat hij later in het geschil met den hertog van Saksen over Luxemburg, dezen opnieuw kamp aanbood, en dat bij het feest van Rijssel, toen Philips bijna zestig jaar oud was, zijn kruisgelofte inhield, dat hij gaarne bereid was, den Grooten Turk corps à corps te bestrijden, als deze dat verkoos. [289] Men vindt den weerklank van die hardnekkige kampliefde van Philips den Goede nog in een verhaaltje van Bandello, hoe hij eens met de grootste moeite weerhouden zou zijn van een eereduel met een zijner edelen. [290]
De vorm handhaaft zich nog in de volle Italiaansche Renaissance. Francesco Gonzaga biedt kamp aan Cesare Borgia: met zwaard en dolk wil hij Italië van den gevreesde en gehate bevrijden. De bemiddeling van den koning van Frankrijk, Lodewijk XII, voorkomt het tweegevecht, en een roerende verzoening besluit het geval. [291] Zelfs Karel V heeft nog in allen vorm aangeboden, den strijd met Frans I door een persoonlijk tweegevecht te beslechten.
De gerechtelijke en de spontane tweekamp leefde juist in de Bourgondische landen en in het twistzieke Noorden van Frankrijk nog bijzonder sterk in zeden en denkbeelden. Van hoog tot laag huldigde men hem als de beslissing bij uitnemendheid. Met het ridderideaal hadden deze begrippen op zich zelf weinig te maken. Zoodra de strijd geen edelen geldt, ziet men al de ruwe wreedheid van den tijd, ontdaan van het masker der hooghartige chevalerie.
Niets is in dit opzicht merkwaardiger dan de verbazende belangstelling, door de edelen en door de geschiedschrijvers aan den dag gelegd voor een gerechtelijken kamp van twee burgers te Valenciennes in 1455. [292] Het was een groote zeldzaamheid; in geen honderd jaar was zoo iets voorgekomen. Die van Valenciennes wilden het tot elken prijs laten doorgaan, want het betrof voor hen de handhaving van een oud privilege, maar de graaf van Charolais, die het bewind voerde tijdens Philips' afwezigheid in Duitschland, wilde het niet, en stelde de voltrekking van maand tot maand uit, terwijl de beide partijen, Jacotin Plouvier en Mahuot, als kostbare vechthanen werden vastgehouden. Toen de oude hertog van zijn reis naar den keizer terug was, werd terstond beslist, dat de strijd doorgaan zou. Philips wilde hem met alle geweld zelf zien; daartoe alleen koos hij van Brugge naar Leuven den weg over Valenciennes. Terwijl nu de ridderlijke geesten als Chastellain en La Marche bij hun beschrijvingen van de feestelijke Pas d'armes van ridders en edelen met alle inspanning van hun verbeelding geen enkele maal een realiteit kunnen schilderen, geven zij hier het scherpst geziene beeld. Hier komt de ruwe, felle Vlaming, die Chastellain was, onder de prachtige houppelande van goud en rood granaatpatroon te voorschijn. Geen bijzonderheid ontgaat hem van de "moult belle serimonie"; hij beschrijft nauwkeurig het krijt en de banken rondom. De arme slachtoffers hebben elk hun vechtmeester bij zich. Jacotin als klager treedt het eerst binnen, blootshoofds met kort geknipt haar en heel bleek. Hij is geheel genaaid in een kleeding van corduwaanleder uit één stuk, zonder iets daaronder. Na eenige vrome kniebuigingen en begroeting van den hertog, die achter een traliewerk gezeten is, wachten de kampvechters het oogenblik af, zittende in twee met zwart bekleede stoelen tegenover elkaar. De heeren in het rond maken zacht hun opmerkingen over de kansen: alles wordt opgemerkt: Mahuot wordt aschbleek, toen hij het evangelie kust! Dan komen twee knechten en wrijven de kampvechters van den hals tot de enkels in met vet. Bij Jacotin trekt het vet terstond in het leer, bij Mahuot niet: wien zou dat teeken gunstig zijn? De handen worden met asch gewreven; zij nemen suiker in den mond; dan brengt men hun de knotsen en schilden, waarop heiligenfiguren staan geschilderd, die zij kussen. Zij dragen de schilden met de punt omhoog, en hebben in de hand "une bannerolle de devocion", een strook met een vrome spreuk.
Mahuot, die klein was, begint het gevecht door met de punt van zijn schild zand te scheppen en het Jacotin in de oogen te werpen. Een woedend knotsgevecht volgt, het eindigt met den val van Mahuot; de ander werpt zich boven op hem, en wrijft hem het zand in mond en oogen, maar Mahuot krijgt een vinger van zijn vijand tusschen zijn tanden. Om zich te bevrijden drukt deze hem den duim in de oogkassen, en ondanks zijn geroep om genade draait hij hem de armen naar achteren en springt op den rug, om hem te breken. Stervende schreeuwt Mahuot vergeefs om te mogen biechten; dan roept hij: "O monseigneur de Bourgongne, je vous ay si bien servi en vostre guerre de Gand! O monseigneur, pour Dieu, je vous prie mercy, sauvez-moy la vie!"... Hier breekt het verhaal van Chastellain af; er zijn eenige bladen weg; van anderen weten wij, hoe de halfdoode Mahuot door den beul gehangen werd.
Zou Chastellain het besloten hebben met een edele ridderlijke bespiegeling, na dezen ellendigen gruwel met zooveel verve te hebben verteld? La Marche deed het: hij bericht ons van de schaamte, die toch achterna den adel beving, dat men dit had aangezien. En daarom, zegt de onverbeterlijke hofpoëet, liet God een ridderlijk tweegevecht volgen, dat onschadelijk afliep.
Het conflict tusschen riddergeest en werkelijkheid vertoont zich het duidelijkst, waar het ridderideaal zich tracht te doen gelden te midden van den ernstigen krijg. Hoezeer ook het ridderideaal vorm en kracht moge hebben gegeven aan den oorlogsmoed, het werkte toch in den regel op de krijgvoering meer belemmerend dan bevorderend, daar het de eischen der strategie opofferde aan die der levensschoonheid. Herhaaldelijk stellen zich de beste aanvoerders, ja de koningen zelf, bloot aan de gevaren van een romantisch krijgsavontuur. Eduard III waagt zijn leven in een hachelijken aanslag op een convooi van Spaansche schepen. [293] De ridders van koning Jan's orde van de Ster moeten zweren, dat zij in den slag nooit verder zullen vluchten dan vier "arpents", anders hebben zij te sterven of zich over te geven, welke zonderlinge spelregel volgens Froissart terstond aan wel negentig het leven kostte. [294] Wanneer Hendrik V van Engeland in 1415 den Franschen tegemoet gaat vóór den slag bij Azincourt, trekt hij bij vergissing op een avond het dorp, dat zijn fouriers hem als nachtverblijf bestemd hadden, voorbij. Nu had de koning, "comme celuy qui gardoit le plus les cérimonies d'honneur très loable", juist te voren gelast, dat de ridders, op verkenning uit, hun wapenrok moesten afleggen, om niet in strijdgewaad terug te behoeven te gaan. Toen hij nu zelf in wapenrok te ver vooruit was gegaan, kon hij niet terug; hij overnachtte dus, waar hij gekomen was, en liet de voorhoede dienovereenkomstig opschikken. [295]
Bij de beraadslaging over den grooten Franschen inval in Vlaanderen in 1382 verzet zich voortdurend ridderzin tegen krijgskunde: "Se nous querons autres chemins que le droit,--voert men aan tegen de adviezen van Clisson en Coucy, om langs onverwachte omwegen binnen te dringen,--"nous ne monsterons pas que nous soions droites gens d'armes." [296] Evenzoo gaat het bij een inval van Franschen aan de Engelsche kust bij Dartmouth in 1404. De eene aanvoerder, Guillaume du Châtel, wil de Engelschen in de flank vallen, daar dezen zich door een gracht op het strand hebben beschut. Maar de sire de Jaille noemt de verdedigers een troep dorpers; het zou een schande zijn, voor zulke tegenstanders uit den weg te gaan; hij spoort den ander aan, niet te vreezen. Dat woord treft Du Châtel in het vleesch: "Dat zij verre van het edele hart van een Breton, dat hij vreezen zou; nu zal ik, ofschoon ik eêr den dood voorzie dan de zege, de hachelijke fortuin beproeven." Hij voegt er de gelofte aan toe, dat hij geen kwartier zal vragen, valt daarop aan, en sneuvelt zelf, terwijl zijn bende deerlijk wordt verslagen. [297] Bij den tocht naar Vlaanderen is er steeds groot gedrang, om in de voorhoede te komen; een ridder, die met de achterhoede wordt belast, stribbelt hardnekkig tegen. [298]