Herfsttij Der Middeleeuwen Studie Over Levens En Gedachtervorme

Chapter 10

Chapter 103,787 wordsPublic domain

Het groote spel van het schoone leven als droom van edelen moed en trouw had niet alleen dien vorm van het kampgevecht. Er is een tweede vorm, even belangrijk: de ridderorde. Al zou het niet gemakkelijk vallen, een regelrecht verband te bewijzen, het kan voor niemand, die eenigszins bekend is met de gebruiken van primitieve volken, twijfelachtig zijn, dat evenzeer de ridderorde als het tournooi en de ridderwijding zelf hun sterkste wortels hebben in heilige gebruiken van een verren voortijd. De ridderslag is een ethisch en sociaal uitgewerkte puberteitsritus, het aanleggen van de wapenen aan den jongen krijger. Het kampspel is als zoodanig overoud, en eertijds vervuld van heilige beteekenis. De ridderorde kan niet gescheiden worden van de mannenbonden der wilde volken.

Dit verband kan hier echter slechts als een onbewezen stelling vooropgesteld worden; het is hier niet te doen om een ethnologische hypothese te staven, maar om de ideeënwaarde van het vol-ontwikkelde ridderwezen voor oogen te brengen; en dat in die waarde nog iets van die primitieve elementen is overgebleven, wie zal het ontkennen?

Weliswaar is in de ridderorde het christelijk element van de voorstelling zoo sterk, dat ook een verklaring uit louter kerkelijke en politische, zuiver middeleeuwsche grondslagen op zich zelf overtuigend zou kunnen zijn, als men niet wist, dat algemeen verbreide, primitieve parallelen als verklaringsgrond daarachter stonden.

De eerste ridderorden, de drie groote van het Heilige land en de drie Spaansche, waren als een zuiverste belichaming van middeleeuwschen geest ontsproten uit de verbinding van het monniks- en het ridderideaal, in den tijd toen de strijd tegen den islam wonderlijke werkelijkheid was geworden. Zij waren gegroeid tot groote staatkundige en economische instellingen, ontzaglijke vermogenscomplexen en financieele machten. Hun politieke nuttigheid had zoowel hun geestelijk karakter als het ridderspel-element op den achtergrond gedrongen, en hun economische verzadiging at weer hun politieke nuttigheid op. Toen de Tempeliers en de Johanniters bloeiden en nog in het Heilige land zelf werkten, had het ridderwezen een reëele politische functie vervuld, en waren de ridderorden als 't ware vakorganisaties van groote beteekenis geweest.

Doch in de veertiende en vijftiende eeuw was het ridderwezen enkel meer hoogere levensvorm, en daarmee was ook in de ridderorden het element van edel spel, dat in hun kern besloten lag, weer op den voorgrond gekomen. Niet dat zij enkel spel waren geworden. Als ideaal zijn zij nog altijd vervuld van hoog ethisch en politiek streven. Maar het is waan en droom, ijdele plannenmakerij. De merkwaardige idealist Philippe de Mézières ziet het heilmiddel der tijden in een nieuwe ridderorde, die hij de Ordre de la passion heeft genoemd. [233] Hij wil er alle standen in opnemen. Trouwens ook de groote ridderorden der kruistochten hadden zich reeds de deelneming van niet-edelen ten nutte gemaakt. De adel zal den grootmeester en de ridders leveren, de geestelijkheid den patriarch en zijn suffraganen, de poorters zullen broeders zijn en de landlieden en handwerkers servanten. Zoo zal de orde een hechte samensmelting der standen zijn voor het groote doel der Turkenbestrijding. Er zullen vier geloften zijn. Twee zijn de oude, die monniken en geestelijke ridders deelden: armoede en gehoorzaamheid. Maar voor het volstrekte celibaat stelt Philippe de Mézières de echtelijke kuischheid in de plaats; hij wilde het huwelijk veroorloven om de praktische redenen, dat het Oostersche klimaat het eischte en dat de orde begeerlijker zou zijn. De vierde gelofte, aan vroegere orden onbekend, is summa perfectio, de hoogste individueele zedelijke volmaking. Zoo vloeiden hier in het bonte beeld van een ridderorde al de idealen ineen, van politieke plannenmakerij af tot het streven naar de verlossing toe.

In het woord "Ordre" waren een menigte beteekenissen, van de hoogste heiligheid tot het nuchterste groepsbesef, ongescheiden vereenigd. Het beduidde zoowel maatschappelijken stand als priesterwijding, monniks- en ridderorde. Dat inderdaad aan ordre in de beteekenis van ridderorde nog iets van geestelijke waarde eigen was, blijkt uit het feit, dat men er ook het woord religion voor gebruikte, dat men allicht tot de kloosterorden beperkt zou wanen. Chastellain noemt het Gulden Vlies "une religion", zooals hij 't ook een kloosterorde doet, en spreekt er altijd van in den toon van een heilig mysterie. [234] Olivier de la Marche spreekt van een Portugees als een "chevalier de la religion de Avys." [235] En niet alleen de eerbiedige sidderingen van den pompeuzen Polonius Chastellain getuigen van den vromen inhoud van het Gulden Vlies; in het geheele ritueel der orde nemen kerkgang en mis een overwegende plaats in: de ridders zitten in kanunnikstoelen, de ernstige cultus van de afgestorven leden beweegt zich geheel in kerkelijke sfeer.

Geen wonder dus, dat het lidmaatschap van een ridderorde gevoeld wordt als een sterke, heilige band. De ridders van de Sterorde van koning Jan II zijn verplicht, andere orden, waartoe zij mochten behooren, zoo mogelijk prijs te geven. [236] De hertog van Bedford wil aan den jongen Philips van Bourgondië de orde van den kouseband opdringen, om hem daardoor vaster aan Engeland te binden, maar de Bourgondiër begrijpt, dat hij dan voor altijd aan den Engelschen koning gebonden zal zijn, en weet de eer beleefd te ontgaan. [237] Wanneer dan ook later Karel de Stoute den kouseband wel aanneemt, en zelfs draagt, beschouwt Lodewijk XI dit als een breuk van het verdrag van Péronne, dat den hertog verbood, zonder 's konings toestemming een verbond met Engeland aan te gaan. [238] Men kan de Engelsche gewoonte, om buitenlandsche orden niet aan te nemen, beschouwen als een traditioneele rest van het besef, dat de orde verplicht tot trouw aan den vorst, die haar schenkt.

Ondanks die heiligheid voelt men toch den twijfel aan den ernst van al die fraai opgezette vormen. Waartoe anders steeds weer die uitdrukkelijke verzekeringen, dat het alles was voor hooge, wijdstrekkende doeleinden? Philips van Bourgondië, de edele hertog, heeft zijn Toison d'or gesticht, zegt de rijmer Michault:

"Non point pour jeu ne pour esbatement Mais à la fin que soit attribuée Loenge à Dieu trestout premierement Et aux bons gloire et haulte renommée." [239]

Ook Guillaume Fillastre betoogt in den aanhef van zijn werk over het Gulden Vlies, de beteekenis daarvan te zullen verklaren, opdat men bevinde, dat de orde geen ijdelheid is of een zaak van weinig gewicht. Uw vader, spreekt hij Karel den Stoute toe, "n'a pas, comme dit est, en vain instituée ycelle ordre." [240]

Het was noodig, die hooge bedoelingen te accentueeren, wilde het Gulden Vlies die eerste plaats veroveren, die de hoogmoed van Philips begeerde. Want het stichten van ridderorden was sedert lang een ware mode. Ieder vorst moest zijn orde hebben, zelfs aanzienlijke edelen bleven niet achter. Daar is Boucicaut met zijn Ordre de la Dame blanche à l'escu verd, ter verdediging van de hoofsche minne en van verdrukte vrouwen. Daar is koning Jan met zijn Chevaliers Nostre Dame de la Noble Maison (1351), gewoonlijk naar hun insigne de orde van de Ster genoemd. In het Edele Huis te Saint Ouen bij Saint Denis hadden zij een "table d'oneur", waaraan bij de plechtigheden moesten plaatsnemen de drie dapperste prinsen, de drie dapperste baanroedsen (bannerets) en de drie dapperste ridders (bachelers). Daar is Pierre de Lusignan met de orde van het Zwaard, die van zijn leden een zuiver leven eischte en hun het zinrijk symbool omhing van een gouden keten, waarvan de letter S de schakels vormde, en zij beduidde "silence". Daar was Amadeus van Savoie met de Annonciade, Louis de Bourbon met het Gouden Schild, Coucy, die een keizerskroon gehoopt had, met de omgekeerde Kroon, de Beiersche hertogen van Holland-Henegouwen met hun Antonius-orde, het T-kruis met klokje, dat op sommige portretten de aandacht trekt. [241]

Eustache Deschamps parodieert die zucht naar ridderorden met een Ordre des fumeux, een Ordre de la baboue, een Ordre du collier, dat is de strop. [242]

De oorzaak, dat het Gulden Vlies boven allen opgang heeft gemaakt, is niet ver te zoeken. Het was de rijkdom der Bourgondiërs, die er achter zat. Misschien droeg er ook de bijzondere praal toe bij, waarmee de orde was uitgerust, en de gelukkige vinding van het symbool. Aanvankelijk was bij het Gulden Vlies alleen aan dat van Colchis gedacht. De vertelling van Jason was algemeen bekend; Froissart laat haar in een Pastourelle door een herder verhalen. [243] Maar aan Jason als fabelheld was een luchtje; hij had zijn trouw gebroken, en dit thema leende zich tot onaangename toespelingen op de politiek der Bourgondiërs jegens Frankrijk. Alain Chartier dichtte:

"A Dieu et aux gens detestable Est menterie et trahison, Pour ce n'est point mis à la table Des preux l'image de Jason, Qui pour emporter la toison De Colcos se veult parjurer. Larrecin ne se peult celer." [244]

Nu maakte Jean Germain, de geleerde bisschop van Chalons en kanselier der orde, Philips opmerkzaam op het vlies, dat Gideon spreidde en waar des hemels dauw op viel. [245] Het was een bijzonder gelukkige gedachte, want dit vlies van Gideon was een der treffendste symbolen van de bevruchting van Maria's schoot. Zoo verdrong de bijbelsche held den heiden als patroon van het Gulden Vlies, zoodat Jacques du Clercq zelfs kon beweren, dat Philips opzettelijk Jason niet gekozen had, omdat deze zijn trouw brak. [246] "Gedeonis signa" noemt een lofdichter van Karel den Stoute de orde, [247] maar anderen zooals de kroniekschrijver Theodericus Pauli blijven spreken van Vellus Jasonis. De opvolger van Jean Germain als kanselier der orde, bisschop Guillaume Fillastre, overtrof zijn voorganger en vond in de heilige schrift nog vier vliezen daarenboven: van Jacob, koning Mesa van Moab, Job en David. [248] Elk daarvan liet hij een deugd verbeelden, en aan elk der zes zou hij een boek wijden. Dit was ongetwijfeld "overdoing it"; Fillastre liet de gevlekte schapen van Jacob als symbool van justitia figureeren; [249] hij had eenvoudig alle plaatsen genomen, waar de Vulgaat het woord "vellus" heeft, een merkwaardig staaltje van de gewilligheid der allegorie. Men vindt niet, dat zijn denkbeeld blijvend opgang heeft gemaakt.

De staatsie en plechtigheden van het Gulden Vlies zijn dikwijls genoeg beschreven; ze hier te vermelden zou enkel stof toevoegen aan wat hierboven in hoofdstuk II over den praal van het hofleven is gezegd. Een enkele trek uit de gebruiken der orde verdient hier vermelding, omdat hij zoo sterk het karakter van een primitief en heilig spel suggereert. Behalve de ridders telt de orde haar ambtenaren: den kanselier, den tresorier, den griffier, en voorts den wapenkoning met zijn staf van herauten en poursuivants. Deze laatste groep, meer in het bijzonder belast met het dienen van het edele ridderspel, draagt symbolische namen. De wapenkoning zelf heet Toison d'or, zoo Jean Lefèvre de Saint Remy, zoo nog Nicolaas de Hames, bekend van het Verbond der edelen in 1565. De herauten dragen landnamen: Charolais, Zélande. De eerste der poursuivants heet Fusil, naar den vuurslag in de ordeketen, het embleem van Philips den Goede. De anderen dragen namen van romantischen klank als Montreal, of van deugden als Persévérance, of namen ontleend aan de allegorie van den Roman de la rose, als Humble Requeste, Doulce Pensée, Léal Poursuite. Bij de groote feesten worden zulke poursuivants plechtig door een besprenkeling met wijn met die namen gedoopt door den grootmeester, of wel hij verandert hun namen bij hun verheffing tot hoogeren rang. [250]

De geloften, die de ridderorde oplegt, zijn slechts een vaste, collectieve vorm van de persoonlijke ridderlijke gelofte, om een of ander heldenstuk te volbrengen. Dit is wellicht het punt, waar men de grondslagen van het ridder-ideaal het best in hun samenhang ziet. Wie geneigd mocht zijn, het verband van ridderslag, tournooi en ridderorde met primitieve gebruiken voor een inval te houden, vindt bij de ridderlijke gelofte het barbaarsche karakter zoo aan de oppervlakte, dat geen twijfel mogelijk is. Het zijn echte survivals, waarvoor de parallellen te vinden zijn in het oud-indische _vratam_, in het Nazireeërschap der Joden, en het meest onmiddellijk wellicht in de gewoonten der Noormannen uit hun sagentijd.

Hier evenwel is niet het ethnologische vraagstuk aan de orde, maar de vraag, welke waarde die geloften hadden in het laat-middeleeuwsche geestesleven zelf. Er zijn drie waarden mogelijk: een godsdienstig- ethische, een romantisch-erotische en een hoofsch-speelsche. Alle drie zijn ongescheiden aanwezig; het denkbeeld der gelofte schommelt tusschen de hoogste levenswijding in dienst van het ernstigste ideaal en den ijdelsten spot over het kostbare gezelschapsspel, dat met moed en liefde en staatsbelang zich maar wat vermaakt. Het spel-element overweegt; de geloften zijn goeddeels opluistering geworden van het hoffeest. Toch worden zij nog altijd verbonden aan de ernstigste oorlogsondernemingen: den inval van Eduard III in Frankrijk, het kruistochtplan van Philips den Goede.

Hier geldt hetzelfde als bij de tournooien: zoo smakeloos en versleten als ons de opgemaakte romantiek der Pas d'armes scheen, zoo ijdel en leugenachtig schijnen ons die "voeux du faisan". Tenzij ook hier ons de passie zelf bewust is, die dit alles heeft vervuld. Het is de droom van het schoone leven, zoo goed als de feesten en de vormen van het Florentijnsche leven van Cosimo en Lorenzo die droom zijn geweest. Daar in Italië is hij bezonken in eeuwige schoonheid, hier is zijn betoovering vervlogen met de menschen, die hem droomden.

De verbinding van askese en erotiek, die ten grondslag ligt aan de fantazie van den held, die de maagd bevrijdt, of voor haar bloedt, het kernmotief van de tournooi-romantiek, vertoont zich in anderen vorm en bijna nog onmiddellijker gedaante bij de ridderlijke gelofte. De ridder De la Tour Landry verhaalt in de leering aan zijn dochters van een zonderlinge orde van minnende edelen en vrouwen, die in zijn jeugd in Poitou en elders had bestaan. Zij noemden zich Galois et Galoises, en hielden "une ordonnance moult sauvaige", waarvan het voornaamste was, dat zij in den zomer zich warm moesten kleeden in pelzen en gevoerde kaproenen, en vuur in de schouw branden, terwijl zij in den winter niets mochten dragen dan een rok zonder bont, geen mantels of andere beschutting, geen hoed, handschoenen of mof, hoe 't ook vroor. 's Winters strooiden zij groene bladeren op den grond en verborgen den schoorsteen achter groene takken, en op hun bed mocht slechts een dunne deken zijn. Men kan in deze wonderlijke afdwaling,--zoo zonderling, dat de schrijver haar kwalijk verzonnen kan hebben--, moeilijk iets anders zien dan een ascetische verhooging van den prikkel der liefde, ofschoon het niet geheel duidelijk wordt. Het primitief karakter van de Galois en Galoises wordt nog geaccentueerd door hun regel, dat een echtgenoot den Galois, die bij hem te gast kwam, zijn geheele huis en zijn vrouw moest overlaten, om zelf naar zíjn Galoise te gaan; deed hij het niet, dan strekte het hem tot groote schande. Velen van de orde waren volgens den ridder De la Tour Landry van koude gestorven: "Si doubte moult que ces Galois et Galoises qui moururent en cest estat et en cestes amouretes furent martirs d'amours." [251]

Er zijn meer voorbeelden te noemen, die het primitief karakter van de ridderlijke gelofte verraden. Zoo het gedicht, dat de geloften beschrijft, waartoe Robert van Artois den koning van Engeland, Eduard III, en zijn edelen uitlokte, ten einde den oorlog tegen Frankrijk te beginnen: _Le Voeu du Héron_. Het is een verhaal van geringe historische waarde, maar de geest van barbaarsche woestheid, die er uit spreekt, is wel geschikt, om het wezen der ridderlijke gelofte te leeren kennen.

De graaf van Salisbury zit bij het feestmaal aan de voeten van zijn dame. Als zijn beurt om een gelofte te doen gekomen is, verzoekt hij de geliefde, om één vinger op zijn rechteroog te leggen. Wel twee, antwoordt zij, en drukt met twee vingers het rechteroog van den ridder toe. "Belle, est-il bien clos?" vraagt deze. "Oyl, certainement." "Welaan dan," zegt Salisbury, "dan gelove ik aan God almachtig en zijn zoete Moeder, dit oog niet weer te openen, om geen smart of kwelling, eer ik in Frankrijk den brand gestoken heb in 's vijands land en de mannen van koning Philips bestreden":

"Or aviegne qu'aviegne, car il n'est autrement. --Adonc osta son doit la puchelle au cors gent, Et li iex clos demeure, si que virent la gent." [252]

De werkelijkheid, die dit geval weerspiegelt, blijkt uit Froissart: hij zag inderdaad Engelsche heeren, die één oog met een lap bedekt hielden ter voldoening aan de gelofte, om slechts met één oog te zien, totdat zij dapperheid in Frankrijk hadden verricht. [253]

De bijzondere wildheid spreekt in _Le Voeu du Héron_ nog sterker uit de gelofte van Jehan de Faukemont, die klooster noch altaar, zwangere vrouw noch kind, vriend noch maag wil sparen, om koning Eduard te dienen. Tenslotte verzoekt de koningin, Philippa van Henegouwen, haar gemaal, ook een gelofte te mogen doen.

"Adonc, dist la roine, je sai bien, que piecha [254] Que sui grosse d'enfant, que mon corps senti l'a. Encore n'a il gaires, qu'en mon corps se tourna. Et je voue et prometh a Dieu qui me créa.... Que ja li fruis de moi de mon corps n'istera, [255] Si m'en arès menée ou païs par de-là Pour avanchier le veu que vo corps voué a; Et s'il en voelh isir, quant besoins n'en sera, D'un grant coutel d'achier li miens corps s'ochira; Serai m'asme perdue et li fruis perira!"

Een huiverend stilzwijgen ontvangt de godslasterlijke gelofte. De dichter zegt enkel:

"Et quant li rois l'entent, moult forment l'en pensa, Et dist: certainement, nuls plus ne vouera."

Haar en baard, overal immers de dragers van magische potentie, hebben nog bij de geloften der Middeleeuwen een bijzondere beteekenis. Benedictus XIII, de paus van Avignon, en daar feitelijk opgesloten, zweert, ten teeken van droefheid zijn baard niet te laten scheren, aleer hij de vrijheid herkregen heeft. [256] Als Lumey dezelfde gelofte doet met betrekking tot de wraak voor Egmond, hebben wij te doen met een laatsten uitlooper eener zede, die in den verren voortijd heilige beteekenis had gehad.

De zin der gelofte is in den regel, dat men zich een onthouding oplegt als prikkel om het volbrengen der geloofde daad te verhaasten. Veelal is het een onthouding in verband met spijzen. De eerste, dien Philippe de Mézières als ridder opnam in zijn Chevalerie de la Passion, was een Pool, die in negen jaar niet zittende gegeten of gedronken had. [257] Bertrand du Guesclin is zeer haastig met zulke geloften. De eene maal geldt het een uitdaging van een Engelsch krijgsman: Bertrand verklaart, slechts drie wijnsoepen te zullen gebruiken in naam der heilige Drieëenheid, totdat hij den uitdager bestreden heeft. Een ander maal is het, dat hij geen vleesch zal eten en zich niet zal uitkleeden, eer hij Montcontour heeft genomen. Of zelfs, dat hij niet eten zal, eer hij met de Engelschen tot een treffen gekomen is. [258]

De magische bedoeling, die bij dat vasten op den achtergrond ligt, was natuurlijk een edelman der veertiende eeuw niet meer bewust. Voor ons spreekt zulk een ondergrond vooral zeer direct uit het veelvuldig gebruik van kluisters als teeken van een gelofte. Op 1 Januari 1415 doet hertog Jean de Bourbon, "désirant eschiver oisiveté, pensant y acquérir bonne renommée et la grâce de la très-belle de qui nous sommes serviteurs", de gelofte om met zestien andere ridders en knapen gedurende twee jaar elken Zondag aan het linkerbeen een boei als van een gevangene te dragen, de ridders in goud, de knapen in zilver, totdat hij zestien ridders vindt, die het gezelschap willen bestrijden in een gevecht te voet "à outrance". [259] Jacques de Lalaing ontmoet te Antwerpen in 1445 een Siciliaanschen ridder Jean de Boniface, die als "chevalier aventureux" van het hof van Arragon gekomen is. Hij draagt aan het linkerbeen een ijzer, zooals de slaven het dragen, hangende aan een gouden keten, een "emprise" ten teeken dat hij vechten wou. [260] In den roman van den _Petit Jehan de Saintré_ draagt de ridder Loiselench twee gouden ringen aan arm en been, elk aan een gouden keten, totdat hij een ridder vindt, die hem "verlost" van zijn emprise. [261] Want zoo heet het: "délivrer"; men raakt het teeken aan, als het gaat "pour chevalerie"; men rukt het af, als het om 't leven gaat.--Reeds La Curne de Sainte Palaye heeft opgemerkt, dat bij de oude Chatti volgens Tacitus volkomen hetzelfde gebruik werd aangetroffen [262]. Ook de kluisters, die boetelingen op hun bedevaart droegen, of die vrome asceten zich zelf aanlegden, zijn van de emprises der laat-middeleeuwsche ridders niet te scheiden.

Wat de beroemde feestelijke geloften der vijftiende eeuw, met name de Voeux du Faisan bij het hoffeest van Philips den Goede te Rijsel in 1454, ter voorbereiding van den kruistocht ons van dit alles nog te zien geven, is niet veel meer dan een fraaie hoofsche vorm. Niet dat de spontane gewoonte, om in nood of sterke gemoedsbeweging een gelofte te doen, iets van haar kracht zou hebben verloren. Zij heeft zoo diepe psychologische wortelen, dat zij aan beschaving noch geloof gebonden is. Doch de ridderlijke gelofte als cultuurvorm, als een tot levenstooi verheven zede, beleeft in die pralende buitensporigheid van het Bourgondische hof haar laatste phase.

Het thema van de handeling is nog altijd het onmiskenbaar overoude. Men doet de geloften aan het feestmaal, en zweert bij een vogel, die opgedragen en later gegeten wordt. Ook de Noormannen kennen de met elkaar wedijverende geloften bij het feestmaal in dronkenschap; een der vormen is die, waarbij men het everzwijn aanraakt, dat opgedragen wordt. [263] De fazant van het beroemde feest te Rijsel schijnt wel een levende te zijn geweest. [264] De geloften worden afgelegd aan God en Onze Lieve Vrouw, aan de dames en aan den vogel. Het schijnt niet gewaagd, te veronderstellen, dat de godheid hier niet de oorspronkelijke ontvanger der geloften is: inderdaad geloven velen alleen aan de dames en den vogel. [265] In de onthoudingen, die men zich oplegt, is weinig afwisseling. De meeste hebben betrekking op eten en slapen. Deze ridder zal Zaterdags niet in een bed slapen, eêr hij een Saraceen bevochten heeft, noch ook vijftien dagen achtereen in dezelfde stad vertoeven. Een ander zal Vrijdags geen dierlijk voedsel nuttigen, eêr hij den banier van den Grooten Turk heeft aangetast. Weer een ander stapelt askese op askese: hij zal in het geheel geen harnas dragen, Zaterdags geen wijn drinken, niet in een bed slapen, niet aan tafel zitten, en een harige pij dragen. Men omschrijft nauwkeurig de wijze, waarop men de geloofde heldendaad zal uitvoeren. [266]

Hoeveel ernst is er in? Wanneer messire Philippe Pot de gelofte doet, op den Turkentocht zijn rechterarm onbedekt te laten door eenige wapenrusting, laat de hertog onder de (schriftelijk geregistreerde) gelofte aanteekenen: "Ce n'est pas le plaisir de mon très redoubté seigneur, que messire Phelippe Pot voise en sa compaingnie ou saint voyage qu'il a voué, le bras désarmé; mais il est content qu'il voist aveuc lui armé bien et soufisamment, ainsy qu'il appartient." [267] Blijkbaar werd er dus nog ernst en gevaar in gezien. Over de gelofte van den hertog zelf heerscht algemeene aandoening. [268]