Part 6
De kerk van Parijs verdroeg het noode, dat zij nog altijd (tot 1622) suffragaan was van het aartsbisdom Sens. Men laat het den metropoliet op alle wijzen merken, dat men van zijn gezag niet gediend is, en beroept zich op de exemptie door den paus. Op 2 Februari 1492 heeft de aartsbisschop van Sens in de Notre Dame te Parijs de mis gecelebreerd in tegenwoordigheid van den koning. Terwijl de koning de kerk nog niet heeft verlaten, trekt de aartsbisschop, het volk zegenend, zich terug, voorafgegaan door het priesterkruis. Twee der kanunniken dringen met een groote schaar van kerkedienaren op, slaan de hand aan het kruis en beschadigen het, verrekken 's dragers hand, en maken een tumult, waarbij den dienaren van den aartsbisschop de haren uit het hoofd getrokken worden. Toen de aartsbisschop den twist tracht te bedaren, "sans lui mot dire, vinrent près de lui; Lhuillier (deken van het kapittel) lui baille du coude dans l'estomac, les autres rompirent le chapeau pontifical et les cordons d'icelluy." De andere kanunnik vervolgt den aartsbisschop "disant plusieurs injures en luy mectant le doigt au visage, et prenant son bras tant que dessira son rochet; et n'eust esté que n'eust mis sa main au devant, l'eust frappe au visage." Het werd een proces van 13 jaar. [120]
De hartstochtelijke en gewelddadige geest, hard en tevens tranenrijk, altijd wankelend tusschen de zwarte vertwijfeling aan de wereld en het zwelgen in haar bonte schoonheid, kon niet buiten de strengste vormen van het leven. Het was noodig, dat de aandoeningen waren gevat in een vast raam van geijkte vormen; zoodoende kreeg het samenleven althans in den regel orde. Zoo werden de levensgebeurtenissen van zichzelf en anderen tot een schoon schouwspel voor den geest; men genoot de pathetische uitmonstering van leed en geluk onder kunstlicht. Voor een zuivere gemoedsuitdrukking ontbreken nog de middelen; het gemoed kan slechts in aesthetische uitbeelding dien hoogen graad van uitdrukkelijkheid bereiken, waar de tijd naar schreeuwt.
Het is natuurlijk niet zoo gemeend, dat deze levensvormen, vooral die rondom de groote oude heiligheden van geboorte, huwelijk en sterven, met zulk een bedoeling zouden zijn ingesteld. Gebruiken en staatsie zijn gegroeid uit primitief geloof en cultus. Maar de oorspronkelijke zin van dat alles, die er het aanzijn aan gaf, is reeds lang onbewust geworden, en in plaats daarvan hebben die vormen zich gevuld met nieuwe aesthetische waarde.
De rouw is het, waar de aankleeding van de aandoening in een suggestieven vorm de hoogste ontwikkeling vond. Daar was een onbeperkt gegeven voor die prachtige hyperboliseering van de smart, die het wederpart is van de hyperboliseering der vreugde in de ontzaglijke hoffeesten. Hier volge geen uitvoerige beschrijving van al den somberen praal van zwarte gewaden, al de staatsie van lijkdiensten, die het afsterven van iederen vorst begeleidden. Zij zijn niet in het bijzonder aan de latere Middeleeuwen eigen; de monarchieën bewaren ze tot den huidigen dag, en ook de burgerlijke lijkkoets is er nog de aflegger van. De suggestie van al het zwart, waarin bij een vorstelijk sterfgeval niet enkel de hofhouding, maar ook magistraten, gilden en volk gedost ging, moet bij de bonte kleurigheid van het middeleeuwsche stadsleven nog veel grooter zijn geweest door de tegenstelling. De rouwpraal over den vermoorden Jan zonder Vrees is met den kennelijksten toeleg op een sterk (en ten deele politiek) effekt opgezet. Het krijgsgevolg, waarmee Philips optrekt, om de koningen van Frankrijk en Engeland te ontmoeten, prijkt met twee duizend zwarte vaantjes, met zwarte standaarden en vaandels van zeven ellen, de franje van zwarte zijde, alles bestikt of beschilderd met gouden wapens. De staatsiezetels, de reiswagen van den hertog zijn voor die gelegenheid zwart geschilderd. [121] Bij de plechtige samenkomst te Troyes begeleidt Philips de koninginnen van Frankrijk en Engeland in een fluweelen rouwkleed, dat over den rug van zijn paard afhangt tot op den grond. [122] Nog geruimen tijd daarna verschijnt niet alleen hij, maar ook zijn gevolg in 't zwart. [123]
Soms verhoogde een afwijking van al het zwart den indruk nog; terwijl het geheele hof, ook de koningin, zwart draagt, rouwt de koning van Frankrijk in het rood. [124] En in 1393 zagen de Parijzenaars met verbazing de geheel en al witte lijkstaatsie van den in ballingschap gestorven koning van Armenië, Léon de Lusignan. [125]
Zonder twijfel omhulde dat zwart dikwijls een hevigheid van echte, hartstochtelijke smart. De groote afschuw van den dood, het sterke verwantschapsgevoel, de innige aanhankelijkheid aan den heer, maakten een vorstelijk sterfgeval tot een waarlijk schokkende gebeurtenis. En als het, zooals in 1419 de moord op den hertog van Bourgondië deed, daarbij nog de eer van een trotsch geslacht scheurde en de wraak opriep als een heiligen plicht, dan kon de hyperbolische uiting van smart wel evenredig zijn in staatsie en in gemoed. Chastellain heeft in de aesthetiek van deze doodstijding zich wijdloopig verlustigd; hij verzint in den zwaren, slependen stijl van zijn deftige rhetoriek de lange rede, waarmee de bisschop van Doornik te Gent den jongen hertog langzaam op het vreeselijke bericht voorbereidt, de statige jammerklachten van Philips zelf, en van zijn gemalin Michelle de France. Maar de kern van zijn verhaal: hoe de tijding bij den jongen hertog een zenuwtoeval teweegbrengt, hoe ook zijn gemalin in onmacht valt, de wilde verwarring van het hof, de luide rouwkreten van de stad, kortom de woeste uitbundigheid van smart, waarmee het bericht ontvangen werd, vallen niet te betwijfelen. [126] Ook Chastellain's verhaal van het smartbetoon van Karel den Stoute bij het sterven van Philips in 1467 draagt de kenmerken van waarheid. Hier was de schok veel minder hevig; de oude hertog, vrijwel kindsch, was reeds lang achteruitgaande; de verstandhouding tusschen hem en zijn zoon was in de laatste jaren ver van hartelijk geweest, zoodat Chastellain zelf opmerkt, dat het verbazing wekte, toen men Karel bij het sterfbed zag weenen, krijten, handenwringen en nedervallen, "et ne tenoit régle, ne mesure, et tellement qu'il fit chacun s'esmerveiller de sa démesurée douleur". Ook in de stad Brugge, waar de hertog stierf, "estoit pitié de oyr toutes manières de gens crier et plorer et faire leurs diverses lamentations et regrets". [127]
Het is moeilijk uit te maken, hoever in deze en dergelijke berichten de hofstijl gaat, die een luidruchtig leedbetoon gepast en fraai vindt, en hoever de werkelijke hevige aandoenlijkheid, die den tijd eigen was. Er loopt zeker een sterk element van primitieven vorm onder: het luide weenen over den doode, dat geformaliseerd was in klaagvrouwen, en artistiek uitgedrukt in de "plourants", die juist in dezen tijd aan de grafsculptuur zulk een sterke bewogenheid verleenen, is een overoud beschavingselement.
Die vereeniging van primitivisme, hevige aandoenlijkheid en fraaien vorm valt ook te zien in de groote vrees voor het meedeelen van een doodsbericht. Men houdt voor de gravin van Charolais, wanneer zij zwanger gaat van Maria van Bourgondië, den dood van haar vader langen tijd geheim; men durft Philips den Goede, die ziek ligt, geen enkel sterfgeval, dat hem eenigszins raakt, meedeelen, zoodat Adolf van Cleef geen rouw mag dragen over zijn echtgenoote. Toen de hertog toch van den dood van zijn kanselier Nicolaas Rolin de lucht gekregen had (Chastellain gebruikt zelf die uitdrukking: "avoit esté en vent un peu de ceste mort"), vraagt hij den bisschop van Doornik, die hem aan zijn ziekbed komt bezoeken, of het waar is, dat de kanselier gestorven is.--Monseigneur,--zegt de bisschop--: naar waarheid dood is hij wel, want hij is oud en gebroken, en kan niet lang meer leven.--Déa!--zegt de hertog,--dat vraag ik niet, ik vraag of hij is "mort de mort et trespassé".--Ha! monseigneur,--zegt de bisschop weer--, hij is niet gestorven, maar aan één kant verlamd, dus hij is zoo goed als dood.--De hertog wordt boos:--Vechy merveilles! zeg mij nu duidelijk, of hij dood is. Toen eerst zegt de bisschop: Ja, waarlijk, monseigneur, hij is werkelijk gestorven". [128] Is er niet in deze zonderlinge wijze van een doodsbericht mee te deelen meer van een ouden, bijgeloovigen vorm dan van een ontzien van een zieke, dien dit aarzelen slechts kon prikkelen? Het hoort in de sfeer der gedachte, die Lodewijk XI bewoog, om zich nooit weer te bedienen van de kleeren, die hij droeg, of het paard, dat hij bereed, toen hem eenig slecht bericht bereikte, en zelfs om een heel stuk van het bosch van Loches te doen omhakken, waar hem de dood van zijn pasgeboren zoontje werd bericht. [129] "M. le chancellier--schrijft hij 25 Mei 1483--je vous mercye des lettres etc. mais je vous pry que ne m'en envoyés plus par celluy qui les m'a aportées, car je luy ay trouvé le visage terriblement changé depuis que je ne le vitz, et vous prometz par ma foy qu'il m'a fait grant peur; et adieu". [130]
Wat er ook in de rouwgebruiken aan oude taboevoorstellingen mag schuilen, de levende cultuurwaarde ervan is, dat zij vorm geven aan het leed, het als iets schoons en verhevens ontplooien. Zij rythmiseeren de smart. Zij brengen het werkelijke leven over in de sfeer van het drama, en doen het cothurnen aan. In primitiever beschaving, ik denk bij voorbeeld aan de Iersche, zijn rouwgebruiken en dichterlijke lijkklacht nog één geheel; ook den hofrouw van den Bourgondischen tijd kan men slechts verstaan, door hem verwant te zien aan de elegie. De rouwpraal vertoont in schoonen vorm de machteloosheid van smart. Hoe hooger de rang, hoe heroïscher het smartbetoon moet prijken. De koningin van Frankrijk moet een vol jaar in de kamer blijven, waar men haar den dood haars gemaals heeft aangezegd. Voor prinsessen geldt zes weken. Wanneer men Madame de Charolais, Isabelle de Bourbon, den dood van haar vader heeft medegedeeld, woont zij eerst nog den lijkdienst bij te Couwenberg, en blijft daarna zes weken in haar kamer, altijd te bed liggende, door kussens gesteund, maar gekleed met barbette, kap en mantel. De kamer is geheel met zwart behangen, op den grond ligt in de plaats van een zacht tapijt een groot zwart laken, en een groot voorvertrek is eveneens met zwart behangen. Edelvrouwen blijven alleen voor haar man zes weken te bed, voor vader of moeder slechts negen dagen, terwijl zij de rest der zes weken gezeten zijn voor het bed op het groote zwarte kleed. Voor den oudsten broeder houdt men zes weken de kamer doch niet het bed. [131]--Men begrijpt, hoe in een tijd, die zulk een hoog ceremonieel in eere hield, als een der ergste omstandigheden bij den moord van 1419 telkens weer herinnerd wordt, dat Jan zonder Vrees zoo maar in buis, hozen en schoenen begraven was. [132]
De aandoening, in die fraaie vormen getooid en verwerkt, gaat er licht in te loor; de zucht naar de dramatiseering van het leven laat een achter-de-schermen over, waarin het edel opgemaakte pathos verloochend wordt. Er is een naïeve scheiding tusschen "staat" en werkelijk leven, welke in het geschrift van de oude hofdame, Alienor de Poitiers, die al dien "staat" toch als hooge mysteriën vereert, kenmerkend aan den dag komt. Op de beschrijving van Isabella van Bourbon's prachtigen rouw laat zij volgen: "Quand Madame estoit en son particulier, elle n'estoit point toujours couchée, ni en une chambre". De prinses ontvangt in dien staat, doch enkel als schoone vorm. Zoo zegt Alienor ook: voor een echtgenoot behoort men twee jaar het rouwkleed te dragen, "indien men althans niet hertrouwt". Juist de hoogste standen, de vorsten met name, hertrouwden dikwijls zeer spoedig; de hertog van Bedford, regent van Frankrijk voor den jongen Hendrik VI, reeds na vijf maanden.
Naast den rouw biedt de kraamkamer een ruim veld voor strenge staatsie en hiërarchisch verschil van uitmonstering. Er gelden vaste kleuren. Het groen, dat nog in de 19e eeuw de geijkte kleur was van het burgerlijk ledikant en de vuurmand, was in de 15e het prerogatief van koningin en prinsessen. De kraamkamer van de koningin van Frankrijk is van groene zijde; vroeger was zij geheel in wit. Zelfs gravinnen mogen niet "la chambre verde" hebben. Stof, bont en kleur van dekens en spreien is voorgeschreven. Op het dressoir branden voortdurend twee groote lichten in zilveren kandelaars, want de blinden van de kraamkamer worden eerst na veertien dagen geopend! Het opmerkelijkste evenwel zijn de staatsieledikanten, ledig evenals de koetsen bij de begrafenis van den koning van Spanje. De jonge moeder ligt op een couchette voor het vuur, en het kind, Maria van Bourgondië, in een wieg in de kinderkamer, maar bovendien staan er in de kraamkamer twee groote bedden in een kunstig samenstel van groene gordijnen, opgemaakt en opgeslagen, als om erin te gaan slapen, en in de kinderkamer opnieuw twee groote bedden, alles met groen en violet, en nogmaals één groot bed in een voorvertrek of "chambre de parement", geheel getapisseerd in karmozijn satijn. Zij was vroeger door die van Utrecht aan Jan zonder Vrees vereerd, en heette "la chambre d'Utrecht". Bij de doopplechtigheid dienen die bedden tot ceremonieus gebruik. [133]
Die aesthetiek der levensvormen deed zich gelden in het dagelijksch aspect van stad en land: de strenge hiërarchie van stoffen, kleuren en pelzen gaf aan de verschillende standen een uiterlijke omlijsting, die het waardigheidsgevoel verhief en behoedde. De aesthetiek der gemoedsbewegingen beperkte zich niet tot de plechtige vreugden en smarten bij geboorte, huwelijk en sterven, waar de parade door de noodzakelijke ceremoniën geboden was. Elk ethisch gebeuren wordt gaarne gezien in een fraai opgemaakten vorm. Er is zulk een element in de bewondering voor de nederigheid en de zelfkastijding van den heilige, voor het berouw van den zondaar, zooals de "moult belle contrition de ses péchés" van Agnes Sorel. [134] Elke levensverhouding wordt in stijl gebracht; in de plaats van de moderne zucht tot verbergen en effaceeren van intieme betrekkingen en sterke aandoeningen geldt het streven, om ze tot een vorm en een schouwspel ook voor anderen te maken. Zoo heeft ook de vriendschap in het leven der 15e eeuw haar schoon uitgewerkten vorm. Naast de oude bloedbroederschap en wapenbroederschap, die in de kringen zoowel van het volk als van den adel in eere was, [135] kent men een vorm van sentimenteele vriendschap, die uitgedrukt wordt door het woord mignon. De vorstelijke mignon is een geformaliseerd instituut, dat zich gedurende de geheele 16e en een deel der 17e eeuw handhaaft. Het is de verhouding van Jacobus I van Engeland tot Robert Carr en George Villiers; ook Willem van Oranje bij den afstand van Karel V moet onder dit aspect gezien worden. _Twelfth Night_ is slechts te begrijpen, als men bij de verhouding van den hertog tot den gewaanden Cesario dezen geijkten vorm van sentimenteele vriendschap voor oogen heeft. De verhouding wordt gezien als een parallel tot de hoofsche liefde: "Sy n'as dame ne mignon", zegt Chastellain. [136] Doch elke toespeling, die haar op één lijn met de Grieksche vriendschap zou brengen, ontbreekt ten eenenmale. De openlijkheid, waarmee het mignonschap behandeld wordt in een tijd, die het crimen nefandum zoo verfoeide, moet elken argwaan doen zwijgen. Bernardino van Siena stelt aan zijn Italiaansche landgenooten, onder wie de sodomie zeer verbreid was, Frankrijk en Duitschland, waar men haar niet kent, ten voorbeeld. [137] Commines vertelt zelf, hoe hij de eer genoot, door Lodewijk XI onderscheiden te worden met 's konings behagen, dat hij gelijk gekleed ging als deze. [138] Want dit is het vaste teeken van de verhouding. De koning heeft steeds een mignon en titre, in dezelfde kleederen gedost als hij, op wien hij steunt bij ontvangsten. [139] Dikwijls zijn het ook twee vrienden van gelijken leeftijd, doch verschillenden rang, die zich gelijk kleeden, in één kamer, soms ook in één bed slapen. [140] Zulk een onafscheidelijke vriendschap bestaat er tusschen den jongen Gaston de Foix en zijn bastaardbroeder, waar zij een tragisch einde neemt, tusschen Lodewijk van Orleans (toen nog van Touraine) en Pierre de Craon, [141] tusschen den jongen hertog van Cleef en Jacques de Lalaing. Op dezelfde wijze hebben vorstinnen een vertrouwde vriendin, die zich gelijk kleedt, [142] en mignonne genoemdt wordt.
Al deze schoon gestyleerde levensvormen, die de ruwe werkelijkheid moesten verheffen in een sfeer van edele harmonie, waren deelen van de groote levenskunst, zonder onmiddellijken neerslag te geven in de kunst in engeren zin. De omgangsvormen met hun vriendelijken schijn van ongedwongen altruïsme en heusche erkenning van anderen, de hofpraal en hofetikette met hun hieratische statigheid en ernst, de blijde tooi van bruiloft en kraamkamer, hun schoonheid is voorbijgegaan zonder directe sporen na te laten in kunst en litteratuur. Het uitdrukkingsmiddel, dat hen verbindt, is niet de kunst, maar de mode. Nu staat de mode in het algemeen veel nader tot de kunst, dan de academische aesthetica wil toegeven. Als kunstmatige accentueering van de lichaamsschoonheid en de lichaamsbeweging is zij met een der kunsten, die van den dans, innig verbonden. Maar ook daarbuiten grenst in de 15e eeuw het domein der mode, of wil men liever der kleederdracht, veel nader aan dat der kunst dan wij geneigd zijn ons voor te stellen. Niet enkel doordat het veelvuldig gebruik van juweelen en de metaalbewerking van het krijgsgewaad in het costuum een direct element van kunsthandwerk brengt. De mode deelt met de kunst zelve essentieele eigenschappen: stijl en rythme zijn haar even onmisbaar als voor de kunst. De late Middeleeuwen hebben voortdurend in de kleederdracht een mate van levensstijl uitgedrukt, waarvan tegenwoordig zelfs een kroningsplechtigheid slechts meer een flauwe afschaduwing kan geven. In het leven van iederen dag vertoonden de verschillen van pelzen en kleuren, kappen en huiven de strenge ordonnantie der standen, de pronkende waardigheden, den staat van blijdschap of smart, de teedere betrekking van vrienden en verliefden.
Van alle levensverhoudingen was de aesthetiek zoo uitdrukkelijk mogelijk uitgewerkt. Hoe hooger het schoonheids- en zedelijkheidsgehalte van zulk een verhouding was, hoe meer de uitdrukking ervan tot zuivere kunst kon worden. Beleefdheid, etikette vinden hun schoone uiting enkel in het leven zelf, in kleed en praal. De rouw echter heeft haar sterke uitdrukking bovendien in een duurzamen en machtigen kunstvorm: het grafmonument; de cultuurwaarde van den rouw was verheven door zijn verband met den godsdienst. Maar nog rijker was de aesthetische bloei van deze drie levenselementen: dapperheid, eer en liefde.
NOTEN:
[64] Poliziano, Le stanze, l'Orfeo e le rime, ed. G. Carducci, Firenze, 1863, p. 362.
[65] Eustache Deschamps, Oeuvres complètes, ed. De Queux de Saint Hilaire et G. Raynaud (Soc. des anciens textes francais) 1878-1903, 11 vol., no. 31 (I p. 113), vgl. nos. 85, 126, 152, 162, 176, 248, 366, 375, 386, 400, 933, 936, 1195, 1196, 1207, 1213, 1239, 1240 enz. enz.; Chastellain, I p. 9, 27, IV 5, 56, VI 206, 208, 219, 295; Alain Chartier, Oeuvres, ed. A. Duchesne, Paris 1617, p. 262; Alanus de Rupe, Sermo II p. 313, (B. Alanus redivivus, ed. J.A. Coppenstein, Napels, 1642).
[66] Deschamps no. 562 (IV p. 18).
[67] A. de la Borderie, Jean Meschinot, sa vie et ses oeuvres, Bibl. de l'Ecole des chartes LVI 1895, pp. 277, 280, 305, 310, 312, 622, etc.
[68] Chastellain, I p. 10, Prologue, vgl. Complainte de fortune, VIII p. 334.
[69] La Marche, I p. 186, IV p. LXXXIX; H. Stein, Etude sur Olivier de la Marche, historien, poète et diplomate, (Mém. couronnés etc. de l'Acad. royale de Belg. t. XLIX) Bruxelles 1888, frontispice.
[70] Monstrelet, IV p. 430.
[71] Froissart ed. Luce, X. p. 275; Deschamps no. 810 (IV p. 327); vgl. Les Quinze joyes demariage, (Paris, Marpon et Flammarion) p. 64 (quinte joye); Le livre messire Geoffroi de Charny, Romania XXVI 1897, p. 399.
[72] Joannis de Varennis responsiones ad capitula accusationum etc. § 17, bij Gerson, Opera, I p. 920.
[73] Deschamps no. 95 (I p. 203).
[74] Deschamps, Le miroir de mariage, IX p. 25, 69, 81, no. 1004 (V p. 259), verder II p. 8, 183-7. III p. 39, 373, VII p. 3, IX p. 209 enz.
[75] Convivio lib. IV. cap. 27, 28.
[76] Discours de l'excellence de virginité, Gerson, Opera III p. 382; vgl. Dionysius Cartusianus, De vanitate mundi, Opera omnia, cura et labore monachorum sacr. ord. Cart., Monstrolii-Tornaci 1896-1913, 41 vol. XXXIX p. 472.
[77] Chastellain, V p. 364.
[78] La Marche, IV p. cxiv.--De oude Nederl. vertaling van zijn Estat de la maison du duc Charles de Bourgogne bij Matthaeus, Analecta I p. 357-494.
[79] Christine de Pisan, Oeuvres poétiques, ed. M. Roy (Soc. des anciens textes francais) 1886-1896, 3 vol., I p. 251 no. 38; Leo von Rozmital's Reise, ed. Schmeller, (Bibl. des lit. Vereins zu Stuttgart t. VII) 1844, p. 24, 149.
[80] La Marche, IV. p. 4ss.; Chastellain, V p. 370.
[81] Ernst.
[82] Een staatsiezetel.
[83] Gekleed.
[84] Chastellain, V. p. 368.
[85] La Marche, IV, Estat de la maison, p. 34ss.
[86] La Marche, I p. 277.
[87] La Marche, IV, Estat de la maison, p. 34, 51, 20, 31.
[88] Froissart, ed. Luce, III p. 172.
[89] Journal d'un bourgeois, § 218 p. 105.
[90] Chronique scandaleuse, I p. 53.
[91] Molinet, I p. 184; Basin. II p. 376.
[92] Alienor de Poitiers, Les honneurs de la cour, ed. La Curne de Sainte Palaye, Mémoires sur l'ancienne chevalerie, 1781, II p. 201.
[93] Chastellain, III p. 196-212, 290, 292, 308, IV p. 412/4, 428; Alienor de Poitiers, p. 209, 212.
[94] Alienor de Poitiers, p. 210; Chastellain, IV p. 312; Juvenal des Ursins, p. 405; La Marche, I p. 278, Froissart, I p. 16, 22, enz.
[95] Molinet, V p. 194, 192.
[96] Alienor de Poitiers, p. 190; Deschamps, IX p. 109.
[97] Chastellain, V. p. 27-33.
[98] Maxime u. Reflexionen V.
[99] Alleen om u moet de priester wachten. Deschamps, IX Le miroir de mariage, p. 109/110.
[100] Verscheiden exemplaren van zulke "paix" bij Laborde, II nos. 43, 45, 75, 126, 140, 5293.
[101] De baljuwsche.
[102] Deschamps ib.; p. 300, vgl. VIII p. 156 ballade no. 1462; Molinet, V p. 195; Les cent nouvelles nouvelles, ed. Th. Wright, II p. 123; vgl. Les Quinze joyes de mariage p. 185.
[103] Canonisatieproces te Tours, Acta Sanctorum Apr. t. I p. 152.
[104] Over zulke rangtwisten onder den Hollandschen adel, waarop reeds even gewezen is door W. Moll, Kerkgeschiedenis van Nederland vóór de hervorming, Utrecht 1864-'69, 2 deelen (5 stukken) II 3 p. 284(2), is uitvoerig gehandeld door H. Obreen, Bijdr. v. Vad. Gesch. en Oudhk. X p. 308.
[105] Deschamps, IX p. 111-114.
[106] Jean de Stavelot, Chronique, ed. Borgnet (Coll. des chron. belges) 1861, p. 96.
[107] Pierre de Fenin, p. 607; Journal d'un bourgeois, p. 9.
[108] Aldus Juvenal des Ursins, p. 543, en Thomas Basin, I p. 31. Het Journal d'un bourgeois, p. 110 geeft een andere reden voor het doodvonnis, evenzoo Le Livre des trahisons, ed. Kervyn de Lettenhove (Chron. rel. à l'hist. de Belg. sous les ducs de Bourg.) II p. 138(1).
[109] Rel. de S. Denis, I p. 30; Juvenal des Ursins, p. 341.
[110] Pierre de Fenin, p. 606; Monstrelet, IV p. 9.
[111] Pierre de Fenin, p. 604.
[112] Christine de Pisan, I p. 251 no. 38; Chastellain, V p. 364ss; Rozmital 's Reise, p. 24, 149.
[113] Deschamps, I nos. 80, 114, 118, II nos. 256, 266, IV nos. 800, 803, V nos. 1018, 1024, 1029, VII no. 253, X nos. 13, 14.
[114] Anonym bericht der 15e eeuw in Journal de l'inst. hist., IV p. 353, vgl. Juvenal des Ursins, p. 569, Religieux de S. Denis, VI p. 492.
[115] Jean Chartier, Hist. de Charles VII, ed. D. Godefroy 1661, p. 318.
[116] Intocht van den dauphin als hertog van Bretagne te Rennes in 1532 bij Th. Godefroy, Le cérémonial françois, 1649, p. 619.
[117] Rel. de S. Denis, I p. 32.
[118] Journal d'un bourgeois, p. 277.
[119] Thomas Bassin, II p. 9.