Herfsttij der Middeleeuwen Studie over levens- en gedachtervormen der veertiende en vijftiende eeuw in Frankrijk en de Nederlanden

Part 2

Chapter 23,788 wordsPublic domain

Het leven had in menig opzicht nog de kleur van het sprookje. Merk op, hoe archaïsch de hofchronisten, geleerde, aanzienlijke mannen, de vorsten, met wie zij verkeeren, zien, en stel u dan voor, wat het koningschap in de volksverbeelding moet zijn geweest. Hier is de jonge Karel de Stoute, nog graaf van Charolais, die van Sluis te Gorkum aangekomen, daar verneemt, dat zijn vader de hertog zijn pensie en al zijn beneficiën heeft ingetrokken. Chastellain beschrijft, hoe nu de graaf zijn gansche hofhouding, tot de keukenjongens toe, voor zich laat verschijnen, en hun zijn rampspoed meedeelt in een roerende toespraak, waarin hij zijn eerbied voor den misleiden vader, zijn zorg voor het wel der zijnen en zijn liefde voor hen allen betuigt. Die zelf middelen hebben, spoort hij aan, met hem zijn fortuin af te wachten; die arm zijn, laat hij vrij om heen te gaan, en als zij mochten hooren, dat 's graven fortuin zich gekeerd heeft, "komt dan terug, en gij zult allen uw plaats open vinden en zult mij welkom zijn, en ik zal het geduld beloonen dat gij om mijnentwil hebt gehad."--"Lors oyt-l'on voix lever et larmes espandre et clameur ruer par commun accord: "Nous tous, nous tous, monseigneur, vivrons avecques vous et mourrons."--Diep geroerd aanvaardt Karel hun trouw: "Or vivez doncques et souffrez; et moy je souffreray pour vous, premier que vous ayez faute." Dan komen de edelen en bieden hem aan, wat zij bezitten, "disant l'un: j'ay mille, l'autre: dix mille, l'autre: j'ay cecy, j'ay cela pour mettre pour vous et pour attendre tout vostre advenir." En zoo ging alles zijn gewonen gang, en er kwam geen kip minder om in de keuken [17].

De uitpenseeling van het tafereel is natuurlijk van Chastellain. Wij weten niet, in hoeverre zijn verhaal hier het werkelijk gebeurde styleert. Doch waar het op aankomt: hij ziet den vorst in de eenvoudige vormen van de volksballade; het geval wordt voor hem geheel beheerscht door de meest primitieve roerselen van wederzijdsche trouw.

Terwijl het mechanisme van het staatsbestuur en de staatshuishouding in werkelijkheid reeds gecompliceerde vormen had aangenomen, projecteert zich het staatsbeleid in den geest des volks in enkele vaste, eenvoudige figuren. De politieke voorstellingen, waarin men leeft, zijn die van het volkslied en den ridderroman. Er zijn een beperkt getal koningstypen: de edele, rechtvaardige vorst, de door booze raden misleide vorst, de vorst wreker van de eer van zijn geslacht, de vorst in het ongeluk door de trouw der zijnen gesteund. Het eeuwige wantrouwen, of het geld door de kroon wel in het algemeen welzijn wordt besteed, vindt zijn uitdrukking in de steeds terugkeerende voorstellingen: de koning wordt omringd door hebzuchtige, sluwe raadgevers, of de weelde en overdaad van 's konings hofhouding is er schuld aan, dat het slecht gaat met het land. Zoo reduceeren zich de politieke kwesties voor het volk tot de gevallen van de sproke. Philips de Goede begreep, welke taal het volk verstond. Tijdens zijn feesten in den Haag in 1456 heeft hij, om indruk te maken op de Hollanders en Friezen, die zouden meenen, dat het hem aan geld ontbrak om het bisdom Utrecht te vermeesteren, in een kamer naast de ridderzaal dertig duizend mark zilver aan kostelijk vaatwerk laten uitstallen. Iedereen mag er naar komen kijken. Bovendien zijn er uit Rijssel twee geldkisten meegebracht met tweehonderdduizend gouden leeuwen. Men mag beproeven, ze op te lichten, maar het is moeite vergeefsch [18]. Kan er opvoedkundiger vermenging van staatscrediet en kermisvermaak bedacht worden?

Het vorstelijk leven en bedrijf had nog menigmaal een fantastisch element, dat ons aan den khalief uit Duizend en één Nacht herinnert. Zij handelen te midden van de koel berekende politieke ondernemingen soms met een roekelooze onstuimigheid, die om een persoonlijke gril hun leven en hun werk in gevaar brengt. Eduard III waagt er zichzelf, den prins van Wales en de zaak van zijn land aan, om een vloot van spaansche koopvaarders aan te vallen, ter vergelding van eenige zeerooverij [19].--Philips de Goede heeft er zijn zinnen op gezet, een zijner archers te huwen aan een rijke brouwersdochter uit Rijssel. Toen de vader dit tegenwerkt en er het Parlement van Parijs inhaalt, breekt de hertog, in woede ontstoken, de gewichtige staatsbesognes, die hem in Holland hielden, plotseling af, en onderneemt, in den heiligen tijd vlak voor Paschen nog wel, een gevaarlijke zeereis van Rotterdam naar Sluis, om zijn zin door te drijven [20]. Een andermaal is hij in zinneloozen toorn om een twist met zijn zoon als een weggeloopen schooljongen stil uit Brussel gereden, en verdwaalt 's nachts in het bosch. Als hij weer terecht is, valt de hachelijke taak, om hem weer in zijn gewone doen te brengen, den ridder Philippe Pot te beurt. De handige hoveling vindt het rechte woord: "Bonjour monseigneur, bonjour, qu'est cecy? Faites-vous du roy Artus maintenant ou de messire Lancelot?" [21]

Hoe khaliefachtig doet het aan, wanneer dezelfde hertog, als de geneesheeren hem hebben voorgeschreven, zich het hoofd kaal te laten scheren, gelast, dat alle edelen zullen doen als hij, en Peter van Hagenbach opdraagt, om waar hij een edelman ongeschoren vond, hem van zijn haardos te ontdoen [22]. Of wanneer de jonge koning van Frankrijk Karel VI, met een vriend op één paard, vermomd den intocht van zijn eigen bruid, Isabella van Beieren, gaat zien, en in 't gedrang klappen oploopt van de dienders [23].--Een dichter uit de XVe eeuw laakt het, dat de vorsten hun nar of speelman tot hofraad en minister verheffen, gelijk Coquinet le fou de Bourgogne [24].

Een andere gewoonte herinnert aan figuren, die tot in de laatste dagen van het tsarisme hun invloed aan het Russische hof hadden: de vorsten der XVe eeuw zoeken herhaaldelijk raad in staatszaken bij de visionaire asceten en de geëxalteerde volkspredikers. Dionysius de Kartuizer, Vincent Ferrer traden als politieke raadgevers op; de luidruchtige prediker Olivier Maillard, een Fransche Brugman, was in de heimelijkste onderhandelingen van vorstenhoven gemengd [25]. Een element van godsdienstige spanning werd zoodoende levend gehouden in de hooge staatkunde.

Het was niet door roekeloos avontuurlijke daden en woeste grillen alleen, dat het vorstenleven voortdurend in de sfeer van het romantische bleef. De bloedige tragiek van het koningschap heeft zelden zoo aanhoudend het tooneel van Europa vervuld met den aanblik van aangrijpende lotswisseling als in de XIVe en XVe eeuw. In het Duitsche Rijk en in Engeland in één jaar tijds een koning onttroond. De wildste verhalen liepen van Wenzel, den dronkaard, die de Duitsche landen verwaarloosde, terwijl de Turken steeds dreigender naderden. De koningin zou des nachts door zijn woeste losgebroken honden zijn verscheurd. De geheimzinnige dood van Richard II van Engeland, na zijn verbazenden val, riep dien van Eduard II, zeventig jaren eerder, in het geheugen terug. In Frankrijk een waanzinnige op den troon, en 't land door wilde partijtwist verscheurd. En de gansche christenheid verdeeld door het groote schisma: twee pausen, drie welhaast, die om de macht streden. "Le Pappe de la Lune" noemde men in Frankrijk den paus van Avignon, Benedictus XIII, den Aragonees Peter van Luna: het moet voor het volk een half ijlhoofdigen klank hebben gehad. De twee schreeuwende moorden van 1407 en 1419: op Lodewijk van Orleans en op Jan zonder Vrees, hebben met hun eindeloozen nasleep van wraakzucht en oorlog aan de Fransche geschiedenis eener gansche eeuw een grondtoon van somberen haat gegeven.

Men kon de wisselvalligheid der vorstelijke fortuin, zooals ieder haar voor oogen had in het beeld van het wiel, waar zij aftuimelen met hun schepters en kronen, niet beter belichaamd zien dan in René van Anjou, die altijd weer de hoogste kansen had gemist, die getracht had naar de kronen van Hongarije, Sicilië en Jeruzalem, en niet anders vond dan nederlagen, moeilijke ontvluchtingen, lange gevangenschappen. De dichter-koning zonder troon, die zich vermeide in herderdicht en miniatuurkunst, moet wel van een diep gewortelde frivoliteit zijn geweest, of het lot zou hem hebben genezen. Bijna al zijn kinderen had hij zien sterven, en de dochter, die hem gebleven was, had een lot, dat in zwarte droefheid het zijne overtrof. Margareta van Anjou, vol geest, eerzucht en hartstocht, had, zestien jaar oud, den koning van Engeland gehuwd, Hendrik VI, een onnoozele. Het Engelsche hof was een hel van haat. Toen eindelijk de groote familiestrijd in de phase van bloedig geweld was gekomen, verloor Margareta kroon en rijkdom. Zij had het ergste gevaar en den bittersten nood gekend; aan de erbarming van een struikroover had zij zich en haar zoon moeten toevertrouwen. Zij had bij de mis een Schotschen boogschutter om een penning moeten vragen voor een offer, "qui demy à dur et à regret luy tira un gros d'Escosse de sa bourse et le luy presta". Toen Chastellain het aandoenlijk verhaal van haar rampspoed en zwerftochten uit haar mond vernam, en haar tot troost een _Temple de Bocace_ [26] wijdde, "aucun petit traité de fortune, prenant pied sur son inconstance et déceveuse nature", een sombere galerij van vorstenongeluk, toen stond haar het ergste nog te wachten: bij Tewkesbury in 1471 de Lancaster's voorgoed verslagen, haar eenige zoon in den slag gevallen of na den slag vermoord, haar gemaal heimelijk omgebracht, zijzelf vijf jaren in den Tower, om tenslotte door Eduard IV aan Lodewijk XI te worden verkocht, wien zij tot dank voor haar bevrijding afstand moest doen van de erfenis van haar vader, koning René.

Waar de echte koningskinderen zulk een lot beleefden, hoe zou daar een burger van Parijs anders dan geloof schenken aan het verhaal, waarmee in 1427 een troep Zigeuners in de stad kwam? Zij kwamen als boetelingen, "ung duc et ung conte et dix hommes tous à cheval", de rest, een 120 sterk, moest buiten blijven. Uit Egypte waren zij, de paus had hun als boete voor hun afval van het christelijk geloof opgelegd om zeven jaar te zwerven, zonder in een bed te slapen. Zij waren wel 1200 geweest, maar hun koning en koningin en al de anderen waren onderweg gestorven. Tot eenig solaas had de paus gelast, dat ieder bisschop en abt hun tien pond tournoois zou geven. De Parijzenaars kwamen in groote menigte naar het vreemde volkje kijken, en lieten zich de hand lezen door de vrouwen, die den lieden het geld uit hun beurzen in de hare deden verhuizen "par art magicque au autrement" [27].

Er lag om het vorstenleven een sfeer van avontuur en van hartstocht. Het was niet louter de volksverbeelding, die het die kleur leende. De moderne mensch maakt zich doorgaans geen voorstelling van de teugellooze buitensporigheid en ontvlambaarheid van het middeleeuwsch gemoed. Men kan uit de oorkonden een beeld ontwerpen van een stuk middeleeuwsche geschiedenis, dat er juist zoo uitziet als achttiendeëeuwsche ministers- en gezanten-politiek. Maar zulk een beeld mist één gewichtig element: de felle kleur van den geweldigen hartstocht, die èn de volken èn de vorsten heeft bezield. Zonder twijfel is dat element ook nú nog in de staatkunde aanwezig, maar het vindt meer remmen en beletselen, het is op honderden wijzen door het ingewikkelde mechanisme van het gemeenschapsleven in vaste banen geleid. In de vijftiende eeuw komt in de politieke daad nog een mate van onmiddellijk affect tot uiting, waardoor nut en berekening telkens worden doorbroken. Gaat dat affect gepaard met machtsgevoel, zooals bij de vorsten, dan werkt het dubbel heftig. Chastellain drukt het in zijn deftige termen bondig uit. Het is geen wonder, zegt hij, dat vorsten dikwijls met elkaar in vijandschap leven, "puisque les princes sont hommes, et leurs affaires sont haulx et agus, et leurs natures sont subgettes à passions maintes comme à haine et envie, et sont leurs coeurs vray habitacle d'icelles (des passions) à cause de leur gloire en régner" [28]. Dit is, wat Burckhardt "das Pathos der Herrschaft" noemt.

Wie de geschiedenis van Bourgondië wilde schrijven, moest steeds weer een wraakmotief kunnen doen klinken, zoo zwart als een katafalk, dat u bij elke daad in den raad en te velde, den bitteren smaak gaf te proeven van hun geest vol sombere wraakgierigheid en verscheurden hoogmoed. Zeker, het zou onnoozel zijn, om weer te willen terugkeeren tot het gezicht, dat de vijftiende eeuw zelf op de geschiedenis had. Het gaat niet aan, de geheele machtstegenstelling, waaruit de eeuwenlange strijd van Frankrijk en de Habsburgers is gegroeid, te willen afleiden uit de bloedwraak tusschen Orleans en Bourgondië, de twee takken van het huis Valois. Wanneer men zich maar bewust blijft, dat voor den tijdgenoot die bloedwraak het beheerschende moment van de lotgevallen hunner landen was. Philips de Goede is voor hen in de eerste plaats de wreker, "celluy qui pour vengier l'outraige fait sur la personne du duc Jehan soustint la gherre seize ans" [29]. Als een heilige taak had Philips het op zich genomen: "en toute criminelle et mortelle aigreur, il tireroit à la vengeance du mort, si avant que Dieu luy vouldroit permettre; et y mettroit corps et âme, substance et pays tout en l'aventure et en la disposition de fortune, plus réputant oeuvre salutaire et agréable à Dieu de y entendre que de le laisser". Het was den Dominicaan, die bij den lijkdienst voor den vermoorden hertog de predikatie hield, euvel aangerekend, dat hij op den christenplicht om niet te wreken gewezen had [30]. Al de staten van zijn landen riepen met hem om wraak, zegt La Marche [31].

Het tractaat van Atrecht, dat in 1435 den vrede tusschen Frankrijk en Bourgondië schijnt te zullen brengen, begint met de boete voor den moord van Montereau; een kapel te stichten in de kerk van Montereau, waar Jan het eerst begraven was, waar ten eeuwige dage een requiem zal gezongen worden iederen dag; desgelijks in dezelfde stad een Kartuizerklooster, een kruis op de brug zelf, waar het feit was bedreven, een mis in de Kartuizerkerk te Dijon, waar de Bourgondische hertogen begraven liggen [32]. Het was maar een deel van al de openbare boete en schande, die de kanselier Rolin namens den hertog geëischt had: kerken met kapittels niet alleen te Montereau, maar ook te Rome, Gent, Dijon, Parijs, Santiago de Compostella en Jeruzalem, met opschriften in steen, die het feit verhalen moesten [33].

Een wraakbehoefte, die zich in zoo wijdloopige vormen kleedde, moet wel vooraan in den geest hebben gestaan. En wat zou het volk van de staatkunde hunner vorsten beter hebben begrepen dan deze eenvoudige, primitieve motieven van haat en wraak? De aanhankelijkheid aan den vorst was van een kinderlijk impulsief karakter, een onmiddellijk gevoel van trouw en gemeenschap. Het is een uitbreiding van het oude sterke besef, dat de eedhelpers aan den klager, de mannen aan hun heer bond, en dat in veete en strijd tot allesvergetenden hartstocht aangloeide. Het is partijgevoel, geen staatsgevoel. De latere middeleeuwen zijn de tijd der groote partijstrijden. In Italië consolideeren de partijen zich reeds in de 13e eeuw, in Frankrijk en de Nederlanden rijzen ze overal omhoog in de 14e. Iedereen, die de geschiedenis van die tijden bestudeert, moet wel eens getroffen zijn door de gebrekkigheid, waarmee die partijschappen door de moderne geschiedvorsching uit economisch-politieke oorzaken worden verklaard. De economische tegenstellingen, die men eraan ten grondslag legt, zijn veelal louter schematische constructies, die men met den besten wil niet uit de bronnen kan aflezen. Zonder de aanwezigheid van economische oorzaken te loochenen, is men geneigd te vragen, of ter verklaring van den laat-middeleeuwschen partijstrijd een politisch- psychologisch gezichtspunt niet meer profijt oplevert dan een politisch- economisch. Op de onmiddellijke basis van hartstochtelijke trouw, van familietrots en wraakzucht kan men de partijen als 't ware zien agglomereeren uit de beperkte veeten van den zuiver-feodalen tijd. Met de versterking van de staatsmacht, met de uitbreiding van de geldmacht nemen de primitieve gevoelens van solidariteit en gemeenschapseer breeder, openlijker vormen aan. Wanneer een scherpziend tijdgenoot verklaart, dat voor den haat van Hoekschen en Kabeljauwschen geen redelijke gronden waren te bespeuren [34], moet men niet minachtend de schouders ophalen en wijzer willen zijn dan hij.

Hoe hevig de gemoedsbeweging van vorstentrouw werken kon, leest men op elke bladzijde der middeleeuwsche geschiedenis. De dichter van het mirakelspel Marieken van Nimwegen vertoont ons, hoe Marieken's kwade moei, na zich met de buurvrouwen half razend gekeven te hebben over den twist van Arnold en Adolf van Gelre, zich ophangt uit spijt, dat de oude hertog uit zijn gevangenis is verlost. Blijkbaar was dit dus voor hem een waarschijnlijk motief. Midden in den nacht laten de schepenen van Abbeville de klokken luiden, omdat er een bode gekomen is van Karel van Charolais met verzoek om te bidden voor de genezing zijns vaders. De verschrikte burgers stroomen ter kerke, ontsteken honderden kaarsen, liggen geknield of neergeworpen, in tranen, den ganschen nacht, terwijl de klokken aldoor luiden [35].

Als het volk van Parijs, in 1429 nog Engelsch-Bourgondischgezind, verneemt, dat broeder Richard, die hen nog pas zoo innig had aangegrepen met zijn preeken, een Armagnac is, en de steden heimelijk ompraat, dan vervloeken zij hem bij God en de heiligen; voor den tinnen penning met den naam van Jezus, dien hij hun gegeven had, nemen zij het Andrieskruis, het partijteeken van Bourgondië. Zelfs het hervatten van de dobbelspelen, waartegen broer Richard geijverd had, geschiedde, meent de burger van Parijs, "en despit de luy" [36].

Men zou meenen, dat het schisma tusschen Avignon en Rome, dat geen dogmatischen grond had, geen geloofshartstocht kon hebben gewekt in de landen, ver van de beide centra verwijderd. Toch ontwikkelt zich ook daar het schisma onmiddellijk tot een felle en hevig bewogen partijzaak, tot een tegenstelling als van geloovigen en ongeloovigen. Wanneer Brugge overgaat van den paus te Rome tot dien van Avignon, verlaten tal van lieden huis en stad, bedrijf of prebende, om in Utrecht, Luik of een ander gebied der urbanistische obedientie naar hún partij te kunnen leven [37]. Te Rozebeke in 1382 is de Fransche legeraanvoering in twijfel, of men tegen de opstandige Vlamingen de oriflamme, de heilige koningsvaan, zal ontplooien of niet. De beslissing valt: ja, want die Vlamingen zijn urbanisten, dus ongeloovigen [38]. Pierre Salmon kon te Utrecht geen priester vinden, die hem zijn paasch wil laten vieren, "pour ce qu'ils disoient que je estoie scismatique et que je créoie en Benedic l'antipape", zoodat hij alleen in een kapel gaat biechten, alsof hij 't voor een priester deed, en de mis hoort in het Kartuizerklooster [39].

Het sterk bewogen karakter van partijgevoel en vorstentrouw werd nog verhoogd door de machtige suggestieve werking, die er uitging van al de partijteekens, kleuren, emblemen, deviezen, kreten, die elkander somtijds in bonte wisseling opvolgden, meestal zwanger van moord en doodslag, een enkele maal teeken van blijder dingen. Wel twee duizend personen trokken in 1380 den jongen Karel VI bij zijn intocht in Parijs tegemoet, allen gelijk gekleed in half groen half wit. Tot driemaal toe zag men in de jaren 1411 tot 1413 heel Parijs plotseling met ander kenteeken getooid: paarse kaproenen met het Andrieskruis, witte kaproenen, dan weer violette. Geestelijken, vrouwen en kinderen droegen ze. Tijdens het schrikbewind der Bourguignons te Parijs in 1411 werden iederen Zondag de Armagnacs onder klokgelui geëxcommuniceerd; men behing de heiligenbeelden met het Andrieskruis, ja, sommige priesters wilden bij de mis en bij den doop het kruisteeken niet recht maken, zooals de Heer gekruist was, maar maakten het schuins [40].

De blinde hartstocht, waarmee men zijn partij, zijn heer of ook zijn eigen zaak volgde, was mede een uitingsvorm van het muurvaste, steenharde rechtsgevoel, de onwrikbare verzekerdheid, dat elke daad haar uiterste vergelding eischt. Het middeleeuwsche gerechtigheidsgevoel was voor drie kwart heidensch. Het was wraakbehoefte. De kerk had wel de rechtsgewoonten getracht te verzachten door aandrang op zachtmoedigheid, vrede, vergevensgezindheid, maar het eigenlijke rechtsgevoel had zij daarmee niet veranderd. Integendeel, zij had het geëxaspereerd, door aan de vergeldingsbehoefte den haat tegen de zonde toe te voegen. De zonde nu, dat was al te vaak: wat mijn vijand doet. Er was een enorme spanning gekomen van barbaarsch-religieus gerechtigheidsgevoel; onder invloed van de zonde-opvatting was de afkoopbaarheid van het misdrijf meer en meer teruggedrongen, en zoo is het einde der middeleeuwen de bedwelmende bloeitijd van pijnlijke gerechtigheid en justitieele wreedheid geworden. Daar was geen oogenblik van twijfel, of de boosdoener zijn recht verdiend had. Daar was innige voldoening over treffende daden van justitie, door den vorst zelf verricht. Daar waren vlagen van straffe gerechtigheid, dan tegen roovers en geboefte, dan tegen heksen en toovenaars, dan tegen sodomie.

Wat in de justitieele wreedheid der late middeleeuwen treft, is geen ziekelijke perversiteit maar het dierlijke, verstompte jolijt, dat het volk erin had, de kermisvreugde ervan. Die van Mons koopen een rooverhoofdman tegen veel te hoogen prijs, voor het genoegen van hem te vierendeelen, "dont le peuple fust plus joyeulx que si un nouveau corps sainct estoit ressuscité" [41]. Tijdens de gevangenschap van Maximiliaan te Brugge in 1488 staat op de markt, waar de gevangen koning het kan zien, de pijnbank op een hooge estrade, en het volk krijgt er niet genoeg van, de van verraad verdachte magistraatspersonen telkens weer te zien pijnigen, en weerhoudt de executie, waar dezen om smeeken, om nieuwe kwellingen te genieten [42].

Tot welke onchristelijke uitersten juist de vermenging van geloof en wraakzucht leidde, bewijst de gewoonte, die in Frankrijk en Engeland heerschte, om den terdoodveroordeelde niet alleen het viaticum maar ook de biecht te weigeren. Men wilde hun ziel niet redden, men wilde hun doodsangst verzwaren met de zekerheid der hellestraf. Vergeefs had paus Clemens V in 1311 gelast, althans het boetsacrament toe te staan. De politieke idealist Philippe de Mézières drong er opnieuw op aan, eerst bij Karel V van Frankrijk, toen bij Karel VI. Doch de kanselier Pierre d'Orgemont, wiens "forte cervelle", zegt Mézières, moeilijker om te keeren was dan een molensteen, verzette er zich tegen, en Karel V, de wijze, vreedzame koning, verklaarde, dat bij zijn leven de gewoonte niet veranderd zou worden. Eerst toen de stem van Jean Gerson zich bij die van Mézières voegde met een vijftal consideraties tegen het misbruik, gelastte een koninklijk edict van 12 febr. 1397 den veroordeelde de biecht toe te staan. Pierre de Craon, aan wiens bemoeiing het besluit te danken was, richtte een steenen kruis op bij de galg van Parijs, waar de Minderbroeders de berouwvolle misdadigers konden bijstaan [43]. Toch verdween ook toen de oude gewoonte nog niet uit de volkszeden; nog kort na 1500 moet de bisschop van Parijs, Etienne Ponchier, het statuut van Clemens V hernieuwen. In 1427 wordt een roofziek jonker te Parijs gehangen. Bij de terechtstelling komt een aanzienlijk ambtenaar, groot tresorier in dienst van den regent, zijn haat tegen den veroordeelde luchten; hij belet, dat hem de confessie wordt toegestaan, die hij vraagt; hij klimt scheldende achter hem de ladder op, slaat hem met een stok, ranselt den beul, omdat die hem naar de redding van zijn ziel vraagt. De beul, verschrikt, overhaast zich, de strop breekt, de arme misdadiger valt, breekt been en ribben, en moet zoo de ladder weer op [44].