Hendrik Conscience, zijn persoon en zijn werk
Chapter 6
In "Knagelijntje" wordt van een heideplantje gesproken, alsof het werkelijk leefde en menschelijk gevoel had. "Och, moeder," zegt het kleine ratje, "ik wenschte dat ik een Heidebloemken ware! Dan zou de wind ook, van 's morgens tot 's avonds, met my spelen en myne bellekens doen waggelen; ik zou de blauwe lucht zien en de lieve biekens zouden mij ook komen kussen en streelen...." Het heidebloemken heeft menschelijke zinnen. Wel is het maar een sprookje, waar deze voorstelling in voorkomt, maar nog elders wordt de zichtbare natuur, in haar geheel, als bezield voorgesteld, omdat de schrijver dichterlijk door haar wordt aangedaan, door haar hulsel heen dus een begrip ziet, schoonheid of eeuwige werkelijkheid. Een diepere beteekenis, doordat ze met menschenlotgeval in onmiddellijke aanraking wordt gebracht, verkrijgt ze in het aangehaalde fragment uit "De Loteling," waar het meisje den brief leest. Evenzeer wordt een eenheid uit de verspreide verschijnselen afgeleid in "Het boetende meisje;" zij drukken de stemming uit van een mensch. Hetzelfde dichterlijk begrijpen, dezelfde sympathie, maakt in het sprookje de verpersoonlijking van het bloempje waarschijnlijk. De eenvoudige plant wordt erdoor een bestaansrede, een belangrijkheid toegekend. Wij zijn niet ver meer van een pantheïstisch gevoel verwijderd. De zon speelt een overwegenden rol in deze wereldbeschrijving. Zij regelt, als een andere godheid, de gebeurtenissen; zij bepaalt er den duur van. Het Grinselhof in "De arme edelman" is door zijn oorspronkelijke bewoners verlaten, de inboedel werd verkocht. Hier begint een nieuw hoofdstuk, waar de zon alles situeert: "(Zij) moest nog slechts een vierde harer dagelyksche baan doorloopen om de westerkim te bereiken. Op het Grinselhof heeft eene doodsche stilte het baatzuchtig gewoel der schacheraars vervangen; geen mensch is nog in de eenzame paden des tuins zigtbaer; de poort staet op slot, alles is in zijne gewoone rust teruggekeerd;--men zou zeggen dat niets is gebeurd."
Ook in de besloten stad neemt alles met haar einde en aanvang. Geen avondleven buiten, in Conscience's werken.
"De zon, die grootste schilderesse der wereld, was bezig achter de kim haer palet te bereiden; zy vereenigde en mengde er de schoonste verwen op welke zy bezat, om dien plegtigen dag,--om den eersten stap van Frans in de baen der kunst, met eenen ongemeenen glans te beschynen. Weldra wierp zy, door eenen enkelen penseeltoets, de grysgeele doodverw op haer onmeetbaer panneel.... en de stad Antwerpen stond, als eene aengelegde schets, zigtbaer in het schemerlicht."
Als er langer tijd tusschen gebeurtenissen verloopt dan die van een dag tot den anderen, zijn het de winter, of de lente, die een nieuw evenement inleiden; maar ook de zon komt er dan weer bij, met alle vogels en de vruchten, die blozen of beginnen te vallen, en onder haar glimlach kleuren. Op zulken morgen doet zij niet enkel haar verschijning, maar "verwt de kimme" en wekt alle leven.
Reeds in "Het Wonderjaer" rijst zij oppermachtig.
"(Zij) verhief zich langzaem en heerlyk op den purperen gezichteinder. Eene harer stralen viel schuins op het vensterglas van Lodewijks kamer;--en deed des jongelings oogen ontsluiten. Onrustig rees hy van zyne bedstede, en na zich een' oogenblik voor zynen schepper te hebben (gebogen), kleedde hy zich, en gordde zich het wapen aen."
Wij spraken over het gevoel van de natuur als een geheel. Zij kan worden vereerd om zich zelve. Niet zoozeer om haar vormenschoonheid, als om haar symbolische beteekenis, haar inhoud. Omstandigheden kunnen zulk gevoel verwekken. Een der hoogtepunten van Consciences natuurbeschrijving is, in "Blinde Rosa," de terugkomst van een uitwijkeling in zijn land. Hij houdt stil niet ver van zijn dorp, dat achter het oude woud is verscholen. "Het was met vele beuken gegaen als met de bewooners van het dorp. Jonge boomen hadden de plaets ingenomen om eenen nieuwen levenskring te doorloopen. Zy waren dus vreemdelingen voor den reiziger en hem gansch onverschillig. Maer der vogelen zang, die van alle kanten uit het loover galmde, was nog dezelfde; ook het klagend gesuis des winds als hy de spelden der masten beweegt, ook het geritsel der krekels, ook de heidelucht met hare liefelyke geuren:--de voorwerpen waren veranderd; het eeuwig uitwerksel der natuer was hetzelfde gebleven!"
Zulke gewaarwording zoekt Conscience. Hij meent dat ze alles doet vergeten, vijandschap en bekommering. Alleen godsdienstig gevoel kan zulks bewerken: Natuuraanschouwing wordt eeredienst, die troost.
"Van alles afgescheiden, zich overleveren aan het onvoorziene; tusschen dichtbewassen heesterbosschen en donkere wouden ronddwalen, zonder te weten waar men is of waar men komen zal; geen spoor der menschelyke maatschappij meer ontwaren; alles vergeten, tot de vriendschap zelve, om zich der vijandschap ook niet meer te herinneren....; wanneer men van geheimvol ontzag beeft en siddert onder den indruk der plechtigste stilte,--stilte der groeiende natuur, stilte der lucht, stilte des lichts zelve,--dan gaat de ziel, de dichterlijke ziel uit den stoffelijken mensch, en zweeft en zwemt en wiegelt op den lauwen vloed der rustige droomenzee...."
De vorm waaronder zulk gevoel wel alle menschen eigen is, gehechtheid aan den geboortegrond, is gewoonlijk een factor in Consciences verhalen. Terugkeerende reizigers worden "door een onbegrijpelijke aandoening verrast," en blijven ontroerd de daken beschouwen, die achter het veld bij elkaar staan. Een soldaat ontmoet een meisje van zijn dorp. Dit komt hem voor oogen staan, zoo klaar dat hij "de zon op den toren ziet schijnen;" zijn vader is bezig met de stoppels van het veld te rijven en zijn moeder staat erbij, en hij hoort dat ze van hem spreken.
Maar de opperste verheerlijking is "Rikke-tikke-tak," waar liefde van man tot vrouw en van beiden tot de plek die hen omgaf toen ze onwetend van elkander hielden, tot een poëma van onwrikbare eenheid, vereeniging van goedheid en geheele overgave, geworden zijn.
Lena, een boerenmeid die ruw behandeld wordt en enkel door den zoon des huizes beschermd, bemint hem zonder het te weten om zijn goedheid. Zij droomt op de heide, op een hoogen duin, waar ze in schaduw van kleine boomen den weg kan volgen, die door de vlakte slingert. Zij neurt een vreemde wijze waarvan ze niet weet, waar ze die heeft geleerd.
Zij kent haar ouders niet. Haar vader verliet voòr lang het dorp, toen ze nog een klein kind was. Hij was een hoefsmid, verliet het land toen zijn vrouw stierf en werd in het Fransche leger officier. Hij zoekt haar nu over de heele streek. Hij hoort het liedje dat zij zingt en herkent haar. Zij vergezelt hem, gelukkig, naar het buitenland.
De knaap komt op het hooge plekje peinzen. Hij slaat de armen om den herdersstaf zoodat hij er kan op leunen. "Uit zyn hart stroomt een stil gezang over zyne lippen; tusschen het loof der jeneverboomkens suizen de klanken van het lied. Rikke tikke tak, Rikke tikke toe...."
Ver van de heide begint ook Lena te treuren. Eerst nog maar enkel een besef, dat de groote heide een leemte nalaat in haar leven. "Van tyd tot tyd bewogen zich hare lippen werktuigelyk, en het vergeten lied van Rikke-tikke-tak zweefde onhoorbaer rond haren mond."
Onder den beuk en bij de beken, op de duinen, wordt het beeld van den verloren vriend duidelijker. Zij kan het zich moeilijk bekennen, omdat de liefde geen merkbaren vorm aannam voòr haar vertrek. Zij smeekt haar vader, terug naar de Kempen te keeren, voelend hoe dit land haar bindt.
Ontknooping is een toevallig wederzien van Jan, die zijn dorp en later het seminarie verliet, en bedelend rondloopt in de stad. Daar hielden Lena en haar vader stil. Zij hoorden op een avond zijn lied klagen aan het venster. "Rikke tikke tak, rikke tikke toe...." Zij eischt zijn bezit op tegenover haar vader die, om hen beiden te redden, toegeeft.
Misschien het mooiste, dat Conscience geschreven heeft, is een bang verhaal aan den pastor, die Jan aanraadde in het priesterschap zijn liefde te vergeten. Eens bleef hij acht dagen lang in Brussel. Hij snelde na deze afwezigheid als een vluchteling naar zijn heide.
"Toen het my toegelaten werd terug te keeren, ging ik nacht en dag zonder rusten. Als de eerste mael de reuk der schaddevuren my door den wind werd toegevoerd, begon ik van ontroering als een kind te weenen; verder, in het midden van het eerste Mastenbosch, wierp ik my geknield ten gronde en ik dankte God met luider stemme, dat ik myne geliefde speldeboomen mogt wederzien: ik heb geëten van het eerste heidekruid, dat ik zag, om den dierbaren plant digter aen het hart te hebben."
VII.
Als we over de fouten heenzien, van taal èn stijl, die nu na een halve eeuw van taalontwikkeling zichtbaar worden, veropenbaart zich Conscience als een volmaakt verteller. De verteller moet zijn hoorders kunnen behagen; daarin is hij prachtig geslaagd en hij wist zeer goed, wàt hij vertellen moest en wàt verzwijgen, om zijn publiek te winnen.
Het hoogtepunt van zijn vertelkunst heeft hij bereikt in "De grootmoeder--verhalen voor kinderen,"--waar het gevoel nooit opgeblazen, de vorm nooit romantisch is. Een strooien hutje, twee kleine sprokkelaars in het winterwoud en het wijde heideveld, waardoor een ratje loopt dat over zijn bitter leven klaagt, geven den inhoud van de verhaaltjes. Grootmoeder vertelt aan de kleinen van Janneken en Mieken.
Doch ook in min geslaagde verhalen--in zulke zelfs als voor ons niet meer genietbaar zijn--glansen nog mooie beelden.
"Evenals de andere vrouwen droeg zij op haar hoofd een zwaren bussel kruiden, welke zij uit het koren had gewied; de vurige kolrooskens en blauwe korenbloemen hingen waggelend op haar voorhoofd of daalden als kransen der liefde langs haren hals." [7]
Conscience was een droomer, een dichter. Talent en gevoel kunnen hem niet worden ontzegd. Hij miste nochtans cultuur en wierp zich, in plaats van zich zelf te ontwikkelen, in den veeleischenden strijd dien de Vlaamschgezinden hadden begonnen. Maar gebeurde dit niet, omdat hij er behoefte aan had, zich ook in dién zin uit te leven, omdat hij in onmiddellijke aanraking wou komen met het volk,--en omdat hij met reden meende, dat het zóo beter was?
Er kwam later een tijd dat Conscience de buitenlandsche letterkunde bestudeeren kon. Maar evenals Dickens was hij bang zijn oorspronkelijkheid te verliezen, nu hij niet jong genoeg meer was om de mindere eigenschappen van zijn kunde voor andere te verruilen.
Het was hem onmogelijk geweest om uit zijn engere wereld te geraken. Evenals de meeste van zijn vrienden was hij in zijn jeugd arm. Boeken konden ze niet koopen. Nooit had in Antwerpen een Universiteit een kern van beschaving gevormd en nochtans moesten de Vlaamschgezinden er aan denken het volk vóor te lichten.
Kritiek kon zijn werk niet louteren. In een brief van 1843 prees hij zelf den goeden geest, die zijn vrienden, de Antwerpsche Vlaamschgezinden, bezielde: Zij lieten geen Vlaamsch werk verschijnen, zonder het te prijzen, indien het maar eenigszins een onderzoek kon doorstaan. Nooit keurden zij af "wat voor de tael der vaderen werd gedaen." In de jaren van onophoudelijke werkzaamheid in maatschappelijken zin heeft hij nochtans zijn beste literair werk geleverd. Hij had toen het volle geloof in zijn eigen krachten. Zijn romans droegen er toe bij om het volk verstandiger te maken en vatbaar voor zijn redeneering, als hij het op hoogere belangen wees. Zijn optreden in volksvergaderingen en feesten stichtte een sfeer van belangstelling en vereering om hem en maakte de beste propaganda voor zijn geschreven werken.
In de kleine woningen van de Kempen, waar sinds zijn heengaan meer dennen en lorken staan en minder beuken, en meer weiden groenen waar vroeger de heide zich uitstrekte, hangt in de kamer de armelijke prent, waarop Baas Gansendonck vóór de knielende sprokkelaarster staat, of Trien met moeite den brief aan haar geliefde schrijft. Wel mocht hij, in 1881, wanneer bij het verschijnen van zijn honderdste boekdeel de Vlamingen uit alle steden en dorpen naar Brussel kwamen om hem te huldigen, hun optocht met den triomftocht van een Romeinschen keizer vergelijken. Het wonder was gewrocht, dat in elk dorp, in iedere werkmanswijk Vlaamsche boeken werden gelezen. De romans van Conscience vervulden de menschen met een bijzonder geluk: in vertrouwde woorden, op eene bevattelijke wijze den gang van de wereld te hooren verklaren en tot eene nog onbekende fierheid te worden opgewekt, om een groot verleden dat wêer kon komen,--als het werk, dat hij prachtig begon, in latere geslachten voltrokken werd.
ILLUSTRATIES
blz. Conscience in 1852 5 Eerste bladzijde van den "Leeuw van Vlaanderen" 31 Conscience's Bruid 39 Conscience in 1881 42 Illustratie uit "De Kerels van Vlaanderen" 59 Illustratie uit "De Loteling" 71 Illustratie uit de 1e uitgave van "Rikke-tikke-tak" 92 Titelplaat uit "De Loteling" [8] 96
AANTEEKENINGEN
[1] Henri deed graag aan die landelijke vermaken mee. Maar wat voor de anderen een eenvoudig tijdverdrijf was, werd voor hem een voorwerp van studie. Een half dozijn soorten van hommels waren algemeen bekend, verschillend door grootte, vorm, strepen en kleur. Sommige--dat wist iedereen--leefden onder de struiken, andere tusschen de hooge kruiden, nog andere, vlak bij den grond, in het korte en dichte mos; de grootste, wier blinkend zwart lichaam met goud gestreept was en van achter sneeuwwit, graafden als echte holbewoners hun nest op drie of vier voet onder den grond.
Het denkbeeld dat er, krachtens de theorie der geleidelijke ontwikkeling, veel meer verschillende soorten bestaan moesten, liet hem geen rust. Maar hoe kon hij die ontdekken en bemachtigen? Het middel was gauw gevonden. Hij bezat een zwarten poedel, met krullend en overvloedig haar. Men zou hem kunnen africhten op de hommeljacht en tochten maken in de bosschen, in de heide, in de polders, waar de jonge sportmen vroeger nooit kwamen. De proef gelukte uitstekend en tot verwondering van zijn kameraden had onze jonge natuurkundige weldra een twintigtal variëteiten bij elkaar, die hij onder bloempotten bewaarde. Zal ik er bijvoegen dat hij zich haastte er zeer wetenschappelijk en methodisch een monographie over te maken, die hij alleen aan zijn intiemen lezen liet?
[2] De liefdesverwikkeling, waarvan de hoofdstukken een rustpunt vormen tusschen de krijgs- en bloedtafereelen.
[3] Mijnheer, wanneer in de maand Mei de dagbladen met lof over uw historischen roman "In 't Wonderjaer" spraken, dacht ik er in het geheel niet aan dat ik er weldra een aangename verpoozing zou in kunnen vinden. Ik was uiterst verwonderd toen ik er (op eenige woorden na) mijn moedertaal in weervond met al haar zuiverheid, met haar edelen eenvoud.... Ja, Mijnheer, ik wil het zonder aarzelen zeggen, U is er in geslaagd, volkomen geslaagd, de taal te doen herleven, te doen smaken, die ik in de wieg stamelde en die ik met verholen blijdschap terugvind, nadat ik, schuldige, haar sinds 22 jaar vergat.
[4] Het portret van Conscience's bruid, op pag. 39 afgedrukt, is niet zooals er onder staat van Bertou, maar wordt toegeschreven aan H. Leys.
[5] "Was nur in Paris an Bancroutirern, Escrocs, zweideutigen Weibern u. s. w. zu viel war, das trat den grossen Kreuzzug nach Belgien an, um sein Kreuz daselbst aufzupflanzen. Nach Verlauf von wenigen Jahren sah Belgien mit Schrecken, welchen Gästen es seine Thore geöffnet."
(KURANDA. Belgien seit seiner Revolution. bl. 72).
[6] Ja, dat is wel mijn onwillekeurige manier van werken: de liefde voor de taak, die innigheid van gevoel die trilt onder zinnen die er gewoon uitzien, die Vlaamsche schilders-natuur die alles wat onze pen raakt het uitzicht en de kleur geeft van een schilderij.
[7] De brandende schaapherder.
[8] In het laatste hoofdstuk van "De Loteling" vertelt Conscience hoe hij na een onweer in een hoeve moest vluchten. "Na eene korte wyl was ik reeds met deze goede menschen gemeenzaem en ik koutte met hen als een lang gekende vriend. Des namiddags nuttigde ik met hen het voedzame roggenbrood en dronk den koffy der gastvryheid. En alzoo ik voor alsdan niets beters te doen had, dan te luisteren op de aerdige dingen die de man met éen oog en zyne vrouw my vertelden, was het eerst des anderendaegs 's morgens dat ik de hoeve verliet.
"Wat ik U in deze geschiedenis verhaeld heb, lieve lezer, vernam ik dien avond op de eenzame hoeve, die eertyds slechts uit twee leemen hutten bestond, doch nu eene schoone boerdery met vier koeijen en twee peerden geworden is."
In een nota verwijst hij zelf naar de titelplaat.