Hendrik Conscience, zijn persoon en zijn werk
Chapter 5
"De pachteresse--dit goed mensch, God zal het haer loonen--had my op een klein kamerken te slapen geleid. Als ik nu alleen was, ging ik op myne knieën zitten bidden voor de Onze Lieve Vrouw, die daer op de schouwplaet stond. Ik weet niet hoe lang ik op myne knieën bleef zitten; maer als ik opstond draeide myn hoofd en ik was byna van myne zinnen; zoo scheen het my ten minste. De maen was ondertusschen opgegaen en zy scheen zoo helder door het vensterken, dat myne kamer er overal blauw uitzag en heel vreemd. Ik hield myn voorhoofd tegen de ruiten om myne hersenen wat te verkoelen, en ging dan half gekleed op het bed liggen om 's anderendaegs vroeg gereed te zyn. Maer ik kon toch niet slapen; want de maen scheen juist in myne oogen en ik was als geplaegd om naer dien man met zynen mutsaerd te zien, die erin staet. Of ik dan eindelyk toch in slaep geraekt ben, kan ik niet zeggen; maer het moet toch wel zyn, want hoor eens wat my dan overkwam.--Op eenen keer kreeg de maen eenen mond en allerschoonste blauwe oogen, en zy begon te blozen gelyk eenen appel, en zy lachtte my zoo vriendelyk toe dat ik er zuiver van ontsteld werd. Van myn leven heb ik geene vrouw gezien met zulk schoon en minnelyk wezen; want, als er zulk eene op de wereld was, de menschen zouden er zeker op hunne knieën voor gaen zitten. Ik geloof het wel: luister maar eens voort.--Allengskens groeiden er armen aen de maen en een lang kleed met groote gouden bloemen; op haer hoofd stond eene zilveren kroon van zeven blinkende sterren. Op haren arm droeg zy een kind, schooner nog dan de engeltjes in den hemel. En, och God, Jan, het was de Onze Lieve Vrouw van de schouwplaet, die levend was geworden, en, met Onzen Lieven Heer op den arm, daer in de lucht mij toelachte en teekens deed.... Nu nog al aerdiger! Hoe gy in myne kamer gekomen waert, weet ik niet, maer gy zat op eenen stoel by het venster, en met uwe blinde oogen zaegt gij Onze Lieve Vrouw toch ook: want wy vielen samen op onze knieën en staken de armen achter de ruiten omhoog, alsof wy de Moeder Gods aenriepen. Daer komt zy eensklaps stillekens, zoetjes naar beneden, al digter en al digter, en dwars door de ruiten, tot in de kamer. Zy zegt iets aen het kindeken Jezus, en het kindeken raekt u met den vinger aen de oogen, en gy, Jan, gy roept met uiterste blydschap "ik zie! ik zie!" Ik was er, och arme, zoodanig van getroffen, dat ik in mynen slaap opsprong en byna van het bed rolde.... en het was niet waer! Ik had het maer gedroomd; want de maen stond nog, met den man erin, aen den hemel te schynen, en het Onze Lieve Vrouwenbeeld stond nog stil en gerust op de schouwplaet...."
IV.
Conscience zei eens aan een biograaf: "Oui, c'est bien là le procédé inconscient qui caractérise mes propres écrits: l'amour de ce que l'on fait, cette intensité de sentiment qui frissonne sous des phrases en apparence banales, cette nature de peintre flamand qui fait que tout ce que notre plume touche, prend l'aspect et la couleur d'un tableau...." [6] En in een van zijn latere werken verhaalt hij, hoe hij eens op het land een lezer ontmoette, die hem met groote dankbaarheid over zijn heideverhalen sprak en bovenal bewonderde "eene soort van geheimzinnige muziek, die overeenstemt met myn gemoed en my verleidt."
"Cette intensité de sentiment" kan niet zonder gevoel voor het tragische. Over "De Loteling," waarin een vrouw de voornaamste rol heeft, hangt meer een waas van teederheid. Wel is ook dáar tragiek in de algeheele overgave aan een liefdes-ideaal. In "Rikke-tikke-tak" is de liefde meer werkelijk ontdubbeld; de passie, die ze geworden is, gelijkelijk verdeeld; de ontmoeting, na lange afwezigheid, veel heftiger.
Een vreemd meisje wordt uit haar vroegeren stand geheven en in een vreemd land opgevoed, waar ze bestemd is te blijven. Haar speelgenoot gaat op de plaatsen zwerven, waar ze elkaar ontmoetten, hij staat er over de verre heide uit te zien en herinnert zich de liedjes, die zij zong. Zij beseft eerst zelve niet wat zij in haar geboorteland achterliet, maar langzamerhand wordt zijn beeld duidelijker, totdat ze, gedreven door een onweerstaanbaar gevoel van liefde voor de oude omgeving, met haar vader naar den geboortegrond terugkeert. In een nabije stad brengt een toeval den vriend bij haar. Hij verliet zijn dorp en doolt bedelend rond. In haar tegenwoordigheid kan hij niet langer zich bedwingen. Het verloren geluk wordt wakker in hem. Nu hij voor 't eerst en 't laatst zijn liefde heeft kunnen uiten, keert hij zich af van het meisje en wil vertrekken. Zij knielt voor haar vader, die verrast en begrijpend toezag, neer en smeekt: "O, Vader, vergeef mij! Weerhoud hem of ik sterf! In mijne droomen zweefde ook zijn beeld..... Hij alleen kan mij redden. Geef hem mij! geef hem mij!...."
Doch niet het losbreken van hartstocht alleen--in enkele vroege novellen de reden van het verhaal--ook het tragische van een geheel leven heeft Conscience in eenvoudigheid kunnen voelen. Een edelman verlaat zijn land, leeft van het handwerk van zijn dochter, die zonder het zich te bekennen wacht tot haar minnaar haar vindt en komt halen; in bedekte armoede, op een hoog kamertje. Hij komt op een middag binnen, kon geen werk vinden. Hij mag nochtans niet treuren. Hij schudt het hoofd en doet wat zijn dochter hem verzoekt. Zij legt een klein en sneeuwwit linnen op de tafel en plaatst er twee borden op en een schotel met aardappelen.
Terwijl het stil gebed nog zachtjes door het vertrek gaat, hooren ze eensklaps een gerucht van stemmen beneden de trap.
Lenora, door een hevige siddering aangegrepen, wordt in haar gebed verstoord. "Zy luisterde met opgespalkte oogen en uitgerekten hals, op iets dat haer onverklaerbaer scheen, en eventwel haer met schrik en verbaesdheid sloeg."
De vader, "over de zonderlinge ontsteltenis zyner dochter verstomd," aanschouwt haar en schijnt te willen vragen: "Wat is er, wat is er dan?" doch Lenora doet een teeken met de hand, dat hij moet zwijgen.
Nieuwe klanken dringen duidelijk in het kamertje.
"Lenora erkende den toon dezer stem. Alsof een bliksemslag haer hadde getroffen, vloog zy met eenen enkelen sprong en angstig kermend tot de deur, sloeg ze toe en bleef met de hand en schouder er tegen drukken.
"Lenora, om Gods wille, wat vreest gy?" riep de bange vader.
"Gustaf, Gustaf!" huilde de maegd. "Hy is daer! hy komt! Oh, weg, weg dit alles van de tafel! Hy alleen mag onze armoede niet zien!"
"Sprakeloos tot zyne dochter gaende verwyderde hy haer van de deur. Lenora vlugtte weg tot in den versten hoek des vertreks en boog het hoofd in diepe schaemte."
Een mooie scène, voorbereid door het gevoel van wee dat op beiden drukte in al wat voorging. Er ligt fijnheid van gevoel in, waaraan we ons verwachten wanneer we het meisje zagen handelen in haar eng gevang. Zij spreekt er met de gekooide vink:
"Maer ik doorgrond uw lyden; ik wil niet langer voor u zyn wat het onverbiddelyk lot voor my is.... Daer, neem uwe vlugt! Dat God u bescherme! Ga, en geniet in volle maet de twee grootste noodwendigheden van al wat leeft: vrijheid en liefde!.... Ah, hoe schatert gy van blydschap, hoe magtig slaet gy uwe vlerken uit! Vaerwel, vaerwel, gelukkige....!"
Wanneer Jan Slaets na lange afwezigheid terug in 't dorp komt, loopt hij een arm huisje binnen waar hij even rust, verneemt er naar zijn Rosa en ijlt de blinde tegen, het dorp door in d'avondzon, om haar op de grens, waar de welvende groene laan begint, in d'armen te drukken. De oude Van Milgem ontmoet zijn dochter, die hij verloren waande, op een heuvel onder berkeboomen. "De Loteling" is een lange tocht, barvoets over de heide.
Het belang dat Conscience hecht aan landschap en décor is invloed van de romantische schilders. Bijna wordt aan het landschap een zoo groote rol toegekend als aan de menschen, die er in leven. Nergens is het afwezig. Het opstaan van de zon en de geboorte van de lente worden reeds in zijn eerste Fransch proza beschreven, en vaak geraakt hij niet verder dan het ontwaken der natuur: "Le doux mois de mai était venu; la nature, sortie de son long sommeil, avait rendu aux champs leur verdure et aux bois leur charme mystérieux. Ce jour-là l'air était plus vif, et mon esprit, mû par l'influence secrète de la nature, se plaisait à me retracer les séduisantes images d'un bonheur passé."
Van het eerste oogenblik is de toon van zijn beschrijvingen reeds vastgesteld; zijn opvatting, de schikking van zijn volzinnen zal, ook in zijn Vlaamsch werk, niet meer veranderen.
Hij werd geholpen door een sterk geheugen, een sterke vizie van het landschap, ook dat van de stad. Daardoor kon hij zijn werken, zoodra het plan gevormd was, ineens voltrekken, zonder door een aarzeling te worden opgehouden. Alles gebeurt op bepaalde plaatsen, in dié straat van een stadswijk die hij kent, bij dàt poortje, of in een bepaald dorp bij een bepaalde hoeve. Wij zien de personages langs welbekende wegen evolueeren.
Liefde tot het schilderachtige dreef hem tot zwerftochten langs de oude straten. "Als myn geest, door lange overspanning afgemat, naer stille mymering vraegt," zegt hij in den aanhef van "Lambrecht Hensmans," "dan wandel ik door de afgelegene wyken onzer stad: ik zoek de oude straten, aen wier zwarte gebouwen de yskoude mode hare handen nog niet gelegd heeft. Daer aenschouw ik met onvasten blik die gevels, waerop de stempel van een eigen nederduitsch volksbestaen nog zoo levendig is ingedrukt." Hetzelfde opstel getuigt hoe het décor hem een hoofdzaak was, hoe noodig hij de vaste vormen van de plaatsen kennen moest, waar iets gebeurt, en hoe een eigenaardige omgeving indruk op hem maakte. Hij had een vervallen huisje opgemerkt, dat hem geheimzinnig voorkwam en waarrond zijn geoefende verbeelding spoedig een roman had opgebouwd. "Maer myne ontworpen geschiedenis eischte eene beschryving van het huisje, gelyk men het in de duisternis en omtrent middernacht kon zien. Daer ik de gewoonte heb, zoo veel mogelyk, in alles de natuer zelve tot volgbeeld te nemen, besloot ik nog denzelfden nacht de enge stege te bezoeken en my onder den dichterlyken indruk der verlatene woning te stellen. Zoo zou ik dan des anderendaegs met volle gevoel de beschryving er van kunnen beginnen.
"In myn ongeduld was ik reeds om tien ure uitgegaen. Ik wandelde al mymerend by de boorden der Schelde, waer myn aendoeningzieke geest een onverwacht voedsel vond. De duisternis was ondoordringbaer zwart, de wind loeide afgryselyk door het slingerend want der schepen;--daer beneden, aen myne voeten, bruischten de golven van den vloed....
"Krachtig werkten de grootsche stemmen der natuer op myn gemoed; ik stond daer, luisterend op het brieschen der baren, op het huilen van den storm en op den eenzamen roep van matroozen, die als een doodkreet uit de diepte des nachts in myne ooren klonk. Toen ik de Schelde verliet, om my naer het onbewoonde huisje te begeven, en langzaem voorby het oude Steen heenstapte, was myn geest overneveld met allerlei droeve gepeinzen."
Een ander stadsgezicht wordt in "Het yzeren graf" beschreven. Een jong beeldhouwer is uitgeweken om zijn ongelukkige liefde te vergeten. Hij bewoont te Parijs een hoog kamertje. "Van het eerste uur van mijn verblijf in dit kamertje werd het mij dierbaar. Welk ander vaderland was beter geschikt voor mijne droeve ziel, dan zulke enge ruimte, verloren onder het dak van een huis, dat zelf eene kleine wereld was, maar met een grenzenloos uitzicht, waarin mijne gepeinzen in volle vrijheid konden verdwalen?
"Hadde niet de nood met geweld mijne droomen onderbroken, mij dunkt, ik hadde mijn gansche leven doorgebracht met het hoofd buiten mijn vensterken, maar er was geen middel om te vergeten, dat de armoede nevens mijne zijde stond. Ik rukte mij dus van de betooverende plaats en daalde neder in de straat, om, zooals ik het reeds eenige dagen vruchteloos had gedaan, bij de meesters-beeldhouwers naar werk te gaan vragen."
Terwijl wij de volgende bladzijden lezen hangt nog de stadsche wemelende verte om onze verbeelding. Parijs wordt niet verder beschreven, maar het gevoel van de groote stad vergezelt ons, we weten haar rond ons wanneer we de werkhuizen binnentreden.
En onwillekeurig denken we aan het laatste buitenverblijf van den schrijver. Hij bewoonde in een herberg, eenige uren van Brussel, een kleine kamer, maar gewoonlijk zat hij in een paviljoentje met strooien dak dat op een verhevenheid gebouwd was en waaruit hij een mooi vergezicht had op het land. Daar zat hij zijn herbarium te schikken of uit te kijken naar de verten.
Op zijn kamer stond een ijzeren bed, zonder gordijnen, een ruwe tafel, een paar onmisbare stoelen en in den muur staken nagels waaraan zijn kleeren hingen. De oude man waschte zich onder het koude water van de pomp. Platen of boeken waren er niet te vinden.
Groote liefde tot de natuur veronderstelt zinsvermogen, ontwikkelde zinnelijkheid. Voor iemand die haar bezit is het een vreugde, de zon over de boomen te zien glijden, en haar te volgen waar ze in het water blinkt of op het koren ligt. Hij onderscheidt de gestalte van een landschap; hij heeft het om zijn lijn en kleuren lief, maar ziet graag de verschijning van een mensch die in die weelde voorbijgaat, die het uitzicht ervan kan veranderen, er kleuren in brengt en zijn kleuren verplaatst, die onder het starend oog een tak plukt of met de hand de korenaren beweegt.
De oude, styleerende schilders hebben vooral hun landschappen gestoffeerd. Zijn voor een schrijver, wiens hoogste gaaf zijn sympathie voor menschen is, hun verschijningen niet even onmisbaar? Wordt niet het landschap ledig, dood, wanneer niet vroeg of laat een mensch erin, die mét het landschap wordt beschreven, voelend de winden en hoorend de stemmen van de zingende vogelen, ons zijn schoonheid nader brengt?
Zulke methode past Conscience, misschien onwillekeurig, toe, vooral in zijn landelijke verhalen.
Een tuin moet worden getoond in al zijn wilde schoonheid. Een heesterboschje is schoon. "Maer eensklaps ritselt het gebladerte! In het midden der gebosschen buigen de takken zich woelend by den snellen doorgang van een onzichtbaer lichaem."
Een hegge zou onbeduidend staan rond een heerenhuis. Haar loof wordt groener, wij moeten ons bij haar bladeren buigen en zien haar takken strengelen, wanneer een soldaat er tegen rusten komt. Zijn lichaam werpt schaduw op den grond en wij zien de diertjes na, die tusschen 't kruid er hun weg zoeken.
Een pad, tusschen eiken kanten, laat ons alleen een hemel bemerken die blauw, en wit bewolkt, onder de zon erboven hangt. Het is verlaten en weinig beduidend. Een meisje komt er langs met haar kruiwagen; zij heeft een brief van haar beminde, die ver van huis is. Zij zet zich op haar kar en leest hem tot het laatste woord, wordt bleek, haar armen vallen slap nevens haar, haar oog sluit zich en haar hoofd daalt langzaam achterover op den kruiwagen.
"Slechts de zoele adem der heide bewoog het eiken loof en deed de schaduw van het gebladerte op haer albasten voorhoofd wiegelen; de honingbie dartelde en zong rond haer oor; daerboven tegen den hemel hing de leeuwerik met zyn lied; verder in de woestyn heerschte het eeuwig geritsel der krekels;--en niettemin alles was stil en zwygend.... niets wekte het meisje uit hare doodsche sluimering op.
"Allengskens voorderde de zon op hare baen, tot dat eene harer heete stralen het loof doorboorde en het aengezicht der maegd kwam beschynen."
Nu heeft de zon meer glans, heide en lucht en loover hebben hun volle kleuren. Belangstelling in het ongelukkig meisje heeft ons voor hun schoonheid gevoelig gemaakt.
Wanneer echter een landschap den indruk van verlatenheid moet wekken, verdwijnt iemand van het tooneel en laat boomen en hemel alleen. Zoo in "De arme edelman," waar de ongelukkigen hun hof verlaten: "Langen tyd zagen de lieden der hoeve hen weenend na, tot dat zy achter eenen eiken kant waren verdwenen."
V.
Een ander middel om ons het landschap gemakkelijk nader te brengen, ons zijn karakter te laten voelen, is het met de stemming van den held te doen harmonieeren, of omgekeerd den held in de bijzondere en momentane stemming van het landschap te laten opgaan. Een jong werk: "De maegd van Vlaenderen, een nachtgezicht" begint:
"Ik zat alleen op myne kamer, met het hoofd in de handen rustende. Vol mismoed en wanhoop was myn ziel.... Het stormde daerbuiten,--nacht was het op de straten, nacht ook in myn hart. Lydend en akelig droomend, herdacht ik het verleden, het zynde en het komende lot myns vaderlands." In een latere novelle loopt een meisje haar vreugde om het leven uit te zingen: "Ook het goede meisje geraekte zonder het te weten, in eenstemmigheid met de vrolyke natuer. Van tyd tot tyd zong zy, met zekere geestdrift, eenige toonen van het een of ander lied, of sprak enkele woorden om de opgeruimdheid haers harten lucht te geven."
Meer dan versmaat is proza geschikt om een landschap in zijn voorkomen (niet enkel in zijn uitwerking, als aandoening) weer te geven. Een landschap is rustig en onbewogen. Zijn omtrekken zijn bestendig. Zijn kleuren kunnen dàn alleen, hier in een bloemenweide, daar in een rivier of in een hemelhoek, zich uitvieren. Proza kan minutieus bij elke kleinigheid verwijlen, en toch door de indeeling van zijn zinnen, de ordonnantie van de denkbeelden, de hoofdzakelijke schoonheden onderlijnen. Het is aan minder uiterlijke regels onderworpen. Is de taal lenig en helder genoeg, dan wordt de schrijver niet verder weerhouden door het zoeken en volhouden van bijzondere vormen. Hij heeft alleen wat hij ziet eenvoudig neer te schrijven.
Conscience was dikwijls een uitmuntend prozaschrijver. Komt in zijn eerste werken slechts zelden een grooter verschiet voor, een heide, een veld, bevattelijk voorgesteld, we treffen reeds in den "Leeuw van Vlaenderen" goede beelden: "De lucht was met zulk een zuiver blauw gekleurd, dat het oog hare diepten niet meten kon. De zon klom glansryk op de kim, en de verliefde tortelduif dronk de laetste dauwdruppels van de groene bladeren der boomen."
"De bladeren der boomen!" Ook in het "Wonderjaer" gebruikt hij die uitdrukking: Terwijl een ruiter schuilt, wordt "de lucht klaerder, de donder had zich verwyderd,--evenwel sloeg de regen nog met geweld in de bladeren der boomen." Even natuurlijk als het loover om de takken staat, worden voor ons de boomen gesteld; de regen valt op de bladeren of vogelen kwinkeleeren er, en aanstonds zien we de stammen er bij, die uit den grond heffen, en de heerlijke aarde.
Een mooie zin, die een vollediger beeld geeft, is in "De arme edelman" (1851): "de statige eiken ontplooien hun laet gebladerte, de alpenrooze staet in vollen bloei, de syringa's bezwangeren de lucht met malsche geuren."
In "De Loteling" zagen we de heide zich om de reizenden uitstrekken. In "Moeder Job" (1856), wanneer geen rekening wordt gehouden met onjuiste woorden en on-Nederlandsche wendingen, vinden we eenvoudig-mooie beschrijvingen:
"Aen de straet, onder de schaduwe van hooge Linden, stond het woonhuis met zyne groene geschilderde vensterramen; daer achter verlengden zich aen de eene zyde de stallingen, waerin tien schoone koeijen en dry peerden zich bevonden, alsook de wyde schuer die welhaest den nieuwen oogst zou ontvangen. Langs den anderen kant was de achterhof afgesloten door de eigentlyke Brouwery met hare bergplaetsen, waerby eene hooge pomp stond om het water uit den bornput in de ketels te verheffen. Een weinig verder, veldewaerts in, tusschen velerlei bloeijende heesters en sierlyke gebosschen, verhief zich een lustpriëel, dat met de liefelyke ranken van het Geitenblad was overdekt.--Men kan aen de uitgestrektheid van den grond, die hier, als bloemtuin, enkel tot vermaek en uitspanning was bestemd, genoegzaem bemerken dat het huisgezin der Jobs welvarend was en een onbekommerd leven genoot.. ..
Eenige dagen na de Prysschieting in den Gulden Arend was Jan, de knecht, op den achterhof der Brouwery bezig met pompen; zyne bewegingen waren bywylen zeer langzaem, en weleens onderbrak hy zynen arbeid, als hadde een aengrypende gedachte hem weggerukt. Dan bleef hy met het oog op de houten goot gerigt,--waerin het water bruisend heenvlood,--mymerend staen, tot dat het ophouden van het geruisch hem uit zyne verstrooidheid deed opspringen, en hy weder den zwaren arm der pomp in de hoogte hief.
Op eenige stappen van daer rolde een oude Kuiper de tonnen, welke hy dien dag hersteld of gezuiverd had, naer de poort der brouwery.--Geen ander wezen was er op den breeden achterhof te bemerken.
Alhoewel de laetste stralen der avondzonne hare purpertoonen over de gebouwen wierp, en liefelyk tusschen het loover van den huiswyngaerd tintelde, er heerschte eene ongewoone en droeve stilte, slechts onderbroken door het scherp gekrysch der pomp en door het eentoonige geruisch van het vlietend water."
In dezelfde novelle wordt, met liefde, een hoek van den tuin beschreven:
"De zonne ging achter de Westerkim verdwynen; maer zy zond nog, in roosverwige toonen, de natuer haren blyden avondgroet. Het priëel, onder welks doorschynend loover Rosina hare innige bede murmelde, scheen overgoten met purper en met goud; haer omringde eene wolk van zoete frissche geuren, die uit al het gebloemte in verkwikkende walmen zich verhieven; de vogelen, voor dat zy zouden slapen gaen, dartelden nog tusschen het gebladerte, en sommigen wierpen de peerlende klanken hunner stem het verzwakkende daglicht tegen...."
VI.
Gaarne worden we in het landschap aan leven herinnerd, maar is het op zichzelve ooit wel heelemaal levenloos? In "Eenige bladzyden uit het boek der natuer" wordt dan het landschap ontleed in de vogels die over zijn hemel vliegen, in de insekten die gonzen van den eenen kant naar den anderen, in bloemen en gras. Het wordt beschouwd als iets dat leeft, waarvan het uitzicht als een gelaat betrekken kan, en dat den eenen dag anders is dan den anderen. Hier wordt het geheel gegeven op zich zelve, dieren en de spraak der planten vervangen de levenbrengende menschen:
"Gedurende dien nacht, terwyl ik gerust sliep, had een onweder de lucht met eene nieuwe levengevende kracht bezwangerd, en het dorstig aerdryk gedrenkt en gelaefd. Nog viel de regen zachtjes uit den overtrokken hemel, toen ik myne bedstede frisch en bly ontsprong.
"Wel twintigmael doorwandelde ik den hof om aendachtiglyk na te speuren wat nieuw voorkomen de regen nu aen de natuerwezens had gegeven. De bloemen waren gesloten, vele planten hadden zelfs hunne bladeren geheel opgevouwen; geen vogel zong den goeden morgen zyne makkers tegen, geen vlinder fladderde om het gebloemte: alles scheen wachtend, beweegloos en zwygend. Iets plegtigs was er in de algemeene stilte die my omringde.--Door een geheime kracht tot droomen en denken gedwongen, schuilde ik onder een afdak en zat welhaest mymerend en met het hoofd op de handen, in harmony met de wachtende natuer.
"Eindelyk, na meer dan een uer, hield de regen op, zonder dat echter de zonne door de wolken boorde. Nu begon hier en daer een eenzame galm, als met wantrouwen zich te laten hooren; allengskens voegden vele andere stemmen zich erby. Het was alsof ergens een slaperige toonkunstenaer op een onmeetbaer klavier zyne handen liet dwalen, in afwachting dat het teeken hem wierd gegeven.
Eensklaps schoof de laetste wolk voor de zonneschyf weg; een prachtige stralengloed beglanste de glinsterende kruiden en lokte bloemen en bladen open."
Behoefte naar leven, een begrijpen, dat alle vorm verandert, en een aanvoelen van de harmonie der beweging is in dit fragment te bespeuren en wordt nog duidelijker--alhoewel naïef--op menig andere plaats uitgedrukt. Natuur kan niet zonder verandering. Geen landschap of er bewegen bladeren of kruiden. Op alle bladzijden van dit "Boek der natuer" staat dood of geboorte, en vergaan of heffen planten hun kiemen omhoog.