Heleen

Part 5

Chapter 53,711 wordsPublic domain

„Hoe het zij, mijn grootmoeder bezat voor mij een groote aantrekkelijkheid en zoo, dat ik niet weet of ik haar meer vereerde of liefhad. Ik vroeg haar dus mijn gedenkboek der liefde en der vriendschap in te wijden. Zij deed dit op hare wijze, zij nam haar ouden Statenbijbel, sloeg dien open, en schreef daaruit met bevende hand op het eerste witte blad: Mattheus X: 37. „Die vader ofte moeder liefheeft boven Mij, en is Mijns niet weerdigh, en die sone ofte dochter liefheeft boven Mij, en is Mijns niet weerdigh....” Toen schrok ze stil en zweeg bevende. Ze keek op en zag alle oogen, ook die van den meester, naar zich toegekeerd, onder het suizen der lampen lag de klas doodstil. Ze hoorde den naklank van haar eigen stem, luid en bevend, in haar ooren. Een roode gloed rees op uit haar hart, een zuil van schaamte: ze had zich, bij vreemden, vergeten. Het wankelde in haar hoofd, of de wereld een draaikolk was en zij daarin pijlsnel verzonk en verging. Plotseling werd haar het licht ondraaglijk, ze sprong haar bank uit, rende naar de deur, sleurde haar mantel mee uit de gang en liep snikkende weg in den witten winteravond.

X.

Heleen geraakte nu in dien leeftijd en in dien staat, dat ze de scherts ging verachten als het deel der minderwaardigen en zich verbeeldde, dat ze een afkeer van vroolijk kermisvieren en van elke blijgeestigheid had, schoon ze als kind met al haar zwaarmoedigheid altijd goedlachsch om grappige dingen was geweest en zich al jong had vermaakt met de dwaze teekeningen en onbeholpen spelfouten op winkeltjes en kermistenten. Haar afkeer echter kwam hieruit voort, dat ze uit haar omgeving alleen grove scherts, geestelooze grappigheid en ruw feestvieren kende, en niet vermoedde, dat ook hierin het edele en verhevene zich openbaren kan. Het had zich voor haar tot nu toe uitsluitend in den zwaarwichtigen, bijkans somberen romanvorm voorgedaan, en ze had het onwetend daarmee vereenzelvigd. Haar besluit, dat ze niemand meer hinderen en verdrieten zou, bracht mee, dat ze het schrijven van spotgedichten naliet—, ze verviel in de klas tot rust. Evenwel beschouwden de meisjes haar nu als een der hunnen, de gunst van een jongen had Heleen in hun oogen verheven en Dieuwertje alleen bleef achterafgezet. Heleen bemerkte het met eenige bevreemding en moest het wel begrijpen, maar het verheugde haar niet meer, ze ontweek toch hun gezelschap om de plagerijen, ze was overgevoelig, schreide gauw en wilde niet uitgelachen wezen.

Alle dingen behielden nu dagelijks het heerlijk-bevangende, dat wat niet te noemen, maar te gevoelen is; het hing over akkers en riet en water als onzichtbare damp, het trok met de wolken mee over de toppen der boomen en verzoette des avondwinds klacht tot een zacht geschrei van blijde pijn.

Alle neerslachtigheid vlood voor dien weemoed, er was geluk in iederen dag, geluk in iedere daad, in werken en denken, in ademen en in gaan.

Een volheid was in haar gekomen.... als was een onbekende en onuitgesproken wensch geheel vervuld, als had ze plotseling het antwoord op al haar smartelijke en onvaste vragen verkregen. Als ze alleen was, zat ze stil en peinsde met verwonderde oogen, hoe ze toch zoo lange jaren het leven zonder dit geluk had kunnen dragen en zuchtte van verrukking omdat ze het nu ten leste toch en zoo onverwacht en naar ze meende wel voor goed had binnengeoogst. Ze liep glimlachend onder de duistere binten en bespiedde den groei der bleeke zwammen, die ze als kind niet had durven gadeslaan. Ze was voor het eerst van haar leven op den spokenzolder niet meer bang. Op een dag overdacht ze dit en herinnerde zich, dat eens haar deftige oom haar om dien angst had berispt en van een kwaad geweten had gesproken, als het eenige dat angst aanjagen kon, zonder dat ze hem toen begrepen had. Zou een goed geweten dan hetzelfde beduiden als gelukkig zijn? In sneeuwjacht en gierenden storm doolde ze door het bosch en langs de verlaten plassen, staarde in het water, dat troebel was van schuim en in de woeste vormen der wolken, laag aan den horizon, waar een bleeke lichtglans uit vandaan en over de golven heen verschoot. Iedere gedachte stond dan stil, ieder gepeins was geëindigd, ze staarde en stond, liep weer verder, neuriede, stond weer, en staarde, ze was niets dan een trillende damp van geluk, warend waarheen ze gedreven werd, zonder richting of eigen wil.

Doch langzaam aan, onbemerkt en vaag in den aanvang, dan duidelijk en beangstigend, drong een benauwdheid haar vreugde binnen. Het was om een ding in haar zelf, dat ze leed, maar niet begreep, een vreemde prikkelbaarheid, een dwaze veeleischendheid. Zij, die met elkeen zonder morren tevreden was geweest, zooals ze zich voordeden, wat wilde ze toch van hem? Mocht hij niet lachen en schertsen en lichtvaardig babbelen, moest hij anders zijn dan de anderen, hij alleen? Waarom zweepte het geringste haar op tot schreien en verwijt, tot een sombere prikkelbaarheid, sloeg haar blijde stemmingen neer, zonder dat ze het weerhouden kon, zoodat zij pruilde en mokte, tot hij norsch er tegen in ging en ze boos van elkander wegliepen? Ze begreep zichzelf niet, het maakte haar bang en schuw en wond haar op tot wanhoop. Kwam ze na zulk een bedorven samenzijn terug in huis, dan wierp ze zich als een ziek dier in een hoek, kreunde van snijdende smart, antwoordde niet, verweerde zich niet, weigerde naar school te gaan en wenschte, de lange, nachtelijke uren door, dat ze den morgen niet halen zou, om het ontwaken te ontgaan, dat zulk een herinnering achter zich aan sleepte. Den volgenden dag was ze bleek, kon niet eten, liet haar werk liggen, opende geen enkel boek—, dan kwam in den middag een briefje van haar vriend met vluchtige woorden van teedere vleierij, en het leed lag geveld. Verbaasd uit haar tranen keek Heleen erop neer. Was het wel zóó erg geweest? Maar een volgende maal leed ze weer even sterk en even fel, nadat dezelfde dingen voorafgegaan waren.

Ook deerde haar zeer het gepraat en geplaag op school, de verholen schimp van juffrouw en meesters, het bitse stoken van de meisjes. Het kameraadje van het feest meldde Heleen bijna dagelijks nieuw, lichtvaardig kwaad, dat ze van Fred vernomen had, hij was een echte meisjesgek, wandelde niet alleen met Heleen, maar ook wel met anderen in donker-avond en dichtte gedichtjes voor al zijn kennisjes. Heleen moest maar gaan kijken achter de kerk, als ze het niet geloofde! Heleen moest maar navragen bij deze en bij gene! Als ze dus gehoopt had op verloven en trouwen, en als het haar daarom te doen was, dan zou het haar tegenvallen, want Fred dacht daar niet over. Doch Heleen dacht nooit aan verloven en trouwen, ze had geen andere begeerte dan dat Fred haar echte vriend zou zijn en blijven en dat ze te zamen het leven uit de boeken, dat haar nog immer licht te verwezenlijken scheen, het oprechte, eenvoudige, vrije, heldhaftige, dat was als ruim, blauw water met opspattend schuim in de zon, zouden leven. En ze sloeg aan het kwaad geen geloof. Doch toen het kameraadje eenige dagen later inderdaad een blaadje papier meebracht met een versje op haar roode wangen, waarin Heleen woorden en regels herkende van het versje, dat hij haar enkele weken geleden had toegezonden en haar tegelijk vertelde, dat Fred alles wist—maar niet door haar—van Heleen’s nieuwe jurk en haar baaien rok, en dat ze er samen om gelachen hadden, werd Heleen zoo teugelloos bedroefd, dat ze het niet verbergen kon. Ze leunde tegen den muur en schreide van pijn. Thuis schreef ze met afgewend hoofd en stroomende oogen een briefje en trilde in haar zelfbeklag. Was Fred haar vriend of van alle meisjes te zamen en had hij inderdaad voor alle meisjes de liefkoozingen, die zij bevende van hem ontving en als schatten bewaarde?

Fred schreef hierop een half-grappig briefje en beklaagde zich over Heleen’s prikkelbaarheid en beloofde haar, dat hij haar van haar zwaarwichtigheid genezen en weer vroolijk maken zou.

In dienzelfden avond wachtte hij Heleen voor de schooldeur en ze liepen snel te zamen in donker heen. Onderweg vertelde hij Heleen, terwijl hij haar arm in den zijnen hield gekneld, van een plan, dat hij had verzonnen; ze zouden te kermis gaan in het dorp over de plassen, het dorp van de Watergeuzen, hij en Heleen en het vriendinnetje van het feest, maar Heleen zou zijn echte meisje zijn. Ze moesten beiden wegblijven uit de les en zich van thuis zien vrij te maken. Ze zouden in alle tenten binnen gaan en de dikke dame en den man met de wassenbeelden zien. Wilde Heleen dat? Heleen zweeg en beefde, ze had hem willen beduiden, dat ze dit met hem niet wilde en dit met hem niet kon, maar ze vond geen woorden en ze vond geen moed. Het leek haar plotseling te zwaar, er lag al te veel tusschen hen in, een verschil, dat aanhoudend misverstand kweekte en waar geen baat voor was. Wat moesten woorden nog doen, als dit de eenige troost was die hij geven kon, na haar briefje? Daarom bedwong ze zich sterk tot kalmte, gaf haar hand, liet zich kussen en beloofde dat ze er over spreken en schrijven zou. Thuis schreef ze hem onmiddellijk, dat ze hem niet en nooit meer wilde zien, verzond dien brief, schreide niet, doch was roerloos, liep roerloos, praatte roerloos, lei zich roerloos in haar bed en waakte zonder klacht of tranen met gesloten lippen de donkere uren door. Iets als een voorgevoel, dat jegens anderen het zwijgen alleen haar overig zou blijven, kwam op haar af. Ze bleef drie dagen achtereen zwervend weg van de school, werd betrapt, voor enkele weken verjaagd, liet zich die weken niet zien en kwam daarna slap en stil en tam in de klas terug.

XI.

Heleen zat nu in het naderend voorjaar dagelijks gebukt voor haar open boeken, prevelde namen, noteerde feiten en leerde tot donker avond. Dan leunde ze achteruit in haar stoel en tuurde strak naar de balken van de zoldering. Haar leven had ze in nevelen gesluierd, er was één enkele open plek, datgene, waarmee ze leeren moest voor haar examen. Ze pompte zich gewillig vol, ging prevelend door het huis en sloop in donker naar bed als ze klaar was. Ze zwierf niet langer rond, vermeed het bruggetje, de koffiebranderij en het bibliotheekje, las geen boeken en verstopte zich als een draaiorgel naderde. Want het zoete van vroeger gaf nu zoo ondraaglijke smarten af, dat ze het moest vermijden voor het behoud van haar kracht en rust; doch toen de lente kwam, kon ze zon en wind niet mijden, niet het blinken der herleefde slooten en den geur van het jonge gras. Vaak rilde ze zonder zichtbare reden en schokte haar hart van pijn. Dan keek ze hulpeloos op en rond, maar was alleen in de kamer, waar ze om te leeren met rust gelaten werd, en bukte zich weer naar haar boeken. Dieuwertje kwam soms aan om met haar te leeren, in de klas was niet langer vertier, de keten der broederschap lag uiteengebroken, elkeen voor zich voelde het naderen der volwassenheid op een eigen manier, elkeen voor zich dacht aan examen en toekomst. Er hing een jachtigheid, ieder haastte zich huiswaarts na de les, de lange jaren, die geen eind schenen te hebben, de jaren van zwerven en plantenzoeken in lente en zomer en najaar, van snoepen in winkeltjes en studentikoos rumoer, waren plotseling voorbij, eerst nog het examen, dan daarna zouden ze voor altijd uiteengaan. Ze hadden het lang geweten, doch gingen het nu pas beseffen. Het naderend einde, dat tot de herinnering bereidde, verzoende Heleen alreeds met het geledene, leed had zich omgezet in rust en verzoende haar met de menschen. Elkeen was oprecht en goed, het kon niet anders, zijzelf ook was oprecht en goed en wenschte voor haar deel niet meer dan daarmee sterk het leven in te gaan. Elk moest voor den ander verdraaglijk zijn.

Op haar beurt deed Heleen examen en kwam in den avond thuis, bleek en moe, bang en blijde. Ze sliep dien nacht gerust en zocht den volgenden avond naar gewoonte de meesters op om te vertellen hoe het haar was gegaan en wat haar was gevraagd. Ze had mooie punten behaald en de school niet tot schande gestrekt. Ze stond in de klas naast den lessenaar van den meester en praatte met hem onder het snuivend lamplicht. De nieuwe klas kwam in, Heleen keek angstig toe en zag hoe een ander meisje zich zette in haar bank, haar boeken uitlei en zich omkeerde naar haar buur. Zij had daar nu geen plaats meer, stond voor de banken en praatte met den meester in een zachte verblijding om de vriendschappelijkheid van zijn glimlach en zijn woorden. Deze man was hard voor haar geweest, had haar nimmer gespaard en dikwijls gestraft, doch dit was voorbij en vergeten. Als een tinteling vloog door haar heen de drang om hem iets vriendelijks te zeggen, zij ook had immers haar deel van schuld gehad aan de gebetenheid tusschen hen beiden, maar de tinteling vervloeide in bedroefdheid, het was nu toch alles voorbij. Ze was groot en behoefde niet langer in de klas te zitten en ze mocht pratend voor de banken staan, terwijl anderen leerden. Dit was de vrijheid, naar welke ze had gedorst, komen mogen en gaan, wanneer ze verkoos. En was ze dan nu toch weer niet blijde? Ze was van school af, er zat een ander meisje in haar bank en de meester reikte haar de hand als een gelijke en liet haar beloven dat ze nog eens van zich zou doen hooren als ze een plaats gekregen had. Hoe gaarne was Heleen dien avond nog gebleven, maar ze kon het niet vragen, het leek te dwaas, ze treuzelde nog wat rond, maar de meester begon zijn les en Heleen ging in donker naar huis.

De geslaagde meisjes hielden onderling een feestje; Heleen nam daaraan deel, maar ze vermaakte zich niet. Ze had nog niet geleerd, zich met anderen te vermaken.

Korten tijd daarna kwam er een brief van Heleen’s oom, haar verdere toekomst betreffende. Hij stelde voor, dat Heleen voorloopig onbetaald zou werken aan een stadsarmenschool in zijn woonplaats, waardoor het haar gemakkelijker zou vallen een bezoldigde plaats te krijgen. Hij en tante hadden goedgevonden, dat Heleen dien tijd bij hen aan huis zou komen en als wederdienst voor die gastvrijheid tusschen en na haar schooltijden helpen in de bezigheden voor het gezin. Zoo verliet Heleen dan nu alles, waartusschen ze lange jaren had geleefd, het oude huis aan de rivier, het holle bosch, de rietlanden en plassen, den hoogen molen, de dorpen der Watergeuzen, geurig van hooi en stroo en mest, de slooten met hun zoomen van riet en moerasbloemen, het bruggetje aan de gracht, waar „de Slaaf” nog immer stond en draaide, en het oude bibliotheekje, waar het naar wortelen en koffie rook.

Ze ging naar de Luthersche kerk op een Maandag, dat er geen dienst was, drentelde over de boterbloemkleurige keitjes, liet den zoeten wind over haar gesloten oogen gaan en dacht aan het meisje met den mooien naam, het blauwe meer en het witte huis, en aan de voorbije jaren. Ze was nu toch wel blij met haar volle vrijheid, liep stil in de voorjaarszon naar het bibliotheekje en herdacht den heer en de dame uit „De Fonkelende Sterren,” Valentin Jernam, Rémy en Vitalis. Er lag een donker prentje van een kerkhof met treurwilgen en populieren. Heleen keek er naar en voelde de oude zoete zwaarmoedigheid vol en warm in zich aanzwellen. Het grachtje was stil, de scholen al aan, de jonge blaadjes trilden zoetjes in den voorjaarswind. Tegen den avond van dienzelfden dag zwierf ze de rivier langs en tusschen de ijlgroene akkers door naar de oude kinderschool, klom over het hek en liep heen en weer over het verlaten speelplein, waar blank regenwater lag samengevloeid in de kuiltjes rondom de lindeboomen. Ze klauterde met knieën en handen bij den ruwen muur omhoog en hing met de borst op de vensterbank gedrukt om in de ledige klas te kijken. Dof en doodsch stonden bord en banken verzonken in den schemer, het was als rook ze krijt en stof. Meesters stoel was onder zijn tafeltje geschoven, het scheen er al bijkans nacht binnen de halfneergelaten gordijnen, maar nu ze scherp toekeek, onderscheidde ze toch nog de kleuren der prenten. Daar hing „Het Gezin,” dat ze zoo innig kende van zoovele jaren; in een trilling van leed en liefde, als waren het levende menschen, zag ze ze allen weer, den grootvader voor het raam, met zijn tevreden lach, in zijn ouderdom getroost, en het meisje op zijn knie, dat met gestrekten vinger en juichende oogen naar het heerlijke, ruime landschap buiten wees: koolzaad en blond zomerkoren; om de gedekte tafel heen de vader en de moeder, twee jongetjes en een grooter meisje, het dampend maal was opgezet, maar ieder wachtte en keek met teedere en eerbiedige toegeeflijkheid glimlachend, tot Grootvader zou komen aanzitten. Waar een zonnestraal viel op den rooden tegelvloer, lag een kleine, dikke kerel in de wieg. Aan den anderen kant hing „Appels plukken.” Jongens met roode wangen drongen dansend rondom den boom, waar hun lachende vader omhoog tusschen de takken school en plukte en afwierp—, op den achtergrond stonden kleine huizen in een kring om het kerkje heen. Aan den overmuur waren vorm en kleuren al verder in donker verzonken, er blonk toch nog wat purper en wat groen. „Edelen bieden het Smeekschrift aan.” Stond de kachel nog? Er zou toch wel niet meer worden gestookt. Daar had ze in den hoek gestaan, dien grijzen Vrijdagmiddag dat het zoo vroor. Rio de la Plata.... een kust bloeide open, scheepjes dobberden, blank op blauw, schapen graasden en blaatten. Hier ook had ze gezongen „Naar het woud.... naar het woud,” en nimmermeer het heerlijk visioen verloren van den eik in zijn kracht en den beuk in zijn pracht, die „elkaar met zwaaiende twijgen ruischend begroeten.” Ze proefde en rook dien voorbijen koelen herfstdag, het late uur en het gezang, en trachtte dat lied te neuriën, maar haar stem brak, een rilling sloop haar over hoofd en rug, haar wang lag even op het koud arduin, ze liet zich naar beneden glijden, zonk aan den voet van den hoogen muur ineen en schreide tot ze geen tranen meer had.

Ze ging naar den verlaten zolder, en liep er onder de binten heen en weer, stond voor het stoffig raam en tuurde over de landen, ze snoof de lucht van rag en vochtig stof, trok de klemmende kasten open en staarde naar de ledige planken in een plotseling aanzwellende zoete zwaarmoedigheid. Doch toen ze langs het gegrendelde deurtje kwam, waarachter het weer zoo stil en richtig scheen, beving haar plotseling in een ijzige huivering de oude angst. Ze keerde zich snel om, voelde kilte tusschen haar schouderbladen en moest zich sterk bedwingen om kalm de trap af te gaan en niet nog eens naar beneden te storten.

Moeder en broertjes bleven achter, vader bracht haar naar de stad. Er werden geen wichtige woorden van afscheid gesproken, ze kreeg les noch vermaning mede, dan dat ze oom en tante moest gerieven en haar best doen voor een plaats. Heleen voelde niets van wat in de boekjes als „Voor het eerst van huis” wordt beschreven. In de wachtkamer van het station zat ze met haar vader op de houten bank tegen den muur; het was vroege morgen, de landerijen blonken buiten de open deur over het glanzende water, bolle musschen pikten tusschen de zonnige keitjes. Een werkman wierp tot tijdverdrijf een cent in de speeldoos, het hoog en wezenloos tonenspel ving aan en Heleen zag plotseling kleur van pruiken en verf in fel licht en hoorde het radde ratelen der verbijsterde kinderen in hun grootemenschenkleeren. Ze dacht aan Fred, lei haar hoofd tegen den muur en wendde en keerde het in onvaste smartelijkheid. Fred ging nu met het meisje van het feest. De trein kwam voor, opende zich, liet menschen uit, sloot zich en vertrok. In een laatsten blik vol heete tranen groette Heleen molen en slooten en de dorpen der Watergeuzen.

XII.

Heleen trok nu in bij haar oom en tante, een ordelijk gezin in een net huis. Er waren twee nichtjes, de een even oud, de ander iets ouder dan zijzelf. Ze ging dagelijks naar de armenschool, waar ze onbeteekenende werkjes kreeg buiten de klas, soms als hulp van de een naar de ander werd gezonden, zieken verving voor enkele dagen en weer afgedankt werd, als ze aan de kinderen en het werk begon te wennen. Heleen verlangde niet naar een betere plaats om het geld dat ze dan met haar werken zou verdienen, maar wel om een rustig leven in een eigen klas te hebben en door de anderen als gelijke te worden erkend. Ze kende nog steeds niet de begeerte naar pronk of opschik of persoonlijk bezit, ook niet nu ze in een gezin was, waar elk zeer sterk op het zijne stond en ze dagelijks op haar weg naar school door de winkelstraten ging.

Ze gevoelde zich in het huis van haar oom niet gelukkig, daar ze dagelijks pijnlijker ervoer in hoevele dingen ze tekortschoot en over hoe weinig ze meepraten kon. Bij de huiselijke bezigheden of bij het maal aan tafel ontmoette ze voorwerpen, waarvan ze het gebruik niet kende en die ze dus niet naar behooren wist te hanteeren en ze bemerkte aan den bijtenden spot, hoe erg dit werd gevonden; ook ontging het haar niet, dat het in haar afwezigheid met anderen werd besproken.

De tante, die haar leeren en onderrichten zou, werd zelden driftig of boos, doch ze toonde haar een koude minachting, die Heleen griefde en pijn deed, soms de witte drift in haar aanjoeg, maar meestentijds haar tot tranen bewoog, en na korten tijd verrichtte ze met dochters en dienstboden het werk weer zelf en werd Heleen niets meer opgedragen. Dan wilde Heleen soms smeeken, dat men haar toch weer eens iets zou toevertrouwen, maar ze durfde niet en berustte in het besef, dat ieder in dat huis haar meerdere was.