Heilige Banden: Roman

Part 5

Chapter 54,086 wordsPublic domain

„Nee, amice, de nuchtere waarheid. Niet voor niets noemen de Arabieren hun vrouw hormah, d.i. „eer”, en de Hindoe’s grha, d.i. „huis”. De vrouw is de eer van ’t gezin, is éen met het gezin, éen met het huis, de man in veel mindere mate....”

„Zoo.”

„Zeker, ondanks al de nieuwerigheid van sommige vrouwenopvattingen. In ’t huwelijk is de hoofdzaak van de vrouw het moederschap, de opvoeding van de kinderen. Ware samenwerking—coöperatie—in ’t huwelijk is: dat zij deze taak op zich neemt, de man die van ’t onderhoud. In de coöperatie is zij ’t voelende, innige, diepe element, hij ’t denkende, nuchter-leidende. Een vrouw die zich in ’t huwelijk misdraagt, schendt de gemeenschap, en beleedigt de kinderen, als die er zijn, al was ’t maar alleen door de kans op ’t binnensmokkelen van een vreemd liefdepand. De overspelige vrouw verzaakt haar heiligste plicht, ze kan hierin niet falen zonder de liefde voor haar echtgenoot op te geven, en als ze de schijn bewaart is ze een gemeene huichelaarster.”

Larsen zette zijn linkervoet over de rechter, en trok hevig aan zijn sigaar.

„Van een man,” ging de ander met een vluchtige blik op zijn vriend voort, „is ’t mogelijk dat hij zijn vrouw blijft liefhebben ondanks momentane aberratie....” Hij glimlachte even. „En bekent hij zijn fout, dan is haar vergiffenis een daad van edelmoedigheid. Een man die, na bekentenis van haar, vergeeft.... is een lammeling. Zij rijst door zulk een vergiffenis, hij daalt onherroepelijk....”

„Vergeven, vergeven,” zei Larsen ongemakkelijk. „Je bedoelt vergeten....”

„Nee, vergeven.... ten minste als je daaronder verstaat: doen alsof er niets gebeurd is, en verder weer gewoon doorleven....”

„O, zoo.”

„Daarom vind ik de moraal van „la Petite Paroisse” van Daudet ook misselijk.”

„Hm, jawel, ik ken dat,” zei de literator-historicus. „De vergevende man wordt daar ook voorgesteld als.... als....”

„Als een vrij geborneerd, dom wezen. Maar,” hervatte Van Thiemen, „we hebben nog niet gelet op een andere omstandigheid, die ’t verschil in schuld bij man en vrouw zoo enorm groot maakt. En die omstandigheid zal blijven zoolang we het patriarchaat in ons familieleven erkennen. De tijd dat de moeder ’t hoofd van ’t gezin wordt zal wel nooit komen. Dat zoo iets niet rijmbaar is met hooge beschaving bewijst wel het feit dat nog maar bij zeer enkele volken het matriarchaat voorkomt. Bij de dieren is ’t matriarchaat algemeen! Tsh!”

„Hm, ja, natuurlijk.”

„Zeker, daar zeg je ’t: natuurlijk. Wat „natuurlijk” is is vaak onbeschaafd. Beschaving is natuur-correctie. Maar ter zake: de omstandigheid die ik meen is deze: dat de man als naamgever en onderhouder per se vader is over de kinderen van zijn vrouw. ’t Is dan toch billijk, zou ik zeggen, dat hij de zekerheid heeft dat het ook tevens zijn kinderen zijn; en een hard gelag, dunkt me, om, wanneer hij ’t weet, gedwongen te zijn een andermans kinderen niet alleen zijn naam te geven, en dus voor de wereld als de zijne te erkennen, maar ze op te voeden ook. En de wet wil dat.”

„Nu ja, de wet!” bromde Larsen.

„Ja, en dat kan nu eenmaal niet anders, Larsen; of althans zeer lastig. Nu goed, bij een vrouw kan van zulk een smadelijk gedwongen zijn tegenover haar mans „buitenbezittingen” nooit sprake wezen. Maar, amice,” ging hij voort, „ons gesprek wordt wel wat lang, en we zijn nog niet waar we wezen moeten.”

Hij keek op zijn horloge: „Half twaalf! Wat dunkt je, blijf je koffiedrinken? Dan kunnen we straks op ons gemak verder praten.”

„Goed. Stuur dan even een boodschap aan m’n vrouw.”

„Zeker, zeker.”

VI.

„Komaan, voel je je wat opgewekter na die koffie?” vroeg Van Thiemen aan de lunch aan de tegenover hem zittende gast.

De tafel was keurig van servies, kristal en spijzen. Ook in dit opzicht was de gastheer epicurist en man van smaak. Hij rekende zich niet tot hen die eten en drinken onder de bijzaken in ’t leven brengen: hij kwam er rond voor uit dat een goede maaltijd zijn waarde heeft, en dat hij er gaarne meer tijd aan besteedde dan de meeste andere harde werkers. Een hard werker wàs hij er niet minder om. Volgens hem kon geen frisch brein boven een verwaarloosde of met onverschilligheid verzorgde maag zetelen. „Men leeft ook om te eten” was een van zijn stelregels. Veel van ’t ongezonde in denkuitingen, die hij hoorde of las, schreef hij toe aan minachting voor maageischen, een hebbelijkheid die vooral bij „intellectueelen” nog al eens voorkomt.

„Je koffie is goed,” zei Larsen, „beter dan de mijne.”

„Dat geloof ik graag, deze is met zorg gezet. Koffie- en thee-zetten is een kunst. Ik drink liever geen van beide als ze slecht gezet zijn. Er zijn menschen die afschuwelijk vocht drinken, eenvoudig omdat ’t „koffietijd” of „theetijd” is, en ze te onbenullig zijn om er iets aan te veranderen. Ze drinken uit gewoonte op een bepaalde tijd van de dag, als koeien of paarden, zonder genot. Zoo doen ook veel lui met hun sigaren: pure gewoonte zonder genotsbesef: zes stinkstokken op een dag, jaar in jaar uit. Tsh!”

„Maar,” zei Larsen, terwijl hij zijn kopje droomerig neerzette, „we moeten even terugkomen op die kwestie van zooeven....”

„Best. Ga je gang.”

„Ja.... de zaak is nu wat me te doen staat. We kunnen niet scheiden om een van die redenen. Wat dan?”

„Je wil met alle geweld?”

„O, natuurlijk.... ’t Moet....”

Van Thiemen had willen vragen hoe ’t kwam dat nu op eens die onvereenigbaarheid van karakters tusschen Larsen en zijn vrouw ontdekt was, na zooveel jaren van „best opschieten”; maar hij hield zich in: als Larsen voor den dag woû komen met zijn reden, dan zou hij ’t wel uit zichzelf doen....

„Als je vrouw niet wil.... moet je berusten in ’t onvermijdelijke.”

„Berusten? Nooit! Onmogelijk, onmogelijk. Maar ze zal wel willen....”

„In dat geval kan jij je laten beschuldigen van overspel,” zei Van Thiemen kalmpjes, en keek zijn vriend leuk aan.

„Zoo, dat ’s ook wat moois! Op de keper beschouwd toch bedrog.... maar enfin, als ’t niet anders kan....”

„Nee, dat is ’t eenige. Je vrouw dient een vordering in op grond van overspel....” Hij lachte even: „Jij overspel, ’t is wel ondenkbaar haast. Maar ’t komt meer voor: je weet dat is in onze kringen de gewone komedie bij echtscheiding: ’t is de korte radicale weg.”

„Hm, ja, treurig genoeg. Maar.... de kinderen.... ’t kind?”

„Dat wordt aan de eischeres toegewezen in zoo’n geval.... tenzij....”

„Ja?”

„Tenzij anders bepaald. Bijvoorbeeld zou je vrouw kunnen vragen het kind aan jou te laten.”

„Of ze dat zou willen?” Larsen zuchtte zwaar.

„Ja, als zij niet wil, dan moet jij je schikken....”

„Ik zeg je immers dat zoo iets onmogelijk is....” viel Larsen kregelig in. „Als die overspel-komedie niet gaat, schiet ik me voor m’n kop.... Of....”

’t Beeld der kleine Didi kwam hem vóor de geest in al zijn zoete bekoring. De vader voelde een schok van zelfverwijt. Hij boog ’t hoofd met vochtige oogen.

Van Thiemen zag ’t: zijn mooie trekken namen een bizonder sympathieke plooi aan. Hij besefte volkomen hoe daar in dat vaderhart gestreden en geleden werd.

„Kom, kom, Larsen, daar meen je niets van....”

Larsen keek op, zwijgend vragend, met iets hulpeloos in zijn blik.

„Er blijft je dan nog éen ding: niet wettelijke, maar feitelijke scheiding....”

„Ervandoor gaan.... met m’n kind.” Er was bittere spot in Larsen’s toon. „’t Is waardig!”

„Ja, kerel, aux grands maux les grands remèdes. Als jij nu eenmaal vindt dat.... ’t andere veel erger voor je wezen zou....”

„O zeker.... Nu goed,” ging Larsen na een wijle zwijgens voort. „Ik weet nu waaraan ik me te houden heb. Ofschoon.... ofschoon.... ik heusch niet weet wat ik doen moet....”

„Slaap er nog ’s op....” antwoordde de ander, en nam een peer.

„’t Ellendige is dat onze verhouding.... thuis onuitstaanbaar is, een onmogelijke positie voor ons allebeî.... voor ons alle drie. Arme Didi!”

„Och kom, voor haar is ’t nog ’t minst, al begrijp ik ook je medelijden. Voor jou is ’t een nare geschiedenis.”

Beide vrienden praatten nog een poos door, de gastheer kalm, maar toch spraakzaam en met warme belangstelling, de gast somber en zenuwachtig, met korte zinnen, afgewisseld door bromgeluiden.

Ondanks al zijn pogingen om Larsen tot meerdere openhartigheid te krijgen, wilde dit den ander maar steeds niet lukken. Eindelijk ’t opgevende, vond hij ’t toch noodig zijn vriend te wijzen op ’t onzinnige van verder verzwijgen der ware toedracht van zaken. Hij moest hem dan maar ronduit verklaren alles te begrijpen—zoo redde hij Larsen’s gevoeligheid:

„Zeg ’s, amice,” begon Van Thiemen op eens, na over veel anders gesproken te hebben, „dat gaat zoo niet. We komen zoo geen stap verder. Je komt hier om raad, en ’t lijkt wel of ik je aanraad ervandoor te gaan als een roover.... Wil ik je ’s wat zeggen? Maar dan niet boos worden, hoor....”

„Nee....”

„Waarom zou je je vrouw sparen?”

„?” Larsen kleurde.

„Kom, wees oprecht! Kom er maar voor uit. Dacht je dan dat ik niet al lang begrepen had hoe de vork in de steel zit?”

„Zoo, nee....” stamelde de ander ongemakkelijk.

„Je kunt mij toch niet wijs maken dat zoo’n incompatibilité in eens ontdekt wordt? Kom, Larsen, je vrouw is niet waard dat jij je om haar zou opofferen....”

„Zeker, opofferen.... Maar laten we opstappen, en wat in de tuin gaan wandelen. Nog een sigaar? Dit is wat fijns.”

Rookende liepen beide vrienden eenige minuten later in Van Thiemen’s groote tuin. ’t Was een mooie herfstmiddag, vol opwekkende geuren. In ’t achterdeel, waar hooge struiken stonden, vonden de pratenden een zonnig en toch vrij wandelpad.

„Ik vin’ dat je in een geval als ’t joue,” begon Van Thiemen weer, „handelend moet optreden.... tegen je vrouw.”

„In een geval als ’t mijne? Je kent ’t niet....”

„O zeker, ik vermoed ’t, en dat is hier even goed. Je vrouw heeft je bedrogen, en daar ben je nu achtergekomen.”

Larsen zweeg.

„Ik wil geen kwaadstoken.... ik beoog alleen jou belang, kerel. Je vrouw heeft je hoogstwaarschijnlijk meer dan eens bedrogen, met.... meer dan éen....”

„Nee, dat geloof ik niet....” viel Larsen hevig uit.

„Natuurlijk, beste kerels als jij gelooven zoo iets nooit, als ze veel van hun vrouw houen! En er zijn er die nog blinder zijn dan jij. De buitenwereld ziet beter en merkt meer op....”

„Je wil toch niet zeggen dat mijn vrouw....”

„In mijn oog nooit erg „zwaar gewogen” heeft, ja, zeker wil ik dat zeggen. En dat je nu van haar af kunt moet je als een geluk beschouwen....”

„Als een geluk!”

„Vin’ jij in de rol van „koekoek” zooveel aantrekkelijks? Maar ik zeg je dat je van haar af kunt, omdat ik veronderstel dat je bewijzen hebt: anders zou jij zoo niet optreden.”

„Ja.... die heb ik.... éen ten minste....”

„Welk? Wat is dat?”

„Een brief.... O, je weet niet hoe ellendig ik ’t vin’ hierover te spreken....”

„Och, larie! Jou rust en geluk gaan voor. Nog eens: je vrouw is niet waard dat je haar zoo ontziet...”

„Och, Van Thiemen, je weet niet wat ’t is! Jij kent dat zoo niet.... Een vrouw met wie je dertien jaar samen bent geweest is een deel van jezelf geworden.... je eigen vleesch en bloed.... je eigen hart....”

„Arme bl....” mompelde Van Thiemen. „En toch.... je moet van haar af. Die brief.... heb je die behoorlijk weggesloten?”

„Ja, zeker.... Maar, waarom....”

„Wel, m’n waarde, die vrouw van je is slim, slim genoeg om.... je de bewijzen afhandig te maken.... Tsh!”

„Kom.”

„Nou, pas maar op. Maar ter zake. Jij produceert eenvoudig je bewijs, en deelt haar mee wat je doen zult. Dan raad je haar in gemoede toe te geven, en eenvoudig niet te verschijnen. Dan wordt zij bij verstek veroordeeld, en jij blijft vrij man....”

„Maar de schande.... zoo te verschijnen en m’n vrouw te beschuldigen.... zoo’n rechtszitting.... en....”

„Och, je stelt je de zaak veel te verschrikkelijk voor! Zoo’n rechtszitting is immers niet publiek: en dan die beschuldiging: die doet je advocaat in zijn eisch; jij zit er eenvoudig bij en beaamt. Verder wordt je echtscheiding in twee bladen bekend gemaakt, maar daarvoor kan men, als je vrouw bijvoorbeeld Amsterdam tot domicilie kiest, twee bladen nemen die in onze kringen niet gelezen worden; bovendien blijkt uit die bekendmaking niet—hoeft er althans niet uit te blijken—wie van de partijen eischer is....”

„Zoo, weet je dat zeker?”

„Natuurlijk. Nee, stel je maar gerust: niemand hoeft achter de ware toedracht van de zaak te komen. En vermoeden.... wel, laten ze vermoeden wat ze willen.... Als jij er van door ging met je kind, zou jou vrouw er wel voor zorgen dat de wereld jou afviel, wees daar zeker van. En dan je betrekking.... Maar, zeg ’s, die brief, is dat een deugdelijk bewijs?....”

„Evengoed alsof zij ’t me met ronde woorden gezegd had....” zei Larsen bitter.

„Een brief van....”

„Van.... iemand anders.”

„O, ja.... Al oud?”

„Vijf jaar....”

„Je moet dat document bij mij deponeeren: hier is ’t veiliger. Dan kan ik ’t ook ’s inzien....”

Larsen kromp ineen.

„Goed,” mompelde hij.

„Zal ik ook ’s met je vrouw spreken? Je weet, ik heb er nog al slag van met vrouwen om te gaan....”

„Zou je denken dat het wat gaf?.... En dat ze zou willen....”

„Och, zeg haar maar dat ik haar goeie raad zal geven.... in haar eigen belang....”

„Maar dan ook zeggen dat je alles weet?”

„Nee, nog niet.... Ik zal haar wel verrassen, en in ’t nauw brengen....”

„Weinig ridderlijk—neem me niet kwalijk. Maar....”

„Och, wat ridderlijk!.... De vrouw is niet een heilige omdat ze vrouw is.... dat is onzin uit de middeleeuwen. Een eerbare vrouw komt heel dicht bij een heilige—je kent mijn opvatting—maar ’n.... ’n....” Hij hield zich in. „Een die jou bedriegt, zoo’n trouwe goeie kerel als jij, nee, hoor, die verdient geen ontzien....” Van Thiemen had zich allengs opgewonden.

„Ik begrijp niet hoe jij zoo spreken kunt....” viel Larsen ontwijkend in. „Jij behoorde tot onze intiemen, en scheen toch altijd sympathie voor mijn vrouw te hebben.”

„Och, wat zal ik je zeggen? Van sympathie was in de laatste jaren geen sprake meer....”

„?”

„Nee, ’t was geen sympathie.... Ik heb die wel vroeger voor haar gehad. Ze was jou vrouw. Ik wist dat jij haar lief hadt.... en....”

„O, kerel....”

„Ja, dat was voor mij al veel. Later toen ik haar begon te doorzien.... veranderde dat. Eindelijk had ik vrij wel zekerheid.... en toen....”

„Zekerheid.... en je liet mij in mijn waan!”.... viel Larsen heftig in.

„Ik kòn niet anders! Die zekerheid was mijn zekerheid, niet die van een jurist in mij, maar van de mensch, van een vriend ook....”

„Een vriend....! Dus je wist dat ik bedrogen werd?”

„Ja, ik wist het al lang.... En, zooals ik zei: ik geloof meer dan eens, en.... met verschillenden....”

Larsen zweeg somber.

„Maar mijn bewijzen waren bewijzen waar jij en de rechter niets aan hebben zouden.”

„Hm.”

„Jij, omdat je me toch niet gelooven zoudt. Niemand die een vrouw waarlijk liefheeft—en dat deedt jij, dat wist ik—gelooft zoo iets maar voetstoots. En.... liefde gaat boven vriendschap. Wij hadden de hevigste onaangenaamheden gekregen, en ’t had toch niets gegeven. Je hadt mij afgezworen—en wat nog erger is—je hadt je rust en daarmee je geluk verloren....”

„Een schijngeluk!”

„Nou ja, alle geluk is schijn, verbeelding. Voelde jij je eergisteren—laten we zeggen eergisteren—volkomen gelukkig, of soms niet?”

„Volkomen....”

„Nu weet je.... je illuzie is weg, en je bent genezen.... of nee, laat me uitspreken, ik meen: nu ben je op de goeie weg om te genezen.”

Larsen stiet een kreunende zucht uit.

„Ik wachtte op ’t oogenblik dat je zelf zoudt zien, zelf en daarmee overtuigend helder. Nu màg je niet langer aarzelen.”

Alle tegenstand was gebroken. Hulpeloos boog Larsen ’t hoofd: zijn wil onderwierp zich schreiend aan de wreede logica van zijn vriend.

„Adieu!” zei hij, na eenige oogenblikken zwijgend voortstappen naast Van Thiemen. „Ik moet weg. Ik zal denken aan wat je me geraden hebt.”

„Afgesproken. Beschik over mij, hoor.”

De vrienden wandelden naar de voordeur, en na een hartelijke handdruk, scheidden ze voor die dag.

VII.

Larsen spoedde zich huiswaarts langs de stille straten. Hij zag of hoorde niets om zich heen. Het bezoek aan zijn vriend had hem niet voldaan, en toch, hoe onrustig hij zich ook voelde, er was meer orde in zijn denken dan enkele uren te voren, en hij zag duidelijker een uitweg uit de doolhof zijner ellende.

Haastig liep hij zijn gang door, de trap op. Hij wilde Paula spreken, zoo spoedig mogelijk. Er moest een beslissing komen, hoe dan ook, zoo mogelijk vandaag nog. Paula moest weten waar ’t op stond. Ja, Van Thiemen’s raad was wel goed: hij zou haar zeggen vandaag nog bij hem aan te gaan, om raad en inlichting. Dat was beter zoo dan lange uitleggingen van hemzelf—hij deugde er niet voor, trouwens; en ’t was hem zoo pijnlijk. Hij zou niet meer dan ’t allernoodigste zeggen; haar naar zijn vriend verwijzen—die was te vertrouwen, volkomen, die kende beide goed, die meende ’t goed met beiden....

Nu ja, humaan wàs Van Thiemen, al.... had hij geen sympathie meer voor haar. De oppervlakkige beleefdheid en aangename manieren waarmee de jurist haar steeds bejegend had, zijn bizondere takt om met vrouwen om te gaan, zijn innemend uiterlijk en oprechte bewondering voor haar uiterlijke verschijning namen immers voldoende de plaats in van die.... sympathie....

Paula was misschien in de voorkamer. Ze zat daar nogal eens in de namiddag, ontving er haar kennissen en vriendinnen, of zat er te lezen.

Hij stiet de deur van ’t vertrek open, en trad binnen. Paula was er niet. De piano stond open. Een muziekboek stond opengeslagen op de lezenaar. Onwillekeurig wierp hij een blik op de noten: de Washington post van de Souza.... Dat had ze gisterenavond niet gespeeld.

Een vreemde gewaarwording trilde door hem heen, deed hem zijn wenkbrauwen fronsen.

Hij trad weer naar de deur en ging de trap op, onzeker waar hij heen zou gaan. Misschien zou hij Paula boven vinden, in zijn studeerkamer. Een naar vermoeden bekroop hem. Och, onzin! Waar dacht hij aan?

Daar trof hem ’t geluid van zingen. Wie was dat? De meid? Nee, onmogelijk.... ’t Kwam van boven, van de verdieping waar de slaapkamers waren, en ’t was nu geen bedden-opmaken—anders de geliefde zang-periode der „kamermeid”. Didi was naar school. Pietje, de eene gedienstige, kwam net de trap op, uit de keuken op weg naar boven, een paar badhanddoeken over de eene arm geslagen.

„Zeg ’s Pietje.... waar is Mevrouw?” vroeg de huisheer aarzelend.

„O, boven in de badkamer.... Meneer. Mevrouw heeft me juist om een paar handdoeken gevraagd.”

In de badkamer! Om twee uur in de namiddag.... Och, ’t is waar, ze deed dat meer. Paula baadde op elk uur van de dag en van de nacht, als ze daar trek in had, soms twee maal in de vier en twintig uren. Paula was meer dan zindelijk: baden was haar een ware wellust. Trouwens, de badkamer had er al het weelderige voor: daar te baden wàs een genot.... En, zeer merkwaardig en onbegrijpelijk voor een natuur als die van Larsen, ze baadde vaak niet uit dwang tot reinheid of zucht tot genot: neen, uit pure vroolijkheid, als uiting van overvloeiende levenslust. Geen wonder dat ze dan zong, kwinkeleerend als een kanarievogel, die zijn veertjes gepoedeld heeft.

Larsen moest dus wachten. Toch ging hij de trap op.

Hij stapte voorbij de badkamer. Paula scheen het te merken, want het zingen hield even op. Daarna hervatte zij het. Lustiger dan te voren, meende Larsen te bespeuren. Onwillekeurig wierp hij een blik naar de matglazen deur, als kon hij er door heen kijken. Een flauwe geur drong naar buiten in zijn reukorgaan. Hij verhaastte zijn stap, en ging naar zijn studeerkamer. Daar wierp hij zich op de sofa, vreemd te moede. Als Paula klaar was, kwam ze misschien wel bij hem.... Dat kon niet lang meer duren: als ’t zingen begonnen was, duurde ’t gewoonlijk niet langer dan een kwartier.

In zijn verbeelding zag hij haar vóor zich, zooals hij haar dien avond gezien had, nog kort geleden—nauw een week—frisscher en begeerlijker dan ooit, de loshangende weelderige zwarte haren over haar donkerroode kimóno, ’t Japansche kleed, dat ze altijd droeg als ze uit de badkamer kwam. Hij was haar toen gevolgd naar haar slaapkamer... Een lichte huivering voer door zijn leden bij de herinnering aan dat uur. Wat was hij verliefd geweest, en zij verleidelijk, dartel, beroezender dan ooit!

Hij stond op met een ruk; en ’t was of hij iets van zich af wierp. Zijn wenkbrauwen waren gefronst, zijn gelaat vertrokken—oud, wonderoud voor zijn jaren—zijn eene vuist balde zich. Hij deed een paar schreden. Daar viel zijn oog op Paula’s portret boven zijn schrijftafel—als bruid. Hij wendde zich om.

„Mijn God, mijn God,” mompelde hij.

Dan zette hij zich weer op de sofa en verzonk in dof gemijmer.

Hij hoefde niet lang te wachten, veel korter dan hij gedacht had.

„Zoo, ben jij hier?” klonk het opeens aan de deur der studeerkamer.

„Paula!” Daar stond de welbekende verschijning, juist zooals een week geleden, die eene avond.

„Ja, ik hoorde je thuiskomen,” zei ze onverschillig, en wierp achteloos een hoeveelheid haar naar achteren.

Dadelijk trof hem haar toon. Er was iets kouds, iets gewild brutaals in, dat hem, als geheel nieuw in haar, met verwondering vervulde.

Ze keek even rond, op hoogst ongedwongen wijze. Toen snoof ze met een vies gezichtje even hoorbaar:

„Heb je hier gerookt? ’t Ruikt hier afschuwelijk!”

Een en al verbazing keek Larsen haar aan. Wat bezielde haar?

„Ik heb niet gerookt.... vandaag ten minste niet... gisteren misschien. Als je wil, zullen we naar beneden gaan. Ik woû met je spreken.”

„Je wil me altijd spreken tegenwoordig. Maar goed, deze keer wil ik jou ook wel ’s spreken....”

Meteen zette zij zich op een stoel bij zijn schrijfbureau.

Larsen dacht onwillekeurig aan zijn bewijsstuk, tastte even in zijn vestzakje, en overtuigde zich dat het sleuteltje van zijn laadje er nog zat.

„Je bent zoo bij je boezemvriend geweest,” hervatte de gestalte in kimóno, terwijl ze het rechterbeen over ’t linker sloeg. Een mooi geborduurd muiltje bengelde aan haar rozenteentjes, en liet zoo de rest van den eenen kleinen voet bloot.

„En,” ging ze voort, „je hebt er zeker heel wat afgepraat. Toe, vertel ’s.”

Larsen zag haar vreemd aan.

„Ik woû dat je niet zoo suf keek, zeg,” zei Paula weer. „Is er iets bizonders aan me? Je hebt me zoo wel meer gezien, geloof ik....”

„Dat is ’t niet....” antwoordde Larsen.... „We spreken over ernstige zaken, Paula.” Er was iets strengs in zijn woorden, dat zijn vrouw deed glimlachen.

„O zeker, best. Ik wil ook heel, heel ernstig zijn. Maar, komaan, vertel ’s op. Van Thiemen heeft gezegd dat je van me af moest zien te komen, niet?”

„Paula, wat scheel je? Waarom sla je zoo’n onverschillige losse toon aan?”

„Ik? Och, verbeelding! Zeur nou maar niet. Antwoord me maar.”

Larsen haalde de schouders op. Waarom zou hij ook dit maar niet verdragen—als de zaak maar spoedig tot een eind kwam?

„Ik heb niets beslist....” begon hij.

„Och kom.... die is ook leuk! En gisterenavond was je zoo zeker.”

„O, omtrent dat eene.... nu nòg.... Ik bedoel de manier waarop....”

„Zoo, en die weet je dus nog niet?”

„Nee.” Larsen sprak kalm, schoon inwendig zich ergerend over haar voor hem onverklaarbare overmoedige houding. „Ik heb me alleen wat op de hoogte gesteld van de wet. Hij heeft me goeie raad gegeven....”

„Dat begrijp ik, ha, ha!”

„Ja, en hij acht het wenschelijk dat jij ook ’s met hem spreekt.... of.... hij wil ook wel hier komen, bij jou....”

„Zeker, ’t is een charmant mensch....”

„Ik zou het maar doen.... als ik jou was....”

„En,” ging Paula voort, zonder op die laatste woorden te letten, en ze zocht iets in de ruime plooien van haar kimóno, op haar borst. „En heb je hier niet over gesproken?” Lachend keek ze hem aan. Om haar mond danste een ironietje als een satertje.

Hij zag iets in haar hand, dat ze heen en weer bewoog.

Ze zat een vijftal schreden van hem af.

„Wat is dat?” vroeg Larsen geheel de kluts kwijt.

Paula sloeg een in vieren gevouwen papier open, en liet hem de beschreven kant zien.