Part 1
HEILIGE BANDEN
ROMAN VAN A. A. FOKKER (KARAMATI)
UITGEGEVEN IN 1903 DOOR C. A. J. VAN DISHOECK TE BUSSUM.
I.
Paula stond op van haar stoeltje in de studeerkamer van haar man. Ze had er met hem koffie gedronken, zooals ze dat gewoon waren sinds jaren, na den eten. Hij had intusschen wat zitten bladeren in een oud manuscript, een bijna vergeten stuk werk uit een portefeuille met half voltooide of afgekeurde opstellen, die hij toevallig weer in handen gekregen had. Nu en dan hadden ze een woord gewisseld. Zij had zich verveeld.
„Kom, ik ga ’s naar Louise. Ik moet haar kindje eens zien,” zeide zij, trad op hem toe, en gaf hem een tikje tegen de wang.
„Blijf je lang uit?” vroeg hij, op eens geheel aandacht.
Ze lachte even. Ze wist dat hij haar vooral ’s avonds moeilijk missen kon.
„O, nee, een oogenblik. Ik ben terug vóor de thee; maak je maar niet ongerust. Daag!”
„Goed, goed, tot straks!”
Weg was ze.
Hij keek haar na, en bleef staren naar de deur waardoor ze heen was gegaan.
Ze waren dertien jaar getrouwd, en nòg was hij verliefd. Hij begreep het soms zelf niet.... Hij, de ernstige man van studie, reeds de veertig voorbij, nog verliefd als in de eerste dagen van hun huwelijk!
’t Was hem nu weer duidelijk op dat oogenblik: die vrouw was een element in zijn leven dat hij niet missen kon. Hij kon zich het leven niet buiten haar denken, zij was hem dierbaar en onontbeerlijk als het licht zijner oogen. Neen, meer nog; want blind zou hij nog aan ’t leven hechten, zonder zijn Paula scheen het hem waardeloos. En zij had hem immers lief, het bekoorlijke vrouwtje dat zijn bestaan doorzonde.
Ondanks haar vier-en-dertig jaren was ze altijd even aantrekkelijk voor hem. Hij kende geen gebaar van haar, geen houding, geen stemgeluid, dat hem ooit mishaagd had, en haar schoonheid was hem telkens en telkens weer een bron van nieuw genot.
Droomerig staarde hij vóor zich uit, half omgedraaid in de bureau-stoel. Haar beeld was nog niet weggewischt van zijn geest: hij zag haar nog, zooals ze, bevallig als altijd, met een beminnelijk lachje weggewipt was, luchtig als een vogeltje, en toch met volkomen zelfbewuste bewegingen.
Hij was toch een zondagskind! Hij.... zoo’n vrouwtje!.... En hij dacht aan al de moeilijkheden die indertijd hun huwelijk in de weg hadden gestaan, haar aanvankelijke tegenzin, zijn aanhouden. En thans, ná zooveel jaren nog geluk.... Hij was vader, sinds het tweede jaar van hun echt, en het nieuwe geluk had zich naast het oude gesteld, had het aangevuld en verhoogd, zonder het in ’t minst te verdringen. Hun eenigst kind was een meisje van elf jaar, en zijn verlangen naar een zoon was na korte vervulling—’t ventje was nu vijf jaar geleden na dertien maanden levens gestorven—verder onbevredigd gebleven. Ander verdriet had hij nooit gekend, en ’t gemeenschappelijk leed had man en vrouw immers dichter bijeen gebracht, als dat mogelijk was.... O, geen twijfel: hij was gelukkig. Hij.... En ’t kwam hem voor de zooveelste maal vóor de geest, hoe weinig aantrekkelijk hij als man wel moest wezen. Hij was ernstig en in zich zelf gekeerd, een man van studie en huiselijke neigingen, en .... waarlijk geen verschijning om een vrouwenhart in gloed te zetten. Men moest hem kennen, goed kennen. Ja, dat wàs ’t: zij kènde hem, en daarom had ze hem lief.... Dat pleitte voor haar degelijkheid. Ze had best andere, even goede partijen kunnen doen. ’t Is waar, hij was „knap”, maar de meeste vrouwen hebben dat woord, op een man toegepast, liever in de andere beteekenis. Hij was professor op zijn acht-en-twintigste jaar, en had wat geld. Doch wat zou dat? Paula had hem zeker niet daarom genomen, al waren haar ouders vrij onbemiddeld; zij de gevierde, mooie, geestige Paula Lindes.
De bureau-stoel kraakte. Larsen’s blik dwaalde naar de andere zijde van ’t ruime studeervertrek. Daar stond Paula’s schrijftafeltje. ’t Paste eigenlijk niet in de strenge eenvoud der omgeving: ’t stond daar als het beeld van haar losse gratie tegenover de ietwat logge ernst van zijn wezen. Zij had het meubeltje boven laten brengen uit haar „pruilkamertje”, voor de gezelligheid, om meer bij hem te zijn, zooals ze zeide.
Als onwillekeurig aangetrokken, richtte Larsen zich op, en ging naar het schrijftafeltje toe.
O, er was niets bizonders aan te zien. Hij had het honderd malen gezien. Zij had er in zijn bijzijn nu reeds tientallen geurige briefjes aan vriendinnen en verwanten aan zitten afpennen, haar werk slechts afbrekend om nu en dan guitig op te kijken, en hem, quasi ruw, toe te roepen:
„Zeg’s, geleerde, slepen met twee e’s of met éen? Kom, gauw ’s wat!” of iets dergelijks.
Ze had immers ook geen geheimen voor hem.... Aan ’t tafeltje was niets bizonders, evenmin als aan de inhoud der laadjes. Hij kende al haar brieven. Hij keek ze voor haar na, steeds. Bij al haar ontwikkeling had de spelling van haar moedertaal haar steeds moeilijkheden in de weg gelegd. Ze vond die „stupide”, en „kon er geen touw aan vastknoopen”. Ze was te levendig, ongedurig, zenuwachtig, om ooit de ingewikkelde regels onzer orthografie behoorlijk uit een te houden. En op „Kollewijnsche” manier te spellen vond ze te „burgerlijk” of „kruidenierachtig”, wat bij haar op ’t zelfde neerkwam.
Wat kon ze ’n brieven schrijven! Zes kleine, geurige, rooskleurige of roomgetinte velletjes waren in een ommezien vol gekrabbeld. En wat een hand! Zes regels op een bladzijde. O, hij zag haar zitten, met het gitzwarte haar in een sierlijke dikke wrong, waarin éen fraaie haarnaald haar fonkelend knopje vertoonde, de „dolle” haartjes in de nek, en dan ’t enkele lokje, dat vóor over ’t voorhoofd neerviel, en telkens met een driftige beweging werd weggetrokken, tusschen twee vurige adjectieven eener ontboezeming in. Dan haar plotseling zich omwenden, om een vraag te doen, of naar „hem” te kijken, uit pure ongedurigheid: de pen balanceerend tusschen wijs- en middenvinger der linkerhand, de rechterarm languit over de leuning van haar stoeltje geslagen, met groote, kinderlijk open blik en iets sterk verwachtends in de oogopslag als van een paardrijdster, die zich plotseling voorbereidt tot een sprong door een hoepel.
Hij had dikwijls opgezien van zijn werk, als zij zoo opkeek, de verliefde „lobbes”, zooals zij hem noemde. En had hij haar dan in stilte gadegeslagen, wanneer ze half omgewend in gepeins zat met de saamgeknepen lipjes, waarboven ’t fijne zwarte dons zoo aardig uitkwam. Soms had ze hem betrapt en, bruusk als altijd, had ze hem toegeroepen:
„Hei daar, ouwe jonge, eet me niet op met je oogen! Schaam je wat. Ga aan je werk.” En met een ruk zette zij zich dan weer aan haar brief, om voort te kriewelen in ritselende vaart.
Larsen zat voor het schrijftafeltje.
Waarom lustte het hem op dat oogenblik de laadjes open te trekken, éen voor éen, en er de bundeltjes veelkleurige brieven en briefjes uit te nemen? Om ze te lezen? Och, hij kende ze immers alle! Geleuter en gebabbel van vrouwtjes, overdreven uitingen van vriendschap, van verveling of ergernis, van vreugdetjes of smartjes van meest onbeduidende vrouwenleventjes! Om de geur in te ademen die Paula binnen haar fijne bewegelijke neusvleugeltjes liet dringen, om aan te raken wat haar poezele vingertjes betast hadden, om in dwaas verliefd doen te grasduinen in een atmosfeer van haar wezen....
Droomerig nam hij pakje voor pakje uit de laadjes en legde ze weer neer, ordelijk, zooals ze gelegen hadden. Enkele losse brieven keek hij even in, nauw glimlachend nu en dan bij een woord, dat hij las—„lieve zoete Paulepoetje”: dat was van Louise, een brief van huis geschreven door Louise, toen ze haar zielsvriendin de eerste roes van ’t komend moederschap meedeelde—„doe mijn uitbundige groeten aan je beminde zooltreder of huisband”: dit was van Margot, die hem altijd op zoo’n vervelende manier „in ’t ootje” wilde nemen, en steeds meende daarin te slagen—och, hij gunde haar ’t genoegen: ze moest haar aardigheden met alle geweld luchten—en zoo ging het voort. Een enkel halfvoltooid briefje van Paula zelf, later afgekeurd: „Och, help me, red me, verlos me uit deze zee van verveling, die me overstelpt en verzwelgt! En mijn man, die zoo geleerd is en zoo degelijk en zoo ernstig! Kom bij ons eten: je moet, versta je? en vandaag nog....” Wat had hij er om gelachen indertijd, en juist dit had haar ontwapend en haar van ’t zenden van ’t schriftuur doen afzien.
Een dwaas vrouwtje! En toch: hij wenschte haar zich niet anders. Zijn Paula was een geheel van dwaasheden en lieve eigenschappen, die hij zich niet anders denken kon. Hij had zich geen moeite gegeven haar te leiden. Trouwens, had hij ’t gekund? Kon een man als hij een vrouw leiden? Hij lachte zelf om ’t idee. Wat schaadden hem haar kleine onvolkomenheden! ’t Is waar, in de dertien jaar van hun huwelijk was zijn kapitaal tot op de helft geslonken, maar wat zou dat nog? Hij had immers nog voldoende, en nu was zijn traktement toch groot genoeg om bijna toe te komen. Anderen betaalden hun geluk wel duurder—of wat ze voor geluk aanzagen.
Een merkwaardig archiefje, dat van zijn vrouw.... Waarom hield ze die brieven alle bij elkaar? ’t Was toch alles, of grootendeels althans, nullig... Ja, maar ’t waren trouwe afdrukken van echt-vrouwelijk leven, ’t was natuur, al deed de weelderigheid aan tropische plantengroei denken; en uit alles steeg de bedwelming der elegante vrouw, als de geur eener grillige orchidee.
Aanbiddelijk, verrukkelijk, ondanks haar grilligheid, neen òm haar grilligheid. Want was ze niet edel en beminnelijk, bij al haar kleine tekortkomingen, niet ontoegankelijk voor ontheiliging als de bloem der diepe wouden, die slechts geurt en bloeit voor de gelukkige die haar vindt. Hij was die gelukkige. Hij was zoo zeker van zijn bezit, dat hij nooit jaloezie voelde bij al haar behaagzieke streekjes en aanstellerijtjes—hij kende ze, hij vond ze „lief”, o, „ergerlijk lief”, zooals hij ’t vaak noemde—hij was zóo overtuigd van de degelijke grondslag van haar karakter, dat hij bijna nooit boos werd om haar driftbuitjes, die nu en dan voorkwamen; hij lachte er om op goedige, lobbesachtige wijze. Dan vond ze hem „stupide”, en ook dit vond hij vermakelijk...
Larsen had de beide laadjes doorsnuffeld, en schoof ze nu met kracht dicht.
Links van ’t bureautje hing een spiegel. Onwillekeurig viel zijn oog op zijn beeld, ’t Gebeurde niet vaak, dat hij in een spiegel keek, en de tegenstelling met Paula trof hem als iets grappigs. Hij zag zijn door ’t vele lezen en schrijven ietwat gekromde gestalte, zijn dun haar aan de slapen, het hoog voorhoofd, de borstelige wenkbrauwen—rood! evenals zijn baard en snor—zijn eenigszins breede neus, de vrij groote mond, als wegschuilend in ’t overvloedige baardhaar met de dunne op elkaar geknepen lippen met een trekje van goedige ironie, zijn moede blauwe oogen; ’t geheel wel forsch en mannelijk, maar hoekig en onbeholpen! Hij had iets van een beer, een „zooltreder”, zooals de would-be geestige Margot hem noemde: niet daarom alleen, maar ook omdat hij op zijn gemak gesteld was als alle geleerden, en thuis meestal op pantoffels liep. Hij zag ook de onberispelijkheid van zijn linnengoed—haar zorg, ondanks al zijn protesten!—de strik van zijn zwarte das—door haar gelegd! Nee, zeker, hij was niet terugstootend of onaangenaam.... maar toch welk een contrast tusschen die beiden! Hij glimlachte, kalm voldaan over zijn geluk, en wendde zich om.
Daar viel zijn blik op een wit stuk papier onder ’t bureautje van zijn vrouw. O, hij had bij ’t dichtschuiven der lade een briefje er uit laten vallen. ’t Had tusschen tafel en lade beklemd gezeten.
Hij raapte ’t op. ’t Was in elkaar gevouwen, en hij opende het, als ongedachtig. ’t Was een oude brief, reeds geel geworden.
De inhoud boeide hem onmiddellijk op onweerstaanbare wijze. Hij zette zich weer op de stoel vóor ’t bureautje, boog zich voorover, en steunde het hoofd op éen arm.
’t Papier ontgleed aan zijn vingers, en viel op de grond.
Wat stond er eigenlijk? ’t Schemerde hem vóor de oogen en hij beefde. Zenuwachtig bukte hij zich, en hervatte de lectuur, ontdaan, een ander mensch dan te voren.
Dan liet hij ’t vóor zich vallen, boog geheel voorover, de beide handen krampachtig aan ’t hoofd gedrukt.
„Mijn God, mijn God!” kermde hij.
Hij was geen man van hevige gemoedsuitingen. Zijn zielsleven was tot dusverre zoo kalm, zoo vredig en ongestoord geweest; en al wat daar in zijn binnenste omging kwam zoo zelden aan de oppervlakte. In zijn oogenblikken van hoogste intimiteit bleef hij schijnbaar onbewogen. Toch was zijn gevoeligheid groot, zijn ontvankelijkheid voor indrukken fijn ontwikkeld. Wat anderen koud liet deed hem vaak pijnlijk aan, wat anderen onverschillig voorbijgingen was hem dikwijls genot. Hij voelde diep, al uitte hij weinig. Vereering was daarom bij hem verafgoding, liefde aanbidding. Zijn liefde voor Paula was hem heiliger dan het heiligste, samenhangend en innig verbonden met de edelste aandoeningen zijner ziel, neen, éen daarmee, ’t Geloof in haar was ’t geloof in ’t schoone en reine. Al was hij ’t zich niet volkomen bewust, hij had de dichter kunnen nazeggen:
Ton nom est ma prière de la nuit et du jour!
Paula was wat wuft, wat lichtzinnig, wat dol soms, goed, maar.... ze was immers rein als een engel, de belichaming van wat aanbiddelijk is in een vrouw. En die overtuiging had hem gelukkig gemaakt, nu dertien jaren lang, was zijn kracht geweest en zijn trots...
Hij zag ze thans vóor zich, die dertien jaren van slechts kort gestoorde levensvreugde, al de herinneringen doorliepen zijn geest als een verbijsterende fantasmagorie, scherp omlijnd en voorbij snellend als een koortsdroom. Hij doorleefde nog eens al die onvergetelijke gebeurtenissen van zijn huwelijksleven, van ’t oogenblik dat hij Paula zijn eerste kus gaf, tot nu. En ’t was of thans de reeks afsloot; en ’t slottafereel der afgerolde jaren week en week terug in zijn voorstellingsvermogen met wondere snelheid.
Tusschen nu en straks—nauw vijf minuten!—lag een eeuwigheid voor hem.
Hij richtte het hoofd op, als verdwaasd. Zijn haren waren verward, hij staarde rond, wezenloos, zonder gedachte dan deze éene, die hem waanzinnig maakte:
„’t Is uit, mijn God, ’t is uit, voor goed!”
En toch, ’t was ongelooflijk, ’t kon, ’t mocht niet waar zijn. ’t Kon er niet staan, ’t was een zinsbegoocheling, hij moest gedroomd hebben.
Wederom greep hij naar de brief, en voor de derde keer las hij de woorden, die in zijn gemoed brandden met onduldbare smart:
Liefste,
’t Kan niet langer zoo. Dit leven is mij een hel geworden en ik ga heen, zooals ik je gezegd heb. O, Paula, hoe kàn je anders van mij verwachten, hoe kan je van me vergen dat we dat komediespel nog éen dag langer voortzetten? ’t Is mij onbegrijpelijk, hoe ik het nog deze maand heb kunnen uithouden. Ons kind te zien en mij te verheugen in ’t bezit van zulk een schat, ’t pand van onze liefde, en steeds te huichelen, alsof zijn vadervreugde mij een verkwikkelijk schouwspel was; aan te zien dat hij, mijn weldoener, degeen aan wie ik alles te danken heb, zich gelukkig waant, en mij in zijn hartelijkheid over zijn geluk spreekt in geestdriftige woorden, alsof ik erin deelen moest; terwijl hij anders zoo gesloten is tegenover anderen.... o, ’t is mij onmogelijk verder. Ik kan hem de hand niet meer drukken, en hem in de trouwe oogen zien, zonder dat mijn geweten mij voor een verrader, een ondankbare huichelaar scheldt.
Ik ga naar Indië. Je weet dat ik er hem over gesproken heb, en dat hij mijn plan goedkeurt. Ik heb hem gezegd dat ik haastig weg moest, omdat de maatschappij, die mij door zijn tusschenkomst uitzendt, mijn diensten eerder noodig had dan ik oorspronkelijk dacht—een plotseling telegram uit Indië—en ik zou na de noodige besprekingen te Amsterdam, nog eens terugkomen, om afscheid van jou en Didi te nemen. Ik doe ’t echter niet, en ik zal wel een uitvlucht vinden, en hem uit Amsterdam schrijven, dat ik tot mijn grooten spijt niet meer kan terugkomen.
Draag je smart zoo goed je kunt. En, o Paula, wees goed voor hem. Tracht hem lief te hebben en mij te vergeten. Ik ben een onwaardige en hij is zoo goed! Mijn God, als ik denk dat zijn goedheid zóo vergolden is!
’t Ga je goed in je verdere leven. Vergeet mij en mijn liefde. Ik zal als een man strijden tegen het misdadige gevoel en ’t overwinnen, om eindelijk na jaren van boete mij waardig te maken, om hem terug te zien en om vergiffenis te smeeken.
Rudolf.
Weder zonk Larsen’s hoofd neder, en in doffe wanhoop snikte hij ’t uit, verplet, vernietigd.
II.
Hij wist zelf niet hoe lang hij zoo wezenloos voorover gelegen had, toen hij voelde, dat iemand zijn schouder aanraakte.
Verschrikt keek hij op, als plotseling ontwakend.
O, ’t was Paula.
„Wat is er?” vroeg ze verwonderd. Ben je hier in slaap gevallen?.... Doch spoedig trof haar ’t ontdane zijner gelaatstrekken. Meteen viel haar blik op de brief vóor hem op ’t bureautje. Ze herkende hem onmiddellijk.
God, hoe kwam dat ongelukkige ding hier?!
Paula begreep in een oogwenk haar toestand, zijn smart; en, hem kennend, voorzag zij de gevolgen van ’t gebeurde.
Eén oogenblik stond ze in beraad. Zou ze ontkennen, en er iets op verzinnen? Hij was lichtgeloovig genoeg, en wie is dat meer dan de verliefde man eener verleidelijke vrouw? Maar hoe kon dat? De brief was immers een acte van beschuldiging in optima forma.... Nee, in ’s Hemels naam: bekennen dan maar, en op zijn gevoel werken. Hij aanbad haar, kon niet buiten haar, en zou vergeven, als hij maar berouw meende te zien. In ieder geval moest ze zien hem gunstig te stemmen, alle vijandigheid te voorkomen; want zoolang dat document in zijn handen was, kon hij echtscheiding aanvragen op grond van overspel van haar! Mocht het haar gelukken ’t stuk machtig te worden, wel, dan kon ze immers nog altijd elke erkenning van schuld loochenen....
Zij zou ’t eerst spreken, dadelijk elke uitbarsting van zijn kant stuiten:
„O, ik zie ’t,” zei ze zacht. „Je hebt die brief gelezen.... Die ellendige oude geschiedenis, waar ik zooveel om geleden heb.... waar ik zooveel nachten van wroeging om doorgebracht heb.... Ik heb God zoolang om vergiffenis gebeden; maar ’t heeft niet mogen zijn.... De straf moest eenmaal komen.... O God, o God!”
En snikkend wierp ze zich voorover op een kleine sofa, die bij ’t bureautje stond.
„Dat jij ’t weten moest, weten moest....” ging ze, telkens afbrekend, voort, „waarom, mijn God, waarom? Jij zoo goed en zoo lief voor mij, dat jij deze slag hebben moest! ’t Is vreeselijk, vreeselijk.... O, wat heb ik je lief gekregen na die verschrikkelijke dingen, die er zijn gebeurd, juist omdat ik voelde hoe onwaardig ik was, dat jij zooveel van me hieldt.... En nu hoû je niets meer van me.... Nu veracht je me.... Nu wil je niets, niets meer van je Paula weten.... O, mijn God, wat ben ik ongelukkig!”
Ze hield even op, en wachtte.
Hij zeide niets, verroerde zich niet. Paula’s woorden drongen helder in zijn ooren als in een levendige droom. ’t Tooneel daar vóor hem, zijn vroolijke, luchtige Paula, wanhopig schreiend en zichzelf beschuldigend, leek hem onwerkelijk. De pijnlijke waarheid moest nog tot hem doordringen.
Paula ging voort.
„O, je antwoordt niet.... Je Paula is niets meer in je oogen. Je zult haar nu wegsturen als een straatmeid....” En weer snikte ze, en woelde wanhopig heen en weer, terwijl ze het kussen, dat er lag, krampachtig tegen zich aan drukte.
Larsen stond op, en trad op haar toe.
„Paula!” zei hij dof.
„Willem....” En ze barstte uit, zich neerwerpend vóor zijn voeten:
„O, mijn God, vergeef me! Willem, vergeef me wat ik misdaan heb. Ik ben zoo diep, zoo diep rampzalig!”
„Kom, sta op....” zeide hij. „Ik kan dat niet aanzien. Kom, Paula, wees kalm. Ga daar zitten.”
Ze deed het, gedwee, en verborg het gelaat tusschen de handen.
„Als je berouw oprecht is,” ging Larsen somber voort, „heeft God je de zonde al lang vergeven. En dan.... hoe zou ik dan mijn vergiffenis weigeren kunnen?...”
Met blijde verrassing keek ze op.
„Je vergeeft me. Och, Willem, is ’t waar?”
„Mijn kind, wat geeft dat nog? Wat verandert dat aan onze ellende? Ik kan je vergeven—o, van ganscher harte—maar kan ik ooit vergeten?”
Hij wendde ’t hoofd af, en zette zich weer op de stoel vóor ’t bureautje, tegenover haar.
„O, maar dan vergeef je me ook niet!” riep Paula opnieuw wanhopig uit. „Dan vergeef je me ook niet!”
„Dat doe ik wel. Ik voel in mijn hart geen vijandigheid, geen wraakzucht tegen jou, maar mijn verstand kan me niet wijsmaken dat ik gedroomd heb, dat ’t gebeurde niet gebeurd is....”
„En wat dan?” vroeg ze klagelijk.
„Wat dan? Dat verder samenleven tusschen ons onmogelijk is.”
Ze antwoordde niet, maar wachtte in spanning, ’t hoofd voorover.
„Hoe ik ook mijn best deed om goed en lief tegen je te zijn, ik zou ’t spook.... niet weg kunnen jagen. ’t Zou steeds tusschen jou en mij staan. En dan de herinnering aan ’t kind.... ik was er zoo gelukkig mee....”
Zijn stem stokte. Een dikke traan ontperste zich aan zijn oogen.
„Nee, Paula, dat zou niet gaan.... Dat zou een marteling wezen voor ons beiden....”
„Dus hoû je dan niets, niets meer van je Paula?”
Weer wilde ze zich op de grond werpen, maar Larsen weerhield haar.
„Of ik nòg van je houd? Ik weet ’t niet.... Eén ding is zeker: mijn heilige heeft haar stralenkrans verloren.... Jij was mijn heilige....” Weer werden zijn oogen vochtig, en hij keek strak vóor zich naar de grond, zwijgend.
„Och, Willem,” vleide zij zacht na een poos.
„Ja?” Hij keek niet op, maar luisterde.
„Als je wist, als je wist hoe alles gekomen was.... O, ik zal ’t je zeggen.”
Hij viel haar in de rede, bruusk:
„Och, waarom? Ik wil niets weten, niet meer dan wat ik weet. Ik zeg je immers dat ik je vergeef.... nu al, nu ik het nauwelijks weet. Wat je me ook vertellen wil, ’t verandert immers niets aan de zaak. Je bent me ontrouw geweest.... en dat niet alleen, groote God, maar mijn kind, ’t kind, dat ik voor ’t mijne hield, was van hèm.... van Rudolf!”
„O, maar ik kan niet uitstaan dat je me verkeerd beoordeelt, je mòet weten hoe alles gegaan is.... Ik was gek, gek toen ik.... zes jaar geleden.... deed wat me later.... zulk een wroeging gaf. En ik alleen was de schuldige, toen.... dat eene oogenblik.... O, laat me je alles vertellen!”
„Goed dan,” klonk het lusteloos en mat.
„Hij was niet de verleider.... ik was ’t die hem ertoe bracht.”
„Bah, een man!” viel Larsen in. „’t Is een schande voor een man zich te laten verleiden door een vrouw!”
„Zeker, zeker, maar ’t is toch een verzachtende omstandigheid.... En wat mij aangaat.... ik wist niet wat ik deed.... Ik voelde me eenzaam, verlaten. Jij was steeds in je boeken.... Ik dacht dat je niet meer van me hieldt....”
Larsen trok de schouders op.
„’t Was verbeelding, zeker, dat zie ik nu wel in.... maar toen.... toen geloofde ik ’t.... en hij—Rudolf—was zoo vriendelijk en zoo belangstellend, en zoo vol attenties, en zoo altijd om mij heen. Jij zat in je studeerkamer. En dan zat hij bij mij.... soms tot ’s avonds laat. Of jij was uit, naar de bibliotheek... Eens op een avond....”
Larsen maakte een afwerend gebaar.
„Ik weet heusch niet hoe ’t kwam,” ging Paula hartstochtelijk voort. „Maar.... ’t was maar eens, net eens....”
Weer maakte Larsen een gebaar, ditmaal van ongeduld en wrevel, als wilde hij zeggen: „Alsof dat er iets toe doet!”
„Ik zeg ’t alleen, omdat ik wil hebben dat je alles begrijpt.... Ik ben geen slechte vrouw....” Ze snikte en kon bijna niet voortgaan. „Ik bèn niet slecht.... ’t was een „surprise des sens”.... een dolheid.... een oogenblik van waanzin.... Niets overdachts.... geen bedrog....”
„Maar ’t bedrog kwam later,” zei Larsen bitter.
„Later? Ja, hoe kon ik anders.... En juist dit was mijn straf. Ik moest je bedriegen, omdat.... omdat....”