Handboek voor Bijenhouders

Part 10

Chapter 103,897 wordsPublic domain

De dubbele, zoowel liggende als staande woningen, worden eveneens vervaardigd als de enkelvoudige, doch men maakt de binnenwijdte een duim grooter, dan tweemaal die der enkelvoudige, en dus 20 duim. Door een tusschenschot, van één duim dik, dat aan beide zijden groeven heeft, die met die der zijwanden overeenkomen, wordt de woning nu in twee volkomen gelijke deelen verdeeld, die elk weder 9 1/2 duim breed zijn. Bij de liggende woning maakt men, in het midden der breedte van elk der zijwanden, een vlieggat; bij de staande daarentegen komt wel in elken zijwand een vlieggat, maar dit wordt zoo digt mogelijk naar den voorwand gebragt.

De dubbele heeft met vele zamengestelde woningen het voordeel, dat de vereeniging der zwermen tegen den winter en hunne scheiding in het voorjaar, zeer gemakkelijk geschiedt. Men maakt daartoe eene opening in den tusschenwand, van 2 à 3 duim breed en 1 duim hoog, die juist tegenover de beide vlieggaten ligt, zoodat men er doorheen kan zien. De opening wordt met eene houten stop gesloten en deze goed bevestigd.

Wanneer men nu in het najaar de in beide afdeelingen der woning geplaatste zwermen wil vereenigen, omdat het een van hen of wel beide aan voldoenden voorraad ontbreekt, dan ontneemt men den geheelen bouw aan dien stok, welken men met den anderen wil vereenigen en voegt dezen nog zoovele, met honig en broed gevulde, tafels toe, als de vereenigde zwerm zal behoeven. In de ledig gemaakte afdeeling der woning, wordt de opening in den tusschenwand, na er de stop te hebben uitgenomen, in verbinding gebragt met het vlieggat, door er een doorgang in te plaatsen, gemaakt van een plankje, waarop aan beide kanten latjes bevestigd zijn. De breedte en hoogte van den doorgang moeten overeenkomen met die van het vlieggat, terwijl hij in de lengte juist in de woning moet sluiten. Alle bijen worden nu uit dit gedeelte der woning gejaagd, waarna het met hooi of stroo aangevuld en gesloten wordt. De terugkeerende bijen zullen, haar eigen vlieggat ingaande, toch bij hare buren komen. Om het vechten te voorkomen moet men de bijen, van beide stokken, met muscuswater besprenkelen en de moederbij uit dien stok vangen, dien men met den anderen wil vereenigen. Beide vlieggaten moet men nu geopend laten; want elke bij blijft door haar eigen vlieggat invliegen; het andere leert zij niet kennen. Het zou daarom niet baten, wanneer men beide stokken in eene afdeeling der woning plaatste; want elke bij zou weder naar haar eigen vlieggat terugkeeren en die het gesloten vonden zouden of op andere stokken vervliegen en daar groote schade aanrigten, of omkomen.

Even gemakkelijk als men nu de vereeniging bewerkstelligd heeft, kan men in het voorjaar de bijen weder scheiden. Die in het voorjaar uitgebroeid zijn, vliegen gedeeltelijk door het eene, gedeeltelijk door het andere vlieggat, maar elke bij kent er slechts één. Neemt men dus den doorgang weder weg en sluit men de opening in den tusschenwand, na den bouw over beide afdeelingen der woning verdeeld te hebben, dan is de scheiding volbragt. Den nieuwen stok geeft men het meeste, en vooral al het gesloten broed, maar zorgt ook hem eene tafel met ongedekt broed te geven; want geene moederbij hebbende, moet hij hulpcellen aanzetten en hij zal dit den eerstvolgenden nacht doen. Had de oude stok reeds moederwiegen aangezet, dan geeft men den nieuwen eene tafel, waarin er zich eene bevindt; de bijen, aan deze gewoon zijnde, zullen haar blijven bebroeijen en in weinige dagen weder eene koningin hebben. Wegens de jonge moederbij zal de stok dat jaar niet zwermen, doch hij kan daarentegen een goede honigstok worden. Het is ook omdat er geruimen tijd verloopt, eer dat de moederbij bevrucht kan zijn en dus met de eijerlage begint, dat men den nieuwen stok het op het uitkomen staande broed moet geven, en het is ook goed hem van tijd tot tijd eene tafel met broed toe te voegen, totdat men overtuigd is dat de jonge koningin bevrucht is. In den anderen, die de bevruchte moederbij behoudt, gaat de eijerlage geregeld voort.

Bij de drievoudige woning wordt de binnenafstand der zijwanden 30 1/2 duim genomen, welke ruimte nu door twee tusschenschotten, van 1 duim dik, in drie vakken, elk van 9 1/2 duim breed, verdeeld wordt. Het vlieggat der middelste afdeeling komt midden in den voorwand; die der buitenste worden in de zijwanden, zoo na mogelijk bij den voorwand gemaakt.

Als algemeene regel, voor de plaatsing der vlieggaten, moet men in het oog houden dat zij, zoo wel onderling als van de deur, zoo ver mogelijk verwijderd moeten zijn.

Indien men, bij den voornoemden afstand der zijwanden, den inwendigen afstand, tusschen den bodem en den bovenwand, 54 duim neemt en de ingesloten ruimte door eene plank, van een duim dik, in twee gelijke deelen verdeelt, die elk 26 1/2 duim hoog zijn zullen, dan verkrijgt men, na deze in de breedte elk weder, door tusschenschotten, in drie gelijke deelen verdeeld te hebben, de zesvoudige woning. Bij deze komen nu in den voorwand en in elk der zijwanden twee vlieggaten boven elkander.

Maakt men de woning nog eene verdieping hooger, dan ontstaat de negenvoudige woning, die van alle zamengestelde het meest aan te bevelen is, wegens de geregelde verdeeling der vlieggaten. Het volk van elken stok heeft daarbij eene vrije vlugt en kan niet gemakkelijk vervliegen, hetgeen, wanneer de vlieggaten in dezelfde rigting en digt bij elkander geplaatst zijn, niet zelden tot verwarring en groot verlies aanleiding geeft.

Worden drie zesvoudige, staande woningen, zoo geplaatst, dat hare voorwanden tegen het zuiden, het oosten en het westen staan, terwijl zij, met de kanten der zij- en achterwanden, elkander aanraken, dan zal er tegenover het noorden eene ruimte door haar worden ingesloten, welker breedte en diepte gelijk is aan de breedte der woningen. Sluit men deze opening nu met eene deur, en overdekt men haar en de woningen met één dak, dan heeft men, op eene zeer kleine ruimte, achttien bijenkoloniën geplaatst, van welke er, naar het zuiden zes, en naar elk der drie overige windstreken vier, zullen uitvliegen. Wanneer men nu tegen den winter de hoeken, waar de woningen tegen elkander staan, en ook die, tusschen de onderzijde van het dak en de bovenwanden der woningen, met stroo vult, en tegen de deur stroomatten stelt of, wat nog beter is, eene dubbele deur aanbrengt, dan zal in de ruimte, door de woningen ingesloten, de koude niet gemakkelijk doordringen, terwijl het er volkomen donker in zijn zal. Men behoeft nu de achterzijde der woningen niet met mos te vullen, doch hangt in de ledige ruimte wastafels. Maakt men nu in de deuren ook vlieggaten, dan kan men de buitenste sluiten; want door de achterste zullen zij voldoende van versche lucht voorzien worden; kwamen zij zelf eens aan het vlieggat, dan zouden zij, meenende dat het nacht was, terstond weder terugkeeren.

Beter en gemakkelijker kan men zijne stokken niet doen overwinteren; men moet slechts zorgen, door een paar togtgaten, versche lucht in de afgesloten ruimte te kunnen brengen. Wanneer eens een schoone dag invalt, dan is het openen van de buitenste vlieggaten voldoende, om de bijen te doen uitvliegen; terwijl men er die, welker vlieggaten niet door de zon beschenen worden, toe kan opwekken, door haar met een weinig laauwen, verdunden honig te besprenkelen, dat het gemakkelijkst geschiedt met eene spuit, waarvan de pijp gebogen is; deze door het vlieggat stekende, en den straal naar boven rigtende, treft men zeker de bijen. Na eenige oogenblikken zullen nu alle stokken voorspelen en zich reinigen. Sluit men des avonds de vlieggaten weder, dan zijn de stokken in hun wintertoestand teruggebragt.

Het ligt in den aard der zaak, dat zamengestelde woningen moeijelijk zijn voor hen, die met de bijen reizen; wanneer zij met honig gevuld zijn, wordt het vervoeren moeijelijk, wegens hare zwaarte. Daartoe gebruikt men dan ook alleen dubbele woningen, waarvan men er twee of drie op elkander plaatst en met één dak bedekt. Verplaatst men deze nu, dan zullen de bijen zich terstond te huis gevoelen, wanneer de woningen weder zoo op elkander gesteld en met het dak gedekt zijn, als zij dit vroeger waren. Maar ook het vervoeren der dubbele woningen wordt nog zeer lastig door hare zwaarte, waarom men meestal de voorkeur schenkt aan enkelvoudige, liggende woningen, die zoo ingerigt zijn, dat zij op elkander geplaatst kunnen worden.

Het is hier de plaats om nog eene woning te beschrijven, welker zamenstelling ik zelf bedacht heb, en die mij, zoowel wegens haar gemak, als om haar bevallig aanzien, zeer voldoet. Zij is ook zeer geschikt voor hen, die met de bijen trekken, doch zij moet even als de korven in een stal geplaatst worden, daar de eigenschap haar ontbreekt, dat er eenige op elkander geplaatst en met één dak overdekt kunnen worden. Wil men haar echter afzonderlijk plaatsen, dan kan dit ook geschieden, wanneer men haar met een los houten of zinken dak overdekt, en haar alzoo voor den regen beschermt. Men ziet haar in fig. 9 afgebeeld.

Voor de beide zijwanden maakt men van strooken, ter breedte van 3 en ter dikte van 3/4 duim, ramen, die buitenwerks 20 duim hoog en 24 duim lang zijn. De eene zijde van elk dier ramen wordt bekleed met een, op de vroeger vermelde wijze, geploegd en gelijmd blad, van gelijke hoogte en lengte als het raam, bij eene dikte van 3/4 duim. In deze bladen worden twee groeven gemaakt, waarin de staafjes geschoven moeten worden. De onderkanten dezer groeven neemt men 8 1/2 en 16 3/4 duim boven den onderrand der bladen. Ook de sponningen, die tot aanslag der deuren moeten dienen, worden in deze bladen geschaafd. Men maakt haar beide ruim 1/4 duim diep; de voorsten, waarvan er hier eene gezien wordt bij abcd, geeft men eene breedte ab van 4 duim, terwijl die der achtersten slechts 1 1/2 duim wordt genomen. In het midden van het raam brengt men, op de buitenzijde van het blad, een klamp aan, van 1 duim dik. Zijne bestemming is het vasthouden der spijkers, die, na de opvulling, de beide lijsten ef en gh in het midden het doorbuigen moeten beletten; hij behoeft dus niet breed te zijn.

Zijn nu de wanden zoover gereed, dan worden zij met stroo gevuld, waarover een stroomatje gelegd wordt, dat door vier lijsten, lm, ef, gh en ik wordt neergedrukt. Men neemt deze lijsten 2 duim breed en 1/2 duim dik. Zij worden staande aangebragt, twee gelijk met de voor- en achterkanten van het raam en de beide anderen op onderling gelijke afstanden daar tusschen.

Tegen de nu voltooide zijwanden wordt een, te voren behoorlijk aan een geploegde en gelijmde bodem, van 1 duim dik, gespijkerd. De afstand der zijwanden wordt weder 9 1/2 duim genomen, waartoe de bodem 16 1/2 duim breed zal moeten zijn, wil men de lijsten lm, ef, gh en ik, in één vlak met de kanten van den bodem doen vallen, gelijk dat in de figuur geteekend is.

Aan de voor- en de achterzijde wordt nu, boven op de zijstukken, eene strook, van 4 duim breed bij 1/2 duim dik, gebragt, die met de buitenkanten gelijk komt. Deze strooken, waarvan men er eene bij no voorop ziet, houden, met den bodem, de zijwanden 9 1/2 duim van elkander verwijderd.

Boven aan de zijwanden worden nu lijsten pq en rs, van 3 duim breed en 3/4 duim dik, gebragt, die 1 duim op den wand liggen en daar dus 2 duim boven uitsteken, terwijl zij voor en achter gelijk met de voor- en achterwanden komen. Tusschen deze beide lijsten brengt men nu voor en achter, op de kanten der strooken waardoor de zijwanden aaneen gehouden worden, latten tu en vw, van 3/4 duim dik en 1 1/2 duim hoog, waarvan de bovenkanten, met die der op de zijden aangebragte lijsten, in één vlak zullen liggen. Op de zijwanden legt men, tusschen de beide strooken, die hen bijeen houden, plankjes, van 1/2 duim dik, die de opening geheel sluiten. Boven deze plankjes is nu, tusschen de lijsten, eene ruimte van 1 1/2 duim hoog, waarin eene stroomat gelegd wordt.

Voor de voorste deur maakt men van strooken, van 3 1/2 duim breed en 3/4 duim dik, een raam, dat juist in de opening sluit, en dus buitenwerks 10 duim breed en 20 duim hoog is. Den eenen kant er van bekleedt men met plankjes, van 1/2 duim dik, die den binnenkant der deur moeten vormen. Daarna wordt het met stroo gevuld, en dit met drie lijsten neêrgedrukt. In deze deur wordt het vlieggat aangebragt, zooals dat op bl. 86 is opgegeven.

De achterdeur wordt van dwars over elkander liggende planken, van 3/4 duim dik gemaakt, zooals op bl. 87 voor de liggende woning is gezegd. Door vier wervels x, ij, z en a' worden de deuren gesloten.

De honigkamer vervalt in deze woningen. Ik schuif ten minste in elke groef 8 staafjes en zet daar tegen een verkleinplankje als boven beschreven werd. In de ruimte tusschen dit en de deur, laat ik den honig dragen.

Bij zeer ruime honigdragt, kan men een gedeelte van het dek wegnemen en door de opening een van onderen open, met wastafels gevuld kastje, van dunne plankjes gemaakt, op de bovenste rij staafjes plaatsen: de bijen zullen deze tafels voldragen. Als de dragt geëindigd is neemt men het kastje weder weg. Ook kan men op de bovenste rij staafjes kleine gevlochten korfjes of groote bierglazen, waarin wastafels bevestigd zijn, plaatsen; ook deze zullen zij voldragen. Het spreekt van zelf dat, wat men er ook op plaatsen mag, voor eene goede afsluiting der gemaakte opening gezorgd moet worden; de bijen zouden er anders toch een uitgang door hebben en, wat veel erger zijn zou, men zou een vrijen toegang voor roovers openen! Wanneer men glazen op de staafjes zet, dan moeten deze voor het licht bedekt worden; het eenvoudigst is er een bloempot over te zetten.

Met de Dzierzon'sche woningen nu bekend geworden zijnde, vraagt men zichzelven af: "verdienen deze woningen nu werkelijk, boven alle vroeger in gebruik zijnde, de voorkeur, of moet men hen gelooven, die beweren dat zij meer aardig dan nuttig zijn."--Mogt deze twijfel ook bij enkele van mijne lezers ontstaan zijn, de opsomming van eenige voorregten der woningen met lossen bouw zal dien, hoop ik, terstond weder wegnemen.

Bij deze woningen kan men zich overtuigen of er eene moederbij aanwezig is, en zoo ja, of zij die eigenschappen bezit, die voor de welvaart van den stok noodig zijn: of zij vruchtbaar is en het broed geregeld afzet, zonder er ledige plaatsen tusschen te laten of, wat nog erger is, hommelbroed onder het werkbijenbroed aan te zetten. Men kan er zich van verzekeren dat eene jonge moederbij geen gebrek aan de vleugels heeft, dat haar het houden der bevruchtings-uitvlugt zou beletten; of zij vruchtbaar geworden en met de eijerlage begonnen is, en of er volk genoeg aanwezig is om de eijeren te bebroeijen en voorraad op te halen. Met veel meer zekerheid, dan het wegen met de hand dit leeren kan, ziet men in deze woning, of zij rijk of arm aan volk en voorraad is, of er veel of weinig broed is aangezet. In geene andere woning kan men het natuurlijk evenwigt zoo spoedig en gemakkelijk, en tevens zoo doelmatig herstellen, als dit hier door het inhangen van tafels, met broed, honig of bloemenstof gevuld, kan geschieden. Is men van den goeden staat zijner overstanders verzekerd, dan gaat men den winter gerust te gemoet, en wanneer er met het voorjaar weder leven en bedrijvigheid in den stok ontstaat, dan kan men met eene Dzierzon'sche woning handelen, zoo als geene andere dat toelaat. Zonder het broedaanzetten in het minst te verstoren, kan men het broednest vernieuwen, het hommelwas geheel verwijderen en de beschadigde tafels met nieuwe verwisselen. Ingeslopen wasmotten kunnen weggevangen en de woning kan geheel gereinigd worden. Wanneer een natuurlijke zwerm of een kunstzwerm wordt opgezet, dan kan men hem zonder groote onkosten zijne voorraadschuren geven, waardoor men hem verscheidene dagen van inspanning bespaart, die hij aan de wasbereiding zou hebben moeten opofferen: de moeite en kosten van deze uitrusting zal men ruim beloond zien. [12] Het zwermen kan men zoowel bevorderen als verhinderen, en wanneer men kunstzwermen verlangt te maken, weet men vooruit dat het oogmerk bereikt zal worden. Onvolbouwde stokken kunnen in den herfst zeer gemakkelijk met elkander vereenigd worden en in geene woning geschiedt de honigoogst zoo gemakkelijk als in die van Dzierzon. Maar waar zou ik eindigen, indien ik alles wilde opsommen, waartoe deze woningen ons in staat stellen? Ieder bijenkweeker, die behoorlijk nadenkt, zal moeten erkennen, dat hare inrigting hoogst doelmatig is en dat er bij haar gebruik geene sprake van aardigheid zijn kan, maar dat het eene nieuwe leerwijze geldt, die de bijenteelt op eene hoogte zal brengen, waaraan men vroeger niet kon denken.

Is het dan ook waar dat Dzierzon's woningen geen honig zweeten kunnen; dat er geen honig kan worden ingezameld, wanneer de natuur hem niet oplevert; niet minder waar is het, dat zij van het grootste gewigt zijn, vooral in die streken, waar de honig slechts spaarzaam en gedurende een korten tijd kan verzameld worden, terwijl zij, ook in honigrijke streken, met het meeste voordeel worden aangewend.

Wie nu Dzierzon's leerwijze volgen wil, zorge dat zijne woningen zoo volkomen mogelijk zijn. Waren zij toch onnaauwkeurig gemaakt, zoodat de staafjes, of in de groeven klemden, of er uit konden vallen, in beide gevallen zou men de woningen veroordeelen en gevaar loopen om zijn tegenspoed aan de leerwijze te wijten, terwijl de slechte zamenstelling der woningen er de schuld van droeg. Bij eene naauwkeurige bewerking is, om haar nut niet verloren te doen gaan, stevigheid een hoofdvereischte; zij moeten haar vorm behouden en geene scheuren of openingen verkrijgen. Bij de zamengestelde woningen moet men er ook vooral op letten, de tusschenwanden zoo aan te brengen, dat de bijen van verschillende stokken niet bij elkander kunnen komen, want dit zou haar te zamen doen omkomen.

Wil men nu een zwerm in eene woning plaatsen, dan moeten vooraf wastafels aan de staafjes gehangen worden. Hierdoor geeft men hem de aanwijzing hoe er gebouwd moet worden. Liet men dit geheel aan de willekeur der bijen over, in de meeste gevallen zouden zij den bouw dwars aan de staafjes hangen, waardoor zijne uitneembaarheid geheel vervallen zou. Is haar eene aanwijzing gegeven, dan onderwerpen zij zich onvoorwaardelijk, den bouw met eene bewonderenswaardige gelijkmatigheid vervolgende in die rigting, die men haar aangegeven heeft. Men moet voor deze aanwijzing wastafels hebben, die men uit zijne eigene stokken nemen kan, en, zoo deze die niet missen kunnen, is men verpligt haar te koopen. De kleinste stukjes dezer tafels moet men met zorg bewaren, want veelal heeft men er groote behoefte aan. Aanvankelijk moeten in de woning niet meer dan acht of hoogstens tien staafjes, waaraan wastafels of gedeelten daarvan zijn bevestigd, worden gehangen. De bijen willen haar allen bezetten, en zouden, zoo het getal grooter was, hare krachten te veel verdeelen, en de voor den wasbouw vereischte warmte niet kunnen ontwikkelen. Zijn deze tafels volbouwd en met broed en voorraad gevuld, dan voegt men er weder een paar bij, maar nooit te veel in eens.

Vóór de bevestiging der tafels aan de staafjes, moet men zich overtuigen dat zij regt zijn; waren zij dit niet, dan zouden zij er aan den eenen kant oversteken en aan de andere zijde niet tot aan den kant van het staafje reiken. Vervolgden nu de bijen den bouw, dan zouden zij de tafels aan elkander of ten minste met bogten bouwen, waarvan de schuld niet bij haar zou liggen. Heeft men slechts kromme tafels, dan moet men die vooraf regt maken, door haar in de zon of door eene zachte warmte week te maken, en op een plat vlak, met eene kleine, gelijkmatige drukking, neder te leggen; ik doe dit tusschen twee boeken. Na de bekoeling blijven zij regt.

Men snijdt de tafels zoo, dat zij de breedte der woning hebben, waarin zij geplaatst moeten worden, hare hoogte gelijk nemende aan die, waartoe men gebouwd wil hebben. Er moet ook op de rigting der cellen gelet worden; de bijen bouwen deze toch eenigzins schuins naar boven staande; plaatste men de tafel omgekeerd in de woning, zij zouden haar moeten verbouwen.

Is men niet ruim van tafels voorzien, dan is het voldoende eene strook, van 1 duim breed, aan de staafjes te hechten, zoo zij slechts de geheele lengte van het staafje bedekt; bij groote behoefte kan men zelfs volstaan met aan elk staafje een paar kleine stukjes van wastafels te bevestigen.

Hoe helderder de kleur der tafels is, des te beter zijn zij. Sprokkelige, die bij de minste aanraking kruimelen, kunnen niet dienen; want de bijen bijten deze af en dragen de stukken buiten de woning; in plaats van haar eene dienst te bewijzen, zou men haar dus veel werk bezorgen. Bij groote behoefte kan men ook gebruik maken van geheel zwart geworden tafels, maar van deze neemt men altijd maar strooken, die de bijen eerst zuiveren en daardoor voor haar gebruik geschikt maken.

De aanhechting der tafels geschiedt met was, dat men daartoe langzaam smelt in een blikken bakje, welks lengte gelijk is aan die der staafjes. In het gesmolten was doopt men den te voren glad gesneden kant der tafel en zet haar met spoed op het staafje, zorgende dat zij er goed regt op staat; met de hand wordt zij nu een weinig aangedrukt en met de bekoeling van het was is de aanhechting voltooid.

Dit bevestigen met was gaat spoedig, doch het is kostbaar en men heeft weinig tijd om de tafel de vereischte rigting te geven. Door de Bienen-Zeitung, voor 1857, heb ik eene andere wijze leeren kennen, die aanbeveling verdient. Zij bestaat daarin dat men op twee of drie plaatsen van den regtgesneden kant der tafel, een weinig van de kalklijm legt, die voor het lijmen der woningen dient, en haar nu vast op het staafje drukt. Na een paar dagen is deze lijm droog. Nog gemakkelijker geschiedt de aanhechting met tarwenbloem, die met water tot eene dikke pap gemaakt is. Deze bevestigt de tafels volkomen, en de bijen hebben er geen hinder van. Van alle middelen is dit wel het beste; het kan altijd bij de hand zijn, het is zeer goedkoop en men heeft behoorlijk tijd om de tafel regt te zetten, terwijl dat zij na 24 uren stevig bevestigd is.

Het bevestigen der wastafels aan de staafjes kan eenige dagen voor dat zij gebruikt moeten worden reeds geschieden, wanneer men haar dan maar in eene ledige woning hangt en deze geheel sluit, ook het vlieggat, opdat er geene wasmotten binnen kunnen dringen en hare eijeren in de cellen leggen.

Aan ieder staafje behoeft de aanhechting maar eens te geschieden; want bij den honigoogst snijdt men de tafels niet geheel van de staafjes af, maar laat er eene strook van een halven duim aan zitten. Men legt deze staafjes aldus, gedurende eenige uren, op den bodem van eene bevolkte woning; de bijen zullen den uit de verbrijzelde cellen vloeijenden honig oplikken, waarna men de staafjes bewaren kan.

DE BIJENSTAL.

Om de bijenwoningen voor den onmiddellijken invloed van de weêrsgesteldheid te beveiligen, plaatst men haar in zoogenaamde bijenstanden of stallen.