Part 1
Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg
HANDBOEK VOOR BIJENHOUDERS,
Waarin
De natuurlijke geschiedenis der bijen, en hare teelt volgens de Dzierzon'sche methode, naar de jongste waarnemingen worden medegedeeld,
Door
J. DIRKS.
Dordrecht.
P. K. Braat.
1861.
AAN ZIJNE MAJESTEIT DEN KONING DER NEDERLANDEN, WORDT DIT WERK MET VERSCHULDIGDE HOOGACHTING EERBIEDIG OPGEDRAGEN DOOR ZIJNER MAJESTEITS GETROUWEN ONDERDAAN,
J. DIRKS.
VOORBERIGT.
Met een enkel woord moet ik den lezer mededeelen, dat een vriend mij heeft bijgestaan, om deze bladen het licht te doen zien. Zoowel door het teekenen der figuren, als door het omwerken van mijn handschrift, dat voor de pers minder geschikt was, heeft hij mij eene dienst bewezen.
Daar enkele onnaauwkeurigheden eerst na het afdrukken door mij ontdekt zijn, zoo is het noodig de achterstaande verbeteringen op te geven. De lezer vergeve het, dat die misstellingen in den tekst zijn ingeslopen, verschoone het gebrekkige, dat mijn arbeid nog mag aankleven, en doe zijn voordeel mei het goede, dat er in gevonden wordt!
Lunteren, Januarij 1861.
J. D.
VERBETERINGEN.
Bl. 9 reg. 2 v.b. staat: gekerfde insecten, lees: insecten of gekorven dieren.
,, 14 ,, 15 v.b. ,, voeren zij dan met den snuit door eene kleine opening, die zoowel daartoe, als tot toetreding der lucht, in de cel gelaten is, lees: bijten dan op zijde van de cel een gaatje, waardoor zij van tijd tot tijd den snuit steken, en van de werkbijen het voedsel ontvangen; dit gaatje dient tevens tot toetreding der lucht.
,, 17 ,, 13 v.o. ,, zulk een stok zal meestal niet zwermen, maar zoodra ééne moederbij is uitgeloopen, zullen de bijen de overige afmaken, indien hij echter nog een zwerm geeft, dan is dit gewoonlijk na 12 à 14 dagen, lees: van zulk een stok kan men gewoonlijk na 12 à 14 dagen een zwerm verwachten, indien het weder niet ongunstig is; dan zullen zij de overtollige moederbijen meestal afmaken, in welk geval de stok dat jaar met zekerheid niet meer zwermen zal.
,, 20 ,, 11 v.b. ,, den stok, lees: de stokken.
,, 46 ,, 11 v.o. ,, den honigvoorraad, lees: honig en bloemenstof.
,, 46 ,, 3 v.o. hierachter te lezen: Behalve tot het uitbroeijen van hommels, dienen de hommelcellen ook om er honig, doch nimmer om er bloemenstof in op te leggen.
,, 48 ,, 10 v.o. staat: klein, lees: kort.
,, 156 ,, 19 v.o. ,, in ,, tegen.
,, 170 ,, 1 v.b. ,, zal ,, kan.
,, 185 ,, 15 v.b. ,, hupcel ,, hulpcel.
INHOUD.
Bladz.
INLEIDING 1
De bijen bevorderen de bevruchting bij de planten, bl. 1. Onkunde van vele bijenhouders, bl. 2. In Duitschland bestaat eene groote belangstelling in de bijenteelt, bl. 3. Dzierzon'sche bijenwoningen, bl. 3. Verdeeling der landstreken in honigrijke en honigarme, bl. 6. Bijengeluk, bl. 7.
I. NATUURLIJKE GESCHIEDENIS DER BIJEN 9
De bijen behoeven warmte en ontwikkelen die, bl. 9. Zij leven in familiën, die koloniën of stokken heeten, bl. 10. Soorten van bijen, bl. 10. Vermeerdering der stokken, bl. 10.
DE MOEDERBIJ OF KONINGIN 11
De koningin is het hoofd van den stok, bl. 11. Zij is de moeder van al de bijen, bl. 11. Italiaansche bijen, bl. 11. Beschrijving der koningin, bl. 12. Zij gebruikt den angel alleen tegen haars gelijken, bl. 12. Onverdraagzaamheid der koninginnen onderling, bl. 12. De koningin bezit het vermogen om geluid voort te brengen, bl. 13. De bijen herkennen elkander, bl. 15. Het aankweeken van moederbijen, bl. 15. Uit ongedekt werkbijenbroed kan eene koningin worden aangekweekt, bl. 17. De bevruchting der moederbij, bl. 17. Eene bevruchte moederbij vliegt niet uit, bl. 19. Mannelijke eijeren behoeven geene bevruchting, bl. 19. Hommelbroedige stokken, bl. 20. Eene bevruchte koningin wordt hoog geschat, bl. 21. Zij kan willekeurig mannelijke of vrouwelijke eijeren leggen, bl. 21. Haar voortteelend vermogen is bijzonder groot, bl. 21.
DE HOMMELS OF MANNETJES-BIJEN 22
Beschrijving van de hommels, bl. 23. Zij heeten ook muzikanten, bl. 23. Strijd over hun geslacht, bl. 23. Zij worden ten onregte broedbijen genoemd, bl. 25. Wanneer zij aangekweekt worden, bl. 26. Het is goed hunne aankweeking tegen te gaan, bl. 26. De paring, bl. 27. De hommelslagt, bl. 27.
DE WERKBIJEN 28
De werkbijen verrigten alle bezigheden, bl. 28. Haar levensduur, bl. 28. Beschrijving van de werkbij, bl. 29. Hare ontwikkeling in de cel, bl. 31. Zij kent hare woning, bl. 32. Het verdwalen op andere woningen, bl. 33. Het geslacht der werkbij, bl. 34. Hare eijerlage, bl. 34.
BEZIGHEDEN DER WERKBIJEN BUITEN DE WONING 35
Het wachthouden, bl. 35. Het luchtpompen, trommelen of stertsen, bl. 36. Het voorliggen, bl. 36. Het voorspelen, bl. 37. Het waterhalen, bl. 38. Het opzamelen van honig, bl. 38. Het opzamelen van bloemenstof, bl. 40. Het opzamelen van voorwas, bl. 42. Het zoeken van eene nieuwe woning, bl. 43.
BEZIGHEDEN DER WERKBIJEN IN DE WONING 43
De wasbereiding en de cellenbouw, bl. 43. De vorming van het was, bl. 43. Zij kost veel honig, bl. 44. Een nieuw opgezette zwerm bouwt met spoed, bl. 44. Hoe de tafels gebouwd worden, bl. 45. De soorten van cellen, bl. 46. Het verlengen der cellen, bl. 47. Het verkleuren der tafels, bl. 48. Het verzegelen der cellen, bl. 48. Warme en koude bouw, bl. 48. Kruisbouw, bl. 49. Het opleggen van den honig, bl. 49. Het honigsap der bloemen behoeft geene verdere bewerking, bl. 49. Het opleggen van het bloemenstof, bl. 50. Het verzorgen van het broed, bl. 51. Het reinigen van de woning, bl. 52. Het verkitten, bl. 52.
HET ZWERMEN 53
Hoe de zwermen ontstaan, bl. 53. Oorzaken van het zwermen, bl. 55. Natuurlijke zwermen en kunstzwermen, bl. 57. Verdeeling der natuurlijke zwermen, bl. 57. Voorzwermen, bl. 57. Wanneer men een voorzwerm kan verwachten, bl. 57. Onvoorbereide zwermen, bl. 59. De voorzwermen leveren het meeste voordeel op, bl. 60. Ouderdom der moederbijen, bl. 62. Nazwermen, bl. 62. Wanneer men een nazwerm kan verwachten, bl. 62. Nazwermen zijn minder waard dan voorzwermen, bl. 62. Het nazwermen is soms zeer nadeelig, bl. 63. Hoe het wordt tegengegaan, bl. 64. Hoe men een nazwerm weder met den moederstok vereenigen kan, bl. 66. Hoe van een stok veel nazwermen getrokken worden, bl. 67. Het vereenigen van zwermen, bl. 67. Zingende voorzwermen, bl. 68. Maagdezwermen, bl. 69. Dubbelzwermen, bl. 70. Vrijwillige vereeniging van zwermen, bl. 70. Hoe men den vereenigden zwerm scheiden kan, bl. 70. Wat bij het vereenigen van zwermen valt op te merken, bl. 72. Noodzwermen, bl. 72. Het afvliegen, het aanleggen en het opvangen van zwermen, bl. 73. De werkbijen geven de eerste aanleiding tot het afvliegen van den zwerm, bl. 73. Het aanleggen van de zwermen, bl. 75. Het opvangen van de zwermen, bl. 75.
II. DE BIJENTEELT 80
DE WONINGEN 80
Eerste woningen met lossen bouw, bl. 81. Blad- of boek-woning, bl. 81. Dzierzon's woningen, bl. 81. Liggende en staande woningen, bl. 82. De breedte der woningen, bl. 82. De staafjes waaraan de wastafels hangen, bl. 83. Hoe zij vervaardigd worden, bl. 83. De zamenstelling der woningen, bl. 84. De liggende woning, bl. 85. De staande woning, bl. 91. Zamengestelde woningen, bl. 93. De dubbele woning, bl. 93. Zij is zeer geschikt om zwermen te vereenigen en te verdeelen, bl. 94. De drievoudige woning, bl. 95. Zes- en negenvoudige woningen, bl. 96. Eene woning waarvan de bovenwand weggenomen kan worden, bl. 97. De voorregten van de woningen met lossen bouw, bl. 100. Zij moeten stevig en met naauwkeurigheid gemaakt zijn, bl. 102. Het gereed maken van eene woning, bl. 102. Het bevestigen van wastafels aan de staafjes, bl. 104.
DE BIJENSTAL 105
Bij het gebruik van Dzierzon'sche woningen kan de stal gemist worden, bl. 105. Inrigting der bijenstallen, bl. 106. Het plaatsen van den stal, bl. 109.
HET GEREEDSCHAP 112
De rookpijp, bl. 112. De bijenkap, bl. 115. Messen, bl. 116. De gaffel, bl. 117. De stommeknecht, bl. 117. De bok, bl. 119. Transportkastjes, bl. 119. De stortbak, bl. 121. De schepper, bl. 122. Een ijzeren haak, bl. 122. Moederhuisjes, bl. 122. Voederbakjes, bl. 125. De pers, bl. 127. De wasketel, bl. 128.
HET AANHOUDEN EN HET KOOPEN VAN STOKKEN 130
De bijen behoeven warmte, bl. 130. Sterke stokken behoeven naar evenredigheid minder voedsel dan zwakke, bl. 131. Eene vroege broedaanzetting is voordeelig, bl. 132. Het zuiveren van de woning in het voorjaar, bl. 132. Het is van belang dat de wasbereiding vroeg begint, bl. 132. Sterke stokken zwermen vroeg, bl. 133. Zij zamelen naar verhouding meer in dan zwakke, bl. 134. Zij zijn beter bestand tegen ongunstige toevallen, bl. 134. Zij kunnen de vijandelijke aanvallen beter afweren, bl. 135. Men moet alleen volkrijke stokken koopen, bl. 135. Men moet geene zwakke stokken inwinteren, bl. 137. De stokken mogen niet verzwakt worden, bl. 138. Men moet steeds trachten hen te versterken, bl. 138.
DE OVERWINTERING 139
De bijen zijn bij ons niet inheemsch, bl. 139. Zij hebben geen winterslaap, bl. 139. Eene goede verzorging in den winter is van veel belang, bl. 140. De bijen moeten in den winter van een voldoenden voorraad voorzien zijn, bl. 142. Zij moeten voor strenge koude beschut worden, bl. 142. Luchtverversching, bl. 144. Het zonlicht mag in den winter niet op de woning vallen, bl. 145. De woningen moeten rustig staan, bl. 145. Men moet de stokken niet te vroeg inwinteren, bl. 146. Wanneer men de bijen eene reinigings-uitvlugt kan laten houden, bl. 147. Hoe men bijen, welke door de koude verstijfd zijn, kan doen herleven, bl. 147. Zoodra men de bijen heeft laten vliegen, moeten ook de bodems der woningen gezuiverd worden, bl. 148.
DE BROEDAANZETTING 149
Men kan de bijen tot het broedaanzetten opwekken, bl. 149. Het is nadeelig zoo de broedaanzetting te vroeg begint, bl. 149. Wanneer moet zij beginnen? bl. 152. Warmte is een voornaam vereischte voor het broeijen, bl. 158. Het vergrooten van het broednest, bl. 154. Het verkleinen van het broednest, bl. 155. In den nazomer moet de broedaanzetting belet worden, bl. 155. Bij het voêren moet men zorgen geene aanleiding tot broeijen te geven, bl. 156. Wanneer het wegnemen der moederbij een stok niet benadeelt, bl. 157. Het broed kost veel honig, bl. 157.
HET VOÊREN 158
Speculatief voêren, bl. 158. Bloemenstoftafels moeten bewaard worden en hoe dit geschiedt, bl. 158. Het voêren in strookorven, bl. 159. Het voêren in Dzierzon'sche woningen, bl. 161. In het voorjaar is het goed water aan de bijen te geven, bl. 162. Men moet nooit met gekochten honig voêren, bl. 163. Suiker en kandij geven geene aanleiding tot rooven, bl. 163.
DE KUNSTZWERMEN OF AFLEGGERS 163
Het is van veel belang de zwermen kunstmatig te kunnen afdrijven, bl. 163. Wanneer een stok zwermgeregt is, bl. 164. Onderscheid tusschen natuurlijke zwermen en kunstzwermen, bl. 164. Het aftrommelen van zwermen, bl. 165. Het maken van zwermen door Schirach's bedrog, bl. 167. Kunstzwermen te maken door zamenvoeging van bijen uit onderscheidene stokken, bl. 171. In plaats van met eene moederbij, kan men ook met onbedekt broed een kunstzwerm zamenstellen, bl. 172. Kunstzwermen te maken zonder een tweeden stand te behoeven, bl. 173. Dit te doen door verdeeling van een stok, bl. 173. Het te doen met broedtafels, die eene moedercel bevatten, bl. 175. Bezwaren, die tegen het maken van kunstzwermen worden ingebragt, bl. 176.
HET ROOVEN 177
De zoekers of schuimers, bl. 177. Gelukt het hun een stok binnen te dringen, dan zal die spoedig eene prooi der roovers worden, bl. 177. Wat aanleiding tot het rooven geeft, bl. 178. Wat men vermijden moet om er geene aanleiding toe te geven, bl. 179. Waaraan men de roovers herkent, bl. 179. Hoe het rooven wordt tegengegaan, wanneer men eigenaar van den roovenden en den beroofden stok is, bl. 180. Wat men te doen heeft indien de eerste een ander toebehoort, bl. 182. Hoe men den roovenden stok kan ontdekken, bl. 183.
DE MOEDERLOOSHEID 184
In een moederloozen stok kan toch hommelbroed zijn, bl. 184. Waaraan men ontdekt of een hommelbroedige stok moederloos is, bl. 185. Eene vruchtbare moederbij kan kunstmatig hommelbroedig gemaakt worden, bl. 186. Aan zichzelven overgelaten moet een moederlooze stok omkomen, bl. 186. Kan of wil men hem niet helpen, dan moet hij gedood worden, bl. 186. Waaraan een moederlooze stok te herkennen is, bl. 187. Waardoor de moederloosheid veroorzaakt wordt, bl. 190. Hoe zij hersteld wordt, bl. 191.
DE ZIEKTEN 194
De loop, bl. 194. Waardoor hij ontstaat, bl. 194. Hoe hij voorkomen wordt, bl. 194. Hoe hij hersteld kan worden, bl. 195. Omstandigheden, die den loop ten gevolge kunnen hebben, bl. 196. Hoe men ontdekt dat een stok aan loop lijdt, bl. 198. De vuilbroed, bl. 199. Goedaardige vuilbroed, bl. 199. Pestaardige vuilbroed, bl. 200. De voorjaars-ziekte of dolheid, bl. 201.
DE VIJANDEN 203
De mees, bl. 204. De specht, bl. 204. De muis, bl. 204. De padde, bl. 205. De mieren, bl. 205. De wilde hommelbij, bl. 206. De wespen, bl. 206. De luis, bl. 206. De spin, bl. 206. De wasmot, bl. 207. Er zijn twee soorten, bl. 207. Wat men te doen heeft zoo zij zich in het broednest gevestigd heeft, bl. 208. Hoe de wastafels voor de wasmot beveiligd worden, bl. 209.
HET BESNIJDEN 210
Is het besnijden noodig of niet? bl. 210. Wanneer moet het geschieden? bl. 211. Waar en hoe men de stokken besnijdt, bl. 212. Hoe het broednest van een stok vernieuwd kan worden, bl. 213.
HET BEDWELMEN 214
Bedwelmen met bovist, of stuifzwam, bl. 214. Bedwelmen met buskruid, bl. 215. Bedwelmen met zwavelether en chloroform, bl. 216.
DE BIJENSTEEK 217
Waardoor de steeklust der bijen wordt opgewekt, bl. 217. Welke gevolgen de steek na zich sleept, bl. 217. Hoe de gestoken deelen behandeld moeten worden, bl. 218. De dragt en het weder hebben invloed op den steeklust, bl. 218. Voorzorgen die men moet nemen, bl. 219.
HET REIZEN MET DE STOKKEN 220
Voorzorgen die men moet nemen om de stokken te kunnen vervoeren, bl. 221. Hoe zij vervoerd worden, bl. 222. Hoe zij, ter bestemder plaatse gekomen, behandeld worden, bl. 222. Het bezoeken der boekweitvelden, bl. 223. Het reizen met Dzierzon'sche woningen, bl. 225.
DE HONIG- EN WASOOGST 227
Hoe men in Noord-Braband daarbij te werk gaat, bl. 227. Het bezoeken der heide, bl. 228. Hoe het werk uit de korven genomen wordt, bl. 229. Het dooden der bijen met zwaveldamp, bl. 229. Het zuiveren van den honig, bl. 230. De honig uit korven is met broed en bloemenstof verontreinigd, bl. 231. Bij Dzierzon'sche woningen kan dat voorkomen worden, bl. 231. Hoe de honigoogst bij die woningen plaats heeft, bl. 232. Hoe men haar gereed maakt om er de heide mede te bezoeken, bl. 232. Hoe men de stokken daarin behandelt als zij van de heide zijn teruggebragt, bl. 232. Het zuiveren van het was, bl. 234. Hoe de maden uit hommeltafels verwijderd worden, bl. 235. Hoe beschimmelde wastafels gezuiverd worden, bl. 236. Het zuiveren van honig, die in de cellen versuikerd is, bl. 236.
DE BEREIDING VAN MEDE EN AZIJN 237
De bereiding van mede, bl. 237. De bereiding van azijn, bl. 238.
BESLUIT 239
Zamenvatting van verschillende werkzaamheden, zoo als die elkander in den loop van het jaar opvolgen. November, bl. 239. December, bl. 240. Januarij, bl. 241. Februarij, bl. 242. Maart, bl. 243. April, bl. 243. Mei, bl. 244. Junij, bl. 245. Julij, bl. 248. Augustus, bl. 250. September, bl. 251. October, bl. 251.
INLEIDING.
Wanneer wij in de lente of des zomers door de velden wandelen en den rijken voorraad van bloemen aanschouwen, welker geur ons omgeeft, dan is het voorzeker te bejammeren, dat daarin zulk een schat verborgen is, die verloren moet gaan, omdat de arbeiders ontbreken, die alleen in staat zijn hem te verzamelen. Die schat is de honig; die arbeiders zijn de bijen.
Deze opmerking kwam mij menigmalen voor den geest, toen ik mij voor eenige jaren met den landbouw bezig hield. Ik stelde er groot belang in dat bij mij, zoowel op boerderij als akker, niets verloren ging, en hoewel ik daarnaar streefde, toch bleef bij mij, even als bij zoo velen, de honig onopgezameld.
Een goed landbouwer mogt, naar mijn inzien, niets verloren laten gaan, van hetgeen zijn akker voortbrengt. Aan de bijen moest dus bij mij eene plaats worden aangewezen, om ook datgene te verzamelen, wat de Schepper in zoo ruime mate in de bloemen doet ontwikkelen, en dat er, zonder eenig nadeel voor de verdere vorming van de vrucht of het zaad, kan worden uitgenomen. Ja, men meent zelfs opgemerkt te hebben dat vruchtboomen, die door bijen bevlogen worden, een ruimeren oogst opleveren dan die, waarbij dit het geval niet is; door haar aanhoudend heen en weder vliegen, bevorderen zij de uitstorting van het stuifmeel of bevruchtend mannelijk zaad, op het vrouwelijk gedeelte der bloemen.
Ik zou dus bijenkweeker worden; eene mij geheel onbekende zaak. Er waren echter in mijne nabijheid verscheidene personen, die zich, als bijmiddel van bestaan, op de bijenteelt toelegden, bij wie ik licht hoopte te vinden in wat mij duister was. In die hoop schafte ik mij twee bevolkte bijenkorven aan. Maar hoe werd mijne verwachting teleurgesteld! Bijna alle bijenkweekers meenen in het bezit te zijn van geheimen, die zij aan geen ander mededeelen, ten einde er alleen de vruchten van te plukken. Berlepsch zegt dan ook teregt: "bij een bijenhouder om raad te vragen is even vruchtbaar, als dat men in het hok van den hond brood gaat zoeken." Maar neen! niet allen weigerden mij inlichtingen te geven; enkelen deelden mij als vriend hunne geheimen mede. En wat leerde ik daaruit?--Dat die geheimen grootendeels gegrond waren op onkunde en bijgeloof en die bijenkweekers van de natuurlijke huishouding der bijen weinig of niets wisten en alleen bijen-houders waren. Wat de een mij mededeelde, werd dikwerf door den anderen weêrsproken, en toch verbonden beide aan het door hen gezegde een onfeilbaar gunstig gevolg. Weinig over mijne leermeesters voldaan, benijdde ik hun niets, dan het onbevreesd omgaan met deze welgewapende dieren. Ik had hun gevraagd of er ook boeken bestonden, die over de bijenteelt handelden, en op deze vraag een bevestigend antwoord ontvangen; sommigen hadden een dergelijk boek, dat zij weder van anderen hadden overgeschreven en het werd ook aan mij, als vriend, geleend. Het grootste gedeelte van dit geheimzinnig schrift kon ik niet lezen, en wat ik er van lezen kon, kwam mij voor, meest onzin te zijn. Getrouw aan mijne belofte, om den schat van kennis, die in hun geschrift lag opgesloten, aan geen ander mede te deelen, gaf ik het geleende onder dankbetuiging terug, weinig voldaan met hetgeen ik daardoor geleerd had. Ten slotte ontving ik den raad nog, mij alleen op geschreven boeken te verlaten; want dat al wat over de bijen gedrukt was, niet deugde. In strijd met dezen raad, zocht ik naar eene handleiding.
Een der eerste werken, die mij in de handen kwamen, was: "Nieuwe leerwijze omtrent de bijen en derzelver zoogenaamde magazijnenteelt, door Rijkend Jakob Brouwer, 1809." Naar aanleiding hiervan, liet ik mij magazijnkastjes maken, welke mij in het gebruik echter niet best bevielen. De leerwijze van voornoemd werk beviel mij evenmin, als die uit de drie bekroonde verhandelingen over de bijenteelt, uitgegeven door de maatschappij ter bevordering van den landbouw te Amsterdam.
Het zag er dus met mijne bijenteelt in den beginne zeer treurig uit, en de gedachte was mij niet vreemd, haar weder te laten varen, daar het mij niet aanstond in den blinde te moeten voortwerken.--Toch wilde ik nog beproeven of er niet eene leerwijze, gegrond op eigene ervaring, te bekomen zou zijn; want al, wat mij tot dien tijd ten dienste stond, was meestal geschreven door mannen, die hunne kennis niet aan de bron, den bijenstok zelven, hadden opgedaan, en om over eene zaak met grond te kunnen schrijven en anderen te leeren, moet men er zich zelf op hebben toegelegd.
De heer R. J. Brouwer wendde zich reeds in 1809 naar Duitschland. Daaruit meende ik te mogen afleiden, dat het vak destijds daar reeds met meer belangstelling behandeld werd, dan bij ons. Ik wilde beproeven of dit nog zoo was, en mijne verwachting werd nu niet teleurgesteld. Dáár was men in de laatste jaren, op het gebied der bijenteelt, met reuzenschreden vooruitgegaan, en mannen van bekenden naam en verdienste achtten het dáár niet beneden zich, er hunne belangstelling en zorg aan te wijden. Zoo b. v. Von Siebold, Professor te Munchen; Doctor R. Leuckart, Professor te Giessen; baron August von Berlepsch, op het ridderslot Seebach, bij Langensaltz in Thuringen, en meer anderen, waaronder een aantal geestelijken en onderwijzers der jeugd.
Schriftelijk wendde ik mij tot Von Berlepsch, die zich uitsluitend met de bijenteelt bezighoudt, en dit alleen doet uit liefde voor de zaak, daar hij een zeer vermogend man is. Spoedig ontving ik een vriendelijk antwoord, waarin hij mij met de groote, in de laatste jaren in Duitschland gemaakte, vorderingen bekend maakte, welke hoofdzakelijk het gevolg waren van eene nieuwe soort van bijenwoningen, door Dzierzon, Predikant te Carlsmarkt in Silezië, uitgevonden, en in 1845 door hem algemeen bekend gemaakt. In deze woningen kan men het werk der bijen, even als de bladen van een boek, openslaan en haar leven en zijn op het naauwkeurigst gadeslaan. Door de toezending van eene zoodanige woning, stelde hij mij tevens in staat, mij van hare doelmatigheid te overtuigen.