Haïti De Aarde en haar volken, Jaargang 1881
Part 6
De lucht te les Cayes is zeer vochtig, en wordt nog ongezonder gemaakt door de kwaadaardige uitdampingen der moerassen, die de stad omringen. Wanneer het regent, blijft het water, dat nergens eene gelegenheid tot wegstroomen vindt, in de straten staan. Van daar dat rhumatiek, borstaandoeningen, tering hier zeer gewone ziekten zijn. Ik vertoefde hier een maand, en was gedurende al dien tijd verkouden. Ik was dan ook hartelijk blijde, toen de stoomboot Esther, die naar Jacmel ging, de haven van les Cayes binnenliep; den 12den April ging ik 's morgens ten vijf uren aan boord, met mijn vroolijken vriend kapitein Cautin. Bij het verlaten van les Cayes was er slechts een ding, dat ik ongaarne miste: mijne roeitochtjes op de prachtige Ravine du Sud, te midden van de weelderigste tropische flora.
De stoomboot liep weldra de baai van Saint-Louis binnen, de veiligste en schoonste van het Zuiden, vroeger baai van Cromwell genoemd, omdat de vloot, door den beroemden Protector uitgezonden ter verovering van Jamaïca, hier in 1655 het anker uitwierp. De tegenwoordige naam der baai werd haar in 1677 gegeven. Dienzelfden naam draagt ook het aan den oever gebouwde vlek, dat in 1698 werd gesticht, in het jaar der oprichting van de Compagnie van Sint-Domingo. Na de opheffing dezer compagnie, die hier haar hoofdkantoor had, in 1721, werd het vlek op nieuw aangelegd. Het ligt aan den voet van een ruim vijfhonderd el hoogen heuvel en heeft de gedaante van een langwerpig vierkant, met rechte en breede straten. Op een eiland in de baai, het Grand-Ilet, ziet men nog de ruïnen van het oude fort, dat vroeger den toegang tot de stad moest verdedigen.
Tegen den middag kwamen wij aan de baai van Aquin of Yaquimo, waar Columbus in 1494 voet aan wal zette. Aquin is bekend om zijn schapen, zijn oesters en zijn truffels. Omstreeks vier uren stoomden wij langs Bainet, aan den oever van eene ruime baai, die ten eenemale van klippen vrij is, terwijl de geheele aangrenzende kust als met een gordel van rotsen is omzoomd: aan deze omstandigheid dankt de baai haar naam, die eigenlijk Baie Nette, schoone baai, beduidt.
Te Jacmel of Jaquemel stapt men af aan een kleinen steiger, van leuningen voorzien. Om de stad te bereiken, moet men een trap beklimmen, waarvan de onregelmatige afgesleten treden steen voor steen wegbrokkelen onder uw voet. Deze stad, waar een vrij levendige handel gedreven wordt, is in twee gedeelten verdeeld: de boven en de benedenstad. In de eerste, Bel-Air genoemd, heeft men een vrij uitzicht over de omringende velden en de zee. De huizen in de benedenstad zijn luchtig en niet zonder smaak gebouwd. Het drinkwater moet uit de Grande-Rivière, ten westen der stad, gehaald worden.
Jacmel is bekend door het beleg, waarbij de soldaten van het legioen van het Westen, met onbezweken moed, voet voor voet het terrein betwistten aan Dessalines, aan Christophe, aan Toussaint-Louverture. Op zich zelven staande forten vormden toen eene lijn van verdediging rondom de stad.
Eene boot, gelijk aan die waarmede ik van Léogane naar Miragoâne was gevaren, bracht mij van Jacmel naar Cayes-de-Jacmel. Dit vlek, omstreeks 1714 gesticht, is alzoo genoemd naar de klippen, cayes, waarmede de naburige kust bezaaid is. In de nabijheid vindt men nog sporen van indiaansche nederzettingen, die doen vermoeden dat dit kanton weleer door een talrijken stam was bewoond, en twee mijnen, door de Spanjaarden geëxploiteerd. Er is hier koper- en ijzererts in overvloed.
Voorbij Jacmel vindt men nog een paar ellendige dorpen langs de bergachtige kust, tot aan de rivier der Pedernales, die de grensscheiding vormt tusschen de neger-republiek Haïti en de republiek Sint-Domingo.
Ik verlangde naar Port-au-Prince terug te keeren; de afstand tusschen Jacmel en die stad bedraagt over land niet meer dan tien mijlen, die men gemakkelijk in een dag kan afleggen.
Ik nam mitsdien een paard en reed tusschen de heuvelen naar de hoofdstad terug. Den 2den Mei 1873 zat ik in den namiddag weer op mijne kamer te Port-au-Prince en vermaakte mij met het eigenaardig tooneel op de straat.
Ik mag niet eindigen zonder een enkel woord te zeggen over dit land, ook naar aanleiding van de vraag, die mij meermalen gedaan werd: welke toekomst heeft deze republiek Haïti?
Mevrouw Beecher Stowe, de schrijfster van den welbekenden roman De Negerhut, wie men zeker niet van vooringenomenheid tegen het negerras zal beschuldigen, dat zij integendeel veeleer geneigd schijnt als den hoogsten type der menschheid te beschouwen; mevrouw Beecher Stowe legt een harer personen, George Shelby, deze woorden in den mond: "Waar is het vaderland der zwarten? Ik zie om mij heen. Het is niet in Haïti: daar ontbreekt het aan elementen: de beken keeren niet tot haar oorsprong terug. Het ras, dat het karakter der Haïtianen gevormd heeft, was verbasterd, uitgeput, kwijnende: er zullen eeuwen moeten verloopen, eer Haïti iets worden kan."
Ik weet niet, in hoeverre mevrouw Beecher Stowe voor Haïti heil zou verwachten van eene immigratie van echte, onverbasterde negers uit Afrika, het vaderland der zwarten. Zeker, indien de negers der werkelijkheid geleken op het door haar, met eene bepaalde tendenz, geteekende fantazieportret van Oom Tom, dan zou zoodanige immigratie binnen kort Haïti tot een aardsch paradijs, een modelstaat, maken. Doch de neger van mevrouw Beecher Stowe en de wezenlijke neger, zoo als wij dien overal vinden, zijn twee wezens, die zeer weinig met elkander gemeen hebben; en de geschiedenis van Haïti, die toch nog maar weinige jaren omvat, bevestigt het getuigenis, sedert vele eeuwen door de wereldhistorie afgelegd: dat het negerras onbekwaam is, eene geregelde staatsorde, eene werkelijk beschaafde maatschappij in het leven te roepen, zich te verheffen boven de eenvoudigste vormen der maatschappelijke ontwikkeling. In Afrika, het vaderland der zwarten, is nergens een spoor van eenige hoogere beschaving te vinden; hier in Haïti, waar het negerras anderhalve eeuw lang in aanraking is geweest met blanken en te midden eener beschaafde maatschappij heeft geleefd, onvermogen, niet alleen om zich die beschaving werkelijk toe te eigenen en verder te ontwikkelen, maar zelfs om het bestaande en overgeleverde te behouden. Sedert de zoogenaamde vrijverklaring is het land, ook wat het gehalte der bevolking aangaat, voortdurend achteruit gegaan; en zoo er voor dit door de natuur zoo rijk gezegende land nog immer eene betere toekomst zal aanlichten, dan kan dit alleen geschieden, wanneer op nieuw blanken, hetzij dan Europeanen of Amerikanen, de macht in handen nemen en het negerras teruggebracht wordt tot de ondergeschikte plaats, die het in spijt van alle theorieën door de natuur is aangewezen.
AANTEEKENING
[1] Rumstokerij.