Haïti De Aarde en haar volken, Jaargang 1881
Part 4
In de eerste dagen na mijne aankomst te Port-au-Prince bleef ik dikwijls uren lang voor het venster mijner kamer op de eerste verdieping van een huis in de rue des Fronts-Forts. Nu eens dwaalden mijne blikken over de stad, waar de palmen en kokosboomen hunne wuivende groene kruinen verhieven te midden der eentonig roode daken; dan weder volgden zij de golvende lijnen der heuvelen van Bel-Air, waarover de zon een stroom van verblindend licht uitgoot, of wel rustten zij op de kalme oppervlakte der reede, waar de schepen ten anker lagen, wier masten ik boven de huizen zag uitsteken.
Somtijds was des avonds de lucht betrokken. De diepe stilte werd slechts nu en dan afgebroken door den roep: "Wie daar?" van den op schildwacht staanden soldaat. Meestal echter was de heldere donker blauwe hemel met fonkelende sterren bezaaid. Dan schoot de maan haar stralen neder op de stad en het omringende landschap en overgoot alles met een helderen lichtglans, die het mogelijk maakte tot aan den gezichteinder te zien en alle voorwerpen duidelijk te onderscheiden.
Vooral op zaterdag, als er markt gehouden werd, heerschte er op straat eene onbeschrijfelijke drukte, want dan stroomden de landbewoners uit den omtrek in geheele drommen naar de stad. Dan kwamen negerinnen voorbij mijne woning, met manden op haar hoofd, waarin zij oranjes, bananen, ananassen en andere vruchten ter markt droegen. Zij geleken bijna op egyptische beelden, zoo als zij daar voortgingen in nauw sluitend, tot op de voeten afhangend gewaad, en met een doek om het hoofd geknoopt. Anderen zaten op ezels tusschen twee bossen gras van Guinea. Bedelaars zaten of stonden op de straat, met luider stemme een aalmoes vragende. Overal geschreeuw en luidruchtigheid. Waterdragers baanden zich met zwaren stap een doortocht, half gebogen onder de vaatjes, die op een houten juk in evenwicht op hun schouders rustten. Zware vierkante karren, met magere paarden bespannen, wagens door ossen getrokken, trokken langzaam door de straten, overal de schare opeen dringende, terwijl de voerman met luid geschreeuw de voetgangers waarschuwde, uit den weg te gaan. Het was een levendig, woelig tooneel, dat echter geen aanspraak op schilderachtigheid kon maken, en waaraan te zeer de stempel van oorspronkelijkheid en eigenaardigheid ontbrak om het inderdaad belangwekkend te doen zijn.
Nadat ik mij behoorlijk geïnstalleerd had, wilde ik voor alles een bezoek brengen aan de plaats, waar Dessalines, op den 17den October 1806, was vermoord. Daar de afstand tot Sibert, eene plantage, waar Pétion door Christophe verslagen werd, slechts vijf of zes mijlen bedraagt, was een voormiddag voor het tochtje voldoende. Ik vervoegde mij bij zekeren heer Baudet, om een paard te huren; hij gaf mij voor vier piasters een goed paard; terwijl zijn bloedverwant, Touliné Duplessis, zich bereid verklaarde, mij te vergezellen.
Wij verlieten de stad door de poort Saint-Joseph, sloegen den weg in naar de Croix-des-Bouquets, en kwamen weldra aan eene brug, over een beek, die gedurende het grootste gedeelte van het jaar droog is. Dit is de Pont-Rouge, die volstrekt niet de eer van een bezoek waard zou zijn, zoo hier niet het feit had plaats gehad, waarvan mijn metgezel, die bleek goed onderricht en iemand van beschaving te zijn, mij al de bijzonderheden vertelde.
"Te Marchand," zoo luidde zijn verhaal, "vernam Dessalines de tijding van den opstand van Mécerou in het Zuiden. Op dit bericht riep hij uit: "Ik wil dat mijn paard tot aan Tiburon door bloed zal waden." Niet wetende dat Christophe aan het hoofd van den opstand was geplaatst, schreef hij hem een brief met last om zich gereed te houden te velde te trekken. Ook zond hij aan generaal Pétion bevel om naar les Cayes op te rukken.
"Na het kommando van Marchand aan Vernet te hebben overgedragen, trok hij zelf op om den opstand te dempen, vergezeld door de generaals Mentor en Bazelais, de kolonels Roux en Charlotin Marcadieux en de secretarissen Dupuy en Boisrond-Tonnerre. Het eerste en het tweede bataillon van de vierde halve brigade vormden het keizerlijk eskorte.
"Te Saint-Marc aangekomen, beval hij dat het derde bataillon derzelfde brigade, hetwelk daar in garnizoen lag, zich bij de twee andere zou aansluiten. Zonder zich op te houden zette hij, met die onbeteekenende krijgsmacht, zijn tocht voort tot hij te Arcahaie kwam, waar hij zes kompagnieën van de derde halve brigade vond, onder kommando van den kolonel Thomas en den bataillonschef Gédéon. "Hebt gij moed, vroeg hij aan die beide officieren, om tot aan les Cayes door bloed te waden?" en hij voegde er bij: "Het Zuiderdepartement zal weldra eene wildernis zijn, waarin men zelfs geen haan meer zal hooren kraaien."
"Thomas en Gédéon antwoordden dat zij hun plicht zouden doen. Tegen tien uren des avonds van den 16den October bevonden zij zich op slechts drie mijlen afstands van de Pont-Rouge. Een reiziger, die hen vóór was, maakte in de stad Port-au-Prince bekend, dat de voorhoede van het leger des keizers in aantocht was.
"De generaals Guérin, Vaval en Yayou gingen de soldaten te gemoet, die in wanorde voort marcheerden, en haalden hen door beloften over, de partij der republikeinen te kiezen. De kolonel en de bataillonschef werden gevangen genomen en op hun verzoek naar Pétion geleid. Thomas, die niet zoo dadelijk den keizer ontrouw wilde worden, werd voorloopig in verzekerde bewaring gehouden; Gédéon, die aanstonds tot de opstandelingen overging, werd aan het hoofd gesteld van de derde brigade, die op het plein Vallière onder de wapenen stond.
"Gédéon deelde aan Guérin mede, dat Dessalines hem had bevolen, bij de Pont-Rouge op hem te wachten. Guérin liet hem daarop zijne uniform uittrekken en beval een officier, die op Gédéon geleek, zich daarmede te kleeden. Die officier werd nu, met een bataillon van de vijftiende brigade, bij de Pont-Rouge geplaatst, om den keizer in een valstrik te lokken.
"In den vroegen morgen van den 17den verliet de keizer Arcahaie, alleen vergezeld van zijn staf. Onderweg ontmoette hij verscheidene inwoners van Port-au-Prince, die op de vraag, hoe het in de stad gesteld was, alleen antwoordden dat er niets bijzonders was voorgevallen. Dessalines reed dus voort, zonder eenigen argwaan te koesteren. Toen hij, omstreeks negen uren, dicht bij de Pont-Rouge gekomen was, keerde hij zich tot Boisrond-Tonnerre, die naast hem reed:
""Ziet gij Gédéon op de brug?" zeide hij. "Hij is stipt op de discipline. Ik zal hem beloonen."
--Maar, Sire, zeide kolonel Léger, die tot zijn staf behoorde, als ik mij niet zeer bedrieg, zijn dat soldaten van het Zuiden....
--Gij ziet verkeerd, antwoordde Dessalines. Wat zouden die hier uitvoeren?"
"Op het eigen oogenblik hoorde hij het bevel, de geweren te vellen, en het geroep: "Halt, keizer! Halt, keizer!"
"Met de hem eigen onstuimigheid sprong hij eensklaps te midden der bajonetten. "Soldaten, riep hij, kent gij mij niet? Ik ben uw keizer!"
"Hij greep een karwats die aan zijn zadelknop hing, zwaaide daarmede in het rond en sloeg de op hem gerichte bajonetten weg. Een der soldaten schiet zijn geweer af. De keizer, die niet getroffen is, zet zijn paard in vollen draf. Een tweede schot valt, en Dessalines, nu geraakt, roept: "Help mij, Charlotin!"
"Marcadieux ijlt toe, maar ontvangt een sabelhouw op het hoofd, die hem met gespleten schedel ter aarde werpt. Dessalines zit nog altijd in den zadel. Yayou steekt hem nu tot driemaal toe zijn dolk in de borst, zoodat hij, in zijn bloed badende, dood neervalt. De officieren van zijn gevolg, dit ziende, nemen haastig de vlucht, behalve Mentor, zijn vertrouwde raadsman, die luide uitroept: "De tyran is gevallen! Leve de vrijheid! Leve de gelijkheid!"
"Zoo stierf Jean Jacques Dessalines, genoemd Jacques I, gouverneur-generaal en vervolgens keizer van Haïti, wiens loopbaan niet minder zonderling was dan die van zijn voorganger Toussaint-Louverture of van zijn opvolger Henry Christophe. In 1758 te Cormier, eene plantage nabij Cap Français geboren, was hij opgevoed door Duclos, een blanken planter, wiens naam hij ook droeg, zoo als de slaven zich in den regel naar hun meester noemden, tot hij, op nog jeugdigen leeftijd, gekocht werd door Dessalines, een vrijen neger, in wiens dienst hij bleef tot zijn drie-en-dertigste jaar, en dien hij tot zijn hofmeester benoemde, toen hij zelf gouverneur-generaal was geworden.
"Nadat in 1802 de oorlog was ontbrand, die met de erkenning der onafhankelijkheid van de vroegere fransche kolonie eindigde, en waarbij negers en mulatten te zamen streden, nam hij daaraan ijverig deel en wist zich als keizer te doen erkennen. Zijne regeering was eene aaneenschakeling van onzinnige dollemansstreken, van grenzenlooze tirannie, van barbaarsche wreedheid en woeste buitensporigheid."
V.
Het was in het begin van December. Men verwachtte de terugkomst van den president, die een reis door het Zuiderdepartement maakte. Het gemeentebestuur maakte toebereidselen voor eene schitterende ontvangst van het hoofd van den staat. De president moest van den weg van Leogane komen. Daar werd bij eene brug een eerepoort opgeslagen, die de verbazing van alle wandelaars en straatslijpers opwekte. Het was dan ook erg mooi! Aan de zijde naar den weg had de heer Colbert Lochard een dragonder geschilderd met een sabel in de vuist, nevens eene Ceres. Eene Minerva prijkte tegenover een tirailleur. De andere zijde van den triomfboog was niet minder prachtig versierd. De blikken der voorbij trekkende ossen werden onaangenaam getroffen door het vuurroode kleed der Gerechtigheid, die een weegschaal in de rechter- en een zwaard in de linkerhand hield.
Eindelijk, na herhaald uitstel, brak de lang verwachte dag aan. Op den twaalfden December waren de bewoners der hoofdstad reeds met het krieken van den morgen op de been. Uit hun drukte, hun ongeduld, hun fraaie kleeding bleek genoegzaam, dat de terugkomst van den eersten overheidspersoon voor deze lieden eene gebeurtenis van gewicht was. Terwijl eene dichte schare zich op den weg nabij de eerepoort verdrong, weergalmde eensklaps het salvo uit de kanonnen van het fort Bizoton, dat de komst van den president aankondigde.
Hij zat te paard en reed, gevolgd door zijne adjudanten, in snellen draf tot voor de eerepoort, waarboven zijne eigene beeltenis in hout prijkte, met de eene hand de nationale vlag vasthoudende en met de andere de grondwet verkreukelende. Onder dat beeld was het opschrift te lezen:
aan Nissage Saget. bewijs van genegenheid, de dankbare stad Port-au-Prince.
Het orkest boven op den triomfboog geplaatst, blies uit al zijn macht; de menigte juichte en jubelde. De burgemeester, omringd door de leden van den raad, wachtte te paard onder de eerepoort. Toen het een weinig stil was geworden, hield hij eene lange aanspraak, waarnaar de president, ondanks de brandende zonnestralen, tot den einde toe aandachtig luisterde, en waarop hij met eenige woorden antwoordde. Daarop begon het geschreeuw op nieuw. De president steeg toen van zijn paard, omhelsde den burgemeester, de raadsleden en verdere officieele personen, benevens zijne vrienden en kennissen, die hij onder de menigte herkende, en vervolgde te voet zijn weg naar een huis, waar een collation voor hem gereed stond. Na zich hier wat verkwikt te hebben, verliet Nissage Saget deze gastvrije woning, en begaf zich met zijn gevolg onder het aanhoudend gejuich der menigte naar de kathedraal, waar een Te Deum gezongen werd, en vervolgens naar het Palais-National. In den namiddag werden de autoriteiten en voornaamste inwoners bij hem toegelaten; en 's avonds was de geheele stad geïllumineerd, terwijl op verscheidene plaatsen vuurwerk werd ontstoken. Tot laat in den nacht heerschte op straat eene ongewone en luidruchtige drukte.
De vrouwen van Haïti onderscheiden zich door eene zachte vleiende stem, fraaie gitzwarte haren en eene sierlijke taille; zij zijn blank, geel of, voor het meerendeel, zwart. De vermogende aanzienlijke dames overdrijven in haar kleeding de parijsche modes, en vertoonen zich op straat gedost in de kostbaarste stoffen en overladen met allerlei versierselen. In huis dragen zij doorgaans niets anders dan een eenvoudig peignoir. De vrouwen uit de volksklasse dragen eene nauwsluitende, hooge japon van gingar, die zij om haar middel vasthechten of los laten hangen, naar verkiezing.
Daar er niet veel fortuinen gevonden worden en de meisjes doorgaans geen huwelijksgift mede krijgen, moeten de meeste vrouwen zelven de handen uit de mouw steken en allerlei arbeid verrichten. Ook zogen zij bijna allen haar kinderen, hetgeen trouwens aan haar gezondheid geene schade doet. De kinderen worden nooit ingebakerd; van daar dat er onder de negers en mulatten zoo weinig misvormden zijn.
De vermogende familiën plegen haar dochters naar Frankrijk te zenden, om daar haar opvoeding te ontvangen: een gebruik, dat naar mijne meening, geene andere dan kwade gevolgen heeft. De meisjes kunnen zich in deze geheel vreemde wereld nooit recht te huis gevoelen; onze beschaving, die zij niet kunnen begrijpen of waardeeren, leeren zij doorgaans van de meest ongunstige zijde kennen; half ontwikkeld en dikwijls zedelijk verdorven, gevoelen zij zich bij den terugkeer in haar vaderland misplaatst en zijn dikwijls voor haar verder leven ongelukkig.
December en Januari zijn bij voorkeur de maanden voor feesten en partijen, waarin onophoudelijk bals, soirées en dergelijke gegeven worden. Ik had overvloedig de gelegenheid bij zulke partijen tegenwoordig te zijn en mijne opmerkingen te maken, vooral op de soirées van den heer Charles Miot. De bloem van het high life van Port-au-Prince was in zijn salon vereenigd, blijkbaar verheugd zulk een feest te mogen bijwonen; de gastheer toch onthaalde de talrijke genoodigden niet maar op een eenvoudig bal, maar op eene muziekale en letterkundige soirée. Muziekanten en declamatoren schenen niet minder gelukkig, dat zij in zulk een kring hun talenten mochten laten uitblinken; Talma kon niet met meer zelfgevoel voor zijn parterre van koningen optreden.
Eenige dagen na die schitterende soirée was ik tegenwoordig bij de huwelijks-inzegening van Mlle Elise Elie, tegenwoordig mevrouw Fatton, kleindochter van den generaal Dufrêne, die minister van Soulouque was, met den titel van hertog van Tiburon.--Het was eene indrukwekkende plechtigheid. Een talrijk publiek vulde het hoofdschip en de zijschepen der kathedraal, een vierkant gebouw, dat pas gewit was en door zijne groote eenvoudigheid meer aan eene anglikaansche, dan aan eene katholieke kerk denken deed. Achter in het koor bevinden zich drie altaren. Het altaar ter rechterhand is aan de Heilige Maagd gewijd en versierd met een leelijk Onze-Lieve-Vrouwebeeld; dat ter linkerhand, prijkende met het beeld van den kruisdragenden Christus, is aan Sint-Joseph gewijd. Het zeer eenvoudige hoogaltaar was getooid met kaarsen en bloemen, en het koor behangen met scharlaken roode draperieën met gele zoomen. Een ijzeren hek, waarin een doorgang is aangebracht, scheidt het koor van het schip. Het orgel bevindt zich op eene tribune, boven den hoofdingang.
De president, die ook tot de partij behoorde, verscheen vergezeld door een enkelen adjudant en twee officieren der politie, wier kostuum zeer veel te wenschen overliet. Een smerige pantalon hing op hun uitgezakte laarzen, een frac van twijfelachtige kleur, scheef toegeknoopt, liet een overhemd zien, dat juist niet door netheid uitmuntte. Een shako, die veel te groot was, zakte tot achter in hun nek. Een sabel, aan een riem bevestigd, voltooide deze schitterende uniform.
Nissage Saget, in het zwart, met handschoenen aan, hield een rotting met een ivoren knop in de hand. Op zijn laag uitgesneden vest bengelde een gouden horlogeketting, zwaar genoeg om een bulhond aan vast te leggen. Hij had in al zijne manieren het voorkomen van een winkelbediende op zijn zondags. Een eilander, aan wien ik de opmerking maakte, bekende mij dan ook, dat de man vroeger versteller van oude kleêren was geweest.
Behalve het huwelijk, bestaat er nog iets anders, dat men met een eigenaardig woord placement noemt. Ondanks al de inspanning der katholieke priesters, die al het mogelijke doen om bij de menigte het zedelijk bewustzijn op te wekken, is bij de negers der mindere standen het huwelijk nog steeds eene uitzondering en geheel wettelooze samenleving bijna regel. Een jonkman vraagt een meisje aan hare ouders en zij wordt hem gegeven, onder zekere bepalingen, die natuurlijk in elk bijzonder geval kunnen verschillen. Het is onmogelijk te zeggen, hoevele kinderen geboren worden uit dergelijke vereenigingen, die noch voor de kerk, noch voor de burgerlijke wet in eenig opzicht geldig zijn. Zeer dikwijls gebeurt het, dat de man, als hij genoeg heeft van zijne bijzit, haar eenvoudig met haar kinderen op straat zet, om met eene andere te gaan leven. Wel is onder den zoogenaamden aanzienlijken stand, sedert vele jaren, de kerkelijke inzegening van het huwelijk regel, maar het getal der echtscheidingen is ook daar bijzonder groot.
Zooals ik reeds zeide, beginnen de feesten en vermakelijkheden te Port-au-Prince met de maand Januari: bals, partijen, maskeraden volgden dan elkander zonder tusschenpoozen op. Avond aan avond trekken geheele troepen gemaskerde, zonderling toegetakelde jongelieden door de straten, tot groot vermaak der winkeliers, die onder de galerij voor hunne deur zitten. In de dagen voor Vastenavond wordt het spektakel nog erger. Legioenen van clowns, van duivels, ridders, paljassen overstroomen de stad. Een buitensporig toegetakelde gemaskerde wandelt aan het hoofd der bende, het hoofd versierd met monumentale horens. Dan volgt een generaal door zijn staf omringd, allen in de meest fantastische uniformen gedost. Mannen, als vrouwen verkleed, vergezellen hen en geven de zonderlingste, vaak ook aanstootelijkste vertooningen ten beste. Het is een mengelmoes van de buitensporigste kostumen, een onmogelijk charivari van maskers en vermommingen; en daarbij ontbreekt het niet aan kreten en geluiden, aan uitroepen en toespelingen, die zeer duidelijk hun afrikaanschen oorsprong verraden en aan de Goudkust of Dahomey doen denken. De meeste gemaskerden gaan te voet; sommigen zitten te paard en kunnen zich niet dan met de grootste moeite in het zadel houden, daar de paarden door het gedrang en het helsche leven schichtig worden.
Omstreeks dezen tijd stierf Mr. Deslandes, stafdrager van de orde der advokaten, op betrekkelijk nog jeugdigen leeftijd. Hij was zeer gezien en zijn plotselinge dood verwekte algemeene deelneming. Op den dag der begrafenis begaf ik mij naar het sterfhuis. Onder de galerij, in de gang, op de trappen bevonden zich de vrienden en bekenden der familie, wachtende op den priester. Op de eerste verdieping waren de bloedverwanten en de vertrouwdste vrienden van den overledene vereenigd, in een vertrek, dat behangen was met zwart laken, bezaaid met doodshoofden en gekruiste beenderen. Volgens een eerbiedwaardig gebruik, moeten de bloedverwanten en vrienden van den overledene den nacht vóór de begrafenis, bij zijn lijk doorbrengen, om daarmede als het ware te kennen te geven dat zij niet dan in het uiterste oogenblik van hem willen scheiden.
Toen de lijkstoet het huis verliet, was het vijf uren. De vrienden droegen de mahoniehouten lijkkist tot aan de kerk. Achter de lijkbaar volgden de banieren van het Groot-Oosten van Haïti, want Mr. Deslandes was lid van de loge der Coeurs-Unis. Daar de geestelijkheid deze banieren van de vrijmetselarij, zeer natuurlijk, niet in de kerk wilde toelaten, was men verstandig genoeg, de vaandels weg te brengen.
Het zoogenaamde binnen-kerkhof is uitsluitend bestemd voor de begraafplaats der aanzienlijken. Daar bevindt zich het grafteeken van de graaf d'Ennery, die in 1776 als gouverneur-generaal overleed. Behalve andere mannen van meer of mindere bekendheid, rust daar ook de beruchte revolutionair Billaud de Varennes. Het graf van Dessalines wordt aangewezen door een steen, met het lakonieke opschrift:
CI-GIT DESSALINES, MORT A 48 ANS.
Sedert lang had een mijner vrienden, A. Fleury-Buttier, hoofdambtenaar bij het openbaar onderwijs, mij uitgenoodigd, het zuiden van het eiland te bezoeken, dat, naar hij verzekerde, schilderachtiger was dan het noorden. Ik gaf eindelijk aan zijne uitnoodiging gehoor; den 30sten December scheepte ik mij, met mijn secretaris Gaston des Rayauds, in aan boord van de Chanté-Clair.
VI.
Het was een heerlijke nacht. De maan liet zich niet zien, maar de starren flonkerden met helderen glans boven onze hoofden; en hoewel het midden in den nacht was, was de hemel bijna zoo helder als op een schoonen zomerdag. Geheel omgeven door die doorzichtige lichtende schemering, die aan de tropische nachten eene zoo onbeschrijfelijke bekoorlijkheid geeft, voeren wij kalm over de kabbelende golven, zonder de kust uit het oog te verliezen. De kapen en voorgebergten, half in schaduw gehuld, dreven langzaam langs ons henen. Een roode lantaarn, aan den mast van een vaartuig bevestigd, dat bij het fort Ilet voor anker lag, wierp een breeden lichtstreep op de golven. Van tijd tot tijd klonken ons luide tonen tegen, afkomstig van een of anderen schipper, die op de lombi blies, en door dit geluid, dat op zeer verren afstand hoorbaar is, de richting aangaf die hij volgde, ten einde aanvaringen te vermijden.
Tot mijn spijt noodzaakte mij eindelijk het gestamp en het deinen van de Chanté-Clair om naar beneden te gaan en eene plaats uit te zoeken, waar ik, met mijn nachtzak onder mijn hoofd, kon gaan slapen, naast mijn secretaris, die ondanks het sterke slingeren van het schip, luid lag te snorken.
Wij werden juist wakker, toen men zich gereed maakte, het anker op eene reede uit te werpen. De maan dook weg achter den berg Piton, en het licht van den aanbrekenden morgen kleurde het strand en de zee met de rijkste en teederste kleuren en tinten, afwisselende van zacht zeegroen tot donker smaragd.
Wij lagen niet ver van land, te midden van een aantal vaartuigen, onbewegelijk op het water rustende als een troep slapende zwanen. De matrozen stroopten hunne broeken op en droegen ons op hunne breede schouders naar het strand, waar zij ons neder zetten bijna vlak voor de deur van een dier kleine kruideniers- en drankwinkeltjes, die men in menigte op Haïti vindt. De winkeljuffrouw, Mlle Choune, eene zeer welgedane negerin, bracht ons dadelijk een paar stoelen, en maakte, op mijn verzoek, twee kop koffie voor ons klaar.
Terwijl wij onze koffie dronken, werden wij verrast door een bezoek van Tysbel, den directeur van het hotel des Voyageurs te Port-au-Prince, die nu voor zijne gezondheid te Leogane vertoefde, waar hij geboren was. Vernomen hebbende dat ik hier aan land was gestapt, kwam hij mij zijne diensten aanbieden. Ik zond hem naar den kommandant van het arrondissement, voor wien ik een brief van aanbeveling bij mij had, om paarden te vragen. Wij waren nog drie-kwartier van de stad verwijderd, en ik had geen lust, dien afstand te voet af te leggen.
In afwachting van het antwoord van Tysbel, bracht ik een bezoek aan eenige puinhoopen, die wij tegenover ons zagen. Deze ruïnen zijn alles wat nog over is van het fort Lapointe, dat in 1793 den naam droeg van Ça-ira; er is thans niets meer van de voormalige vesting te zien dan die vormlooze steenhoop, geheel met lianen en andere woekerplanten overgroeid.
Toen ik weder onder de galerij van Mlle Choune's winkel had plaats genomen, kwam Tysbel hijgende en bezweet aanloopen. Hij reikte mij een officieelen brief over, waarin de kommandant, de generaal Tiberius Zamor, mij zijn leedwezen betuigde dat hij voor het oogenblik geene paarden tot mijne beschikking kon stellen; zij waren allen naar buiten, op eene vrij ver van de stad gelegen plantage. In de plaats daarvan zond hij mij een wagen, waarmede ik de reis wel niet zoo snel, maar toch evenzeer zonder vermoeienis zou kunnen maken.