Haïti De Aarde en haar volken, Jaargang 1881
Part 3
Tortuga heeft een naam in de geschiedenis. Dit eiland was de bakermat van de schoonste en rijkste kolonie, die Frankrijk ooit in de Antilles bezeten heeft. Fransche avonturiers, onder aanvoering van Pierre Vadrosque en d'Enambuc; engelsche avonturiers onder kommando van Warner, kwamen zich op dit eiland vestigen, nadat zij in 1630, door den spaanschen admiraal Frederik de Toledo, van het eiland Saint-Cristophe verdreven waren. Jaren lang hielden deze zonderlinge gasten op Tortuga hun verblijf; aanvankelijk bekend onder den naam van boekaniers, omdat zij hun vleesch lieten roosteren op een boucan, een soort van houten rooster, waarvan de Indianen zich bedienden. Hunne kleeding was hoogst eenvoudig, en bestond slechts uit een hemd en een onderbroek, beiden met bloed geverwd. Om hunne heupen gordden zij een lederen riem, waaraan hetzij een korte sabel, hetzij een mes of wel een dolk hing. Hunne beenen waren bloot; aan de voeten droegen zij ruwe sandalen van in de zon gedroogde huiden. Hunne hoogste begeerte was het bezit van een vuurroer en een koppel jachthonden. Hunne levenswijze was zeer eigenaardig. Zij kozen opperhoofden, die zij ook zeer dikwijls vermoordden. Vrouwen werden onder hen niet geduld. Zij vormden onderling zekere vereenigingen, waarbij persoonlijk bezit was uitgesloten en alles gemeenschappelijk eigendom was. Zij maakten jacht op de wilde zwijnen en runderen, die bij gansche kudden door het eiland zwierven, en waarvan zij het vleesch aten en de huiden verkochten. Zoodra zij een zeker aantal huiden bijeen hadden, lieten zij ze, door gehuurde agenten, aan boord brengen der europeesche schepen, die met hen handel dreven.
Later, door de Spanjaarden verdreven en vervolgd, werden zij zeeschuimers, en in die hoedanigheid algemeen bekend en gevreesd onder den naam van flibustiers. In hun ontembaren overmoed vreesden zij niets en deinsden zij ook voor niets terug. Meer dan een van deze vermetele zeeroovers heeft zich een naam verworven, die nog niet geheel vergeten is. Pierre le Grand, van Dieppe, die met een boot, met vier kanonnen en met acht-en-twintig koppen bemand, het schip van een spaanschen vice-admiraal vermeesterde; Michel le Basque, die een oorlogsschip buit maakte, met een millioen piasters aan boord; Nan l'Olonnais en Montbars uit Languedoc, bijgenaamd de Verderver. Niets evenaardde de toomelooze vermetelheid dezer kapers, tenzij dan hunne woestheid en wreedheid. Jaren lang waren zij de schrik der west-indische zeeën en van alle omliggende landen en eilanden, die telkens door hunne stoute strooptochten werden geteisterd, en waar bij herhaling de voornaamste steden werden geplunderd en in de asch gelegd. In de eerste jaren der achttiende eeuw begon deze vereeniging van roovers aan macht te verliezen, tot zij zich eindelijk ontbond.
Toen wij voor Port-de-Paix aankwamen, dat slechts eenige mijlen van Saint-Louis verwijderd is, was het middag. Er was nergens een schip of boot op de reede te zien: het vlek scheen verlaten. Daar de goëlet eerst den volgenden morgen weer vertrekken zou, liet ik mij met een mijner reisgenooten naar den wal brengen, en kwamen wij weldra op een plein, vroeger naar Lodewijk XVI genoemd, waar nu aan den voet van een reusachtigen palmboom--den vrijheidspalm, even oud als de republiek--een altaar van het vaderland is opgericht. Men ziet, dat de negers van Haïti onze zotternijen trouw naäpen. Wij wandelden verder en bevonden ons spoedig weder aan den oever der zee, nabij het voorgebergte, waarop de ruïnen van een oud fort liggen.
De kalme golven kusten met zacht gemurmel het grijze zand, waaruit, bij onze nadering, gansche drommen van kleine krabben en kreeften verschrikt de vlucht namen. De zee was zoo heerlijk, dat ik geen weerstand kon bieden aan de verzoeking om een bad te nemen.
De zee der Antilles wemelt van haaien, en vooral langs deze kusten komen zij in menigte voor. Nauwelijks had ik eenige vademen ver gezwommen, of mijn reisgenoot, die, gelukkig voor mij, aan den wal was gebleven, bespeurde een haai, die op mij afkwam. Op zijn luid geschreeuw maakte ik onwillekeurig eene beweging van schrik en ontzetting. Het monster was reeds zoo dicht bij mij, dat ik duidelijk zijn rugvin kon onderscheiden! In mijne overhaasting om naar het strand terug te keeren, struikelde ik. De haai, verschrikt door het geluid van mijn val, nam ijlings de vlucht. Ik stond weder op en spoedde mij naar het strand, zeer dankbaar dat ik op die wijze aan een dreigend gevaar was ontsnapt.
De kust vormt bij Port-de-Paix een inham, in de gedaante van eene halve maan, waarvan de beide punten met een fort waren voorzien. Columbus, die in 1492 deze baai bezocht, noemde haar Valparaiso, paradijsvallei. De fransche flibustiers, door de engelsche en spaansche flibustiers van Tortuga verdreven, vestigden zich hier in 1665. Dit was hunne tweede nederzetting op het groote eiland. Zij werden hier met rust gelaten, en noemden de plaats daarom Port-de-Paix. In 1678 barstte hier de eerste opstand der slaven uit, aangestookt door Padre Juan, een spaanschen neger. De opstandelingen hadden zich in de heuvels teruggetrokken en versterkt. Pouancey onderwierp hen, met behulp van twintig flibustiers, die door lust tot avonturen gedreven, toevallig te Port-de-Paix waren gekomen. In 1685 verhief de gouverneur de Cussy dit vlek tot de hoofdplaats der kolonie.
Zoodra wij het anker hadden uitgeworpen, was de kapitein van de Conception aan wal gegaan om zijne familie te bezoeken, die op vrij grooten afstand van het vlek woonde. Hij kwam niet terug. Den derden dag, omstreeks vier uren, bewees de in hevigheid toenemende branding langs de kust, dat de wind was opgestoken. Eindelijk verscheen de kapitein. De zeilen werden geheschen en wij hervatten onzen tocht. Het was een prachtige avond. Een sterke bries joeg ons met snelheid voort over de oppervlakte der wateren, die, schitterende van licht, een grenzenloos meer van gesmolten metaal geleken.
Den volgenden morgen, na kaap Saint-Nicolas te zijn omgevaren, liepen wij de haven van Haïti binnen, waar de balanaélés, dat wil zeggen de mannen der zee, zooals de Indianen de Europeanen noemden, voor het eerst voet aan wal zetten. De Santa-Maria en de Nina wierpen hier den 6den December 1492 het anker uit, en Columbus gaf aan de baai den naam van Sint-Nikolaas, ter eere van den heilige van den dag. Den naam van Môle dankt de haven aan de rotsen, die even als een natuurlijke dam of golfbreker, den ingang beschermen. Tot in 1693 diende de Môle-Saint-Nicolas slechts tot wijkplaats voor de flibustiers; toen begon de gouverneur Ducasse zich de plaats aan te trekken; maar toch duurde het tot 1764 eer zich hier eene vaste bevolking nederzette.
Er werden nu gaandeweg geduchte vestingwerken en batterijen aangelegd, ten einde aan de engelsche schepen het binnenloopen van de haven te beletten. Omstreeks het midden van het jaar 1803 leverde het fransche fregat la Poursuivante, van veertig stukken, onder kommando van Willaumez, nabij deze haven, een scherp gevecht aan het engelsche schip Hercules, van vier-en-zeventig stukken. Het britsche oorlogschip verloor zijn kapitein en was genoodzaakt af te deinzen. De kolonisten Deneux, O'Farel, Jaunas, Chaumette, leverden Môle-Saint-Nicolas, op den 21sten September 1793, in handen der Engelschen, die aan de landzijde nieuwe versterkingen opwierpen en de plaats bezet hielden tot in 1798, toen generaal Maitland haar overgaf.
Na de onafhankelijkheidsverklaring der kolonie werd Môle-Saint-Nicolas, dat door de troepen bezet was, die Pétion had afgezonden om den opstand van Port-de-Paix te ondersteunen, door Christophe belegerd. De generaal Lamarre verdedigde zich met grooten moed, tot hij den 16den Juli 1810 door een kanonskogel op den muur werd gedood. De stad, die gedurende het beleg veel geleden had, werd na de overgave geheel ontmanteld, en is sedert een puinhoop gebleven. De baai, die slechts vijf-en-twintig mijlen van kaap Maysi op Cuba verwijderd is, wordt door een schiereiland geheel gedekt, en biedt den schepen ten allen tijde eene veilige ligplaats aan.
Wij vervolgen onze vaart, die alleraangenaamst zou geweest zijn, indien wij niet zooveel te lijden hadden gehad van de warmte. Nu eens streek de vlugge goëlet over het water, met de beide zeilen de golven beroerende, als een meeuw met haar vleugels; dan weder, langs den voet der hooge steile oevers glijdende, verloor zich haar mast tusschen de boomen der kust, waarlangs het golvende schuim een breeden zilveren rand teekende.
Zoo voeren wij langs Cap-à-Foux, de Pointe-à-Perles, de Plate-Forme, de baai van Henne en l'Anse-Rouge, en kwamen eindelijk te Port-à-Piment, waar een warme minerale bron gevonden wordt, Eaux de Boignes genoemd. Tijdens het koloniale bestuur bestond hier eene badinrichting, waar vele zieken genezing vonden. Bij het vallen van den avond herkenden wij de Pointe-Corydon. Dank zij den gunstigen wind, liep de Conception in dien nacht een aantal knoopen. Toen de dag aanbrak, hield de bries aan, maar naarmate de zon boven de kimmen rees, werd de hitte ondragelijker.
Ik had mij op het dek, in de schaduw der zeilen, nedergelegd, toen eene plotselinge manoeuvre, waardoor ik in de zon kwam te liggen, mij deed opstaan. Ik zag op het vlakke strand een wonderlijken chaos van houten huizen en steenen magazijnen. Wij waren te Gonaïves. Deze stad, die een indiaanschen naam draagt, en in 1738 tot een kerspel werd gemaakt, was voor de revolutie slechts een onbeteekenend vlek; sedert heeft de plaats in beteekenis gewonnen, vooral na de openstelling van de haven, waardoor de handel in katoen en koffie steeds belangrijker is geworden. In de haven kunnen de grootste schepen veilig ankeren.
Het eenige gebouw, dat een bezoek verdient, is de kerk, waar Dessalines tot keizer werd uitgeroepen. Zij is overdadig rijk versierd en maakt, door de bespottelijke overlading, een zonderlingen indruk, vooral op de vreemdelingen uit Europa, die aan dergelijken tooi in eene dorpskerk niet gewend zijn, en die nog altijd min of meer hechten aan het totaal onamerikaansche begrip, dat smaak en schoonheidszin, ook bij de versiering van een gebouw, niet volkomen overbodige zaken zijn. Te Gonaïves werd de onafhankelijkheid van Haïti geproklameerd.
Na een verblijf van ruim twee dagen te Gonaïves vervolgden wij onzen tocht. Naarmate de Conception verder zuidwaarts kwam, doemden telkens nieuwe panorama's voor onzen blik op; vlekken, ruïnen, bergen, heuvelen, eilandjes, langs de kust verspreid: die allen volgden in bonte afwisseling op elkander.
Ik kon duidelijk de uitmonding onderscheiden van de Artibonite, de Atiboniko der Indianen, de voornaamste rivier van Haïti, die op den Monte-Gallo ontspringt, door de savanne van Guaba en de vlakte van Saint-Marc loopt, verscheidene andere stroomen in zich opneemt en bij de Grande-Saline in zee vloeit. Op den rechter oever, vijf mijlen van de zee verwijderd, vindt men een dorp, Petite-Rivière-de-l'Artibonite genaamd. In dat dorp werd in 1794, op last van den burgerlijken commissaris Polverel, de rooverhoofdman Guiambois gevangen genomen, die in verstandhouding met de Spanjaarden stond en het district Artibonite in hunne handen wilde leveren. Later liet Lully hier Blanc Cassenave neersabelen met zijn horde negers, bekend onder den naam van Congos tout nus. Deze Blanc Cassenave was een mulat, die aan Spanje verkocht was, een dronkaard en woesteling, die bloed dronk uit een schedel. Een andere neger uit Artibonite, Cotro genaamd, verontwaardigd over de door Toussaint-Louverture bevolen moorden, vatte de wapenen op. Dessalines noodigde hem uit tot eene samenkomst en bezwoer hem plechtig, dat hem geen leed geschieden zou. Cotro was onnoozel genoeg hem te gelooven; hij verscheen op de aangewezen plaats en werd natuurlijk vermoord.
Ten noordoosten van de Petite-Rivière de l'Artibonite bevindt zich de ingang van den Grand en den Petit-Chaos. Ten westen verheft zich de Crête-à-Pierrot, met de ruïnen van een fort, waarvan de bastions door Christophe werden aangelegd. Aan den voet van den heuvel stuwt de Artibonite, te midden van het hooge gras, hare trage wateren voort, die echter bijwijlen zulke schromelijke verwoestingen kunnen aanrichten. De vlakte, die aan de rivier haar naam ontleent, prijkt in een eeuwig groenen dos; en met stille bewondering rust de blik op het prachtige landschap, dat zich aan alle zijden ontvouwt, van de bergen van Mirebalais ten noorden, tot den Gros-Morne-des-Gonaïves ten zuiden, en van de bergketen der Chaos tot aan de bergen van la Selle.
Dessalines, die eene bijzondere voorliefde koesterde voor de vlakte van Artibonite, besloot daar zijne residentie te vestigen, nadat hij zich tot keizer had laten kronen. In 1804 herschiep hij de plantage Marchand, aan den ingang der kloven van de Chaos, in eene stad, waaraan hij den naam van Dessalinesville gaf. De bevolking der omliggende streek moest bij den bouw der huizen behulpzaam zijn, en de vestingwerken, waarmede tijdens den oorlog tegen het moederland een aanvang was gemaakt, werden spoedig voltooid. Op de zuidelijke helling van den berg, die de nieuwe stad beheerscht, ziet men nog zes forten.
Op den morgen van den twintigsten dag na ons vertrek van Cap-Haïtien, voer de goëlet het kanaal Saint-Marc binnen, dat Haïti van Gonave scheidt. Weldra vertoonde zich de stad Saint-Marc aan ons oog. In 1716 gesticht, bestond zij aanvankelijk slechts uit eenige verspreide huizengroepen; langzamerhand echter ontwikkelde zij zich, en vóór 1791 was zij eene der fraaiste steden van de kolonie. In 1802 werd de stad door Dessalines in de asch gelegd; gedurende den oorlog tusschen het zuiden en het noorden, was Saint-Marc de grensstad van het rijk van Henri I. Het was daar dat het achtste regiment tegen hem in opstand kwam en zich aan de zijde van Boyer schaarde.
Langzaam vervolgden wij onze vaart, die alleen minder aangenaam werd gemaakt door de brandende hitte en door het volslagen gemis van elk comfort aan boord. Nu en dan las ik mijn medepassagiers iets voor uit een boek, of wij praatten te zamen over het eiland en zijne geschiedenis. De matrozen waren trotsch op hun land, en wisten mij elke plaats te noemen, waar wij langs voeren. Inderdaad is het een lust, deze schilderachtige, rijk begroeide oevers in hun kronkeling te volgen, en onwillekeurig overmeestert ons een gevoel van leedwezen, dat een zoo schoon en rijk gezegend land, dat vroeger onder de fransche heerschappij zoo vruchtbaar en zoo welvarend was, thans zoo diep is gevallen en tot den laagsten rang gedaald, dank zij de zoogenaamde vrijheid, welke de inwoners heeten te genieten.
IV.
Ziedaar Port-au-Prince, aan den lagen oever van haar diep landwaarts intredende golf, eene verzameling van houten hutten en ruime gebouwen van baksteen, vrij ordeloos geschaard langs breede rechtlijnige straten, die geen naam en zelfs geen nummer hebben, en alzoo een verwarden doolhof vormen, waaruit de vreemdeling niet wijs weet te worden. Achter de stad rijzen in een halven kring groene heuvelen op, met witte woningen bezaaid. Op den hoogsten dezer heuvelen ligt het fort Alexandre, van waar de wacht de aankomst van schepen in de haven seint.
De stad werd in 1749 door de la Caze gesticht, die haar l'Hôpital noemde; den naam van Port-au-Prince dankt zij, volgens sommigen, aan den heer André, kommandant van het schip le Prince; volgens anderen aan de Prinseneilandjes, bij den ingang der haven gelegen. In 1793 werd zij natuurlijk verdoopt en heette toen Port-Républicain, tot zij in 1811 haar ouden naam hernam en sedert behield.
Hare gunstige ligging, die de gemeenschap met de vier departementen zeer gemakkelijk maakt, en de nabijheid van de rijke vruchtbare vlakte van Cul-de-Sac waren de voornaamste oorzaken, die haar den voorrang deden toekennen boven le Cap. De oppervlakte der stad wordt geschat op negenhonderd-zestigduizend vierkante ellen; de zes-en-twintig straten hebben eene breedte van dertig tot drie-en-dertig el, maar zijn zeer slecht onderhouden. Alle onreinheden uit de huizen worden eenvoudig op straat geworpen. Om de huizen binnen te gaan, moet ge vuile stinkende open riolen oversteken, met behulp van verrotte planken, die onder uwe voeten kraken en elk oogenblik dreigen te bezwijken. Zoo ge op straat door den regen overvallen wordt, wacht u dan wel den rijweg te verlaten, om eene schuilplaats te zoeken onder de galerij langs de huizen: bedenk, dat de grond niet effen is, maar eene aangename afwisseling vormt van hoogten en kuilen, en bovendien doorsneden is door kleine greppels, die de grenzen aanwijzen der verschillende erven. Zoo ge onder de galerij gaat, loopt ge elk oogenblik gevaar, hetzij in een gat of een kuil te vallen, hetzij tegen een paal te stooten: en in beide gevallen kunnen de gevolgen ernstig genoeg zijn.
De stad bezit een zeker aantal pleinen; de vier voornaamste zijn het Pétion-plein, het Onafhankelijkheidsplein, het plein Vallière en het plein Geffrard. Op dit laatste staat een kiosk, door een hek omringd, benevens eenige voetstukken, waarnevens kleine beelden in het gras liggen. De andere pleinen zijn meest ingenomen door kramen, waarin des zaterdags, ter gelegenheid van de markt, allerlei zaken worden verkocht. De meeste openbare fonteinen, die door Barbé de Marbois zijn aangelegd, verkeeren, door verregaande verwaarloozing, in erg vervallen toestand. Zeer dikwijls is er maar eene, waar de waterdragers zich van het noodige water kunnen voorzien, dat zij in kleine vaatjes langs de huizen verkoopen.
De kerk, die met den weidschen titel van kathedraal prijkt, is onder de regeering van Soulouque hersteld; achter de kerk ligt het bisschoppelijk paleis, met zijn voorplaats en tuin. Weinige schreden verder vindt men het seminarie. Het Palais-National, dat in 1772 werd voltooid, bestaat niet meer: de president Salnave liet het gebouw, dat hij ontruimen moest, in de lucht springen. De tegenwoordige president--dat wil zeggen de persoon, die tijdens mijn bezoek dien titel voerde--bewoont, in de rue de l'Egalité, een eenvoudig houten huis, onder welks galerij de wachthoudende soldaten op banken zitten te dutten of op den grond liggen uitgestrekt.
De gevangenissen, het hospitaal, het arsenaal, het lyceum, de bureaux, de gerechtshoven, de gebouwen voor den senaat en voor de kamer der afgevaardigden, zien er allen even ellendig en vervallen uit: de meeste dezer gebouwen zijn eigenlijk niets meer dan ruïnen. Het tuighuis, dat door de ontploffing van eenige ponden buskruit, op den 12den Februari 1827 werd vernield, is sedert dien tijd nog niet weder opgebouwd.
Aanvankelijk bouwde men de huizen van steen. Maar deze wijze van constructie geraakte in onbruik na de aardbeving van 1751, die evenwel niets te beteekenen had, vergeleken bij de geweldige aardbeving, die negentien jaren later, in 1770, de stad teisterde. Den 3den Juni, op eersten Pinksterdag van dat jaar, des avonds ten zeven uur, zaten de inwoners onder de veranda's hunner woningen om de avondkoelte te genieten, toen zij plotseling den grond onder hunne voeten voelden trillen. Zij vluchtten haastig op straat, terwijl de grond den ganschen nacht door in sterke beweging bleef. Tot aan den 18den Juni telde men gemiddeld honderd schokken per dag. De gansche stad werd in een puinhoop herschapen, en honderd personen verloren bij die ramp het leven.
Maanden lang moest de geheele bevolking in tenten huizen. Ten einde hongersnood te voorkomen, bepaalden de gouverneur-generaal, graaf de Nolivos, en de intendant de Bongars, dat de schepen op de reede brood moesten leveren, tot zoolang men weder ovens gemaakt had. De bewoners der omliggende districten, die minder geleden hadden, zorgden met groote vrijgevigheid voor den aanvoer van allerlei levensmiddelen. Ten gevolge van deze aardbeving werd eene policie-verordening uitgevaardigd, waarbij den burgers bevolen werd, hunne woningen uitsluitend van hout te bouwen. Men vermeed aldus het eene gevaar, om zich bloot te stellen aan een ander, niet minder vernielend en verschrikkelijk en daarenboven vrij wat minder zeldzaam: het gevaar van brand. In 1794, in 1820 en 1822 werd de stad geheel of voor een groot deel door het vuur vernield. Kort voor mijne aankomst was nog eene der drukste en voornaamste straten, de rue des Fronts-Forts, binnen weinige uren in de asch gelegd.
Onder de voortdurende bedreiging van dit gevaar zijn de eigenaars van huizen weer tot den steen teruggekeerd, hetgeen niet belet dat Port-au-Prince minstens tweemaal per jaar in brand staat, zoo als ik tot mijne schade ondervonden heb.
Den dag na mijne aankomst steeg ik te paard en ging naar Martissant, om eene visite te maken bij den graaf de Lémont, bij wien ik eenige dagen te voren gedineerd had.
Port-au-Prince verlatende, volgde ik een ongelijken weg, die langs den voet der heuvelen nabij de zee loopt. Tusschen de bananen schenen, ter wederzijde, witachtige hutten, op de manier der indiaansche wigwams gebouwd. Ter linkerhand voert een smal pad, tusschen twee hagen van wilde acacias, al slingerend opwaarts, naar de woning van den gevolmachtigden minister van Frankrijk.
Een zwarte tuinman opende mij het hek van het groote en goed onderhouden park, dat zich amphitheatersgewijze, langs de hellingen der heuvelen van Piémont, tot aan de zee uitstrekt. Op een der terrassen van den berg staat het huis, waarachter zich de bergwand steil verheft, en dat van voren door een gordijn van palmen en mangoboomen aan het oog onttrokken wordt, en alleen te herkennen is aan het pannendak, dat boven de boomen uitsteekt. Het huis is vierkant, heeft slechts eene verdieping en is in het rond omgeven door eene galerij of veranda, waarvan de zoldering op houten pilaren rust. De fransche vlag wapperde op den adem van het koeltje. Voor het huis prijkt een bloemperk, waar al de bloemen der keerkringen de schitterende pracht harer kleuren ten toon spreiden. Een helder beekje slingert zich door de grasperken en vervolgt zijn loop door de savanne, de lucht vervullend met de liefelijke muziek van zijn kabbelend water. Men heeft van hier een prachtig uitzicht op de golf, met haar gordel van heuvelen en haar groene eilandjes, als bloemkorven oprijzende uit de kalme blauwe wateren.
In de stad teruggekeerd, bezocht ik de puinhoopen van het Palais-National, door den president Salnave in 1868 in brand gestoken; van het oude senaatspaleis en van de gebouwen, onder Geffrard opgericht voor de bureaux der verschillende ministeriën, en eindelijk van het fort Riché: al deze gebouwen zijn niet meer dan ruïnen. Ook bracht ik een bezoek aan het graf van A. Pétion, en zag daarbij de sarkophagen van wit marmer, waarin de stoffelijke overblijfselen van hem en van zijne dochter Célie moeten bewaard worden. Inmiddels blijven de sarkophagen aan den invloed van regen en hitte blootgesteld en zijn de hoeken gebroken, omdat de soldaten er hunne messen op slijpen.
Men heeft te Port-au-Prince eene muziekschool en ook eene klinische school, aan welker hoofd een inboorling staat, die zijne opvoeding in Frankrijk ontvangen heeft en iemand is van wetenschappelijke verdiensten. Natuurlijk spant hij zich te vergeefs in, om de klinische school aan de vereischten voor eene dergelijke inrichting te doen beantwoorden, want de regeering onthoudt hem alle hulpmiddelen en bij niemand vindt hij eenigen steun. Onder de inrichtingen van bijzonder onderwijs, die vertrouwen en aanbeveling verdienen, staat bovenaan het Kleine-Seminarie (Collège Saint-Martial), onder bestuur van de eerwaarde paters van den Heiligen Geest.