Haïti De Aarde en haar volken, Jaargang 1881

Part 2

Chapter 23,756 wordsPublic domain

"Den 15den Augustus 1820 had hij, in de kerk van Limonade, een aanval van beroerte gekregen. Driemaal was hij op zijn stoel zittende voorover gezonken, en had zich telkens weer opgericht; de laatste maal bonsde hij zoo hevig met zijn hoofd tegen den muur, dat het bloed uit de wonde spoot. Van dien dag af voelde de keizer zich ziek. Justamont, een blanke geneesheer, die door hem in 1804 aan de algemeene slachting was onttrokken, maar dien hij, in een aanval van woede, in 1810 voor zijne oogen met stokken had laten doodslaan, was niet meer daar om hem te helpen. Bovendien volgde welhaast de eene slechte tijding op de andere. Den 2den October vernam hij, dat het achtste regiment infanterie te Saint-Marc tegen hem in opstand was gekomen; drie dagen later, den 5den, kreeg hij bericht van den dood van zijn luitenant Jean Claude, wiens hoofd aan Boyer, den president der mulatten-republiek San-Domingo was gebracht. Eindelijk ontving hij, in den morgen van den 8sten October, toen hij zich van zwakte ter nauwernood op de been houden kon, de tijding dat zijne troepen te Cap-Haïtien zelf de vaan des oproers hadden ontrold.

"Hij trachtte zich goed te houden en zijne ziekte te bedwingen. In de hoop zijne bezwijkende krachten op te wekken, liet hij zich een bad gereed maken van tafia, met piment, peper en macouba-tabak. Werkelijk gevoelde hij zich na dit bad minder zwak; maar toen hij te paard wilde stijgen, was het hem ondanks alle inspanning niet mogelijk, zich in den zadel te beuren. Twee soldaten van de lijfwacht schoten toe, grepen hem onder de armen, en brachten hem zoo naar zijne kamer. Zijne krachten waren uitgeput en zijn moed begon hem te ontzinken. Hij liet zijne vrouw Marie Louise en zijne kinderen bij zich ontbieden; maar dezen kwamen niet, misschien niet ten onrechte vreezende dat de tiran, nu hij zelf alle hoop op herstel verloren had, eerst nog hen om het leven zou laten brengen. Toen, zich van allen verlaten ziende, wetende dat hij elk oogenblik in de handen zijner zegevierende vijanden zou kunnen vallen, door angst en misschien ook door wroeging verteerd, greep de half waanzinnige despoot een pistool, en joeg zich een kogel door het hart. Zijn lijk werd, door de zorg zijner betrekkingen, in een hangmat naar de citadel gevoerd: eene andere lijkwade had hij niet."

Nadat wij de ruïnen van het paleis hadden bezichtigd, was er te Milot niets meer te zien. Wij stegen dus weder te paard en reden de bergen in, steeds onder geleide van onzen soldaat. Na twee uren gereden te hebben, werd de in de rots uitgehouwen weg zoo steil, dat wij af moesten stijgen, en, ons met de handen vastklemmende aan de struiken, en met de voeten steunende op de uitstekende rotspunten, zoo naar boven moesten klauteren, onze arme paarden achter ons voorttrekkende. Na aldus drie kwartier geklommen te hebben, ontdekten wij plotseling, bij eene kromming in het steile pad, tot onze groote verbazing, de donkere, indrukwekkende massa der citadel Laferrière. Buiten adem kwamen wij aan den voet van den muur.

Nog tegenwoordig is de citadel eene trotsche ruïne, die op den vijf-en-twintighonderd voet hoogen top van den Bonnet-à-l'Evêque met rustige majesteit troont en den geheelen omtrek beheerscht. Wij waren nu te dicht bij, om den geheelen omvang der kolossale ruïne te kunnen overzien. Ik herinner mij niet ergens een zoo indrukwekkend geheel te hebben aanschouwd; de citadel Laferrière is inderdaad een wonder.

Onze gids bond de paarden aan de struiken vast, en wij traden door eene kleine poort in een wachthuis, waar drie in lompen gekleede soldaten zich zaten te warmen bij een op den steenen vloer aangelegd vuur.

"Henri Christophe, zoo verhaalde mij de heer Karnès Gourgues, werd met vijftig stemmen tot president gekozen, terwijl de generaal Paul Romain er veertien, en Alexandre Pétion er ééne kreeg; maar toen Juste Hugonin, zijn vriend, hem van Port-au-Prince schreef, dat hij met de nieuwe constitutie, minder te zeggen zou hebben dan een korporaal, ondernam hij een soort van staatsgreep, en liet zich, den 2den Juni 1811, tot erfelijk keizer uitroepen. Van dat oogenblik vooral woedde een onverzoenlijke strijd tusschen den negerstaat in het noorden en de mulatten-republiek, waar Pétion aan het hoofd stond, in het zuiden: een strijd, die met den dood van Christophe eindigde.

"Reeds in Januari 1804, toen hij nog maar divisie-generaal, staatsraad en opperbevelhebber van het departement du Nord was, en onder de bevelen stond van den gouverneur-generaal Dessalines, begon Christophe met den bouw van deze citadel, naar de plannen van een kleurling, een genie-officier, Henri Barré genaamd. De geheele bevolking, met inbegrip van vrouwen en meisjes, moest bij den bouw behulpzaam zijn; de zwakken en onwilligen werden door de soldaten met roeden voortgedreven.

"De zwarte dwingeland ontzag geen middel van dwang en geweld, om in spijt van de bijna onoverkomelijke zwarigheden, zijn doel te bereiken. Toen, na den moord van Dessalines, zijne citadel eindelijk voltooid was, bracht hij er zijne schatten over, waarvan later Boyer zich meester maakte, benevens wapenen en ammunitie, waarvan hij niet eens den tijd had gebruik te maken. Achter de muren van deze onneembare sterkte, kon Christophe veilig het hoofd bieden aan zijne vijanden en de opgestane aanhangers der republikeinsche partij. Maar in 1817 sloeg de bliksem in de kruitkamer van de citadel, waarvan een groot gedeelte door de ontploffing werd vernield."

Op last van onzen cicerone nam de gids een brandend hout van den vuurhaard en blies uit al zijne macht den gloed tot eene vlam aan; vervolgens ging hij ons met dien geïmproviseerden fakkel voor door de donkere gangen van het fort. Het inwendige van de citadel is echter niet alleen doodsch en somber, maar ook geheel vervallen.--Wij komen op eene binnenplaats. Rechts verrijst de buitenmuur van het fort; links is eene deur, waardoor wij in eene donkere kamer komen. Dit is de badkamer, even bouwvallig en geschonden als de rest. Langs een duisteren gang komen wij in de biljartkamer, die een gewelfde zoldering heeft. Daarachter ligt de schatkamer: een laag vertrek waarvan de vloer met stilstaand water is bedekt, en waar niets meer te zien is dan twee ledige, van de roest half verteerde, ijzeren kisten. Dan volgen de gevangenhokken. Langs een steenen trap, waarvan de treden met gras en mos zijn begroeid, klimmen wij naar de eerste verdieping, waar zich de keizerlijke vertrekken bevinden, thans mede kaal, hol en akelig. De muren zijn beschimmeld en hier en daar gespleten: zij zien er uit of ze melaatsch waren. De regen, die door de gaten en scheuren van het gewelf doordringt, vormt op den vloer plassen en kalkachtige aanslagen.

De fakkel van onzen gids is uitgegaan. Terwijl hij dien op nieuw gaat aansteken, blijven wij op een binnenplaats, waar alle planten der ruïnen in den weelderigsten overvloed tieren. Op het midden der plaats verrijst het grafteeken van prins Noël, den broeder der keizerin, dien Henri I op geheimzinnige wijze liet uit den weg ruimen. De graftombe is vierkant van vorm, en naar men zegt ledig. Wij klimmen nog hooger, en bezoeken de kazernen, waar ruimte was voor tienduizend man. Vervolgens komen wij aan de bovenste batterijen, waarvan de meeste kanonnen verdwenen zijn. Nog steeds hooger gaat de tocht; wij klimmen, niet zonder moeite, van het eene terras naar het andere, en bereiken eindelijk den top, van waar men, bij mooi en helder weer, een prachtig panorama overziet. De blik omvat de gansche noordelijke vlakte, die, van de rivier de Massacre tot aan Port-Margot, eene uitgestrektheid heeft van tachtig vierkante mijlen: een rijk geschakeerd landschap van heuvelen, bergen en dalen, in het weelderigste groen gedost en doorsneden van beken en kronkelende rivieren. Aan den horizon schittert in de zonnestralen de donkerblauwe eindelooze zee.

Het was inmiddels negen uren geworden, en wij stegen te paard. Wij moesten nu den Bonnet-à-l'Evêque afdalen, hetgeen zoo al niet moeilijker, dan toch zeker gevaarlijker was dan den berg te bestijgen. Na een lastigen en bezwaarlijken tocht van drie uren, bespeurden wij, tusschen het geboomte, de ruïnen, die wij 's morgens reeds hadden gezien. Kort daarop hielden wij stil voor de woning van onzen gastheer.

Zoodra hij het getrappel onzer paarden hoorde, verscheen de heer Jolicoeur op den drempel. Wij traden het huis binnen, waar ons op eene fraai aangerichte, vierkante tafel een dier overvloedige kreoolsche maaltijden wachtte, die, zoo men goeden eetlust heeft, iemand in eens weer op de been helpen.

Wij hadden nu te Milot niets meer te doen; het weder was weer goed geworden en wij maakten ons gereed naar le Cap terug te keeren. Voor de afwisseling volgden wij, in plaats van den weg langs welken wij gekomen waren, den breeden weg, door Henri I midden door de savanne van Grand-Pré aangelegd; men ziet langs dien weg nog de overblijfselen van een op zijn last opgeslagen kamp.

"Langs dezen weg, die toen echter beter onderhouden was dan nu, zoo verhaalde mij de heer Karnès Gourgues, begaf zich Henri I met de grootofficieren van zijn hof en de soldaten zijner lijfwacht naar le Cap. Op zekeren dag ontmoette hem een voerman, die met zijn met ossen bespannen wagen van de stad kwam. De keizer was toen juist in oorlog met Pétion, den president der mulatten-republiek. De voerman, meenende daarmede aan Zijne Majesteit genoegen te doen, begon tegen een zijner ossen te schelden, en noemde het dier daarbij Pétion.--Henri I, dit hoorende, hield stil en wenkte den voerman naderbij te komen.

--Zoo, noem jij je os Pétion, en waarom? vroeg hij.

--Wel, sire, antwoordde de ander, al vooruit zich verheugende op den goeden indruk van zijn antwoord: wel, omdat Pétion een gemeene mulat is, die tegen Uwe Majesteit oorlog voert. En als ik mijn os ransel, dan verbeeld ik mij, dat ik uw vijand tref.

--Naar den duivel, rekel! riep de despoot; durf jij mijn collega zoo oneerbiedig behandelen...... Slaat dien brutalen vlegel dood!

"Het bevel werd letterlijk uitgevoerd. Terwijl de os Pétion en zijn kameraad rustig hun weg naar den stal vervolgden, lag de ongelukkige voerman op den weg te zieltogen. Zoo wilde het de gerechtigheid van Henri I."

In flinken draf voorthollende, kwamen wij tegen vijf uur des avonds te la Fossette, eene voorstad van le Cap, aan de andere zijde van Carénage, wel tevreden over ons uitstapje.

III

Nadat ik het paleis van Sans-Souci en de citadel Laferrière had gezien, bleef er niet anders te kijken over dan eene grot, die de heer Karnès Gourgues, mijn zwak kennende, mij bijzonder had aanbevolen.

Beaubrun-Andouin beweert, dat deze grot, de Voûte-à-Minguet, haar naam heeft ontvangen naar een planter. Volgens Demesvar Delorme daarentegen zou de grot aldus genoemd zijn naar de groote menigte mei-bloemen, in het kreoolsch minguettes, die in den omtrek groeien.

Den 29sten Januari, des morgens ten vier uur, toog ik op weg, in gezelschap van een jongen neger, Courouille genaamd, van Dondon geboortig, en die tot in de kleinste bijzonderheden met de streek welke wij moesten bezoeken, volkomen bekend was. De heer Karnès Gourgues had hem daarom ook als gids aanbevolen. Aan hem heb ik mijn eerste onderricht in het kreoolsch te danken. Ik richtte onderweg allerlei vragen tot hem, waarop hij zeer dikwijls niet anders wist te antwoorden, dan moé pa connai, dat mij niet heel veel verder bracht.

Wij gingen welgemoed voort, hij fiks doorstappende op zijn bloote voeten, ik te paard, en trokken door de bekende savannen van Acul, die tot de groote noordelijke vlakte behooren, en waar in 1791 voor het eerst de geduchte oproerzangen van Oua-Nassé en het Camp du Grand-Pré weerklonken--de Marseillaise der negers van Haïti.

De weg, die gedurende drie mijlen door een effen vlakte loopt, wordt nu eensklaps steil. Wij hebben de heuvelen van Limbé bereikt, dat in 1789 niet meer dan een gehucht was, maar toch belangrijk door de twee-en-twintig suikerplantages, in deze kleine vlakte aangelegd. Ik las deze en andere bijzonderheden in het boek van Beaubrun-Andouin, dat ik mede had genomen, toen het eensklaps mijne aandacht trok, dat ik Courouille, die gedurende het laatste uur onophoudelijk hetzelfde lied had gezongen, niet meer hoorde. Daar ik hem ook niet voor mij uit zag gaan, keerde ik mij om, ten einde te zien of hij mij volgde. Green spoor van Courouille: hij was verdwenen. Ik riep hem herhaaldelijk met luider stem, maar daar volgde geen antwoord. Ik begon reeds kwaad vermoeden te krijgen, toen ik hem eensklaps ontdekte, neergeknield aan den oever van een tien voet breeden bergstroom, die door de vele regens sterk was gezwollen en nu met groot geweld dwars over den weg naar beneden schoot. Hij lag daar roerloos, op zijne kniën, aan de overzijde van het water; maar bespeurende dat ik genaderd was, hief hij zijn hoofd op en zeide:

"Général, passé vîte; Clameille capable vini" (Generaal, ga haastig over; Clameille is in staat te komen).

Daar ik gaarne wilde weten, wie Clameille was, dreef ik mijn paard door den stroom en stond weldra naast Courouille.

"Wat bedoel je," vroeg ik hem, "met dien Clameille, waarvan je spreekt?"

Hij sloeg een kruis, en overtuigd dat hij door dit heilig teeken den boozen geest had gebannen, vervolgde hij:

"Clameille c'est Zombi que rété isit. Si moune pas passe vîte, li égaré yo." (Clameille is Zombi, die hier huist. Als wij niet gauw doorgaan, zal hij u van den weg doen afdwalen).

Wij hielden stil om te ontbijten. Een tweede rit van zes uren bracht ons naar Dondon, waar wij tegen donker aankwamen. Courouille stelde mij aan zijne moeder voor, omringd door een half dozijn negerjongens en meisjes, van verschillende grootte en tint. Zij ontving mij zeer vriendelijk en was volkomen bereid, mij gastvrijheid te verleenen, al was het dan ook dat zij daarbij haar eigen belang niet geheel vergat.

Dondon is een groep schilderachtige huizen of hutten, tegen de helling van een heuvel gebouwd, op eene hoogte van vijfhonderd el boven de zee. Het geheele district, waarvan dit dorpje de hoofdplaats is, is met bergen bedekt, waartusschen zich smalle valleien slingeren. Er zijn aan deze plek eenige herinneringen verbonden. Hier werd voor het eerst de van Martinique ingevoerde koffiekultuur op groote schaal gedreven. Op het kerkhof van Dondon vindt men het graf van den inlandschen generaal Clervaux, die in 1864 is overleden, en daar vlak bij het graf van den Jesuïet Le Pers, die aan Charlevoix de bouwstoffen leverde voor zijne geschiedenis van Sint-Domingo. Na hem, in 1791, was hier de beruchte abbé De la Haye pastoor, die een der voornaamste aanstokers was van den opstand der slaven in het noorden, en die, op bevel van den kapitein-generaal Rochambeau gevangen genomen, in 1803 in zee werd verdronken;--een einde, zijn misdadig leven waardig.

De avondmaaltijd, door mijne gastvrouw gereed gemaakt, smaakte mij uitmuntend. Daar het reeds laat was geworden en ik mij vermoeid gevoelde, begaf ik mij dadelijk na de tafel naar bed, in de grootste kamer van de hut, die tot mijne beschikking was gesteld. Het bed bestond uit een raam van bamboes, ongeveer drie voet boven den grond verheven, waarop een matras was uitgespreid. Ik sliep gerust tot den volgenden morgen, toen ik door een bescheiden kloppen op mijne deur gewekt werd. Sicliclaise, de zuster van Courouille, bracht mij een kop koffie en versch water voor mijn toilet.

Ik steeg te paard en begaf mij met Courouille op weg naar de grot. De rit was vrij lastig en moeilijk; maar eindelijk, na allerlei bochten en krommingen gemaakt te hebben, kwamen wij aan den oever van de Vasé, eene rivier, die van den Bonnet-à-l'Evêque afdaalt, in tallooze kronkelingen door de savanne vloeit en zich eindelijk uitstort in de Guayamuco, een nevenstroom van den Artibonite. Courouille stroopte zijn broek tot de kniën op en stapte in het water, mij uitnoodigende hem te volgen. Gedurende eenige minuten gingen wij zoo, stroomopwaarts, midden door de bedding der rivier; toen, op een punt waar de kant minder steil was gekomen, klauterde Courouille op den oever en verzocht mij af te stijgen.

De ingang van de grot is geheel gesloten door een natuurlijken voorhang van bloeiende lianen, die tot op den grond reiken; Courouille lichtte dien voorhang op en wij traden binnen. Toen de voorhang weer gevallen was, bevonden wij ons in volslagen duisternis. Ik reikte mijn gids een paar lucifers over; hij stak daarmede een stuk harsachtig dennenhout aan, dat hij had medegenomen; en bij het onzekere licht van dien walmenden fakkel traden wij voort op een weeken grond, waar ik bij elke schrede dieper inzonk. De bodem der grot was bedekt met eene dikke laag guano, hier sedert eeuwen door vogels van allerlei soort bijeengebracht.

De Voûte-à-Minguet is overigens hare reputatie waard. De grot splitst zich in drie verschillende gedeelten: een breed middelschip, omgeven door twee zijschepen, die van het hoofdschip gescheiden zijn door twee rijen stalaktiten, wel onregelmatig van vorm, maar toch in eene rechte lijn nevens elkander geplaatst. Sommige dezer pilaren schijnen bewerkt te zijn; enkelen, door het voortdurend afzijpelende water nog steeds groeiende, reiken nog niet tot het gewelf.

Aan het einde van het schip ziet men eenige vierkante steenen, die andere platte steenen dragen, op de wijze der dolmens in Bretagne. Deze schikking verraadt de hand der menschen. Inderdaad zijn deze ruwe steenen tafels altaren, waarop vroeger, door de Indianen, op bepaalde tijden, en vooral bij nieuwe maan, offers werden gebracht aan de beschermgoden van den stam, wier priesters tegelijk geneesheeren en waarzeggers waren, die ook de orakels verklaarden.--De wanden der grot zijn op vele plaatsen bedekt met nog zeer duidelijk leesbare namen en opschriften, door europeesche, meest spaansche bezoekers, die sedert het einde der zestiende eeuw in de grot zijn geweest, in de witte wanden gegrift of met krijt daarop geschreven. Courouille vond er ook nog een zeer ruw bewerkt afgodsbeeldje, omstreeks zes duim groot.

Na een stevig middagmaal gebruikt en wat gerust te hebben, verlieten wij Dondon, twee uren na zonsondergang, en keerden, bij een prachtigen avond, naar de stad en mijn hotel terug.

Er bleef nu voor mij te Cap-Haïtien of in den omtrek niets meer te zien over; ik begon dus te denken aan mijn vertrek. Tegenwoordig heeft de reiziger de keus tusschen verschillende stoombootdiensten, maar destijds waren de middelen van gemeenschap tusschen de steden zeer gebrekkig; en het had veel meer moeite in, om van de eene plaats aan de kust naar eene andere, ook al was die nabij gelegen, te komen, dan op de manier van Phileas Fogg, in het boek van Jules Verne, in tachtig dagen eene reis om de wereld te maken.

Een tocht over land had ook bezwaar in, vooral als men bagage bij zich had. Daarvoor was een paard noodig, benevens lastdieren en een gids; en het was gansch niet gemakkelijk, dat alles te bekomen, en indien dit al gelukte, moest men fabelachtige prijzen betalen. Er schoot dus eigenlijk niet anders over dan de kustvaarders. De divisie-generaal Martin, inspecteur der fortificatiën, met wien ik in de Club des Négociants kennis gemaakt had, verwees mij naar den schipper van de Conception, een goëlet, die op het punt stond naar Port-au-Prince te vertrekken en onderweg bijna alle havens van de noordkust zou aandoen. Ik maakte van de gelegenheid gebruik en nam, tegen betaling van negen piasters, eene plaats op dat vaartuig. Hoewel onder dien prijs ook de kost begrepen was, kwam hij mij toch veel te hoog voor, want de tafel bestond onveranderlijk uit kabeljauw en bananen.

Toen ik mijne bagage naar het schip wilde zenden, traden dadelijk acht of negen leegloopers, die tegen den muur zaten te dutten, toe om twee of drie koffertjes te vervoeren, die één man gemakkelijk had kunnen voortkruien. De een pakte een vrij zwaar kistje met boeken aan, en tilde dat, met behulp van vier zijner makkers, op een kruiwagen. Voor de rest van mijne bagage, waarmede een enkele commissionair gemakkelijk terecht zou zijn gekomen, waren zes man noodig. Drie flesschen pale-ale, die de inspecteur der fortificatiën mij gegeven had, werden door drie mannen gedragen. Een trommel met beschuit en mijn reiszak volgden, op het hoofd gedragen door twee athletisch gebouwde negers. Ik ging vooruit, met de kleinere voorwerpen, die ik op reis nooit uit handen geef; en zoo trokken wij voort, tot groote verbazing der voorbijgangers, die mij gewis voor een hoogst aanzienlijk personage hielden.

De Conception, die de roode en blauwe vlag van Haïti voerde, was in haar soort een zeer sierlijk vaartuig. De bemanning bestond uit acht forsch gebouwde matrozen, allen negers, evenals de kapitein Saint-Louis. De scheepsjongen, een lange, magere slungel, antwoordde op den naam van Petit-Frère. Adam, onze kok, kookte alle dagen de kabeljauw en roosterde de bananen. Kapitein en matrozen, scheepsjongen en kok, allen met een gekleurden doek om het hoofd geknoopt, en zonder andere kleeding dan een hemd en een grove linnen broek, op de heupen vastgebonden met een lederen riem, waarin een kort tweesnijdend mes stak;--allen lagen den meesten tijd op het dek te slapen.

Eenige uren nadat wij het anker gelicht hadden, toen de avond begon te vallen, werden wij eensklaps door eene geweldige regenbui verrast. Daar de eenige hut van het schip voor de vrouwen bestemd was, moest ik een toevlucht zoeken in het vooronder, waar ik een zeer onaangenamen nacht doorbracht, tusschen de matrozen en de met water gevulde vaten, die als ballast dienden. Bovendien drong het regenwater met stralen door de slecht gevoegde planken van het dek, dat wel eenige gelijkenis had met eene zeef. Het stortregende den ganschen nacht.

Toen het dag begon te worden, wierp de goëlet het anker uit voor Saint-Louis-du-Nord, kortheidshalve Saint-Louis genoemd; een vlek, schilderachtig aan den oever der zee gelegen, en in 1675 gesticht door de van het eiland Tortuga verdreven boekaniers. Men vindt in de bosschen in den omtrek verschillende kostbare houtsoorten; de kleine, door riffen omringde en voor alle winden open liggende haven is voor schepen van grooten diepgang niet toegankelijk.

Wij hielden te Saint-Louis maar twee uren stil, en voeren weldra het ongeveer acht kilometers breede kanaal binnen, dat het eiland Tortuga of la Tortue van Haïti scheidt. Dit eiland is negen mijlen lang en achttienhonderd el breed; het verheft zich boven de blauwe golven als het schild van een reusachtige schildpad; de westelijke punt verbeeldt den kop, en de oostelijke den staart van het dier. Vandaar ook de naam van het eiland. De hooge oevers zijn van onderen tot boven met een mantel van dicht groen bedekt; het eiland is rijk aan kostbare houtsoorten, vooral aan mahoniehout. Ook vindt men daar den welbekenden boom, in het Spaansch manzanas genoemd, wiens schaduw, naar men zegt, doodelijk is en wiens vruchten op kleine appelen gelijken.