Haïti De Aarde en haar volken, Jaargang 1881
Part 1
HAÏTI.
I
Wij bevinden ons in volle zee. De hemel is donkerblauw; de dampkring heeft die doorzichtige helderheid, die volgens Homerus bij uitnemendheid eigen is aan den dampkring van den Olympus. Zoo ver de blik reikt, zien wij aan den horizon de groene heuvelachtige kust, waartegen de lauwe golven zachtkens breken, aan den voet van palmen, van koffieplanten, van suikerriet en oranjeboomen. Zoo, uit zee gezien, schijnt deze kust eene fantastische decoratie uit een tooverballet.
Dat is Haïti, het oude Sint-Domingo.
Dit eiland, na Cuba het grootste der Antilles, ligt, zooals men weet, aan den ingang der wijde golf van Mexico, tusschen 17°55' en 20° westerlengte, gerekend naar den meridiaan van Parijs. Van het oosten naar het westen beslaat het eene oppervlakte van honderd-zestig mijlen in de lengte, bij eene breedte die, van het noorden naar het zuiden, tusschen de zestig en zeven-en-zestig mijlen bedraagt. De geheele oppervlakte wordt geschat op vijfduizend-tweehonderd vierkante mijlen, daaronder niet begrepen Tortuga of la Tortue, Gonave, Saôna en eenige andere aangrenzende eilandjes. De bevolking beloopt tegenwoordig ongeveer achthonderd-duizend zielen: bijna driehonderd-duizend voor San-Domingo of Dominicania, en ruim vijfhonderd-duizend voor de republiek Haïti.
Toen Columbus, den 6den December 1492, dit eiland ontdekte, werd hij getroffen door de gelijkenis van deze kusten met die van Spanje: hij schonk daarom aan het nieuw gevonden land, dat door de inboorlingen nu eens Quisqueya, dan weder Bohio of Aïty genoemd werd, den naam van Hispanjola, Klein-Spanje. "Hispañola," schreef hij aan Ferdinand en Isabella, "es una maravilla!"
En wel mocht het een wonder worden genoemd, dit smaragdgroene eiland, oprijzende uit de donkerblauwe golven der heerlijke zee, die overal langs de kust tallooze baaien en inhammen vormt, waar haar golfjes zacht kabbelend uitrollen over het parelgrijze zand. En evenals de zee in het land binnendringt, zoo treedt het land vooruit in de zee, vormt kapen en voorgebergten en is in het rond met kleine eilandjes omgord, die als een krans het groote eiland omgeven, dat van verre op een reusachtigen rijk versierden bloemkorf gelijkt, drijvende op de azuren wateren.
Het binnenland van Haïti is, evenals Cuba, doorsneden van bergketenen, waarvan de voornaamste toppen eene hoogte van omstreeks drieduizend el bereiken. Tusschen deze bergketens strekken zich vlakten of savannen uit, nu eens wijd uitgespreid als de amerikaansche prairieën, dan weer meer op onze europeesche valleien gelijkende en ter wederzijde door bergen ingesloten. Vlakten en valleien beiden zijn met de weelderigste tropische flora bedekt: oranjeboomen, mangoboomen, bananen, vijgen, palmen, suikerriet, koffie, katoen, cacao: al de vruchten en al de gewassen der keerkringslanden bloeien en tieren hier in den rijksten overvloed.
Toen de Spanjaarden het eiland ontdekten, was het bewoond door indiaansche stammen, die onder eigen opperhoofden of kaciken stonden. Het was den vreemdelingen in de eerste plaats om goud te doen; en zoodra zij hadden bespeurd waar dat te vinden was, werden de inlanders gedwongen, bij de opdelving daarvan behulpzaam te zijn en in de mijnen te arbeiden. Deze zware arbeid richtte onder de tot slaven gemaakte oorspronkelijke bevolking zulke ontzettende verwoestingen aan, dat het getal inwoners, hetwelk bij de ontdekking in 1492 op omstreeks een millioen werd geschat, in 1507 reeds, naar men zegt, tot op zestigduizend geslonken was. Om de plaats der vroegere bevolking te vervangen, werden nu uit Afrika negers ingevoerd, die veel beter dan de Indianen tegen den arbeid in de mijnen en op de plantages bestand waren. Volgens Herrera, verrichtte één neger meer werk dan vier Indianen. Zoo bestond de bevolking van het eiland voortaan uit blanken en negers, beiden vreemdelingen, en als meesters en slaven tegenover elkander staande. Van de oorspronkelijke Indianen bleef nog slechts een handvol over, die zich eindelijk, na langdurigen strijd, in een klein distrikt, ten noordoosten van San-Domingo terugtrokken; hunne weinig talrijke nakomelingen leven daar nog heden onder eigene opperhoofden.
In 1630 maakten fransche en engelsche boekaniers, onder aanvoering van Niel d'Enambuc, zich meester van het eilandje Tortuga (la Tortue) in de onmiddellijke nabijheid van het groote eiland Hispanjola of San-Domingo, zooals het gemeenlijk naar de hoofdstad genoemd werd. Wel gelukte het den spaanschen gouverneur, deze lastige buren te verdrijven; maar een deel hunner, hoofdzakelijk Franschen, vestigde zich nu op de onbewoonde noordkust in het westen van het eiland, en riep straks de hulp van den franschen koning tegen de Spanjaarden in. Lodewijk XIV sloeg die bede niet af: in 1661 werd Dogeron naar San-Domingo gezonden en vier jaren later in het westelijk gedeelte des eilands eene fransche kolonie gesticht. Wel werd deze weder door de Spanjaarden verwoest; maar in 1691 werd nogmaals eene nieuwe kolonie gesticht, en zes jaren later, bij den vrede van Rijswijk, werd de kleinere westelijke helft van het eiland aan Frankrijk afgestaan.
Deze kolonie ontwikkelde zich in den loop der achttiende eeuw zeer voorspoedig en geraakte tot zeer hoogen bloei, dank zij voornamelijk de vlijt en de energie der fransche kolonisten: alzoo dat de kleinere westelijke helft van San-Domingo de grootere oostelijke, die aan Spanje verbleven was, al spoedig geheel in de schaduw stelde. Doch als een dreigend gevaar bleef de onnatuurlijke verhouding tusschen de betrekkelijk weinig talrijke blanke bevolking en de massa der negerslaven: een gevaar, nog zeer belangrijk vermeerderd door de vorming eener weldra zeer talrijke klasse van zoogenoemde kleurlingen, meest allen uit ongeoorloofde betrekkingen tusschen blanken en zwarten gesproten, voor het meerendeel vrijgelaten, ten deele naar europeesche wijze opgevoed, maar overigens van alle rechten verstoken. Deze uit den aard der zaak ontevredene, onrustige, misplaatste middenklasse, door het besef van haar valsche positie gedrukt en verbitterd, zou ten allen tijde een gevaar voor de koloniale maatschappij zijn geweest; maar zij werd dit nog in veel hooger mate, toen straks de revolutionaire denkbeelden en beginselen van het einde der achttiende eeuw ook op Sint-Domingo doordrongen, toen de arme hoofden der kleurlingen en der zwarten werden verbijsterd en op hol gebracht door het onzinnig geschetter over menschenrechten, door de erger dan holle klanken van gelijkheid en vrijheid. De gevolgen bleven niet uit; en nadat in 1789 de Nationale Vergadering in Frankrijk zich had geconstitueerd, hielp deze, door haar dwaze besluiten, natuurlijk dapper mede om de verwarring nog grooter te maken. Eindelijk kwam de uitbarsting. Den 28sten Augustus 1791 kwamen de mulatten en de negers te Cap-François in opstand, en binnen weinig tijd had zich in de geheele kolonie de zwarte bevolking, in verbond met de kleurlingen, op haar meesters geworpen. De onmenschelijkste gruwelen werden bedreven, de vreeselijkste moordtafreelen aangericht, en de door de Conventie gezonden gevolmachtigden waren buiten staat en ook niet gezind om aan die verfoeilijke euveldaden een einde te maken. En waarom ook? Deden die losgelaten zwarte tijgers iets anders dan het voorbeeld navolgen, door het souvereine gepeupel van Parijs gegeven? Jaren lang hielden de wanordelijkheden aan; en nadat ook het Spaansche deel van het eiland, bij den vrede van Basel, aan Frankrijk was afgestaan, werden de blanken in 1797 gedwongen Sint-Domingo te verlaten. De negers en mulatten richtten nu eene eigen republiek op, die wel in 1801 weder aan Frankrijk werd onderworpen, maar slechts voor korten tijd. Reeds in 1802 brak, onder aanvoering van den neger Dessalines, een nieuwe opstand uit; de fransche troepen, door kwaadaardige ziekten geteisterd, konden dien niet meester worden en moesten reeds in het volgende jaar naar Frankrijk terugkeeren. De daarop volgende gebeurtenissen in Europa, bovenal de vredebreuk met Engeland, dat sedert Trafalgar onbeperkt beheerscher was der zee, maakten voor Napoleon iedere poging tot herovering van Sint-Domingo onmogelijk. Haïti bleef aan zich zelve overgelaten en bood sedert der wereld het tragi-komische schouwspel aan eener zoogenaamde republiek van negers en mulatten, waarin de eene omwenteling de andere op den voet volgde, en de toestand van volslagen regeeringloosheid nu en dan werd afgebroken door de fantastische tirannie van een of anderen zwarten avonturier, die zich voor de aardigheid de keizerskroon op het hoofd zette en nu aan al zijn luimen en grillen botvierde, tot hij eindelijk weggejaagd of ook wel vermoord werd. Het zou de moeite niet loonen, de namen van al die individus, die sedert de zoogenoemde onafhankelijkheidsverklaring over deze karikatuur-republiek hebben geregeerd, op te noemen; en al even weinig belangstelling mag ons de geschiedenis inboezemen van dit schoone land, zoo jammerlijk prijs gegeven aan een troep barbaren, wier hopelooze onbekwaamheid en verdorvenheid slechts te meer uitkomt, nu zij, van de tucht des meesters ontslagen, zoo als het heet zich zelven regeeren.
Het zij genoeg te herinneren dat het eiland, na gedurende eenigen tijd een enkelen staat te hebben gevormd, thans weder in twee republieken verdeeld is: de westelijke, kleinste helft behoort aan de neger-republiek Haïti; de oostelijke, die vroeger aan Spanje behoorde en voor ettelijke jaren tijdelijk weder onder de gehoorzaamheid der Spaansche kroon terugkeerde, vormt de republiek van San-Domingo of Dominicania, waarin het mulatten-element meer de overhand heeft.
Na dit vluchtig overzicht willen wij een bezoek aan het eiland brengen, en daartoe in hoofdzaak het verhaal volgen van den heer De la Selve, leeraar in de rhetorica aan het lyceum Pétion te Port-au-Prince.
II
Den 3den November 1871, 's morgens om tien uren, kwam de Caraïbe op de reede van Cap-Haïtien, en stoomde langzaam en voorzichtig verder, uithoofde van de vele klippen, waarmede die reede is bezaaid. Het had den vorigen avond hard geregend; grijze nevels omhuifden de toppen der bergen; de zee was bijna zwart van kleur; de boot zelve maakte een somberen indruk. Al de passagiers stonden op het dek, waar ter nauwernood ruimte was voor hunne bagage. Tegen de verschansing geleund, zag ik naar de kust, maar kon niets van de haven bespeuren. Eensklaps lag de stoomboot stil; de kapitein klom op de brug.
"Is er iets gebeurd, kapitein?" vroeg ik hem.
De kapitein keek mij met echt kreoolsche onverschilligheid aan, en antwoordde zoo leuk mogelijk:
"Wij zijn er.
--Gij steekt er den draak mede, kapitein!
--Neen, zeker niet. Ziedaar Cap....
--Waar dan?
--Wel, vlak voor u..... Dat huis daar rechts, met zijn roode pannendak en zijn dubbele zuilengalerij boven elkaar, dat is het havenkantoor. Verder ligt de Carinage, eene voorstad, door visschers en bootslieden bewoond. Vlak tegenover u ziet gij het tolkantoor en de magazijnen van het entrepot."
Inmiddels was het kanonschot gevallen, dat onze aankomst verkondigde; een aantal booten, met roeiers bemand, waren reeds van wal gestoken en het stoomschip genaderd. In afwachting van de passagiers, die zij naar land zouden brengen, dansten zij nu op de bewogen golven, tot in de onmiddellijke nabijheid der wentelende raderen. Ik nam plaats in eene dier bootjes, en liet mij met mijne bagage naar den wal roeien.
Daar moest ik aan het havenkantoor mijn paspoort laten nazien en mij vervolgens, onder geleide van een policie-agent, naar de Place begeven, waar het paspoort nog eens moest worden onderzocht en afgeschreven. Voor de deur van het policie-bureau zat een schildwacht, die zijn geweer tegen den muur had gezet, en nu op zijn gemak bezig was, op een stuk suikerriet te knabbelen.
Nadat deze formaliteiten waren vervuld, ik mijne bagage terug gekregen en met den schipper afgerekend had, ging ik een hotel opzoeken. Nu, de keus was spoedig gedaan. Er was in de gansche stad maar een hotel, in de rue Neuve, nabij de markt der Blanken. Ik liet mij daarheen brengen.
Cap-Haïtien, zoo als de inboorlingen, of Cap-Haïti, zoo als de Engelschen en Duitschers de stad noemen, werd in 1640 door de boekaniers gesticht, en bij herhaling door de Spanjaarden ingenomen. Gedurende de ruim twee eeuwen van haar bestaan, werd de stad drie malen in de asch gelegd: de eerste maal in 1690, toen zij door de Spanjaarden in brand werd gestoken; vervolgens in Juni 1793, tijdens de onlusten en twisten tusschen den gouverneur Galbaud en de uit Frankrijk gezonden burgerlijke commissarissen; daarna in 1802, toen Henry Christophe haar in brand stak bij de landing van het fransche legerkorps. Voeg daarbij de aardbeving van 1842 en herhaalde bombardementen. Het laatste bombardement had, als ik mij niet bedrieg, plaats in 1865, door het engelsche oorlogschip Bulldog, op aandrang van den president Geffrard, die het wenschelijk vond eens op zijne landgenooten te laten schieten. Geen wonder, dat de oude koloniale stad tot onkenbaar wordens veranderd is. En inderdaad, het tegenwoordige Cap-Haïtien heeft al zeer weinig overeenkomst met het oude Cap-François uit de dagen van Lodewijk XV.
In die dagen bezat de stad, behalve vele kleinere, zes groote monumentale fonteinen en acht pleinen--het Champ de Mars, de place d'Armes, de place Montarcher, de place Royale, de place Saint-Victor, de place Cluny:--allen goed onderhouden, netjes en met smaak versierd. Hoe geheel anders ziet de Cap er tegenwoordig uit! Ik sukkelde met moeite voort over de puntige steenen van het hobbelige plaveisel, door de morsige straten, waarin open beken of liever riolen het regen- en ander water afvoeren. De huizen ter wederzijde, de oude huizen der kolonisten, zijn bouwvallen geworden en brokkelen onophoudelijk af. Overal zijn de daken verdwenen en de muren vol scheuren en spleten. De deuren hebben haar posten en paneelen verloren; in de gangen en benedenkamers groeit het onkruid en kruipt tegen de vochtige wanden op. Overal het jammerlijkste verval, de schromelijkste verwaarloozing.
Dat er van de publieke gebouwen en monumenten, tijdens het fransche bestuur opgericht, niets meer over is, behoeft bijna niet gezegd. Het oude paleis der gouverneurs verdient nog ter nauwernood den naam van bouwval. De neger-generaal Christophe stak het, in 1802, met eigen hand in brand. Hij wilde dat de soldaten van generaal Leclerc niet meer dan rookende puinen zouden vinden. Twee geschonden hoofdelooze standbeelden, tusschen het puin neergesmeten, schijnen, bij het wemelend maanlicht, de lijken van twee terechtgestelden, die nog altijd wachten op eene eerlijke begrafenis.--De voormalige thesaurie ziet er niet anders uit.
De in 1774 op de place d'Armes gebouwde kerk, tegenover den schouwburg, de oude parochiale kerk, in den eenvoudigen basiliekenstijl gesticht, en nog in 1825 door den franschen architekt Besse gerestaureerd, gelijkt tegenwoordig op... ja, waarop? Ik kan haar niet beter vergelijken dan bij eene pastei, waarvan men de bovenkorst heeft afgenomen. Zij is van haar dak beroofd, en de toren is geschonden. Toch hebben de muren bijna niet door de aardbevingen geleden. Twee heiligenbeelden, Sint-Petrus en Sint-Paulus, staan daar nog treurig in hun smalle nissen, ter wederzijde van het groote portaal, als eenzame wachters van dit heiligdom, waar de geloovigen hunne gebeden niet meer komen opzenden.
In de onmiddellijke nabijheid der kerk, aan de overzijde der straat, ziet men nog andere ruïnen van een gebouw, dat door Christophe werd opgericht, en ik weet niet welke bestemming had. Van dit gebouw is niets meer over dan brokken muurs, omlijst en behangen, als al deze ongelukkige bouwvallen, door den weelderigen plantengroei der tropen, die over al die ellende den rijken mantel harer kleuren en geuren werpt.
Ettelijke honderden huizen, met hoogstens eene verdieping, van gebakken steenen opgetrokken en uit verschillende tijden dagteekenend, zwart, wit, geel, rood, staan in een onbeschrijfelijke, maar alles behalve schilderachtige wanorde, verstrooid in de wijde ruimte, welke eens door de oude stad geheel werd ingenomen; treurige overblijfselen van vroegere welvaart en getuigen van den jammerlijken achteruitgang, waaraan dit arme land ten prooi is.
Te midden van al deze ellende, zijn er toch nog twee monumenten, dat wil zeggen, twee ruïnen, die de vreemdeling niet mag verzuimen te bezoeken: het paleis van Sans-Souci en de citadel Laferrière, de geliefkoosde verblijfplaatsen van Christophe, die daar liever resideerde dan in zijn goede stad, welke hij der verwoesting prijs gaf.
Deze beide monumenten bevinden zich te Milot, in de nabijheid der stad, dicht bij elkander, zoodat één uitstapje voor het bezoek van beiden voldoende is.
In den namiddag van den 26sten Januari toog ik daarheen, in gezelschap van den heer Karnès Gourgues, advokaat bij de balie te Cap-Haïtien. Wij zaten op kleine, vlugge, krachtige paarden, die hier inheemsch zijn en waarvan het ras zonder moeite aanmerkelijk verbeterd zou kunnen worden. Wij hadden toegangskaarten bij ons en bovendien een aanbevelingsbrief van generaal Nord Alexis voor alle autoriteiten, waarmede wij in aanraking mochten komen.
Na eenigen tijd langs het strand gereden te hebben, kwamen wij aan de Saline. Ter rechterhand hadden wij het fort Saint-Michel, dat in 1802 door den inlandschen generaal Pétion werd genomen en denzelfden dag door den franschen generaal Clausel hernomen; en ter linkerhand de Petite-Anse, een vlek, waar in 1759 de eerste bamboes, van Martinique naar herwaarts overgebracht, werd geplant. De weg naar Milot, die ruim zes mijlen lang is, is in dezen tijd des jaars afschuwelijk: de onophoudelijke regens hebben dezen en alle andere wegen in modderpoelen veranderd, waartusschen rotsblokken uitsteken. Eindelijk kwamen wij, in een alles behalve benijdenswaardigen toestand, tegen acht uur des avonds, ter plaatse onzer bestemming.
Het was pikdonker en alle huizen waren gesloten. Na een poos heen en weer gedwaald en vruchteloos inlichtingen gevraagd te hebben, vonden wij ten slotte een onderkomen bij een mulat, die den uitlokkenden naam droeg van Jolicoeur, en die ons met de grootste bereidvaardigheid ontving. Wij brachten den nacht door in eene woning, welke hij op eenige schreden afstands van zijn tegenwoordig voorloopig verblijf liet oprichten; op den grond uitgespreide matten dienden ons tot legerstede, en wij wikkelden ons in onze medegebrachte dekens, want de temperatuur in de bergen is zeer koel en zelfs vochtig.
Den volgenden morgen begaven wij ons naar het bureau van den plaatskommandant, den brigade-generaal Turenne Jean Gilles. Hij was afwezig. Toen wij den brief van den generaal Nord Alexis vertoonden, gaf de luitenant ons een soldaat mede, die ons eerst naar het paleis Sans-Souci bracht, aldus genoemd naar het lustslot van Frederik II van Pruisen te Potsdam. Dit paleis is gebouwd op de onderste hellingen van den berg of heuvel Bonnet-à-l'Evêque.
"Vroeger," zoo verhaalde mijn cicerone, "voerde een opgehoogde weg naar den ingang, die met twee hekken gesloten was. Rechts zag men eene guildive [1] en het rijksmagazijn, beiden buiten het hek. Ter linkerhand stond de kerk, een met leien gedekte rotonde, met een portaal, waarvan de driehoekige gevelsteen door vier zuilen gedragen werd. Daarachter bevond zich de zaal van den raad. Apropos van die zaal vertelt men eene niet onaardige anekdote.
"Het werk aan dit gedeelte van het gebouw was voltooid; een leiendekker was bezig met het leggen der laatste pannen. Christophe, die zich onder den naam van Henri I tot keizer had laten uitroepen, nam het werk in oogenschouw en stond voor den gevel stil. Eensklaps haalde hij zijne snuifdoos voor den dag en nam daaruit een snuifje van die macouba tabak, die hij opzettelijk van Martinique liet komen ten behoeve van zijn keizerlijken neus. De leiendekker, die ook een hartstochtelijk liefhebber was, en naar het schijnt in geen dagen had kunnen snuiven, zag die beweging van den doorluchtigen monarch, en kon aan de verzoeking geen weerstand bieden. Hij kwam dus van het dak af, naderde den keizer tot op een tiental passen, groette op militaire wijze en maakte drie buigingen.
--Wat wil jij? vroeg Henri I.
--Och, sire, sire, ik heb bijna in geen acht dagen kunnen snuiven. Zou het onbeleefd zijn, aan Uwe Majesteit een snuifje te verzoeken?
--Kom hier, kom hier; ga je gang, ga je gang, zeide Henri I, met gemaakte vriendelijkheid. Maar tegelijk keerde hij zich om naar de negersoldaten van het regiment Royal-Dahomey, die hem overal volgden, en die in hunne laarzen roeden verborgen hadden van lianen gevlochten: verschrikkelijke folterwerktuigen, waarmede zij zijne bevelen ten uitvoer brachten.
--Als hij het ongeluk heeft te niezen, moet ge hem doodgeeselen! riep de barbaar.
"De leiendekker hoorde dat bevel, en zijne begeerte om van de vorstelijke macouba te snuiven, was eensklaps vervlogen. Bevend over al zijne leden, stond hij stil.
--Nu, ga je gang, zeide Henri I.
"Maar de leiendekker stond onbewegelijk, terwijl hij met angstige blikken beurtelings den keizer en de soldaten, die hunne roeden reeds gereed hielden, aanzag.
--Kom aan, kom aan, neem nog een snuifje, beval Henri, die niet kon dulden dat men hem niet onmiddellijk gehoorzaamde.
"De man snoof weder, nog steeds zonder te niezen. De keizer reikte hem weer zijn snuifdoos.
--Sire, stotterde de man, sire, dat is te veel goedheid; ik mag geen misbruik maken van...
--Neen, neen, hernam Henri I, wiens drift van oogenblik tot oogenblik klom, neem nog wat, of ik laat je aanstonds geeselen.
"Bevend dompelde de leiendekker nogmaals zijne vingers in de snuifdoos, die hem wel een vat toescheen. En nog altijd niesde hij niet.
--Kom aan, kom aan, nog wat, nog wat! beval de keizer.
"De leiendekker zette groote oogen op en aarzelde.
--Kom aan, riep de keizer; je moet alles opsnuiven, tot het laatste korreltje!
"En de man gehoorzaamde. Wel deed de uitwerking van de macouba zich sterk gevoelen en leed hij duldelooze pijnen; maar hij hield zich goed en niesde niet. Toen eindelijk de snuifdoos leeg was, voegde de keizer hem toe:
--Loop naar den duivel, rekel. Jij komt er goed af. Mijn intendant zal je twee beurzen, een snuifdoos en een flesch macouba geven, die je zoo goed bevalt. Voort...
"Henri I keerde naar het paleis terug; en men zegt dat de leiendekker nooit meer snoof.
"Hier zijn wij in den Cour d'honneur, vervolgde mijn cicerone. Het eigenlijke paleis bestond uit een middenpaviljoen en twee vleugels, die elk met een vierkant paviljoen eindigden. Eene breede poort, waarnevens aan iedere zijde een leeuw prijkte, die een met goud gevulden koffer bewaakte, leidde naar de benedenverdieping, die tot bewaarplaats voor de produkten der keizerlijke fabrieken was ingericht. Een dubbele trap, van buiten aangebracht, voerde naar de eerste verdieping. De keizerin bewoonde het paviljoen ter linker-, de keizer dat ter rechterhand; bij het laatste bevond zich een ruime biljartzaal.
"Op de binnenplaats stond, door een ijzeren hekwerk omsloten, een tamarindeboom, bijna even beroemd, zij het ook op andere wijze, als de eik van Lodewijk den Heilige. De zwarte despoot placht bij voorkeur onder dien boom zijne vonnissen te vellen, die bijna altijd den dood ten gevolge hadden. De zij- en achtergebouwen waren bestemd tot woning voor de prinsen, voor stallen en kazernen. Al deze gebouwen lagen te midden van prachtige tuinen, vol met de heerlijkste boomen, vol schaduw en koelte en doorsneden van talrijke besproeiingskanalen.
"In de bovenzaal van zijn paviljoen, die hem tot slaapkamer diende, blies Christophe of Henri I den laatsten adem uit.