Guustje en Zieneken: Schetsen uit het boerenleven
Part 4
"Maar nonkel toch!" antwoordde 't blozend meisje, nederbuigende over 't lampje, dat zij aan 't ontsteken was, opdat haar oom hare ontsteltenis niet zou bemerken.
Sinds eenigen tijd maakte hij haar vaak zulke zonderlinge opmerkingen en keek haar zoo peilend aan, dat zij somtijds niet wist waar de oogen wenden van schaamte. Doch met Marie, die ook juist binnenkwam, veranderde het gesprek en weldra zetten zij zich alle drie aan tafel, om het avondmaal te nutten.
Dien nacht kon Zieneken geene rust vinden; allerlei sombere, onduidelijke droomen kwamen haren geest bevangen. Buiten waaide en stormde het vervaarlijk en telkenmale zij wakker schrikte, meende zij het huis op haar te voelen instorten of door den bij beken stroomenden regen meegesleept te worden. In haren pijnlijken sluimer zag zij Van Daele's heerlijk boerenhof, met zijne schoone, hooge schuren, zijn net en pronkend woonhuis, zijne talrijke beesten op stal of in de weiden en geld, veel geld en schoone kleeren, alles met één woord wat weelde en rijkdom baart. En toen zag zij den boer, rood en struisch, met zijn lachend gelaat, die heur versierd en opgetooid kwam halen om haar ter kerk te leiden. De ongeduldige paarden, met linten en bloemen gekroond, stonden aan den prachtigen wagen gespannen; de boever deed met hoogmoed zijne zweep klappen, juichend volk woelde om haar heen. Blozend van geluk en vreugd bereidde zij zich om op den wagen te stijgen, maar, o schrik! toen verrees schielijk voor haar een indrukwekkend tafereel--de Bruilofput!--En eensklaps scheen het haar als daalde zij er sidderend in neder... als zag zij daar, in de onpeilbare diepte, door de grijsgroene doorschijnendheid des waters, geheel het akelig tooneel ontstaan, zooals het hare inbeelding geschapen had.
De bruiloftwagen, met linten en bloemen versierd, half verzonken in walgelijk slijk, de opgetooide paarden, hunne manen te berge gerezen, als versteend in woeste razernij; de boever met onmachtig gebaar zijne rossen weerhoudende, en op den wagen, half zijdelings geheld, als gingen zij er afvallen en nochtans onbeweegbaar, de oude boer en nevens hem de schoone Helena, schitterend van pracht in haren verblindenden bruidstooi; en daarachter nog, in een versmoord verschiet, de dreigende Alfons, die als een wraakroepende geest over dit gansche treurspel te gebieden scheen.
Een spookachtige grijnslach verwrong de vale lippen hunner monden, een doodsche glans schoot schuins en strak uit de vergroote glasachtige oogen van menschen en paarden; en stomme visschen met traagsmakkende muilen, grauwe weekdieren, aanstootelijk als wangedrochten, schenen traagzaam hangend en drijvend voorbij de drukkende onbeweegbaarheid van dit aangrijpend tafereel te zweven... En in eens scheen het haar nog, als werden schielijk die gestalten door eene onvatbare gedaanteverwisseling in wezenlijke schepsels veranderd; als werden die rossen de paarden van boer Van Daele, die leidsman zijn knecht, als zat hij zelf op den wagen, zij, o schrik! nevens hem, en ginds, daarachter, met zijne glanzende oogen, hoe zonderling toch... maar... Guustje... Guustje Lootens in persoon, die daar grijnzend en dreigend op haar stond te kijken!
Half ziek was 's anderendaags Zieneken. Zij had toch zulk een vreeselijken droom gehad, zei ze tot oom; een droom waaraan zij zelve niets kon verslaan.
De oude boer glimlachte stil. Hij ook had dien nacht maar slecht geslapen; eene zonderlinge aaneenschakeling van denkbeelden en omstandigheden had hem langen tijd wakker gehouden. Waarom was boer Van Daele in eens zoo haastig vertrokken? Waarom zag Zieneken er zoo ontroerd uit?
Werktuigelijk was hij in zijn bed daaraan beginnen denken en enkele bijzonderheden van Van Daele's feestmaal, des boers dienstvaardigheid bij Zieneken, zijne neiging om steeds nevens haar te zitten en te gaan, eene vraag: "Verkeert uw nichtje niet?" welke de pachter hem in stilte bij 't vertrekken, wel in den schijn al schertsende, maar in den grond misschien zeer ernstig had gedaan, dit alles was hem als zoovele lichtstralen door het brein geschoten, en een voorgevoel had hem doen raden dat boer Van Daele.... ja, dat de rijke boer Van Daele Zieneken ten huwelijke was komen vragen, en...... dat Zieneken hem van de hand gewezen had.--Waarom had Zieneken hem van de hand gewezen?
Die vraag was zoo in eens bij hem opgekomen en eer hij die had opgelost, hadden er zich nog allerhande nieuwe bij de eerste gevoegd: "waarom had zij de hand van Lowie Billiet geweigerd? waarom liep zij sinds Onderdaele-kermis zoo bedrukt? waarom was zij ook sinds dien dag zoo koel jegens Guustje? waarom was Guustje zelf....?"
Iets, waarover zijne oude meid hem sinds maanden reeds gewaarschuwd had, was hem dan schielijk weer in het geheugen gekomen. "'t Is zeker, zij zien malkander geerne," had Marie met haar sluw vrouwendoorzicht hem eens gezegd, van Zieneken en Guustje sprekende. Toen had hij dit niet geloofd; maar, van dag tot dag de jongelieden gadeslaande, was hij allengs beginnen twijfelen en thans was het hem eensklaps als eene veropenbaring voorgekomen. Klaar als de zon was het hem thans gebleken dat Zieneken Lowie Billiet en boer Van Daele van de hand gewezen had, omdat zij Guustje Lootens beminde; klaar ook, dat Guustje, die Zieneken veel meer dan Emerance liefhad, boer Van Daele zoo voorkomend bij zijn nichtje ziende, hierover had ergernis opgevat en daarom verbitterd scheen op het meisje; klaar, dat Zieneken slechts treurde omdat zij Guustje boos meende op haar; klaar, kortom, dat zij elkaar innig beminden en er tusschen hen niets anders dan een misverstand was, dat overigens gauw zou effen komen.
Hieraan was het dat boer De Vliegher gansch dien nacht had liggen denken en niet zonder genoegen, want het vooruitzicht van een huwelijk tusschen Guustje, die zoo braaf en vlijtig was, en Zieneken, zoo lief en ook zoo vol verdiensten, lachte hem zeer toe, daar hij overtuigd was dat het zoo lang ongelukkig weeskind bij Guustje een trouwen steun en eene heilzame toekomst zou vinden, en daarom was het ook dat hij zoo schalks glimlachte, toen Zieneken hem zei dat zij dien nacht slecht geslapen had.
"Wonder," sprak hij, 't meisje guitig aanschouwend, "of het waar zal zijn wat ik gisteren hoorde zeggen?"
"Wat, onkel?" vroeg Zieneken, blijkbaar ontroerd.
"Dat Guusje Lootens Emerance kwijt is," hernam De Vliegher; "het schijnt dat zij met Lowie Billiet gaat trouwen; dit gerucht liep gisteren 't dorp rond."
"O!" riep onvrijwillig Zieneken en schielijk werd zij rood tot achter de ooren.
De boer glimlachte voort: "Mij dunkt, Zieneken," tergde hij haar, met moedwillige traagheid sprekende, "dat Guustje zot is van u?"
"Maar, nonkel toch!" riep het meisje nog rooder wordend.
"Ja, ja, en dood jaloersch van boer Van Daele; 't is daarom en om anders niet dat het zoo droevig loopt..... maar alles zal wel goed komen."
Zieneken liep den huize uit, want voorzeker hield oom den gek met haar, riep zij; maar gansch dien dag huppelde zij toch zoo opgeruimd en blijde, en toen de kinderen der weduwe Lootens 's avonds kwamen kaarten--met de reeds lange herfstavonden en niettegenstaande de koelheid tusschen Guustje en Zieneken, geraakten zij nog nu en dan eens aan het spel,--was zij weerom zoo gezellig en zoo vriendelijk als vroeger en had zij hare welgezindheid aan allen willen mededeelen. Des te treuriger bleef echter Guustje, die dezen avond zelfs met weerzin scheen te spelen.
"Gewis weet het reeds dat boer Van Daele hier gisteren geweest is," dacht De Vliegher. Dezes doel was ook niet zulks te verbergen; hij vertelde het zijnen jongen buren.
"Ja, wij weten het," antwoordde Siednie; "wij vernamen het bij het terugkeeren van Axpoele." "'t Was uit hoofde zijner houtvenditie dat hij kwam, niet waar, boer De Vliegher?" vroeg naïvelijk Kamiel.
"'k Geloof van ja," knikte de boer, en ging een solferpriemtje halen, terwijl Marie uit haren hoek oolijk naar Zieneken en Guustje blikte, die beiden beteuterd en sprakeloos in hunne kaarten keken.
"Of 't jaloersch is van Van Daele!" dacht De Vliegher, zijn pijpje ontstekende; "maar, pfu! alles zal toch wel in de goede plooi komen."
VI.
OP HET LAND.
November verspreidde reeds over dorpen en velden die doodsche wintereenzaamheid, welke het hart der menschen zoowel als de natuur met treurigheid vervult en al 't genot des buitenlevens in den nauwer aangeknoopte familie- of vriendenkring schijnt te sluiten, en nog was De Vliegher's voorspelling niet verwezenlijkt. Vruchteloos had hij Guustje, door allerhande zinspelingen en halfduidelijke woorden, zooals hij zei "den pap in den mond gegeven;" het dierf of wilde niet begrijpen. En even vruchteloos had Marie, ruwe maar goede ziel en die stelselmatige vijandin was van allerlei gedwongenheid of valsch gevoel, reeds meer dan eens, als Guustje 's avonds binnenkwam, hem eenen stond achter het schutsel houden staan en, hem met den elleboog in de zijde stampend, haastig in het oor gefluisterd: "Toe, gij dwaashoofd, klap er eens schoon tegen; het (Zieneken) is zot van u,"--Guustje, verre van zulks te durven doen, werd dan soms nog veel schuchterer en zat nog veel meer dan eertijds--gelijk Marie het noemde "op de pijnbank."
De boer begon zijne schouders op te halen; Marie begon op Guustje kwaad, ja oprecht kwaad te worden, Guustje zelf liep gansche dagen als een gefolterde ziel op zijn hof, en Zieneken werd alle dagen treuriger.
Maar vaak komt een geluk bij ons aankloppen, wanneer wij reeds gewanhoopt hebben.
Zieneken was op eenen zaterdag namiddag naar het land gegaan, om tegen 's anderdaags wat eten voor hare konijntjes te plukken en keerde met de schemering huiswaarts, toen zij eensklaps aan den overkant der straat Guustje ontwaarde, die daar met ploeg en paarden eenen klaverstruik omwrocht.
Zieneken bleef stilstaan, met haar konijneneten in den arm, onweerstaanbaar aangelokt om daar een oogenblikje te vertoeven en te kijken. Het was zoolang geleden dat zij Guustje niet meer zag zooals het eertijds was; bij haar was het of schuchter of misnoegd; hier, gansch alleen, zou het misschien weerom zich zelf zijn. Het scheen haar als zou zij op zijne wezenstrekken kunnen lezen of het wel oprecht boos was op haar, en ook, 't zij boos of niet, zij voelde dat zij niet kwaad was op hem... en... niemand zou haar zien, de straat was zoo eenzaam en ledig, de elzenstruiken waren nog dicht genoeg en over de stille natuur daalde zoo heimvol de avondschemering, met enkel nog die verre blonde streep in 't westen...
O ja, zij moest hem eens zien.
Zij keek.
De beide bruine paarden, groot en kloek, kwamen dampend, met gelijken tred, gereden over de lange partij land, die naar het middenpunt eenigszins klom. De scherpe ploeg, door Guustje's rechterhand bestuurd, boorde snijdend door het verdorde klaverveld en keerde met den riester de malsche schellen om, die langs de lange rijen met een vetten glans in 't dalend schemervuur blonken.
Zieneken voelde zich tot bewondering bewogen! "Wat felle boer toch," dacht zij, en instinctmatig, als begoocheld, volgde haar blik de naderende vaart van ploeg en paarden. Maar in eens verschrikte zij: "Indien het mij eens zag? Het zou wel meenen dat ik hem kom bespieden!" En zij deed eenige schreden huiswaarts. Doch zij vertraagde schielijk weer haren stap. "Nu moet het mij gewis zien gaan," sprak zij inwendig; "zal het niet denken dat ik hem ontvluchten wil?.... Ik moet hem toch goên avond zeggen." En zij hield weerom stil.
Guustje had haar reeds ontwaard.
"Goên avond, Zieneken," sprak hij de eerste en hield zijn gespan staan, terwijl hij flauw op haar glimlachte.
"Goên avond, Guustje," was haar ontroerd antwoord en zij sloeg het oog ten gronde.
't Was zonderling; maar Zieneken ging nog niet huiswaarts--nu zij echter den "goên avond" had gewenscht, en Guusje ook keerde nog zijne rossen niet, die krachtig blaasden, om 't laatste stukje land te bewerken; er heerschte een oogenblik vol drukkende stilte; beiden schenen diep ontroerd; het was alsof zij beiden voelden dat zij malkander toch wat meer te zeggen hadden, iets dat hen sinds lang op 't harte lag en er nu volstrekt afwilde.
Er komt een stond in de liefde, op welken de schuchtersten tot stoutheid overgaan; een stond door de gelegenheid, door 't uur en door de eenzaamheid begunstigd, en als het ware opzettelijk geschikt om de voor elkaar geboren harten in een gelijk gevoel, in eene zelfde beweging te vereenigen en te versmelten.
't Was Guusje, die den eersten stap deed. Met bevende hand had hij de lijn zijner paarden aan de greep van den ploeg vastgemaakt; met ontsteld gelaat was hij al over 't mennegat bij Zieneken gekomen.
"Zieneken!" sprak hij en er kropte schielijk iets in zijne keel, dat er geen enkel woord meer uit liet komen; maar zijne hand--hij wist het zeker niet--lag op des meisjes schouder.
Zij verbleekte op eens. "Wat is er, Guusje?" vroeg zij zacht en nauw verneembaar en sloeg eens 't oog op hem en keek dan weer ten gronde.
Wat er was?... Zie... Guustje zegde het haar... In eene taal, die hij nimmer geleerd had, met eene overtuiging waartoe hij slechts sinds eenen stond de kracht gevoelde, sprak hij haar - zonder spreken, maar met den mond op haren mond, maar met het hart tegen heur hart, en met de hand in heure handen, van hun lang geschil, hun verdriet, hunne smarten, hunne verzoening. Hij was als van zich zelven, hij begreep noch zijne daad, noch zijne stomheid, hij smaakte enkel het onuitsprekelijk geluk, waarmede zijne overborrelende liefde hem het hart verzadigde.
Zieneken kwam eerst tot het bewustzijn weer; een zweem van treurigheid veegde schielijk de geestdrift van haar gelaat: "O! Guusje, gij bemint Emerance!" sprak zij met zacht verwijt.
De jongman trad een stap achteruit met een ontkennend gebaar zijner hand: "Ik heb ze nooit oprecht bemind," sprak hij "maar wat er vroeger ook bestond, is thans geheel gedaan." En ook met spijt op zijne beurt zijne vriendin aanstarende: "Maar gij, Zieneken," hernam hij langzaam en ernstig, "gaat gij met boer Van Daele niet..."
"Zieneken!" riep schielijk eene scherpe stem in de richting van De Vliegher's hoeve.
"Och God!" schrikte het meisje, spoedig haars minnaars hand loslatende! "Marie roept, en het wordt reeds zoo laat, ik moet heen..."
"Wacht een oogenblik," sprak Guustje, "ik ga meê."
En in eens zijnen ploeg omkeerende, zette hij dien voor de laatste maal op 't laatste nog te bewerken reepje grond, en in gansch zijne moedige houding, in den rasseren tred zijner dampende, nog door het schemerlicht vergrootte paarden, in de vruchtbare schel, die hare bruine flanken openlegde om de kiem der toekomende oogsten te ontvangen, in 's meisjes houding zelve dat, onbeweegbaar aan den boord des akkers, het gansch schouwspel te bezielen scheen, lag er iets verhevens, iets bemoedigends, dat in de eenzame bespiegeling van 't avonduur geheel dit landelijk en vreedzaam tafereel als een zinnebeeld van stil geluk, van hoop en liefde deed uitschijnen.
Zij kwamen aan De Vliegher's hofje. Guusje liet zijne rossen aan de balie slaan en trok met Zieneken binnen huize; het licht brandde reeds. Eene reusachtige gestalte, met een bol, lachend gelaat en twee dikke, naar hen uitgestrekte handen, dat was het eerste wat zij zagen: boer Van Daele! Onvrijwillig deinsden beiden als verschrikt achteruit en op hun gelaat, in hunne gansche houding en manieren, lag zóó klaar hun geheim te lezen, dat boer De Vliegher en Van Daele en Marie, allen terzelfdertijd door ééne gedachte overheerscht, de jongelieden roerloos aanstaarden, op hunne uitleggingen wachtende.
Zij toefden slechts een oogenblik. Met eene soort van haast, als vreesde hij dat zij hem nogmaals kon ontnomen worden, had Guustje 's meisjes hand gevat en was hij met haar tot bij oom genaderd:
"Boer De Vliegher," sprak hij schier plechtig en den grijsaard helder in de oogen aanschouwende, "ik kom u de hand van uw nichtje vragen; wilt gij mij die toestaan?"
De oude boer, eene groote verwondering veinzende, keek lachend op zijn blozend nichtje: "Is het uw gedacht, Zieneke?" vroeg hij.
"Ja, ja 't; 't is het van eigen!" haastte zich de ruwe Marie in Zieneken's plaats te zeggen, daar zij bemerkte dat het meisje zoo diep ontroerd was, dat zij bijna niet spreken kon.
Roer Van Daele, eerst zwijgend en wezenlijk verbaasd, kwam nu weerom met zijne vette, purperen handen naar de twee verloofden vooruitgestoken: "Heb ik het u niet gezegd, mijn zoetekind, dat wij niettemin steeds goede vrienden zouden blijven?" riep hij tot Zieneken, terzelfdertijd ook voor de anderen zijn geheim klaarmakende; "doch, zeggen is maar zeggen, en luister hier wat beter is: Ik kom u met uw aanstaanden man"--en hij wees met den vinger naar Guustje--"op de bruiloft vragen van mijne jongste dochter met Lowie Billiet en op de mijne"--en zijn vinger bleef een heele wijl op zijne borst gericht, terwijl zijne oogen bij het aanschouwen van Guustje's en Zieneken's nieuwsgierige verbazing van blijdschap fonkelden.--"Ja, op de mijne met de weduwe De Baere, van Merckegem, die stellig zeer met mij moet ingenomen zijn, daar zij mij, als zijnde eergisteren voor de achtste maal, tijding zond dat ik mocht komen als ik wilde,--bruiloften, welke beide nog vóór het Nieuwjaar zullen plaats grijpen".
Welke wederzijdsche gelukwenschen en proficiat's bij deze laatste verklaring in De Vliegher's huis weerklonken, ware moeilijk te beschrijven. De oude boer trok in zijnen kelder. Hij kwam er weldra uit met eene zwarte flesch, die hij zegepralend naar het licht hield: "Zieneken! 't is eene van de laatste," riep hij; "'t is nog eene van die, welke ik met uw vader zaliger in den ouden pastoors venditie kocht, nu dertig jaar geleden. Op uw gezondheid, mijn kind!"
De wijn werd uitgeschonken, de glazen gingen tikken.
Zieneken weende.
"Baas Van Daele," sprak De Vliegher, "ik noodig u ook met uwe aanstaande vrouw en met uwe dochter en haar aanstaanden man, op de bruiloft welke ik hier, en ook vóór Nieuwjaar nog, voor Zieneken en Guusje houden wil; en dit zal dan de laatste kermis zijn die ik hier zal geven, daar ik voornemens ben mijn boerderijtje aan die vlijtige, brave jongelieden over te laten, om dan in 't dorp, op mijn gemak, de enkele jaartjes, die ik misschien nog te leven heb, te gaan slijten."
Nog eens werden de glazen volgeschonken, nog eens bedankingen en gelukwenschen herhaald, en dan gingen zij allen te zamen naar de weduwe Lootens.
"Zie!" sprak Marie, toen Zieneken dien avond kalm, maar volzalig van geluk in haar kamertje trok, "hadde het met u beiden alzoo nog wat langer moeten duren, ik was er hier van deur, want ik kon waarlijk uwe wederzijdsche dwaasheid niet meer verdragen!"
Nevele, Februari 1887.