Guustje en Zieneken: Schetsen uit het boerenleven

Part 2

Chapter 23,816 wordsPublic domain

Zieneken, gansch op haar uiterst best gekleed, in 't zwart, met witten schitterenden onderrok en witte frissche kousen, met goudwerk op de borst en in de ooren en een bloemrijk hoedje op het hoofd, stond reisvaardig in de keuken bij haren oom, toen Guustje met de chees, waarin Kamiel en Sidonie reeds zaten, aan het hofgat kwam.

Boerenmeisjes hebben slechts geringen tijd en middelen om zich schoon aan te kleeden, en vaak is hare malsche gezondheid haar hoogste sieraad; edoch, wanneer zij, reeds vanzelven lief en door bet vooruitzicht van een harer grootste vermaken op voorhand opgetogen, in haar lachend feestgewaad verschijnen, hebben zij wel iets frisch, iets verleidend over zich, dat onvrijwillig oog en hart verrukt en als het ware aan de geurige roos harer bloemtuintjes, aan de dagende zon in het oosten, aan den dauw op het land, aan de vogels in 't veld, aan ik weet niet wat al bekoorlijke dingen doet peinzen.

Of het een dezer denkbeelden was dat in Guustje oprees, toen het blozend meisje, hem met eenen straal harer sprekende oogen begroetend, heur kleed opraapte om met medehulp van zijne hand in het rijtuig te stijgen, weten wij niet; maar dat Guustje zeer rood en bewogen werd, en tot tweemaal toe zich omkeerend vroeg, of allen wel gezeten waren en niet eenmaal het herhaalde antwoord: "Ja, rijdt maar voort," kon verstaan, werd door eenieder der gasten, en door De Vliegher bijzonderlijk, schertsend opgemerkt.

Zij reden voort.--September, en vooral het einde van september heeft soms van die dagen, welke beginnen, met een blauwen nevel in 't verschiet, met eenen dauw van zilver over 't land en met eene frischheid in de lucht, die alle harten opbeuren en verkwikken en alle gemoederen tot gemeenzaamheid en opgeruimdheid stemmen. Zulk een morgen hadden zij gelukt; door de malsche Vlaamsche velden heen voerde hen het open rijtuig; het koren was weg of stond in schelven op het land; maar in de plaats tintelde het reeds jeugdig rapenloover en rechts en links golfden de bruine omgewrochte akkers. De boer verstaat niet zooals wij de schoonheid der natuur, edoch, wanneer hij bij een heerlijk weder eene vruchtbare streek doorreist, wanneer hij prachtig vet vee in de weiden en rijke oogsten te velde aantreft, dan heeft hij opmerkingen van goedkeuring, uitdrukkingen van bewondering, schattingen over veronderstelden opbrengst; dat is zijn poëzij. Zoo wezen Guusje en De Vliegher aan elkaar de schoone hoeven, hier den rijkdom der landen prijzend, daar de kennis van den boer aanhalend, en de meisjes luisterden, ook al eene opmerking wagende, alles af, een vluchtigen goeden dag knikkende tegen de wiedsters op het veld, die enkele stonden zang en werk staakten, om hen met afgunstige nieuwsgierigheid na te kijken.

Naarmate zij nochtans op het grondgebied van Onderdaele kwamen, viel het onderhoud van zelfs op den rijken boer Van Daele en zijn huisgezin en poogde De Vliegher, steeds opgeruimd en spotziek, om de meisjes te doen lachen, met Guusje over Emerance te spreken, iets waarin hij echter mislukte, daar Guusje enkel, en dat hardnekkig, met des boeren schoone beesten ingenomen scheen.

Zij naderden. Het dorp, dat zij op zijde lieten, stak reeds in het verschiet boven de boomen zijnen spitsigen toren uit; zij volgden eene lange, overlommerde dreef, waar het gedruisch ven het rijtuig als het ware eenen weerklank had en waar de schielijke koelte--want in de vlakte begon het verschrikkelijk warm te worden--hen goed deed, kwamen luider rammelend weêr op den kasseiweg, dien zij nog eens een eindje verder verlieten, om schier onmiddellijk aan het uiteinde van een met lange eiken afgezoomden slag, voor een witgeverfd, tusschen twee grillig gevormde pilaren hangende hek te blijven stilstaan.

Zij waren er. Het geblaf en gejoel der driftige honden, een stalknecht die haastig het hek kwam openen en een reusachtig man in hemdsmouwen, die met groote gebaarden en rood, lachend gelaat, van uit het woonhuis over den boomgaard gestapt kwam, heetten den gasten al te zamen het "welkom." Het was aldra zichtbaar wie hier de baas was. Nauwelijks hadden de dikke boer en het rijtuig elkander ontmoet, of de verwarde kreten "Ha! dag nonkel, dag Ivo, dag "peetje," dag baas Van Daele!" klonken verheugd en verward uit de chees, terwijl de reus, in eenen en zelfden groet al zijne gasten vereenigende, met donderende stem het voor een boer, die zijne genoodigden gul en hartelijk aanvaarden wil, onontbeerlijk: "Jongens, gij zijt altemaal welgekomen op de kermis!" liet hooren.

Maar na den eersten stond bleef zijne gansche aandacht op Zieneken gevestigd. "Is dit het nichtje dat bij u is komen wonen, Bruno?" vroeg hij, met eene soort van naïeve bewondering het blozend meisje aanschouwende. "Ja, ja't," antwoordde De Vliegher, lachende om des boers verbazing. "'t Is het van eigen; is het er misschien niet wel genoeg voor?" De dikke pachter stak de hand uit tot 't beschaamde meisje. "Mijn zoetekind," herhaalde hij afzonderlijk voor haar, en het aangezicht onder een reusachtigen glimlach ontloken, "gij zijt welgekomen op mijne kermis, zult-de; maar ik ben eenigszins verlegen voor u, want ik vrees waarlijk dat gij met alzoo een "muiltje"--en hij tikte haar lichtjes met de andere hand op de wang--"te Onderdaele zult gestolen worden." En, luidop lachend om zijne eigene klucht, stapte hij naar het woonhuis vooruit, "om zijnen gasten den weg te toonen," schertste hij.

Er zijn van die menschen, welke groot, vet en grof, er in gelukken het afstootelijke en misvormige van hun lichaam en zelfs het ruwe en onbeschaafde hunner manieren te doen vergeven, door hun opgeruimd en vriendelijk karakter. Zoo was boer Van Daele. Hij was vijf en vijftig jaar oud en had het hart van een van driemaal zeven; hij woog iets meer dan honderd vijf en twintig kilos en zou nog de uitspanningen hebben gedeeld van een, die er maar zestig droeg.

Zijne uitdrukkingen waren slechts eene aaneenschakeling van ruwe, soms zeer sterk gewaagde grappen en hij gelegenheid zou hij ook wel eens iemand "den kop in gezegd hebben," want lichtgeraakt was hij nogal, gelijk meestal de rijke boeren en spotte ook zeer graag; doch, niets was bij hem zoo gauw vergeten als een smaad,--getuige zijne spoedige verzoening met zijne ongehoorzame dochter--en, moest een buurman eenen dienst van hem ontvangen, kwam er een arme duivel aan zijn hofgat bidden, kijk, daar in de stallingen stonden wagens en paarden en ginds in de keuken, bij het vrouwvolk, was er vleesch en brood. Maar wie vaak iemand begekt, staat ook vaak aan begekking bloot, en hieraan ontsnapte Van Daele niet steeds, al geschiedde dit immer derwijze dat hij er in 't oog zijner geburen met alle eer van afkwam. Sinds enkele jaren was hij weduwenaar en daar hij nog zoo oud niet was en zeer vermogend, mocht het wel zonderling heten dat hij van geen hertrouwen sprak; ook werd hem door zijne buren soms schertsend verweten, dat hij geen "vrouwmensch" meer krijgen zou. Maar toen kon Van Daele eens lachen! Hij, geen vrouwmensch meer krijgen? Soms vergenoegde hij zich met daarvoor de schouders op te halen, maar andermalen, toen men in den twijfel te volharden scheen, haalde hij uit zijn binnenzak eene lederen brieventesch te voorschijn, legde die op tafel open en baalde er grimmend enkele door inkt en vet gevlekte brieven uit, welke er in staken. Of men daarop eens het oog wilde slaan? vroeg hij toen. Hé! en wat men er van dacht? Of men haar kende die weduwe Corijn, van Baevel, die hem sinds meer dan twintig jaren "geerne zag"[1] en hem daags na de begrafenis van zijne vrouw dezen brief geschreven had:

1 Beminde.

"Ik laed u weten alsdat ik nog altijt streus en gezont ben; ik heb ooren zeggen daad gij eergisteren in et verlies van uwe vrouw gekomen zijd en ik wil geenen tijt laeden voorbij gan om u te laeden weden alsdad zulke verlizen nied onerstelbaer zijn en daad ik ook niet beder vraagt als van mij in et verlies van mijnen man te troosten en dad als gij er nog voren zijt, dad gij wel weed alsdat gij aan mij op geen menieren zilt bedrogen vaalen, enz. enz."

Hé!--En deze dan van Louise Vermeulen:

"Baes Van Dale,

"Ik neem de pen in de hand om u met den koeier te laeden weden alsdat gij uwe crazie[1] niet moed laden vaalen in den staet warin gij u bevind en dat ik u de kobbelmenten[2] doe als daad ik noch altijd jonk ben en dad als waneer gij begeirt te ertrouwen ik gereet ben, enz."

1 Van 't fransch courage.

2 Van 't fransch compliment.

Hé!--En dan nog deze en deze en deze!

Ha! boer Van Daele zou geen "vrouwmensch" krijgen? Indien hij maar wilde, .... twintig daags zou hij er hebben! Maar boer Van Daele was niet zot: "Gepresenteerd goed is niet aanveerd." Maar als boer Van Daele zich 't hertrouwen eens in 't hoofd zou steken, zou hij wel weten waar naartoe en bovendien nog zelf zijne keuze doen.

Zoo sprak dan boer Van Daele en daar zulke en andere getuigenissen niet enkel den rijken boer nog hooger in den eerbied zijner medeburgers deden klimmen, maar ook al de mogelijkheid van zijn hertrouwen lieten vermoeden, begon het in het dorp alom bekend te zijn, dat boer Van Daele slechts wachtte naar een vrouwmensch, dat hem behagen zou, om een tweede huwelijk aan te gaan.

Zieneken had met moeite den tijd gehad rechts en links een bewonderend oog te slaan op de prachtige schuren en stallen, waar jonge veulekens den kop over de halve deuren staken, en over den rijken boomgaard, waar er nevens hunne chees nog twee andere uitgespannen stonden, toen zij vóór het niet minder heerlijk boerenhuis kwamen. Heur hart joeg hevig bij het binnentreden; zelfs deed haar eene zekere schuchterheid de laatste van allen komen en reeds hadden in de ruime keuken allerlei nieuwe welkomsgroeten tusschen de aldaar sinds enkele stonden aanwezige en de nieuw ingekomen gasten herklonken, vooraleer zij in het gejoel Emerance, de rijke boerendochter, kon onderscheiden. Het was Van Daele zelf, die ze haar voorstelde: "Mijn zoetekind," lachte hij met de eene hand op Zieneken's schouder kloppend, terwijl hij met de andere naar Emerance wees, die, klein en zwart, met scherpe schitterende oogen en rood gelaat, half op haar best, half naar heur werk gekleed, in 't midden van de keuken stond; "dat is mijn jongste dochter, zie, die bezig is met ons de fijnste kermistafel gereed te maken, welke gij nog ooit zult genut hebben."

Het is toch wonderbaar hoe ons het enkel eerste zicht van een persoon somtijds bevallen of mishagen en ons zoo spoedig een indruk laten kan, die schier nooit geheel meer uit te wissen is. Geen het minste vooroordeel had 't goede Zieneken tegen de boerendochter, die zij niet kende; geen minste ook kon Emerance hebben jegens iemand, waarvan zij zelfs nog nimmer hooren spreken had, en toch ..... toch voelde de eerste onmiddellijk eenen afkeer van de tweede, zonder dat zij zeggen kon waarom, en keek de tweede, terwijl zij haar een vluggen goeden dag terugzond, strak en vreemd op de eerste, als stond zij voor een verholen vijand, met welken zij later zou te kampen hebben. En zie, Zieneken, die eerst oprecht verwonderd had gestaan over de koele, schier gedwongene manier op welke Guustje en Emerance--want zij had het zeer wel opgemerkt--elkander ontmoet hadden, Zieneken mocht nu te rechte verbaasd wezen, toen zij eensklaps de rijke boerendochter tot Guustje zag naderen, hem luid schaterend aanspreken en, vooraleer zij de keuken verliet om in de zaal daarnevens teljooren op tafel te gaan schikken, met half gebiedenden, half stouten glimlach nog eens naar hem omkeek en hem iets toeschertste, dat zij niet begrijpen kon.

Op het aandringen van den boer had zich eenieder thans neérgezet en was Melanie, zijne meid, aan de nieuw-ingekomenen druppeltjes kriekensap beginnen uitschinken. Daaromtrent al de gewone, jaarlijksche kermisgasten waren in de keuken aanwezig en Zieneken, nog eenigszins verbluft en vreemd in dit haar nagenoeg gansch onbekend gezelschap, was wat dichter bij Sidonie geschoven, die haar een voor een de namen van de haar onbekenden toefluisterde. Het waren, na Triphon en Valerie, de schoonzoon en de oudste dochter van Van Daele, oorzaken van den vroegeren twist tusschen dezen en de Lootens, tante Fiene, boer Van Daele's zuster, eene zwaarlijvige, zestigjarige vrouw met zeer van elkander verwijderde oogen en altijd hijgenden mond, die ongehuwd en rijk in het dorp op haar goed leefde; kozijn Van de Walle, van Baevel, des boers broers wijfs zusters oudste zoon zaliger, een bloedrood, mager jongeling met eenen hazemond; de twee nichten De Coster, van Axpoele bij Meerhem, heiden geel en mager en in 't zwart gekleed; kozijn De Vreese, van Hulste, verschrikkelijk rood en opgeblazen; nicht Pauwels, van Lauwegem, met Theophiel en Charles-Louis, haar beide kleinen; nog enkele andere verdere verwanten en eindelijk baas De Windt, baas Kneuvels en boerken Van Heule, des boers naaste geburen, en, zooals De Vliegher zelf, zijne goede vrienden; al te zamen misschien een twintigtal personen.

Op Emerance's aanmaning "dat alles gereed was," ging het gezelschap in de eetzaal. Boer Van Daele kon het niet luide genoeg uitroepen en herhalen hoe verheugd en tevreden hij was eens te meer alle zijne verwanten op zijne kermis te vereenigen; maar, dat hem vooral het gezelschap van Zieneken aangenaam was, en hij hoe langer hoe meer in het gesprek met haar vermaak scheen te genieten, dit hadden de genoodigden sinds den eersten stond reeds opgemerkt. Hij wilde volstrekt--en zij kon, hoe beschaamd ook, er niet aan ontsnappen--volstrekt, dat het lief meisje nevens hem aan tafel plaats zou nemen. Ziet ge wel, voor de eerste maal dat hij de eer had zulk een lief kind op zijne kermis te zien, wilde hij niet, dat, schuchter als ze was, haar iets zou ontbreken; hij zelf zou haar van alles wel bedienen, met haar schertsen en redekavelen, haar met één woord eene aangename kermis verschaffen.

In de heldere, met bleekkleurig papier behangene eetplaats, waar door de hooge vensters eene schitterende, soms aan het oog onverdraaglijke klaarte stroomde, heerschte aldra de luidruchtigste opgeruimdheid.

Bouillonsoep met balletjes, gezoden rundvleesch met worteltjes, sauciesjes en "karmenaden" met savooien, kiekens met gestoofde peren, alle onvermijdelijke gerechten eener rijke boerenkermistafel, waren reeds onder het onophoudend gerinkel van messen en glazen en het verward gejoel der samenspraken genut,--en thans, vooraleer de taart te snijden en den wijn--ja zeker, den wijn, er was er steeds op boer Van Daele's kermis--te ontkurken, bleef men blazend en rood,--het vrouwvolk, de rijkkleurige linten harer mutsen los over de schouders, de kleinen, met oogen vol lust tot overdaad, en het mansvolk, de broekbanden verwijd en den rug achterovergeleund,--een ademtje halen en klonken, onder den invloed der verzadiging, de gesprekken enigszins stiller en ernstiger. Boer De Vliegher en baas De Windt,--die evenals Van Daele, het bovenvest had afgelegd--koutten ernstig over koeien en mest, kozijn De Vreese en nicht Pauwels over heeren en pachters en over den tijd, die nu hoe langer hoe slechter werd, sinds al dat gespuis van geuzen en socialisten, en wat wist men al, zoo hardnekkig 't hoofd opstak en priesters en kloosters wilde uitroeien, hetgeen door tante Fiene met het dwalen harer wijde, stijve oogen, en door de nichten De Coster met het toenijpen harer dunne, preutsche lippen, beraamd werd--en ook kozijn Van de Walle, van Baevel, hield met de moeilijke uitspraak van zijn hazemond een oogenblik de algemeene aandacht gaande, door het verhalen eener echt vreeselijke, daags te voren in zijn eigen dorp nog voorgevallene gebeurtenis: een oud wijvetje namelijk had, bij het kuischen eener eetkast, een klein, door haren man eertijds gedeeltelijk gebruikte medicijnenfleschje gevonden; met de gedachte dat zulks toch te duur was om verloren te laten gaan en ook gewis geen kwaad kon, daar het voor de gezondheid was gegeven, had het vrouwtje in eens, want het drankje was vrij slecht om nemen, den overschot ervan uitgedronken, waarbij het schier onmiddellijk gestorven was.

Maar aan wien Zieneken--tegen wie Van Daele schier nog niet opgehouden had te redekavelen en te lachen,--geenen rechten kant meer vond, was Guustje. Eerst nog al bedwongen en sprakeloos nevens Emerance gezeten, die hem--Zieneken had het bemerkt--nevens haar had doen komen, was het eensklaps tot eene luidruchtige opgewondenheid overgegaan. Het zag zeer rood, veel rooder dan naar gewoonte, en toen het, in de tusschenpoozen van zijn schertsen met Emerance, de oogen op Zieneken sloeg, lag er iets zoodanig zonderlings, als het ware iets zoo valsch, zoo ongemeens in zijne blijdschap en in zijnen aanblik, dat Zieneken er onvrijwillig van ontroerd was en hare kermisvreugd er door verbitterd werd.

Heeft het misschien te veel gedronken? veronderstelde zij, misnoegd op Emerance, kijkend, die luid lachend en schaterend zijn glas schier onophoudend volschonk. "Wat is dat toch oprecht eene aardige, zooals het onkel zegt," dacht zij toen weér, door haren afkeer jegens de boerendochter overweldigd. Doch, hoe groot was Zieneken's verbazing, als, het maal geëindigd en eenieder op Van Daele's voorstel "eens om de beenen te verwakkeren tot aan het dorp den eierkoers te gaan bezichtigen," van zijne plaats opgestaan zijnde, Guustje haar in het voorbijgaan op schimpenden toon vroeg, tegen wanneer men nu te Meerhem zelf, op boer De Vliegher's hof, ook eene zoo groote kermis mocht verwachten, eene, waarover de burgemeester en de pastoor der gemeente eerst eens hunnen "veus[1] zouden gestreken hebben."

1 Een veus strijken: een oordeel uitbrengen.

Hoe?.... wat?.... eene kermis, waarover de burgemeester.... Maar Guusje was reeds grimmend weg en Zieneken, bemerkende dat haar oom, die half en half verstaan had, heur met zijn schalksch oog beloerde, keek beschaamd en blozend ten gronde en bleef een heele wijl ernstig en stilzwijgend die woorden overpeinzen, zonder den zin ervan te kunnen vallen.

De achtermiddag was schitterend toen de genoodigden buiten kwamen.

"Oef!.... is dat warm!" riep Van Daele, blakend in de zon kijkend, "men zou waarachtig duizelig worden van zoolang aan tafel te zitten!"

Het duurde ook enige tijd eer men tot den aftocht klaar was. De rijke boer wilde volstrekt eerst aan Zieneken, alsook aan degene zijner gasten, die zulks begeerden, eene zeldzaamheid zijner hoeve laten zien, namelijk eene veulenmerrie met hare twee kachteltjes. Met hunnen glans van wellust op 't gelaat, sommigen met hunne pijp tusschen de tanden en de pet of den hoed op het oor, trokken zij in den reuk van het mest den veulenstal binnen en keken er naar het gemoedelijk tafereel der kloeke, bruine merrie, die, vrij van allen band en haren schoonen kop half omgewend, terzelfdertijd hare twee jonge veulentjes, gelijkende aan twee hertjes zonder hoornen, te zuigen gaf. Allen prezen lang en luid; enkelen, zooals kozijn Van de Walle, van Baevel, die driftige paardenliefhebber was, de bovenlip der merrie omhoogtrekkend, om aan het getal heurer tanden haren ouderdom te erkennen; anderen, met hunne ruwe handen de gladde kopjes der kachtels van de moederspenen duwend, om zelven te voelen of de oude wel degelijk gezogen werd. Daar men toch aan 't rondgaan was, trok men eens voort--terwijl eenige der nichten een oogenblikje van kant op den molligen boomgaard, waar paardebloem en madeliefjes bloeiden, afzonderlijk gingen voorover- of neérhurken,--door de andere prachtige stallen en schuren der hoeve, die meestal met elkaar gemeenschap hadden. Men bezocht den ruimen koestal, met zijn gerinkel van ijzeren ringen, gemurmel van koeien herkauwing en warmen melk- en muskusgeur vervuld; de nauwe, zuurriekende verkenshokken met vuile grollende zeugen op stroo en nette, rooskleurige viggetjes, die driftig naar buiten wilden; den kalverstal, den paardenstal, den stierenstal, en, zijnde een schaapgoed, den schapenstal, waar uit de rijen blatende, als gestrafte scholieren langs hunne kribben vastgebonden schapen, een doordringende bokkengeur steeg,--en bewonderde dan de gebouwen, alles in ijzer, in steen of arduin opgemaakt, "zelfs met steenen welfsels on ijzeren balken omhoog," wees hun de trotsche boer, en gekomen aan het zoogenoemde braskot[1], achter welks gevel eensklaps een luid kindergeschrei ontstaan was, bleef men lachend en schertsend vóór nicht Pauwels staan, die, haastig daarheen geloopen, schielijk met haren kleinen Charles-Louis te voorschijn kwam, wiens afhangende broek zij wederom hielp aandoen.

1 Afzonderlijke plaats, waar men op de groote hoeven het beestenvoeder kookt en bereidt.

Eindelijk geraakte het gezelschap bijeen en stapte langzaam heen, vooraan de vrouwen met hare bontkleurige linten om het hoofd, de mannen achterna, en gansch vooruit, gelijk de reus van 't hof, de struische boer met Zieneken, die, oprecht beschaamd, Sidonie nevens haar had doen blijven.

Hun tocht door de straten, toen zij met het toestromend volk het dorp binnenkwamen, waar talrijke lieden op stoelen vóór hunne met vlaggen en wimpels versierde woningen zaten, wekte niet weinig de nieuwsgierige bewondering der dorpelingen, "Wie is dat meisje nevens boer Van Daele?" hoorde Zieneken nu en dan halfluid in het voorbijgaan vragen, terwijl de wezens en de stoelen bij elkander schoven. Een sterke blos was toen haar antwoord; maar de boer, hoogst gevleid over de aldus op hem gevestigde aandacht, had telkenmale eenen lach van trots en vreugd op 't gelaat en stelde er als het ware moedwilligheid in, door overdrevene voorkomenheid jegens De Vliegher's nichtje de domstoute nieuwsgierigheid der dorpelingen nog te prikkelen. Naarmate zij in de lange en breede, voornaamste straat van Onderdaele drongen, waar in enkele fraaie huizen welgekleede heeren en dames niet kinderen vóór de vensters zaten, namen krieling en gejoel toe, en werd hunne slenterende vaart nu eens door eene heele bende lui vóór hen stappende en lui pijpenrookende jongelingen vertraagd, dan door het ontmoeten van allerlei vrienden of kennissen volkomen onderbroken.

De eierkoers was reeds begonnen; op ongelijken afstand van elkaar, hier rechts, daar links der straat, lagen, midden een hoopje zand, de aan stukken te rijden eieren op de kasseide; rond elk ei bewoog zich, uitgelaten, een drom boeren en boerinnen; de chees, ieder door een lomp, zwaar boerenpaard bespannen en bezeten door twee mannen, welke zich beurtelings, ingevolge de ligging der eieren, de lijn overmaakten, kwamen op draf van den eenen kant der straat naar den anderen gewaggeld, en aan de niet twijfelzinnige kreten der aanschouwers werd het kenbaar of de kamper er in geslaagd was of niet, met het wiel van zijn rijtuig het ei te verbrijzelen; de mannen der chees welke aldus het grootste getal eieren brak, behaalden den eersten prijs. Gedurende eenige stonden staarden de langs heen de huizen geschaarde gasten dit schouwspel aan,--een der bekoorlijkste die er bestaan in de oogen van den boer, en hier, nog aantrekkelijker gemaakt, door de waarde der prijzen en door de omstandigheid, dat te Onderdaele steeds echte, goede eieren en niet houten of ijzeren voorwerpen voor den prijskamp dienden,--en gingen dan voort, al over de dorpsplaats, waar kramen en paardekensmolens voor het oogenblik schier verlaten stonden, en verder al over de brug der vaart, welke het dorp in twee verdeelde, tot aan de herberg, waar de prijsuitreiking geschieden zou en waar al het volk als van zelven heenstroomde. Boer Van Daele was tot den hoogsten graad der opgewondenheid gekomen.