Gulliver's Reizen naar Lilliput en Brobdingnag

Part 9

Chapter 94,106 wordsPublic domain

Zijn Majesteit liet drie groote geleerden komen, die hun éénweeksche wacht hadden, zooals gebruikelijk is in dat land. Deze heeren waren, nadat zij een poosje mijn gedaante zorgvuldig en oplettend onderzocht hadden, van verschillende meening over mij. Zij kwamen er in overeen dat ik niet kon ontstaan zijn overeenkomstig de gewone natuurwetten, omdat ik niet zoo was ingericht dat ik mijn leven kon beveiligen, hetzij door snelheid, of het beklimmen van boomen, of het graven van holen in den grond. Zij maakten op uit mijn tanden, die zij heel nauwkeurig bekeken, dat ik een vleeschetend dier moest zijn; maar daar de meeste viervoetige dieren mij de baas waren, en veldmuizen met nog een paar andere mij in vlugheid de loef afstaken, konden zij zich niet verbeelden hoe ik mij voeden zou, tenzij dan door te leven van slakken en andere insekten, wat zij aanboden met allerlei geleerde argumenten te bewijzen dat ik onmogelijk kon doen. Een van deze kunstvaardigen scheen te meenen dat ik een embryo of misgeboorte zijn zou. Maar die meening werd verworpen door de anderen, op grond dat mijn leden volkomen gevormd waren, en dat ik verscheiden jaren geleefd had, zooals duidelijk bleek aan mijn baard, waarvan zij de stompjes bespeurden door een vergrootglas. Zij konden mij ook niet voor een dwerg houden, omdat mijn kleinheid buiten alle vergelijking was; want de lievelings-dwerg van de koningin, de kleinste, die ooit in dat koninkrijk bekend was, was bijna dertig voet hoog. Na veel overleggingen besloten zij eenparig dat ik niets was dan een relplum scalcath, wat vertaald wordt lusus naturae, [1] eene bepaling, die uitnemend paste bij de nieuwere wijsbegeerte in Europa, wier belijders, versmadende het vroegere redmiddel van "verborgen oorzaken", waarmee de volgers van Aristoteles te vergeefs beproefden hun onkunde te verbergen, deze wonderlijke oplossing van alle moeielijkheden gevonden hebben, tot onuitsprekelijke bevordering van de menschelijke wetenschap.

Na dit beslissend oordeel verzocht ik een paar woorden te mogen spreken. Ik wendde mij tot den Koning en verzekerde Zijne Majesteit, dat ik van een land kwam waar het krioelde van millioenen menschen, van beiderlei geslacht en allen van mijn gestalte; waar de boomen en huizen naar evenredigheid klein waren, waar ik, dientengevolge, even geschikt was mij te verdedigen en voor mijn onderhoud te zorgen, als Zijner Majesteits onderdanen hier; wat ik meende dat een voldoend antwoord was op de beweringen van de heeren daar. Hierop antwoordden zij alleen met een minachtenden glimlach en het zeggen dat de boer mij uitstekend mijn lesje had voorgezeid. De Koning, die een veel beter begrip had, liet zijn geleerden gaan en zond om den boer, die gelukkig nog niet uit de stad was. Toen hij dien nu eerst afzonderlijk ondervraagd had en daarna met mij en het dochtertje tegelijk, begon Zijne Majesteit te meenen, dat wat wij hem vertelden mogelijk wel waar kon zijn. Hij verzocht de Koningin bizondere zorg voor mij te dragen, en vond het goed dat Glumdalclitch in haar betrekking van oppaster blijven zou, omdat hij zag dat wij elkander zoo genegen waren. Een welingericht vertrek aan het hof werd haar aangewezen, een soort van gouvernante werd benoemd om zorg te dragen voor haar opvoeding, een hofdame om haar te kleeden en twee andere bedienden voor het mindere werk; maar de zorg voor mij werd heel en al aan haar alleen toevertrouwd. De Koningin beval haar eigen meubelmaker een doos te vervaardigen, die ik voor slaapkamer gebruiken zou, naar het model dat Glumdalclitch en ik zouden vaststellen. Deze man was een zeer vindingrijk kunstenaar en vervaardigde naar mijn aanwijzingen binnen drie weken een houten kamer, van zestien voet in 't vierkant en twaalf hoog, met schuiframen, een deur en twee kleine vertrekjes als een Londensch slaapvertrek. Het dak dat het plafond vormde kon men oplichten en neerlaten aan twee scharnieren en zoo werd mijn bed er in gezet, kant en klaar geleverd door Harer Majesteits bekleeder, dat Glumdalclitch iederen dag eruit nam om het te luchten, met haar eigen handen opmaakte, en 's avonds weer van boven erin zette en het plafond boven me sloot. Een kunstig werkman, beroemd om de kleine snuisterijen die hij maken kon, nam op zich twee stoelen te leveren met ruggen en zittingen van een stof, die veel op ivoor leek, en twee tafels en een kast voor mijn zaken. De kamer was aan alle kanten bekleed, ook de vloer en de zoldering, om ongelukken te voorkomen, die ontstaan konden uit de zorgeloosheid van hen, die mij heen en weer droegen, en de kracht van een schok te breken, als ik mee in een rijtuig ging. Ik vroeg om een slot op mijn deur, om ratten en muizen te verhinderen binnen te komen. De smid, na verscheidene vruchtelooze pogingen, maakte 't kleinste dat daar ooit gezien is, want ik heb een grooter gekend aan de deur van een heerenhuis in Engeland. Ik bewaarde den sleutel in mijn zak, uit vrees dat Glumdalclitch hem verliezen zou. De Koningin gaf ook bevel de fijnst mogelijke zijde te doen uitzoeken, om kleederen voor me van te maken, niet veel dikker dan een Engelsche deken, en nog al bezwarend, zoolang ik er niet aan gewend was. Zij waren naar de mode van het rijk, en leken deels Perzisch, deels Chineesch, maar stonden ernstig en waardig.

De Koningin werd zoo gesteld op mijn gezelschap dat ze niet meer eten kon zonder me. Ik had een tafel staan op de tafel waar Hare Majesteit aan at, vlak aan haar rechter elleboog, en een stoel waar ik op zitten ging. Glumdalclitch stond op een bankje op den vloer naast mijn tafel om te helpen en zorg voor me te dragen. Ik had een volledig stel zilveren schalen en borden, en andere benoodigdheden, die, vergeleken bij die van de Koningin, niet veel grooter waren dan ik er wel eens gezien heb in een Londenschen speelgoedwinkel, bij den inboedel van een poppehuis; mijn kleine oppaster droeg die altijd in haar zak in een zilveren doos, en gaf ze me aan tafel als ik ze noodig had, en maakte ze altijd zelf schoon. Er at niemand met de Koningin dan de twee koninklijke prinsessen, de oudste van even zestien en de jongste van dertien jaar en een maand. Hare Majesteit placht een stukje vleesch op een van mijn borden te leggen, waarvan ik sneed voor mij zelf, en haar grootste schik was mij zoo in miniatuur te zien eten; want de Koningin, (die eigenlijk een zwakke maag had) gebruikte in een mondvol zooveel als een dozijn Engelsche boeren voor hun middagmaal zouden gebruiken; wat voor mij te dien tijde een heel walgelijk gezicht was. Zij verbrijzelde een leeuwriksvleugel, met been en al, tusschen haar tanden, al was hij negen maal zoo groot als een volwassen kalkoen; en zij stak een stuk brood in haar mond, dat tweemaal zoo groot was als twee brooden van twaalf stuivers. Zij dronk uit een gouden kop, meer dan een okshoofd in een slok. Haar messen waren tweemaal zoo lang als een zeis, die recht op haar heft staat. De lepels, vorken en ander tafelgereedschap waren alle naar dezelfde verhouding. Ik herinner me dat, toen Glumdalclitch me, voor de aardigheid, naar eenige hoftafels droeg, waar tien of twaalf van die reusachtige messen en vorken tegelijk in handen waren, ik dacht bij me zelf, dat ik nooit van mijn leven zoo iets vreeselijks had gezien.

Het is de gewoonte, dat iederen Woensdag (die, zooals ik hiervoor heb opgemerkt, hun rustdag is) de Koning en de Koningin, met de koninklijke prinsen en prinsessen, gezamenlijk eten in de kamer van Zijne Majesteit, bij wien ik zeer in de gunst was; en bij die gelegenheden werden mijn tafeltje en stoeltje aan zijn linkerhand gezet, vóor een van de zoutvaten. Deze vorst had er vermaak in met mij te praten, en mij uit te hooren over de zeden, den godsdienst, de wetten, het bestuur en de wetenschap van Europa; waarover ik hem zoo goed ik kon inlichtte. Zijn verstand was zoo helder, en zijn oordeel zoo juist, dat hij bij al wat ik zei zeer wijze overwegingen en opmerkingen maakte. Maar ik moet toegeven, dat, nadat ik een beetje te rijkelijk gepraat had over mijn dierbaar vaderland, over onzen handel en onze oorlogen te land en ter zee, over onze godsdiensttwisten en staatspartijen, de vooroordeelen van zijne opvoeding zoo sterk werden, dat hij niet laten kon mij in zijn rechterhand te nemen, en terwijl hij mij zachtjes streelde, met de andere, mij na een hartelijke lachbui te vragen: Wat ik nu was, een Whig of een Tory? Toen, zich wendende tot zijn eersten minister, die achter hem stond met een witten staf, wel haast zoo groot als de hoofdmast van de Royal Sovereign, zei hij: wat een verachtelijk poppenspel toch menschelijke grootheid was, die kon worden nageaapt door zulke nietige insecten als ik; en toch, zei hij, durf ik volhouden, dat deze schepseltjes hun titels hebben en onderscheidingen; dat zij kleine nestjes en molshoopen bouwen, die ze huizen en steden noemen; dat zij vertoon maken met kleeding en rijtuigen; dat ze liefhebben, vechten, twisten, bedriegen en verraad plegen! En zoo ging hij voort, terwijl mijn kleur ging en kwam van verontwaardiging, om zóo ons edel vaderland, de meesteres van kunsten en wapenen, den geesel van Frankrijk, de scheidsrechteres van Europa, den zetel van deugd, vroomheid, eer en waarheid, den trots en den naijver van de wereld, zóo minachtend te hooren bespreken.

Maar daar ik niet in omstandigheden was om wraak te nemen over beleedigingen, begon ik er rijper over na te denken of ik wel beleedigd wás. Want, nu ik mij verscheidene maanden eraan gewend had dit volk te zien en ermee om te gaan, en zag dat elk voorwerp, waar mijn oogen op vielen, van evenredige grootte was, begon de afschuw, dien ik eerst had gevoeld voor hun omvang en voorkomen, zoo zeer te slijten, dat, als ik op dat oogenblik een gezelschap van Engelsche heeren en dames in hun Zondagspakjes en versierseltjes gezien had, allen in hun dagelijksch bedrijf van hoffelijk loopen en buigen en babbelen; ik zou om de waarheid te zeggen een onweerstaanbaren lust gehad hebben zóo hard om hen te gaan lachen als de Koning en zijn grooten om mij. Ook kon ik niet nalaten te glimlachen om mijzelf, als de Koningin mij wel eens op haar hand voor een spiegel hield, waardoor onze beide gestalten languit tegen elkaar zichtbaar werden, want er kon niets belachelijker zijn dan de vergelijking; zoodat ik mij werkelijk begon te verbeelden, dat ik verscheiden graden beneden mijn oorspronkelijke grootte gekrompen was.

Er was niets dat mij zoo kwelde en boos maakte als de dwerg van de Koningin; die, zelf het kleinste menschje dat ooit was geweest in dat land, (want ik geloof wezenlijk dat hij nauwelijks dertig voet hoog was) zoo onbeschaamd werd door een schepsel te zien dat nog zoo'n stuk kleiner was, dat hij geregeld zijn best deed zich groot en gewichtig voor te doen en luidruchtig heen en weer te zwaaien als hij langs me kwam in de antichambre van de Koningin, terwijl ik op een of andere tafel stond te praten met de heeren en dames van het hof; en zelden verzuimde hij met een paar scherpe woorden te schimpen op mijn kleinheid; waartegen ik mij alleen verdedigen kon door hem broeder te noemen, hem uit te dagen met mij te worstelen, en meer zulke dingen te zeggen, als onder hofbedienden gebruikelijk zijn. Eens, aan den maaltijd, was dit kwaadaardige kleine monster zoo neetoorig over iets dat ik tegen hem gezegd had, dat hij op de zitting van Harer Majesteits stoel klom, en mij, terwijl ik zonder erg op mijn stoeltje zat, bij het middel pakte, en in een groote zilveren kom met room vallen liet, waarna hij zoo hard hij kon wegliep. Ik ging heelemaal kopje onder, en als ik niet zoo'n goed zwemmer was geweest zou het slecht met me zijn afgeloopen; want Glumdalclitch was op dat oogenblik juist aan het andere eind van de kamer, en de Koningin zóo geschrokken, dat ze de tegenwoordigheid van geest miste om me te helpen. Maar mijn kleine oppaster vloog me te hulp en haalde me eruit nadat ik meer dan een kan room had ingekregen. Ik werd te bed gebracht, maar gelukkig zonder ander nadeel dan het verlies van een pak kleeren, dat heelemaal bedorven was. De dwerg kreeg een flink pak met de zweep, en werd, tot verdere straf, veroordeeld den schotel met room, waar hij me in had gegooid, leeg te drinken; ook werd hij nooit meer in gunst hersteld; want kort daarna schonk de Koningin hem aan een dame van aanzien; zoodat ik hem niet weerom zag, tot mijn groote voldoening, want ik kon niet zeggen tot wat voor uitersten zoo'n kwaadaardige dwerg zijn wrok zou hebben voortgezet.

Daarvóór had hij me nog een gemeenen trek gespeeld, die de Koningin aan 't lachen maakte, ofschoon ze tegelijk erg boos was en hem onmiddellijk zou hebben weggejaagd als ik niet zoo edelmoedig was geweest hem voor te spreken. Hare Majesteit had een mergpijp op haar bord genomen, en de pijp, toen ze het merg eruit had geklopt, weer rechtop in de schaal gezet; de dwerg, die op de loer lag, totdat Glumdalclitch even naar het buffet gegaan was, klom, toen hij zoo zijn kans schoon zag, op den stoel waarop zij stond als ze aan tafel voor me zorgde, nam met allebei zijn handen me op, kneep mijn beenen bij mekaar en duwde ze zoo in de mergpijp tot boven mijn middel, waar ik een poosje in steken bleef en een allerbelachelijkst figuur sloeg. Ik geloof dat het bijna een minuut duurde voordat iemand wist wat er van me geworden was; want ik vond het beneden me te schreeuwen. Maar, daar vorsten zelden te warm eten gebruiken, waren mijn beenen niet verschroeid en zag het er alleen bedroefd uit met mijn broek en kousen. De dwerg kreeg op mijn verzoek niet anders dan een flink pak slaag.

Ik werd dikwijls door de Koningin geplaagd om mijn vreesachtigheid; en zij placht mij te vragen of mijn landgenooten allemaal zulke lafaards waren als ik zelf? Dit was het geval: Het koninkrijk is des zomers verpest van vliegen; en die walgelijke insecten, waarvan elk zoo groot is als een leeuwrik, lieten mij nauwelijks een oogenblik rust als ik aan den maaltijd zat, met hun onophoudelijk gebrom en gegons om mijn ooren heen. Soms gingen zij zitten op mijn eten, en soms op mijn neus of voorhoofd, waar ze mij vinnig staken, en daarbij allerhinderlijkst riekten; en ik kon gemakkelijk die lijmachtige stof bemerken, die zooals de natuurbeschrijvers zeggen, die dieren in staat stelt met hun voeten naar de hoogte tegen een zoldering te wandelen. Ik had druk werk met mij tegen die afschuwelijke dieren te verdedigen, en kon niet laten op te schrikken als zij op mijn gezicht kwamen.

De dwerg had nog al eens de gewoonte een aantal van die beesten te vangen in zijn handholte, zooals de schooljongens bij ons doen, en ze dan plotseling vlak onder mijn neus er uit te laten, ten einde mij te verschrikken en de Koningin te vermaken. Mijn hulpmiddel daartegen was, ze met mijn mes in stukken te snijden, terwijl ze om me heen vlogen, waarin ik bewonderd werd om mijn handigheid.

Ik herinner me, dat op een morgen, toen Glumdalclitch mij in mijn doos voor een venster gezet had, zooals zij meestal deed als het zonnig weer was, om me frissche lucht te geven (want ik dorst niet wagen de doos aan een nagel buiten het venster te laten hangen, zooals wij met vogelkooitjes doen in Engeland), nadat ik een van mijn ramen had opgeschoven en aan mijn tafel zat om een stukje koek voor mijn ontbijt te gebruiken, meer dan twintig wespen door den reuk aangelokt, mijn kamer kwamen invliegen, harder brommende dan het geblaas van zooveel doedelzakken. Eenige grepen mijn koek en brachten die bij stukjes weg; anderen vlogen om mijn hoofd en gezicht, mij doof makende met hun geluid en doodsbang met hun angels. Ik had evenwel den moed op te staan, mijn houwer te trekken en hen aan te vallen. Ik doodde er vier, maar de rest vloog weg en ik sloot dadelijk het venster. Deze wezens waren zoo groot als patrijzen; ik rukte hun angels uit die anderhalven duim lang waren en zoo scherp als naalden. Ik bewaarde ze zorgvuldig en nadat ik ze met andere merkwaardigheden in verschillende deelen van Europa vertoond had, gaf ik er na mijn terugkomst in Engeland drie aan Gresham College, en hield den vierden voor mijzelf.

VIERDE HOOFDSTUK.

Beschrijving van het land.--Voorstel tot verbetering van moderne landkaarten.--Het koninklijk paleis en een beschrijving van de hoofdstad.--Des schrijvers manier van reizen.--Beschrijving van den voornaamsten tempel.

Ik ga nu den lezer een korte beschrijving geven van dit land, voor zoover ik het doorreisd heb, wat niet meer was dan twee duizend mijlen rondom de hoofdstad Lorbrulgrud; want de Koningin, met wie ik altijd meeging, ging nooit verder wanneer zij den Koning vergezelde op zijn rondreizen, en bleef dan achter totdat Zijne Majesteit terugkeerde van het nazien van zijn grenzen. De heele uitgestrektheid van het gebied van dezen vorst is omstreeks zesduizend mijlen in de lengte en van drie tot vijf in de breedte, waaruit ik niet anders kan dan het besluit trekken dat onze aardrijkskundigen in Europa zeer dwalen, als zij gelooven dat er niets dan zee tusschen Japan en Californië is; want het is altijd mijn meening geweest, dat er een tegenwicht van land moet wezen om evenwicht te houden met het groote vasteland van Tartarije; en daarom behooren zij hunne atlassen en kaarten te verbeteren, door deze uitgestrekte strook land bij de noordwestelijke deelen te voegen van Amerika, waarin ik hen gaarne behulpzaam zal zijn.

Het koninkrijk is een schiereiland, in het noord-oosten begrensd door een bergrug van dertig mijl hoog, die volstrekt onbegaanbaar is, van wege de vulkanen op zijn toppen; ook weten de geleerdste menschen niet, wat soort van stervelingen overzijds die bergen wonen, noch of daar iemand woont. Aan de drie andere zijden is het besloten door den oceaan. Er is geen een zeehaven in het koninkrijk en die deelen van de kusten, waar de rivieren uitmonden, zijn zoo vol puntige rotsen, en de zee gemeenlijk zoo woest, dat de kleinste boot er zich niet wagen kan, zoodat dit volk geheel en al afgesloten is van den handel met de overige volken van de wereld. Maar de groote rivieren zijn vol schepen en rijk aan uitmuntende visschen, want zelden krijgen zij visch van de zee, omdat de zeevisschen van dezelfde grootte als die in Europa zijn, en diensvolgens het vangen niet waard, waardoor het duidelijk is, dat de natuur in het voortbrengen van planten en dieren van een zoo buitengewonen omvang geheel tot dit vasteland begrensd is, de redenen waarom ik den wijsgeeren te vinden overlaat. Nu en dan echter vangen zij een walvisch, die toevallig op de rotsen geworpen is, waarvan het gewone volk met graagte eet. Die walvisschen heb ik zoo groot gekend, dat een man er nauwlijks een op zijn schouders versjouwen kon; en soms worden ze als een merkwaardigheid in manden naar Lorbrulgrud gebracht; ik zag er een in een schotel op de koningstafel, die werd opgediend als een zeldzaamheid, maar ik vond niet dat hij er dol op was; ik denk, dat de omvang van het beest hem tegenstond, ofschoon ik een grooteren in Groenland gezien heb.

Het land is goed bewoond, want het telt een-en-vijftig steden, bijna honderd ommuurde plaatsen en een groot getal dorpen. Het zal om den belangstellenden lezer te bevredigen, voldoende zijn Lorbrulgrud te beschrijven. Deze stad staat op twee gelijke stukken oever; de rivier gaat er midden door. Zij bevat meer dan tachtigduizend huizen en omstreeks zeshonderd duizend inwoners. Zij strekt zich uit over een lengte van drie glomglungs (dat is ongeveer vier en vijftig Engelsche mijlen) en een breedte van twee en een halve; naar de berekening die ik maakte op grond van den koninklijken atlas, op bevel van den koning vervaardigd, die voor me op den vloer werd gelegd en zich honderd voet uitstrekte; ik mat de doorsnee en den omtrek verscheidene malen met mijn bloote voeten en met behulp van de daarbij behoorende schaal, maakte ik een tamelijk nauwkeurige opmeting.

Het koninklijk paleis is geen regelmatig gebouw, maar een opeenhooping van gebouwen, zoo wat zeven mijl in omtrek; de voornaamste kamers zijn meestal tweehonderd veertig voet hoog en breed en lang naar verhouding. Er werd Glumdalclitch en mij een koets toegestaan, waarin haar gouvernante haar dikwijls mee nam om de stad te zien of naar de winkels te kijken en ik was altijd van de partij in mijn doos, schoon het kind op mijn verlangen mij dikwijls er uit nam en in haar hand hield, opdat ik, terwijl we de straten doorgingen, meer op mijn gemak het volk en de huizen kon zien. Ik schatte onze koets zoowat zoo groot te zijn als Westminster Hall, maar niet heelemaal zoo hoog; maar ik kan daar niet heel precies in zijn. Op een keer gaf de gouvernante den koetsier last stil te houden voor verscheidene winkels, waar de bedelaars, hun kans schoon ziende, te hoop liepen om het rijtuig, en mij de afgrijselijkste tooneelen vertoonden, die ooit door Engelsche oogen zijn gezien. Daar was een vrouw met een zweer in haar borst, tot een monsterachtige grootte gezwollen en vol gaten. Daar was een vent met een wrat in zijn nek, grooter dan vijf wolbalen, en een andere met een paar houten beenen, elk van twintig voet hoog. Maar het afschuwlijkst te zien waren de luizen, die op hun kleeren rondkropen. Ik kon duidelijk de ledematen van dat ongedierte zien met mijn bloote oog, veel beter dan die van een Europeesche luis door een microskoop en hun snoeten, waarmee zij wroetten als zwijnen. Zij waren de eerste, die ik ooit zag, en ik zou graag een ontleed en onderzocht hebben, als ik geschikte instrumenten gehad had, die ik ongelukkig in het schip had gelaten; schoon, om de waarheid te zeggen, het gezicht alleen al zoo walgelijk was, dat mijn hart in mijn lijf er van omdraaide.

Behalve de groote doos, waarin ik gewoonlijk gedragen werd, beval de Koningin dat een kleinere gemaakt zou worden van twaalf voet oppervlak en tien voet hoog, voor meerder gemak als we op reis waren, want de andere was een beetje te groot voor Glumdalclitch haar schoot en hinderlijk in het rijtuig; zij werd gemaakt door denzelfden kunstenaar, wien ik bij de heele bewerking mijn aanwijzingen gaf. Dit reisvertrek was precies vierkant, met een venster in het midden van drie zijden en elk venster betralied met ijzer draadwerk van buiten, om bij lange reizen ongelukken te voorkomen. Aan de vierde zijde, die geen venster had, waren twee sterke hengsels bevestigd, waar de man, die mij droeg, een leeren riem doorheen deed en die om zijn middel gespen kon. Dit was altijd de taak van den een of anderen ernstigen vertrouwden dienaar op wien ik aan kon, telkens als ik den Koning en de Koningin vergezelde op hun rondreizen, of lust kreeg de tuinen te zien, of een visite te maken bij een of andere dame of minister van staat aan het hof, als Glumdalclitch een keer ongesteld was; want ik begon spoedig door de grootste heeren gekend en geacht te worden; meer tengevolge van de gunst van hunne Majesteiten, dan om mijn eigen belangrijkheid, waarschijnlijk. Op reis, als het rijtuig mij verveelde, gespte een bediende te paard mijn doos om, en zette haar voor zich op een kussen; zoodat ik een onbelemmerd gezicht had op drie zijden van het land, door mijn drie vensters. Ik had, in dit verblijf, een veldbed, en een hangmat, die aan de zoldering hing, twee stoelen en een tafel, aan den vloer geschroefd, om te voorkomen dat ze heen en weer gegooid werden door het schokken van paard of rijtuig. En daar ik lang aan zeereizen gewend was, hinderden die bewegingen, schoon zij soms vrij hevig waren, mij niet te erg.

Als ik eens lust had de stad te gaan zien, was dat altijd in mijn reisvertrek, dat Glumdalclitch in haar schoot hield, terwijl zij zat in een open draagstoel, naar landsgebruik door vier man gedragen, en begeleid door twee andere, in de liverei der Koningin. Het volk, dat dikwijls van mij hoorde, was altijd nieuwsgierig naar mij en verdrong zich om den draagstoel, en mijn verzorgster was dan zoo welwillend de dragers te doen stilhouden en mij in haar hand te nemen, opdat ik beter zou kunnen gezien worden.