Gulliver's Reizen naar Lilliput en Brobdingnag
Part 8
Na den maaltijd ging mijn meester zien naar zijn arbeiders, en gaf zijn vrouw, zooals ik uit zijn stem en gebaren kon opmaken, strikten last om goed zorg voor mij te dragen. Ik was erg vermoeid en slaperig en mijn meesteres, dat bemerkende, legde me op haar eigen bed en dekte me toe met een schoonen witten zakdoek, maar grooter en grover dan het schoenerzeil van een oorlogsschip.
Ik sliep ongeveer twee uur en droomde dat ik thuis was bij mijn vrouw en kinderen, wat mijn verdriet nog deed toenemen toen ik wakker werd en mij alleen, in een uitgestrekt vertrek van tusschen twee- en driehonderd voet breed en meer dan tweehonderd hoog in een bed van twintig ellen breedte liggen vond. Mijn meesteres was aan haar huishouden gegaan en had mij opgesloten. Het bed was acht el boven den vloer. Ik wenschte er af te komen, maar dorst niet roepen; en als ik het gedaan had zou het te vergeefs geweest zijn, met een stem als de mijne, op een zoo grooten afstand als van de kamer waar ik was tot de keuken, waar de familie zich in ophield. Terwijl ik mij in die omstandigheden bevond, kropen twee ratten tegen de gordijnen op, en liepen snuffelende naar achteren en naar voren over het bed. Een kwam bijna vlak bij mijn gezicht, waarop ik beangst opsprong en mijn houwer trok om me te verdedigen. Deze afgrijselijke dieren hadden de stoutmoedigheid mij aan weerszijden aan te vallen en een hield zijn voorpooten aan mijn halsboord; maar ik had het geluk haar den buik op te rijten, voor zij mij eenig kwaad kon doen. Zij viel voor mijn voeten neer en de andere, het lot van haar makker ziende, nam de vlucht, maar niet zonder een geduchte wond op haar rug, die ik haar gaf terwijl zij wegliep en haar het bloed langs de zijden deed druppelen. Na deze heldendaad wandelde ik zoetjes op en neer over het bed, om weer op adem en op mijn verhaal te komen. De beesten waren van de grootte van een grooten dog maar oneindig vlugger en woester, zoodat, als ik voor ik slapen ging, mijn gordel had afgelegd, ik onfeilbaar in stukken gescheurd en verslonden zou zijn. Ik mat den staart van de doode rat en bevond dat hij twee el lang was, op een duim na; maar ik walgde er een beetje van het lijk van het bed af te sleepen, waar het maar al lag te bloeden; ik merkte dat er nog eenig leven in was, maar met een fikschen houw over den nek, maakte ik het heelemaal van kant. Spoedig daarop kwam mijn meesteres in de kamer, die mij geheel bebloed ziende, toeschoot en mij in haar hand nam. Ik wees haar naar de doode rat, glimlachende en nog andere teekens makende om te toonen dat ik niet gewond was, waarop ze uitermate blij werd, roepende de meid om de doode rat op te nemen met een tang en haar uit het venster te gooien. Toen zette ze mij op tafel, waar ik haar mijn houwer toonde heelemaal bebloed, en stak hem, nadat ik hem aan mijn jaspanden had afgeveegd, weer in zijn schede.
Ik hoop dat de vriendelijke lezer mij het uitweiden over deze en dergelijke bijzonderheden ten goede zal houden, die, hoe onbeteekenend zij voor gewone geesten schijnen mogen, toch zeker een wijsgeer zullen helpen zijn gedachten en verbeelding te verrijken, en er gebruik van te maken ten welvaren van publiek zoowel als bijzonder leven, wat mijn eenig doel was met het voorleggen van deze en andere berichten van mijn reizen aan de wereld, waarin ik voornamelijk naar waarheid gestreefd heb, zonder eenige versierselen van geleerdheid of stijl voor te wenden. Maar het geheele tooneel van deze reis maakte zoo een sterken indruk op mijn geest, en is zoo diep gegrift in mijn geheugen, dat ik, haar op papier brengende, niet eene bijzonderheid van beteekenis vergeten heb; evenwel heb ik bij een strenge herziening, verscheidene gedeelten van minder gewicht weggeschrapt, die in mijn eerste handschrift waren, uit vrees te worden veroordeeld als vervelend en onbeteekenend, wat reizigers dikwijls, misschien niet ten onrechte, beschuldigd worden te zijn.
TWEEDE HOOFDSTUK.
Een beschrijving van het dochtertje van den boer.--De schrijver naar een marktplaats gebracht en daarna naar de hoofdstad.--Bizonderheden over zijn--reis.--
Mijn meesteres had een dochtertje van negen jaar oud, een voordeelig kind voor haar leeftijd, heel vlug met de naald en handig in het kleeden van haar pop. Haar moeder en zij brachten tegen den nacht de poppewieg voor mij in orde; de wieg werd in een kleine la van een kabinet gezet, en de la op een hangende plank geplaatst uit vrees voor de ratten. Dit was mijn bed, al den tijd, dat ik bij die menschen in huis bleef, schoon het langzamerhand meer naar mijn gemak werd ingericht, naarmate ik hun taal begon te leeren, en mijn behoeften bekend te maken. Dit jonge meisje was zoo handig, dat toen ik een of twee keer mijn kleeren had uitgetrokken waar zij bij was, ze mij aan en uit kon kleeden, maar ik deed haar die moeite nooit aan, tenzij ze er op aandrong. Zij maakte zeven hemden en ander linnengoed voor me, van het fijnste goed dat ze krijgen kon, dat toch nog grover was dan zakkegoed, en die waschte ze geregeld zelf. Zij was ook mijn schooljuffrouw, die me de taal leerde; als ik naar iets wees, zei zij mij den naam er van in haar taal, zoodat ik in een dag of wat vragen kon om wat ik hebben wou. Zij was een goed kind en niet grooter dan veertig voet, wat klein is voor haar leeftijd. Zij gaf mij den naam van Grildrig, dien de familie overnam en later het heele rijk. Het woord beteekent wat de Latijnen Nanunculus, de Italianen Homunceletino en de Engelschen mannikin noemen. Ik ben haar grootendeels verschuldigd dat ik in dit land mijn leven behield; ik noemde haar mijn Glumdalclitch of kindermeisje, en ik zou me schuldig maken aan groote ondankbaarheid als ik deze eervolle vermelding naliet van haar zorg en genegenheid voor mij, die ik van harte wensch dat het in mijn macht stond, te beloonen zooals ze het verdient, in plaats van, zooals ik maar te veel reden heb te vreezen, de onschuldige, maar ongelukkige bewerker van haar schande te zijn.
Het begon nu bekend, en in de buurt erover gepraat te worden, dat mijn meester een vreemd diertje in 't veld had gevonden, zoowat zoo groot als een splacnuck, maar volmaakt gevormd als een menschelijk wezen, dat het ook in al zijn bewegingen nabootste; en dat een eigen taaltje scheen te spreken, al verscheidene woorden van hun taal geleerd had, rechtop op zijn twee beenen liep, tam en aardig was, kwam wanneer het geroepen werd, alles deed wat het gezegd werd, de fijnste ledematen van de wereld had, en een complexie teerder dan een edelmansdochter van drie jaar oud. Een andere boer, die dichtbij woonde, en een bizonder vriend van mijn meester, kwam een bezoek brengen met het doel te onderzoeken wat er waar was van dat verhaal. Ik werd onmiddellijk voor den dag gehaald en op een tafel gezet, waar ik wandelde zooals men mij beval, mijn houwer trok, weer opstak, een buiging maakte voor den gast, hem in zijn eigen taal vroeg hoe hij het maakte, en hem zei dat hij welkom was, zooals mijn kindermeisje mij dat had geleerd. Deze man, die oud en bijziende was, zette zijn bril op om mij beter te zien, waarop ik niet laten kon hartelijk te lachen, want zijn oogen leken me wel volle manen, schijnende in een kamer met twee vensters. De huisgenooten, die de oorzaak van mijn vroolijkheid ontdekten, hielden mij in mijn lachen gezelschap, waarover de oude mal genoeg was boos en uit zijn humeur te worden. Hij stond bekend voor een ergen vrek; en hij kon dat, tot mijn ongeluk, best wezen, naar den vervloekten raad dien hij mijn meester gaf, mij te laten kijken op een marktdag in de naburige stad, die een half uur rijdens, ongeveer twee-en-twintig mijlen, van ons af was. Ik vermoedde dat er eenig kwaad broeide, toen ik mijn meester en zijn vriend met elkaar zag fluisteren, terwijl zij soms naar mij wezen; en mijn vrees deed me gelooven dat ik af en toe enkele van hun woorden verstaan kon. Maar den volgenden morgen vertelde Glumdalclitch, mijn kleine oppaster, mij de heele zaak, waarover ze haar moeder listig had uitgehoord. Het arme kind legde mij aan haar borst, en viel aan 't schreien van verdriet en schaamte. Zij was bang dat mij een ongeluk zou overkomen van gemeene hardhandige menschen, die me misschien dood zouden knijpen of een van mijn leden breken, als ze me in hun handen namen. Zij had ook gemerkt hoe preutsch ik van nature was, hoe gesteld op mijn eer, en wat een schande ik het vinden zou voor geld ten toon gesteld te worden, als een publieke vertooning voor het minste volk. Zij zeide, dat vader en moeder haar beloofd hadden, dat Grildrig van háar zou hooren; maar nu merkte zij, dat ze haar net zoo zouden behandelen als het vorige jaar, toen zij haar een lam beweerden te geven, en het toch, zoodra het goed vet was, verkochten aan een slager. Wat mij betreft, ik kan naar waarheid getuigen, dat ik minder bezorgd was dan mijn verzorgstertje. Ik had een vast vertrouwen, dat me nooit verliet, dat ik eens mijn vrijheid zou terugkrijgen; en wat aangaat de schandelijkheid van te worden door het land gevoerd als een kijkspel, ik bedacht dat ik een volslagen vreemdeling was in dat land, en dat zulk een ongeluk mij nooit als een verwijt kon worden nagegeven, als ik mocht terugkomen in Engeland, daar de koning van Groot-Brittannië zelf, in mijn geval, hetzelfde lot had moeten ondergaan.
Mijn meester nam me dan, ingevolge den raad van zijn vriend, den volgenden marktdag, in een doos met zich naar de naburige stad en liet zijn dochtertje, mijn kleine verzorgster, op een kussen achter hem opzitten. De doos was aan alle kanten dicht, met een kleine deur voor mij om in en uit te gaan en een paar boor-gaatjes om lucht in te laten. Het meisje was zoo zorgvol geweest er de sprei van haar poppebedje in te doen, waarop ik liggen kon. Nochtans werd ik op die reis verschrikkelijk geschokt en heen en weer gegooid, ofschoon ze maar een half uur duurde: want het paard nam stappen van zoo wat veertig voet, en draafde zoo hoog, dat de beweging gelijk was aan het op- en neergaan van een schip in een hevigen storm, maar veel veelvuldiger. Onze reis was iets verder dan van Londen naar St. Albans. Mijn meester stapte af aan een herberg, waar hij dikwijls kwam; en na een poosje met den herbergier overlegd, en eenige noodzakelijke toebereidselen gemaakt te hebben, huurde hij den grultrud, of omroeper, om door de stad bekend te maken, dat een vreemd wezen te zien was, waar de Groene Arend uithing, niet zoo groot als een splacnuck (een dier in dat land, fraai gevormd, ongeveer zes voet lang) en in al zijn lichaamsdeelen een menschelijk wezen gelijkende; het kon verscheidene woorden spreken en honderd aardige kunstjes doen.
Ik werd op een tafel gezet in het grootste vertrek van de herberg, dat bijna driehonderd voet in 't vierkant mag zijn geweest. Mijn kleine meesteres stond op een lagen stoel vlak bij de tafel, om op me te passen en me te zeggen wat ik doen moest. Om gedrang te vermijden wou mijn meester niet meer dan dertig personen tegelijk binnenlaten. Ik stapte over de tafel heen en weer, zooals mij door het dochtertje bevolen werd: zij stelde mij vragen, die ze wist dat ik met mijn kennis van de taal kon beantwoorden, en ik antwoordde zoo hard ik kon. Ik wendde mij verscheiden malen naar het gezelschap, groette het beleefd, zei dat het welkom was, en gebruikte een paar andere spreekwijzen, die ik had geleerd. Ik nam een vingerhoed, gevuld met drank, dien Glumdalclitch mij voor beker gegeven had en dronk hun gezondheid. Ik trok mijn houwer, en zwaaide hem, naar de wijze van de schermers in Engeland. Mijn verzorgster gaf me een stuk stroo, dat ik hanteerde als een piek, hebbende die kunst geleerd in mijn jeugd. Ik werd dien dag vertoond aan twaalf partijen volk, en was even dikwijls genoodzaakt dezelfde dwaasheden over te doen, totdat ik halfdood was van uitputting en ergernis; want zij die mij gezien hadden brachten zulke wondervolle verslagen uit, dat het volk op het punt stond de deur open te breken om binnen te komen. Mijn meester wou niet, in zijn eigen belang, dat iemand mij aanraakte dan zijn dochtertje, en om ongelukken te voorkomen, waren banken rondom de tafel gezet op zoo'n afstand, dat ik buiten ieders bereik was. Maar een ondeugende schooljongen mikte een hazelnoot vlak op mijn hoofd, die me bijna geraakt had; gelukkig bijna, want ze kwam met zooveel kracht, dat ze onfeilbaar mijn hersens zou hebben stukgeslagen, want ze was haast zoo groot als een kleine meloen; maar ik had de voldoening den jeugdigen rekel flink afgerost en buiten de deur gezet te zien.
Mijn meester liet bekend maken dat hij mij den volgenden marktdag weer vertoonen zou; en maakte meteen een geriefelijker voertuig voor me klaar, wat ook wel noodig was; want ik was zoo uitgeput van mijn reis heen en van het acht uur achter elkaar kunstjes maken, dat ik nauwelijks op mijn beenen staan en geen woord spreken kon. Het duurde ruim drie dagen voor ik weer op mijn verhaal was; en opdat ik ook thuis toch maar vooral geen rust zou hebben, kwamen al de buren van honderd mijl in de rondte, die van mij hoorden, mij bij mijn meester aan huis zien. Het kunnen niet minder geweest zijn dan dertig personen, met hun vrouwen en kinderen (want het land was zeer bevolkt); en mijn meester vroeg telkens, als hij me thuis vertoonde, den prijs van een volle kamer, al kwam er maar een enkele familie, zoodat ik gedurende eenigen tijd geen dag van de week op mijn gemak was (behalve Woensdag, dat hun rustdag is) ook al werd ik niet naar stad gebracht.
Mijn meester, merkende hoe winstgevend ik voor hem zijn kon, besloot de belangrijkste steden van het koninkrijk met mij rond te reizen. Hebbende daarom zich voorzien van al wat noodig is voor een lange reis, en op zijn zaken thuis orde gesteld, nam hij afscheid van zijn vrouw, en op den 17den Augustus 1703, zoowat twee maanden na mijn aankomst, reisden wij af naar de hoofdstad, die bijna in het midden van dat rijk gelegen is, en op ongeveer drieduizend mijlen afstand van ons huis. Mijn meester had zijn dochtertje Glumdalclitch achter zich te paard. Ze hield mij op haar schoot in een doos, die om haar middel gebonden was. Het kind had die doos aan alle kanten gevoerd met het zachtste goed dat zij krijgen kon, het van onderen goed opgevuld, haar poppebedje erin gelegd, mij voorzien van linnen en andere behoeften, en alles zoo geriefelijk mogelijk gemaakt. Wij hadden geen ander gezelschap dan een knechtje, die achter ons reed met de bagage.
Het plan van mijn meester was mij in alle steden te laten zien, waar we doorreisden, en vijftig of honderd mijl bezijden den weg af te gaan naar ieder dorp of heerenhuis, waar hij verwachten kon zaken te doen. Wij maakten makkelijke dagreizen van niet meer dan honderdvijftig mijlen: want Glumdalclitch klaagde, om mij te sparen, over vermoeidheid door het schokken van het paard. Zij nam me, op mijn verlangen, dikwijls uit de doos, om me lucht te geven en me het land te laten zien, maar hield me altijd aan een draadje vast. Wij gingen vijf of zes rivieren over, heel wat breeder en dieper dan de Nijl of de Ganges, en er was nauwelijks een riviertje zoo smal als de Theems bij London Bridge. Onze reis duurde tien weken en in dien tijd was ik vertoond in achttien groote steden, behalve in een groot aantal dorpen en afzonderlijke huizen.
Den 26sten October bereikten wij de hoofdstad, in hun taal Lorbrulgrud, of Trots van het Heelal genoemd. Mijn meester nam zijn intrek in de hoofdstraat van de stad, niet ver van het Koninklijk paleis, en hing aanplakbiljetten buiten, in den gewonen vorm, waarop een nauwkeurige beschrijving van mijn persoon en hoedanigheden. Hij huurde een groote kamer tusschen drie- en vierhonderd voet breed. Hij schafte zich een tafel aan van zestig voet in doorsnee, waarop ik mijn kunsten vertoonen zou en omheinde haar in de rondte drie voet binnen den rand en evenveel hoog om afvallen te voorkomen. Ik werd tienmaal per dag vertoond, tot de verbazing en de voldoening van iedereen. Ik kon de taal nu tamelijk wel spreken en verstond volkomen elk woord dat tegen me gezegd werd. Ook had ik hun alphabet geleerd en kon hier en daar probeeren een volzin te verklaren; want Glumdalclitch had mij toen we nog thuis waren en in onze vrije uren op reis, onderwezen. Zij droeg een klein boekje bij zich, niet veel grooter dan een Sanson's Atlas, dat was een eenvoudige verhandeling ten gebruike van jonge meisjes, bevattende een kort overzicht van hun godsdienst; daaruit leerde zij mij de letters en legde mij de woorden uit.
DERDE HOOFDSTUK.
Er wordt van het hof gezonden om den schrijver.--De Koningin koopt hem van zijn meester en stelt hem voor aan den koning.--Hij houdt twistgesprekken met Zijner Majesteits geleerden.--Een kamer aan 't hof wordt voor hem ingericht.--Hij staat in gunst bij de Koningin.--Hij verdedigt de eer van zijn vaderland.--Zijn vijandschap met den dwerg van de Koningin.
De aanhoudende veranderingen die ik iederen dag onderging, veroorzaakten binnen weinige weken een belangrijke verandering in mijn gezondheid: hoe meer mijn meester aan me verdiende, hoe begeeriger hij werd. Ik had heelemaal mijn eetlust verloren, en was bijna afgevallen tot een geraamte. De boer merkte het en overleggende bij zich zelf dat ik gauw sterven zou, besloot hij nog zooveel uit me te halen als hij kon. Terwijl hij zoo bij zichzelf overlegde en besloot, kwam een slardral, of kamerdienaar van het hof, met bevel aan mijn meester onmiddellijk daarheen te komen en mij te laten kijken aan de koningin en haar dames. Eenige van de laatste waren me al komen zien en brachten Haar Majesteit de vreemdste verhalen over van mijne schoonheid, mijn manieren en mijn gezond verstand. Hare Majesteit en zij die bij haar waren, toonden zich bovenmate over mijn voorkomen verrukt. Ik viel op mijn knieën en verzocht om de eer haar vorstelijke voeten te mogen kussen; maar deze bevallige vorstin hield, toen ik op tafel gezet was, haar pink naar me toe, die ik omvatte met bei mijn armen en waarvan ik den top met den diepsten eerbied aan mijn lippen bracht, en zij deed mij een paar algemeene vragen over mijn land en mijn reizen, die ik zoo duidelijk en zoo beknopt als ik kon beantwoordde. Zij vroeg of ik wel aan het hof zou willen leven? Ik boog tot het vlak van de tafel en antwoordde weder dat ik mijns meesters slaaf was, maar dat als ik over mij zelf beschikken mocht, ik er trotsch op wezen zou mijn leven aan Harer Majesteits dienst te wijden. Zij vroeg toen mijn meester of hij geneigd was me tegen een goeden prijs te verkoopen. Hij, die vreesde dat ik geen maand meer zou leven, was willig genoeg afstand van mij te doen en vroeg duizend stukken goud, die hem onmiddellijk werden toegestaan; elk stuk zoowat van de zwaarte van achthonderd moidores, maar in aanmerking nemende de evenredigheid in alles tusschen dat land en Europa en den hoogen prijs van het goud in dat rijk, was die som nauwelijks zoo groot als duizend guineas bij ons. Ik zei toen tot de Koningin, dat ik nog, daar ik Harer Majesteits onderdanigste dienaar en vasal was, om de gunst verzoeken dorst dat Glumdalclitch die mij altijd met zooveel zorg en zoo hartelijk had opgepast en daar zoo goed voor berekend was, ook in haar dienst zou mogen overgaan, en ook in het vervolg mijn onderwijzeres en oppaster zijn.
Hare Majesteit stond mijn verzoek toe, en verkreeg gemakkelijk de toestemming van den boer, die heel blij was zijn dochter te zien aangesteld aan het hof, en het arme kind zelf was niet in staat haar vreugd te verbergen. Mijn gewezen meester ging weg, mij vaarwel zeggende en mij toevoegende dat hij mij in een goeden dienst achterliet, waar ik geen woord op antwoordde, makende alleen een lichte buiging.
De Koningin bespeurde mijn koelheid, en vroeg mij, toen de boer uit het vertrek was, de reden daarvan. Ik waagde het Hare Majesteit te zeggen, dat ik aan mijn gewezen meester geen grooter verplichting had dan daarvoor, dat hij mij arm, schadeloos schepsel, bij toeval in 't veld gevonden, niet doodgetrapt had; een verplichting waar ruim tegen opwoog de winst die hij gemaakt had door me in het halve koninkrijk te laten kijken en de prijs waar hij me nu voor verkocht had; dat het leven dat ik al dien tijd geleid had vermoeiend genoeg was om een dier van tienmaal mijn kracht te dooden; dat mijn gezondheid erg geschaad was door het voortdurend geploeter van ieder uur van den dag het plebs te moeten pleizieren; en dat, als mijn meester niet gedacht had dat mijn leven gevaar liep, Hare Majesteit mij niet zoo goedkoop zou gekregen hebben. Maar daar ik nu buiten alle vrees voor slechte behandeling was, onder de bescherming van een zoo groote en goede vorstin, het sieraad der natuur, de lieveling van de wereld, de verrukking van hare onderdanen, de phoenix der schepping, nu hoopte ik dat de vrees van mijn gewezen meester zonder grond zou blijken te zijn; want ik voelde mijn levensgeesten al weer wakker worden onder den invloed van hare zeer verheven tegenwoordigheid.
Dit was het hoofdzakelijke van mijn rede, gebrekkig en aarzelend uitgesproken. Het laatste deel was in den bij dit volk gebruikelijken stijl, waar ik sommige volzinnen van leerde van Glumdalclitch, terwijl ze mij naar het hof bracht.
De koningin, mijn gebrekkelijkheid in 't spreken goedgunstig voorbijziende, was verrast over zooveel geest en verstand in een zoo nietig schepseltje. Zij nam mij in haar eigen handen en liep met me naar den Koning, die toen in zijn kabinet alleen was. Zijne Majesteit, een vorst van grooten ernst en streng voorkomen, op 't eerste gezicht mijn gestalte niet juist bemerkende, vroeg de Koningin eenigszins koel, sinds hoe lang zij de gewoonte had dol te zijn op een splacnuck? want daar hield hij mij voor naar het schijnt, terwijl ik op mijn buik lag, op haar Majesteits rechterhand. Maar deze vorstin, een wonder van geest en beminlijkheid, zette mij zachtjes op mijn voeten op de schrijftafel en beval mij Zijne Majesteit zelf over me in te lichten, wat ik in weinige woorden deed; en Glumdalclitch, die wachtte aan de deur van het kabinet, en niet velen kon dat ik uit haar gezicht was, bevestigde, toen haar vergund was binnen te komen, mijn verhaal van al wat er gebeurd was sinds mijn aankomst in haar vaders huis.
De Koning, schoon hij zoo geleerd als iemand in zijn rijk was en onderwezen in de wijsbegeerte en voornamelijk in de wiskunde, hield het toch er voor, toen hij mijn figuur nauwkeurig bekeken had en mij rechtop loopen zag, maar nog niet had hooren spreken, dat ik een soort klokwerk was, (in het maken waarvan men in dat land een groote volmaaktheid bereikt heeft) bedacht door een vindingrijk kunstenaar. Maar toen hij mijn stem hoorde, en merkte dat wat ik sprak geregeld en redelijk was, kon hij zijn verbazing niet verbergen. Hij was volstrekt niet tevreden met het verhaal dat ik hem deed van hoe ik in zijn rijk gekomen was, maar hield het voor een vertelseltje bedacht door Glumdalclitch en haar vader, die mij een stel woorden geleerd hadden, om me duurder te kunnen verkoopen. In die overtuiging deed hij me een aantal vragen en kreeg telkens redelijke antwoorden, alleen uitgesproken met een vreemden tongval en door mijn gebrekkige kennis van de taal vervat in boersche volzinnen, die ik bij den boer thuis had geleerd, en die in den beschaafden hofstijl niet zouden hebben gepast.