Gulliver's Reizen naar Lilliput en Brobdingnag
Part 7
Ik zal den lezer niet lastig vallen met een nauwkeurig verslag van deze reis, die grootendeels zeer voorspoedig was. We bereikten de Duyns den 13den April 1702. Ik had maar éen ongelukje, namelijk dat de ratten aan boord een van mijn schapen weghaalden. Ik vond zijn beenderen in een gat, met het vleesch kaal er afgekloven, de rest van mijn vee bracht ik veilig aan land en liet het grazen in een kolfveld te Steenwich, waar ze grif aanvielen op het gras dat daar heel fijn was, wat ik eerst had gevreesd dat ze niet doen zouden; ik zou ze onmogelijk op zoo'n lange reis hebben kunnen in 't leven houden als de kapitein mij niet een beetje van zijn beste beschuit gegeven had, dat fijn gewreven en in water geweekt hun gedurig voer was. Den korten tijd, dien ik in Engeland doorbracht, maakte ik geen onbelangrijke winst door mijn vee te laten kijken aan personen van stand en aan anderen: en voor ik mijn tweede reis begon, verkocht ik het voor zeshonderd pond. Bij mijn laatste wederkomst vond ik het ras belangrijk toegenomen, voornamelijk de schapen, die, zooals ik hoop, veel zullen bijbrengen tot verbetering van de wolmanufactuur, door de fijnheid van de vliezen.
Ik bleef twee maanden bij mijn vrouw en huisgezin, want mijn onverzadigbaar verlangen om vreemde landen te zien, liet me niet langer met rust. Ik liet vijftienhonderd pond bij mijn vrouw achter en zette haar in een goed huis te Redriff. Mijn overige bezitting nam ik met me, deels in geld, deels in goederen, in de hoop mijn fortuin te vermeerderen. Mijn oudste oom John had me een bezitting in land nagelaten, bij Epping, van zoowat dertig pond 's jaars; en ik had een lange pacht aan de Black Bull in Fetter Lane, die nog eens evenveel opbracht, zoodat ik niet meer in gevaar was mijn gezin op de gemeente te laten aankomen. Mijn zoon Johnny, die zoo heette naar zijn oom, was op de gemeenteschool en een vlug kind. Mijn dochter Betty (die nu goed getrouwd is en kinderen heeft) was toen aan haar naaiwerk. Ik nam afscheid van mijn vrouw en jongen en meisje, met tranen van weerszijden en ging aan boord van de Adventure, een koopvaarder van driehonderd ton, met bestemming naar Surat, gezagvoerder kapitein John Nicholas, van Liverpool; maar mijn verhaal van deze reis stel ik uit tot het tweede deel van mijn reizen.
TWEEDE DEEL.
EEN REIS NAAR BROBDINGNAG.
EERSTE HOOFDSTUK.
Een hevige storm; de sloep wordt uitgezonden om water te halen; de schrijver gaat mee om het land op te nemen; hij wordt op de kust achtergelaten; gegrepen door een van de inboorlingen en naar een boerenwoning gevoerd; zijn ontvangst daar, met de verschillende dingen die hem daar overkwamen; een beschrijving van de inwoners.
Door de natuur en het noodlot tot een bezig en rusteloos leven veroordeeld, verliet ik twee maanden na mijn wederkomst, opnieuw mijn vaderland, en ging scheep in de Duyns, op den 20sten Juni 1702, in de Adventure, gezagvoerder kapitein John Nicholas, van Corn-Wales, met bestemming naar Surat. We hadden een zeer voordeeligen wind tot we aan de Kaap de Goede Hoop kwamen, waar we ankerden om water in te nemen, maar daar we een lek ontdekten, ontscheepten we onze goederen en bleven er overwinteren; en doordat de kapitein een aanval van jicht kreeg, konden wij de Kaap niet verlaten voor het eind van Maart; wij gingen toen onder zeil en hadden een goede reis totdat we de straat van Madagaskar doorgingen; maar toen wij ten Noorden van dat eiland gekomen waren, en op ongeveer vijf graden zuiderbreedte, begon de wind, die, zooals men heeft opgemerkt, in die zeeën van het begin December tot het begin van Mei geregeld uit den hoek tusschen het Noorden en Westen waait, heviger op te zetten en meer uit het Westen dan gewoonlijk, en bleef zoo twintig dagen achter elkaar, in welken tijd wij een beetje ten Oosten van de Molucca-eilanden werden gedreven, en ongeveer drie graden ten Noorden van den Evenaar, naar de waarnemingen die de kapitein deed op den 2den Mei, toen de wind ophield en er een volledige kalmte intrad, waarover ik niet weinig blij was. Maar, hij die goed ervaren was in de scheepvaart in die zeeën, zeide ons, allen gereed te zijn voor een storm, die dan ook den volgenden dag opkwam; want de zuidelijke wind, de Zuid-mousson genaamd, begon te waaien en zwol spoedig aan tot een orkaan.
Tijdens dezen storm, die gevolgd werd door een zwaren wind W.Z.W., werden wij, naar mijn berekening, ongeveer vijfhonderd mijlen oostwaarts gedreven, zoodat de oudste matroos aan boord niet zeggen kon in welk deel van de wereld wij waren. Onze levensmiddelen hielden het wel uit, ons schip was stevig en onze bemanning gezond, maar wij lagen in den uitersten nood van water: wij oordeelden het best in dezelfde richting voort te zeilen, liever dan ons meer Noordwaarts te wenden, waardoor we in de noordwestelijke deelen van Noord-Tartarije en in de IJszee zouden zijn verdwaald.
Den 16den Juni 1703 bespeurde een jongen in den topmast land. Den 17den kwamen we in 't onmiddellijk gezicht van een groot eiland of vasteland (want we wisten niet welk van beide), ten Zuiden waarvan een kleine punt of landengte in zee uitstak, en een kreek was, te ondiep om een schip van meer dan 100 ton toe te laten. Wij wierpen het anker uit binnen een mijl van deze kreek, en onze kapitein zond een dozijn van zijne mannen, goed gewapend in de sloep, met vaten om water in te halen, als zij dat vinden konden. Ik verzocht verlof met hen te gaan, opdat ik het land zien mocht en kijken wat ontdekkingen ik doen kon. Toen wij aan land kwamen zagen wij geen rivier of bron, noch eenig teeken van inwoners. Ons volk liep daarom de kust op om versch water te vinden dicht bij de zee, en ik wandelde alleen zoowat een mijl naar den anderen kant, waar ik zag dat het land kaal en rotsig was. Ik begon nu vermoeid te worden, en niets ziende dat mijn belangstelling gaande hield, ging ik zachtjes aan terug naar de kreek, waar ik, daar de zee vlak voor me open lag, ons volk al weer in de boot zag en zoo hard mogelijk naar schip roeien. Ik wou ze juist achterna roepen, ofschoon het toch weinig zou geholpen hebben, toen ik een reusachtigen man-mensch gewaar werd, die hen zoo snel hij kon achtervolgde in zee: hij waadde niet veel dieper dan zijn knieën en nam ontzaglijke stappen, maar ons volk was hem een halve mijl vooruit, en daar de zee daaromtrent vol scherppuntige rotsen was, kon het monster de boot niet inhalen. Dit werd mij later verteld, want ik dorst niet daar blijven om den afloop van dit avontuur te zien, en liep zoo hard ik kon den weg terug waar ik vandaan kwam en beklom toen een steilen heuvel, vanwaar ik het land eenigszins overzien kon. Ik bevond dat het overal bebouwd was; maar wat mij in 't eerst verraste was de lengte van het gras, dat in die vakken, die voor hooien bestemd schenen, meer dan twintig voet hoog stond.
Ik raakte op een heerweg, want daar hield ik het voor, ofschoon het den inwoners alleen voor voetpad tusschen een korenveld diende. Hier wandelde ik een poosje door, maar kon aan weerszijde bijna niets zien, want daar het nu bijna oogsttijd was, stond het koren minstens veertig voet hoog. Na een uur wandelens kwam ik aan het eind van dit veld, dat omhaagd was met palen van minstens honderdtwintig voet, en de boomen waren zoo hoog, dat ik ze niet schatten kon. Er was een overloop om van het eene veld in het andere te komen. Die had vier treden en een steen, dien men over moest stappen als men op de hoogte kwam. Het was onmogelijk voor mij dien overloop te beklimmen, want iedere trede was zes voet hoog, en de steen er op meer dan twintig. Ik trachtte een opening in de heg te vinden, toen ik in het naaste veld een van de inwoners naar den overloop zag toekomen, van dezelfde grootte als die ik in zee onze boot had zien vervolgen. Hij leek zoo hoog als een gewone kerktoren en nam stappen naar schatting van ongeveer tien el; ik was in de uiterste vrees en ontsteltenis, en liep om me in het graan te verschuilen, vanwaar ik hem, op den top van den overloop staande, naar het veld rechts ernaast zag kijken, en ik hoorde hem roepen met een stem heel wat luider dan een spreektrompet; maar dit geluid was zoo hoog in de lucht, dat ik in het eerst dacht dat het donderde; waarop zeven monsters van zijn soort naar hem toekwamen met sikkels in hun handen, iedere sikkel zoowat van de grootte van zes zeisen. Deze lieden waren niet zoo goed gekleed als de eerste, wiens knechts of arbeiders zij leken; want, ingevolge een paar woorden die hij hun zei, gingen ze het koren afmaaien in het veld, waar ik in lag. Ik bleef zoo ver mogelijk van hen vandaan, maar kon niet dan met de grootste moeite voortkomen, want de halmen stonden soms niet meer dan een voet van elkaar af, zoodat ik nauwelijks mijn lichaam er tusschen door kon wringen.
Ik slaagde er echter in vooruit te komen totdat ik kwam aan een deel van het veld, waar het koren door regen en wind neergeslagen was. Hier was het me onmogelijk een stap verder voort te gaan, want de halmen waren zoo door elkaar gevlochten, dat ik er niet door kon kruipen en de baard van de omgevallen aren was zoo hard en puntig, dat hij mij door mijn kleeren heen in het vleesch stak. Tegelijkertijd hoorde ik de maaiers niet meer dan honderd el achter me. Op van inspanning en overweldigd door verdriet en wanhoop, ging ik in een vore liggen en hoopte van harte, dat ik daar mijn dagen mocht eindigen. Ik beklaagde mijn verlaten weduwe en vaderlooze kinderen. Ik betreurde mijn eigen dwaasheid en grilligheid om een tweede reis te ondernemen, in weerwil van den raad van al mijn vrienden en betrekkingen. Onder deze vreeselijke aandoeningen kon ik niet nalaten te denken aan Lilliput, waar de inwoners mij aanzagen voor het grootste wonder dat ooit in de wereld verschenen was; waar ik in staat was geweest een keizerlijke vloot met mijn hand te voeren, en al die daden te bestaan die vermeld zullen worden in de geschiedboeken van dat rijk, terwijl het nageslacht ze nauwelijks gelooven zal, schoon millioenen er getuigenis van doen. Ik dacht bij mij zelf wat een vernedering het voor me zijn zou, voor dit volk even onbeduidend te schijnen als een enkele Lilliputter bij ons zou zijn, maar dit begreep ik, zou toch nog de minste zijn van mijn rampen, want daar het is opgemerkt dat menschelijke wezens wilder en wreeder zijn naarmate ze grooter zijn van omvang, wat kon ik anders verwachten dan een hapje te zullen wezen in den mond van den eersten van deze ontzaglijke barbaren, die mij vangen mocht. Ongetwijfeld hebben de wijsgeeren gelijk als zij zeggen, dat niets groot of klein is dan in vergelijking met iets anders. Het lot zou de Lilliputters een land hebben kunnen laten vinden, waar de menschen even klein waren ten opzichte van hen, als zij het waren ten opzichte van mij. En wie weet of niet zelfs dit reusachtig ras van stervelingen even zooveel in grootte overtroffen wordt in een of ander deel van de wereld dat tot nu toe niet is ontdekt.
Ontsteld en ontdaan als ik was, kon ik niet nalaten met die bedenkingen voort te gaan, toen een van de maaiers, door de plaats waar ik lag, tot op tien el afstands voorbij te komen, mij vreezen deed dat ik bij den eerstvolgenden stap zou worden doodgetrapt onder zijn voet of in tweeën gesneden door zijn sikkel. En daarom, zoodra hij zich weer bewegen ging, schreeuwde ik zoo hard als mijn angst alleen me kon doen uithouden; waarop het monster-schepsel zijn stap inhield, en nadat hij een poosje om zich heen gekeken had, eindigde met mij te bespeuren, waar ik voor hem op den grond lag.
Hij bekeek mij eerst met de voorzichtigheid van iemand, die probeert een klein gevaarlijk diertje zoo op te pakken, dat het hem niet krabben of bijten kan, zooals ik zelf dikwijls een wezeltje in Engeland gedaan heb. Ten laatste waagde hij het en vatte mij op, van achteren om de middel, tusschen zijn voorvinger en duim en bracht me tot binnen drie el van zijn oogen, om beter te kunnen waarnemen hoe ik er precies uitzag. Ik raadde zijn bedoeling en had gelukkig zooveel tegenwoordigheid van geest, dat ik besloot in 't minste niet tegen te stribbelen, terwijl hij mij in de lucht hield, meer dan zestig voet boven den grond, ofschoon hij mij vreeselijk in mijn zijde kneep, uit angst dat ik hem door de vingers zou glippen. Al wat ik waagde was mijn oogen naar de zon op te heffen, mijn handen samen te vouwen in smeekende houding en eenige woorden te spreken, met een nederige en zwaarmoedige uitdrukking, zooals dat mij in mijn toestand paste; want ik vreesde ieder oogenblik dat hij mij tegen den grond zou smakken, zoo als wij gewoonlijk doen met een klein griezelig insekt, dat we willen doodmaken. Maar mijn goed gesternte beschikte dat hij scheen behagen te scheppen in mijn stem en gebaren, en me begon te bekijken als iets heel zonderlings, erg verbaasd mij gearticuleerde woorden te hooren uitspreken, ofschoon hij die niet verstaan kon. In dien tusschentijd kon ik niet nalaten te kreunen en tranen te storten, en mijn hoofd naar mijn zijden te draaien, om hem zoo goed ik kon te kennen te geven, hoe verschrikkelijk ik bezeerd werd door den druk van zijn vinger en duim. Hij scheen mijn bedoeling te begrijpen, want de panden van zijn jas oplichtende, stak hij mij zachtjes daarin en liep dadelijk met mij naar zijn meester, die een gezeten boer was en dezelfde, dien ik eerst in het veld gezien had.
Toen de boer (zooals ik uit hun praten opmaakte) zich door zijn knecht had laten vertellen, wat die van mij wist, nam hij een stukje van een klein strootje, zoowat zoo groot als een wandelstok en lichtte daarmede de panden van mijn jas op, die hij naar 't scheen voor een soort bedeksel hield, dat de natuur mij gegeven had. Hij blies mijn haar uit mijn gezicht om dit beter te kunnen bekijken. Hij riep zijn knechts bij zich en vroeg hen, zooals ik later leerde begrijpen, of ze ooit in het veld een wezentje gezien hadden dat iets van mij had? Toen zette hij mij zachtjes op den grond op handen en voeten, maar ik sprong dadelijk op en wandelde langzaam achteruit en vooruit, om dien lieden te toonen, dat ik niet van plan was weg te loopen. Ze gingen allemaal in een kring om me heen zitten, om beter mijn bewegingen te kunnen zien. Ik nam mijn hoed af en maakte een diepe buiging voor den boer. Ik viel op mijn knieën en hief mijn handen en oogen omhoog en sprak zoo luid ik kon verscheidene woorden; ik haalde een beurs met goudgeld uit mijn zak en bood hem die nederig aan. Hij nam haar aan op de palm van zijn hand, hield haar toen dicht bij zijn oogen om te zien wat het was, en draaide haar daarna een keer of wat om en om met de punt van een speld, (die hij van zijn mouw haalde), maar hij kon er niet uit wijs worden. Ik wenkte hem daarom zijn hand op den grond te leggen, nam toen de beurs er af, opende haar, en stortte al het goud op zijn handpalm uit. Er waren zes Spaansche stukken, elk van vier pistolen, behalve twintig of dertig kleinere munten. Ik zag hem den top van zijn middelsten vinger vochtig maken, en eerst een, en toen nog een van de grootste stukken er mee opnemen; maar hij scheen heelemaal niet te begrijpen wat dat waren. Hij beduidde mij ze weer in mijn beurs te doen en de beurs in mijn zak te steken, wat ik, na ze hem nog een paar keer te hebben aangeboden, besloot te doen.
De boer begon nu overtuigd te worden dat ik een redelijk wezen zijn moest. Hij sprak me herhaaldelijk toe, maar het geluid van zijn stem verscheurde mijn ooren als dat van een watermolen; maar zijn woorden klonken wel geartikuleerd. Ik antwoordde zoo hard ik kon in verscheidene talen, en hij bracht zijn oor telkens tot op twee el van me af, maar alles te vergeefs, want wij verstonden elkaar volstrekt niet. Hij stuurde toen zijn knechts weer aan 't werk, en zijn zakdoek uit zijn zak gehaald hebbende, deed hij dien dubbel en spreidde hem uit op zijn linkerhand, die hij plat op den grond hield, met de palm naar boven, en wenkte mij er op te stappen, wat ik gemakkelijk doen kon, want ze was niet meer dan een voet dik. Ik achtte het het voordeeligst te gehoorzamen en ging uit vrees voor vallen, languit op den zakdoek liggen, waarvan hij de punten veiligheidshalve tot aan mijn hoofd om me heen wikkelde en droeg me zoo ingepakt meê naar zijn huis. Daar riep hij zijn vrouw en liet me aan haar zien, maar ze begon te gillen en liep weg zooals de vrouwen in Engeland doen als ze een pad of een spin zien. Maar toen ze een poosje mijn manieren gezien had en hoe goed ik luisterde naar de gebaren van haar man, werd ze spoedig met mij verzoend en ging langzamerhand erg veel van me houden.
Het was omstreeks twaalf uur op den middag en een dienstbode bracht het eten binnen. Het bestond uit niets dan een stevig vleesch-gerecht (naar den eenvoudigen stand van een landman) in een schotel van zoowat vier en twintig voet doorsnede. De aanzittenden waren de boer en zijn vrouw, drie kinderen en een oude grootmoeder. Toen zij zaten zette de boer mij een eindje van zich af, op de tafel, die dertig voet hoog was. Ik was doodsbang dat ik er af zou vallen en bleef zoo ver mogelijk van den rand. De vrouw sneed een snippertje vleesch af en kruimelde wat brood op een schoteltje en zette me dat vóor. Ik maakte een diepe buiging voor haar, haalde mijn mes en vork uit en ging aan 't eten, waar ze verbazend veel schik in hadden. De meesteres liet de meid een klein likeurkelkje halen, dat zoowat twee gallons inhield, en vulde het met drank: ik tilde het vat met moeite met mijn twee handen op en dronk met eerbiedige gebaren op mevrouws gezondheid, waarbij ik de Engelsche woorden uitsprak zoo luid ik kon, wat het gezelschap zoo hartelijk aan 't lachen maakte dat ik bijna doof werd van 't lawaai.
De drank smaakte als een lichte ciderwijn, en was niet onaangenaam. Toen gaf de meester mij een wenk om bij den rand van zijn bord te komen; maar terwijl ik over de tafel liep, voortdurend, zooals de lezer wel begrijpt en verontschuldigen zal, in de grootste verbazing, struikelde ik over een broodkorst en viel plat op mijn gezicht, maar zonder me te bezeeren. Ik stond dadelijk op en toen ik zag dat de goede liên nog bezorgd over me waren, nam ik mijn hoed (dien ik als welgemanierd mensch onder mijn arm hield), en riep, terwijl ik er mee boven mijn hoofd zwaaide, driemaal hoera! om te toonen dat de val goed was afgeloopen. Maar terwijl ik naar mijn meester (zooals ik hem in 't vervolg noemen zal) toekwam, pakte zijn jongste zoon, een bengel van een jongen van vier jaar oud, die naast hem zat, mij bij mijn beenen en hield mij zoo hoog in de lucht, dat ik sidderde aan al mijn leden; maar zijn vader griste me van hem af en gaf hem tegelijkertijd een klap om zijn ooren, die een heele afdeeling Europeesche ruiterij tegen den grond zou hebben geslagen, terwijl hij hem beval van tafel te gaan. Maar daar ik bevreesd was dat de knaap een hekel aan mij krijgen zou, en mij te binnen bracht hoe baldadig alle kinderen bij ons van natuur zijn tegenover musschen, kleine katjes en jonge hondjes, viel ik op mijn knieën, en gaf, naar den knaap wijzende, mijn meester zoo goed ik kon te verstaan, dat ik om vergiffenis voor hem verzocht: de vader gaf toe en de knaap mocht weer gaan zitten, waarop ik naar hem toeging en zijn hand kuste, die mijn meester in de zijne nam en mij zachtjes deed aaien.
Midden onder het maal sprong de lievelingspoes van mijn meesteres op haar schoot. Ik hoorde een gedruisch als van een dozijn kousenwevers aan hunne weefgetouwen, en toen ik mijn hoofd omdraaide merkte ik dat het het spinnen van dit dier was, dat driemaal grooter leek dan een os, zooals ik opmaakte uit de grootte van haar kop en een klauw, dien ik zag, terwijl haar meesteres haar eten gaf en aaide. Het woeste uitzicht van dit gedrocht bracht me heelemaal van de wijs, schoon ik aan het andere eind van de tafel stond, zoowat vijftig voet van haar af en mijn meesteres haar vasthield, uit vrees dat ze een sprong zou doen en me in haar klauwen grijpen. Maar daar was gelukkig geen gevaar voor, want poes nam niet de minste notitie van me, zelfs niet toen mijn meester me tot binnen drie el afstands van haar neerzette. En daar men mij altijd gezegd heeft en ik dit op mijn reizen altijd bij ondervinding had bewaarheid gezien, dat vluchten of zich bevreesd toonen voor een wild dier, een zeker middel is om zich er door te laten aanvallen, besloot ik in dit gevaarlijk oogenblik mij in 't geheel niet bezorgd te toonen. Ik wandelde daarom stoutmoedig vijf- of zesmaal vlak voor poes haar kop heen en weer en kwam tot op een halve el bij haar, waarop zij zich terugtrok, alsof zij banger voor mij dan ik voor haar was; minder bang was ik voor de honden, waarvan er drie of vier in de kamer kwamen, zooals in boerenhuizen gebruikelijk is; waarvan er één een bandhond was, zoowat van den omvang van vier olifanten, en een hazewind ietwat hooger dan de bandhond, maar niet zoo zwaar.
Toen de maaltijd bijna gedaan was, kwam de kindermeid binnen met een kind van een jaar oud in haar armen, dat me dadelijk in de gaten kreeg en begon te blèren dat men het zou kunnen hooren van Amsterdam tot Sloterdijk, op de gebruikelijke manier van kinderen, om me voor speelgoed te hebben. De moeder nam me uit pure goedheid op en hield me naar het kind toe, dat me dadelijk bij mijn middel greep en mijn hoofd in zijn mond stak, waar ik zoo hard ging schreeuwen dat de dreumes er van schrikte en mij vallen liet, zoodat ik onvermijdelijk mijn nek zou hebben gebroken, als de moeder niet haar boezelaar onder me had gehouden. De kindermeid gebruikte, om het kind zoet te houden, een ratel, die niets anders was dan een soort hol vat vol groote steenen en met een kabel om het middel vastgemaakt; maar het was alles te vergeefs, zoodat ze als laatste redmiddel wel besluiten moest het kind de borst te geven. Ik moet bekennen dat nooit een voorwerp mij zoo walgde als haar monsterachtige borst, waarvan ik niet kan zeggen waar ik ze mee vergelijken moet om den belangstellenden lezer een denkbeeld te geven van haar omvang, gedaante en kleur.
Dit bracht me aan 't denken over het fijne vel van onze Engelsche dames, die ons zoo mooi lijken, alleen omdat ze van onze eigen grootte zijn, en hun gebreken alleen door een vergrootglas zijn te zien, wanneer we bij ondervinding weten, dat het gladste en witste vel er ruw en grof en akelig van kleur uitziet.
Ik herinner mij, dat, toen ik in Lilliput was, de gelaatskleur van die miniatuur-menschjes mij de mooiste in de wereld leek; en in een gesprek over dit onderwerp met een geleerde daar, die een vertrouwd vriend van mij was, zei die mij dat mijn gezicht veel fijner en gladder leek als hij het van den grond, dan als hij het van nabij zag, als ik hem in mijn hand nam en er vlak voorhield, wat werkelijk, zei hij, in 't eerst een heel griezelig gezicht was. Hij zei dat hij groote gaten in mijn huid kon waarnemen, dat de stompjes van mijn baard tienmaal sterker waren dan de stekels van een wild zwijn en mijn gelaatskleur bestond uit verschillende kleuren, volmaakt onaangenaam. Schoon ik toch vrijheid vragen moet te betuigen, dat ik even blank ben als de meeste van mijn mannelijke landgenooten, en door al mijn reizen maar heel weinig verschroeid.
Daarentegen, sprekende van de dames aan het hof van dien Keizer, placht hij wel te zeggen dat éen sproeten had, een andere een te grooten mond, een derde een te breeden neus; dingen waar ik allemaal niets van onderscheiden kon. Ik moet zeggen dat deze overwegingen hinderlijk genoeg zijn; maar ik kon ze toch niet achterwege laten, omdat de lezer anders denken zou dat die groote schepsels werkelijk mismaakt waren, wat niet zoo is, want ik moet om billijk te zijn, erkennen dat ze een knap soort volk zijn, en voornamelijk de trekken van het gezicht van mijn meester, ofschoon hij maar een boer was, zagen er als ik ze op hun hoogte van zestig voet zag zeer evenredig gevormd uit.