Gulliver's Reizen naar Lilliput en Brobdingnag
Part 6
"Reldresal, den eersten geheimschrijver, die zich altijd uw waren vriend bewees, werd door den Keizer bevolen zijn meening hierover uit te spreken, wat hij dienvolgens deed; en daarmede de goede gedachten, die gij van hem hebt, rechtvaardigde. Hij gaf toe, dat uw misdaden groot waren, maar dat er nog gelegenheid voor genade overbleef, die de meest prijzenswaardige deugd in een vorst is, en waarvoor Zijne Majesteit zoo ten rechte wordt geroemd. Hij zei, dat de vriendschap tusschen u en hem aan de wereld zóo wel bekend was, dat de zeer geachte raad hem misschien voor partijdig zou houden; maar dat hij toch, gehoorzaam aan het bevel, dat hem gegeven was, vrij uit zijn gevoelens zou uitspreken. Dat, indien het Zijne Majesteit, in aanmerking nemende uw diensten, en gehoor gevende aan zijn eigen behoefte tot genadig zijn, behagen mocht uw leven te sparen, en alleen te bevelen, dat uw oogen zouden worden uitgestoken, hij onderdaniglijk geloofde, dat, door dit middel, aan de gerechtigheid eenigszins voldaan zou zijn, en de geheele wereld de lankmoedigheid van den Keizer zou toejuichen, zoowel als de billijke en edelmoedige handelwijze van hen, die de eer hebben zijn raadslieden te zijn. Dat het verlies van uw oogen geen vermindering van uw lichaamskracht zou veroorzaken, waardoor gij zijne majesteit nog van veel nut zoudt kunnen zijn; dat blindheid den moed verhoogt, omdat ze de gevaren onzichtbaar maakt; dat de vrees, die ge voor uw oogen hadt, uw grootste belemmering was bij het overbrengen van de vijandelijke vloot; en het voldoende voor u zijn zou te zien door de oogen van de ministers, daar toch de grootste vorsten niet anders doen.
"Dit voorstel werd door den heelen raad met de grootste afkeuring ontvangen. Bolgolam, de admiraal, kon zich niet inhouden, maar zei, woedend opvliegend, dat hij zich verbaasde erover, dat de secretaris het wagen dorst als zijn meening te uiten, dat het leven van een verrader moest behouden worden, dat de diensten, die gij bewezen hadt, juist, zooals men altijd in het staatsrecht begrepen had, uw misdaden te ernstiger maakten; dat dezelfde kracht, die u in staat stelde de vijandelijke vloot hierheen te brengen, bij het minste ongenoegen, u van dienst zou zijn om haar weer terug te brengen; dat hij goede redenen had om aan te nemen, dat gij in uw hart een stomp-punter waart, en daar verraad in het hart begint, voor het uitkomt in open daden, beschuldigde hij u dáarom van verraad, en drong dáarom aan op uw dood.
"De minister van financiën was van dezelfde meening. Hij toonde aan, hoe Zijner Majesteits schatkist was uitgeput door de kosten van uw onderhoud, dat spoedig ondragelijk worden zou; dat het voorstel van den secretaris, om uw oogen uit te steken, zoo weinig een middel tegen dit kwaad was, dat het er waarschijnlijk door zou toenemen, zooals duidelijk blijkt uit de gewoonte sommige soorten vogels blind te maken, waarna zij meer eten en gauw vet worden; dat Zijne Gezalfde Majesteit en de raad, die uw rechters zijn, in hun harten volkomen overtuigd waren van uw misdaad, wat een voldoende reden was om u ter dood te veroordeelen, zonder de vormelijke bewijzen, geëischt door de letter van de wet.
"Maar het behaagde Zijne Keizerlijke Majesteit, die sterk tegen het zoo streng mogelijk straffen gekant was, genadiglijk te doen opmerken, dat daar de raad het verlies van uw oogen een te lichte bestraffing vond, er altijd later nog een andere aan kon toegevoegd worden. En uw vriend de Secretaris, onderdaniglijk verzoekende nog eens gehoord te worden, zeide, in antwoord op wat de minister van finantiën hem had tegengeworpen, betreffende de groote kosten, die Zijne Majesteit maken moest voor uw onderhoud, dat Zijne Excellentie, die de volle beschikking had over de keizerlijke inkomsten, makkelijk tegen dat kwaad zou kunnen voorzien, door gaandeweg uw toelagen te verminderen, waardoor ge, bij gebrek aan voedsel, niet waar? zwak en flauw zoudt worden, en uw eetlust verliezen, en, dientengevolge, op- en wegteren in een paar maanden. Dat had meteen het voordeel in, dat de stank van uw lijk niet zoo gevaarlijk zou wezen; en onmiddellijk na uw dood, zouden vijf of zesduizend van Zijner Majesteits onderdanen, in twee of drie dagen, uw vleesch van de beenderen kunnen snijden, en het wegvoeren in karvrachten, begraven in verschillende deelen van 't land, om besmetting te voorkomen, terwijl dan uw geraamte als een bewonderenswaardig gedenkteeken over zou blijven voor het nageslacht.
"Zoo werd, door de groote vriendschap van den Secretaris, de heele zaak geschikt. Er werd bepaald dat het plan om u gaandeweg dood te hongeren, strikt geheim zou worden gehouden, maar het vonnis om uw oogen uit te steken werd in de boeken opgenomen; terwijl niemand tegen was dan Bolgolam, de admiraal, die als een kreatuur van de keizerin, voortdurend door hare Majesteit werd aangespoord om op uw dood aan te dringen.
"Binnen drie dagen zal uw vriend de secretaris bevel krijgen naar uw huis te gaan en u de punten van beschuldiging voor te lezen en u de groote lankmoedigheid en goedgunstigheid van Zijne Majesteit en den raad te doen opmerken, waardoor gij alleen tot verlies van uw oogen zijt veroordeeld, wat Zijne Majesteit niet twijfelt of gij zult het dankbaar en onderdanig willen ondergaan; en twintig van Zijner Majesteits doktoren zullen tegenwoordig zijn, ten einde te zorgen, dat de bewerking goed wordt uitgevoerd, door zeer scherppuntige pijlen in uw oogballen te schieten, terwijl gij op den grond ligt.
"Ik laat aan uwe eigen voorzichtigheid over wat maatregelen gij nemen wilt, en om achterdocht te vermijden, moet ik nu dadelijk terugkeeren, even heimelijk als ik gekomen ben."
Zijne edelheid ging; en ik bleef alleen, met een gemoed vol twijfel en verontrustheid.
Het was een gebruik, door dezen vorst en zijn ministers ingevoerd--heel verschillend, naar men verzekerd heeft, van vroegere gebruiken--dat, nadat het hof een of andere wreede straf had uitgesproken, om te voldoen hetzij aan den toorn des Keizers, hetzij aan de boosaardigheid van een gunsteling, de Keizer in de raadsvergadering een rede hield, waarin hij sprak van zijn groote teerheid en lankmoedigheid, als eigenschappen, waarom hij door de heele wereld bekend was en werd geroemd. Deze rede werd onmiddellijk door het heele rijk openbaar gemaakt; en er was niets dat het volk zoo bang maakte, als die lofspraken op Zijner Majesteits barmhartigheid, omdat men had opgemerkt, dat hoe breeder die loftuitingen werden uitgemeten, en hoe nadrukkelijker voorgedragen, hoe onmenschelijker de straf was en hoe onschuldiger de lijdende partij. En wat mij betreft, ik moet bekennen, ik die nooit voor hoveling bestemd was, door geboorte zoo min als door opvoeding, ik kon zoo slecht over die hofzaken oordeelen, dat ik de lankmoedigheid en genadigheid van dit vonnis maar niet ontdekken kon, en het, misschien geheel ten onrechte, eerder streng vond dan licht. Een paar oogenblikken dacht ik er aan de aanklacht af te wachten; want ofschoon ik de feiten in de verschillende punten genoemd, niet loochenen kon, hoopte ik toch dat zij ietwat gunstiger zouden kunnen worden voorgesteld. Maar, daar ik vroeger heel wat staats-processen gelezen had, waarvan ik altijd had opgemerkt, dat ze eindigden zooals den rechters het best uitkwam, dorst ik op zoo'n gevaarlijk voornemen niet aan, nu mijn zaak zoo kritiek stond, en ik zulke machtige vijanden tegenover me had. Ik dacht er sterk over weerstand te bieden; want zoolang ik vrij was, kon de heele macht van dit rijk mij nauwlijks onder krijgen, en ik zou makkelijk de hoofdstad tot flenters kunnen steenigen; maar ik wierp dat denkbeeld met afschuw van me, toen ik dacht aan den eed, dien ik den Keizer gedaan had, aan de gunsten die hij mij bewezen had en aan den titel van Nardac, waarmee hij mij had vereerd. Ook had ik nog niet zoo gauw de hovelingen-dankbaarheid geleerd, die mij zou overreed hebben dat de tegenwoordige wreedheden van Zijne Majesteit mij onthieven van alle vroegere verplichtingen.
Eindelijk nam ik een besluit, waarop mij waarschijnlijk een streng oordeel te wachten staat, en niet onrechtvaardiglijk, want ik moet toegeven dat ik het behoud van mijn oogen en daardoor mijn vrijheid, heb te danken aan mijn groote onnadenkendheid en mijn gebrek aan ervaring, omdat, als ik toen was bekend geweest met den aard van vorsten en ministers, zooals ik die sinds toen aan verscheidene andere hoven heb waargenomen, als ook met hunne gebruikelijke manieren van behandeling van misdadigers, die minder dan ik misdreven hebben,--dan zou ik met groote bereidwilligheid en opgewektheid zulk eene lichte straf hebben ondergaan. Maar in de overdrevenheid van mijn haastige jeugd, maakte ik gebruik van de gelegenheid, die mij open stond door het verlof van den Keizer om mijn opwachting te gaan maken aan den Keizer van Blefuscu, zond, voor de drie dagen om waren, een brief aan mijn vriend den Secretaris, waarin ik mijn besluit te kennen gaf om dien ochtend naar Blefuscu op reis te gaan, ingevolge het mij vergunde verlof, en ging zonder te wachten op een antwoord naar die zij van het eiland, waar onze vloot lag. Ik nam daar een groot oorlogsschip, bond een touw aan den boeg, en toen ik de ankers gelicht had, kleedde ik me uit, legde al mijn kleeren (saam met mijn deken, die ik onder mijn arm had meegebracht) in het schip, en het achter me aantrekkende, bereikte ik, nu wadende, dan zwemmende, de keizerlijke haven van Blefuscu, waar het volk mij lang had verwacht. Zij gaven mij twee gidsen om me naar de hoofdstad te leiden, die ook Blefuscu heet. Ik hield hen in mijn handen tot dat ik binnen tweehonderd el van de poort kwam en zei hun mijn aankomst te melden aan een van de secretarissen en hem te doen weten dat ik daar de bevelen wachtte van Zijne Majesteit. Binnen een uur zoowat kreeg ik antwoord, dat Zijne Majesteit, vergezelschapt door het vorstelijk gezin en de groot-officieren van zijn huis, naar buiten kwam om mij te ontvangen. Ik ging hun honderd el te gemoet. De Keizer en zijn trein sprongen van hun paarden en de Keizerin en haar dames stapten uit haar koetsen; en ik bemerkte niet dat ze ook maar eenigszins bang of bezorgd waren. Ik lag op den grond om Zijne Majesteit en de Keizerin de handen te kussen. Ik zeide Zijne Majesteit, dat ik, ingevolge mijn belofte, gekomen was, en met verlof van den Keizer, mijn meester, om de eer te hebben een zoo machtigen vorst te zien, en hem de diensten aan te bieden die in mijn macht waren en niet strijdig met mijn plicht tegenover mijn eigen vorst; maar van mijn ongenade sprak ik geen woord, omdat ik tot dat oogenblik geen officieele kennisgeving er van gehad had en mij zelf beschouwen moest als heelemaal onbekend met zoo'n soort plan; ook zag ik geen reden waarom ik den Keizer het geheim zou openbaren, terwijl ik buiten zijn bereik was; maar daarin bleek mij spoedig dat ik me had vergist.
Ik zal den lezer niet lastig vallen met een uitvoerig verslag van de ontvangst aan dit hof, een ontvangst, waardig de edelmoedigheid van een zoo grooten vorst; noch met het verhaal van de moeielijkheid, waarin ik mij bevond door het gemis van een huis en bed, zoodat ik genoodzaakt was te slapen op den grond, in mijn deken gerold.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
De schrijver krijgt, door een gelukkig toeval, de middelen om Blefuscu te verlaten, en keert na eenige moeilijkheden, veilig naar zijn vaderland terug.
Driedagen na mijn aankomst, terwijl ik uit nieuwsgierigheid langs de Noord-Oost-kust van het eiland wandelde, bemerkte ik, ongeveer een mijl in zee, een voorwerp, dat er uitzag als een omgekeerde boot.--Ik trok mijn schoenen en kousen uit, en bespeurde, toen ik, al wadende, twee-, driehonderd el in zee geloopen was, dat het voorwerp door den vloed dichter naar land kwam: toen zag ik duidelijk dat het wezenlijk een boot was, die ik veronderstelde dat door een storm van een of ander schip omgeslagen was; waarop ik onmiddellijk naar de stad terugkeerde en Zijne Keizerlijke Majesteit verzocht mij twintig van de grootste schepen te leenen, die hij na het verlies van zijn vloot had overgehouden, en drieduizend matrozen, onder bevel van den Vice-Admiraal. Deze vloot zeilde langs de kust, terwijl ik den kortsten weg terugliep naar de plaats, waar ik de boot eerst had waargenomen. Ik bevond dat het tij haar al dichterbij had gedreven. De matrozen waren allemaal voorzien van touwwerk, dat ik vooraf, tot genoegzame sterkte, in elkaar gedraaid had. Toen de schepen aankwamen kleedde ik me uit, en waadde tot ik op honderd el afstand van de boot kwam, waarna ik genoodzaakt was te zwemmen om bij haar te komen. De matrozen gooiden me het eind van het touw toe, dat ik aan een gat in den boeg van de boot vastmaakte, en het andere eind aan een oorlogsschip, maar ik vond al mijn moeite vrij wel vruchteloos, want omdat ik geen grond voelde, kon ik geen kracht zetten. In die omstandigheden schoot er niets over dan er achteraan te zwemmen en de boot vooruit te duwen, zoo goed en zoo kwaad ik kon, met één hand; en, daar het tij nog al meegaf, kwam ik zoover vooruit dat ik mijn kin boven water kon houden en staan blijven. Ik rustte twee, drie minuten, en gaf de boot toen nog een duw of wat, totdat de zee niet hooger was dan mijn oksels, en toen zoo het zwaarste werk gedaan was, nam ik mijn andere kabels, die in een van de schepen gestouwd waren, en maakte ze eerst aan de boot, en toen aan negen van de schepen vast; de matrozen sleepten nu en ik duwde, vóor den wind, totdat we op veertig el afstands van de kust kwamen, en, nadat ik gewacht had tot de zee afging, en de boot op het droge lag, werkte ik haar, met behulp van tweeduizend man, met touwen en werktuigen, op haar kiel, en bevond dat ze maar weinig beschadigd was.
Ik zal den lezer niet lastig vallen met het verhaal van de moeite die het inhad, om met behulp van een paar roeispanen, die mij tien dagen werk gekost hadden, mijn boot naar de haven van Blefuscu te krijgen, waar een groote toeloop van volk ontstond bij mijn aankomst, en elk vol verbazing was bij den aanblik van zulk een ontzaglijk vaartuig. Ik zeide den Keizer, dat het geluk mij gediend had door mij deze boot te zenden, die mij brengen kon naar een plaats, vanwaar ik terug zou kunnen keeren naar mijn vaderland, en verzocht Zijne Majesteit bevel te willen geven voor het aanvoeren van materialen om haar op te tuigen, alsook zijn verlof om te vertrekken, wat hij mij na allerlei vriendelijke tegenwerpingen, goedgunstig toestond.
Al dien tijd verwonderde ik mij zeer er over, dat ik niets hoorde van een of ander bericht omtrent mij, van wege onzen Keizer, bij het hof van Blefuscu. Maar later werd mij in vertrouwen meegedeeld, dat Zijne Keizerlijke Majesteit, die volstrekt niet vermoedde, dat ik het minste van zijn plannen afwist, zich overtuigd hield, dat ik alleen naar Blefuscu gegaan was ingevolge mijn belofte, op grond van het verlof dat hij mij gegeven had, wat aan het hof wel bekend was, en zou terugkeeren, binnen een paar dagen, als die plechtigheid was afgeloopen. Maar eindelijk werd hij ongerust over mijn lang wegblijven, en nadat hij den Minister van Financiën en de overigen van het kabaal geraadpleegd had, werd een heer van rang afgezonden met een afschrift van de punten van beschuldiging tegen mij. Deze afgezant had bevel den Vorst van Blefuscu de groote lankmoedigheid van zijn meester onder het oog te brengen, die zich tevreden stelde met mij geen grootere straf dan het verlies van mijn oogen te doen ondergaan; en verder te doen weten, dat ik gevlucht was om te ontsnappen aan de gerechtigheid, en dat ik, als ik niet binnen twee uur terugkeerde, ontzet zou worden van mijn waardigheid van nardac en tot verrader van het Rijk verklaard. De afgezant voegde er verder bij, dat zijn meester verwachtte, dat zijn broeder van Blefuscu, ten einde de vrede en vriendschap tusschen de beide Rijken bewaard mochten blijven, mij aan handen en voeten gebonden terug zou zenden naar Lilliput, om daar als een verrader te worden gestraft.
De Keizer van Blefuscu zond, nadat hij zich drie dagen beraden had, een antwoord, bestaande uit een massa beleefdheden en verontschuldigingen. Hij zeide, wat betrof mij gebonden over te zenden, zijn broeder wist dat dat onmogelijk was, dat, ofschoon ik hem beroofd had van zijn vloot, hij groote verplichtingen aan mij had voor de vele goede diensten, die ik hem bewezen had bij het sluiten van den vrede. Dat, evenwel, hunne Majesteiten beiden spoedig gerust zouden kunnen wezen, want dat ik op de kust een ontzaglijk vaartuig gevonden had, geschikt om zee te bouwen, dat hij bevel gegeven had, met mijn hulp en onder mijn toezicht op te tuigen; en dat hij hoopte, dat binnen weinige weken de beide Rijken zouden bevrijd zijn van zulk een ondragelijken last.
Met dit antwoord keerde de gezant naar Lilliput terug en de Vorst van Blefuscu vertelde mij alles wat er gebeurd was, waarbij hij mij tegelijkertijd, maar onder strenge belofte van geheimhouding, zijn genadige bescherming aanbood, als ik in zijn dienst wou blijven; maar ofschoon ik geloofde dat hij het eerlijk met mij meende, was ik vast besloten nooit meer eenig vertrouwen te stellen in vorsten of ministers, zoolang ik er eenigszins buiten kan; zoodat ik hem, met de verschuldigde erkentelijkheids-betuigingen voor zijn goedgunstige bedoelingen, alleronderdaniglijkst verzocht daarvan verschoond te mogen blijven. Ik zeide hem, dat, sinds de Fortuin, ze mocht dan goed of kwaad zijn, een vaartuig op mijn weg geworpen had, ik besloten was mij liever op den Oceaan te wagen, dan een aanleiding tot geschil te zijn tusschen twee zulke machtige Vorsten. Ook vond de Keizer dat eigenlijk in 't geheel niet onaangenaam en ik bemerkte bij toeval, dat hij zelfs heel blij over mijn besluit was en zijn ministers niet minder.
Deze overwegingen deden mij mijn vertrek nog verhaasten; waar het hof, ongeduldig om me weg te hebben, zoo hard het kon, het zijne toe deed. Vijfhonderd werklieden werden aangesteld om twee zeilen voor mijn boot te maken, naar mijn aanwijzingen, door hun sterkste linnen dertiendubbel op elkaar te stikken. Ik had druk werk om touwen en kabels te maken, door tien, twintig en dertig van hun dikste en sterkste in elkaar te draaien. Een groote steen, dien ik na lang zoeken toevallig aan de zeekust vond, diende mij voor anker. Ik had de talk van driehonderd koeien voor mijn boot en voor andere doeleinden. Ik had ongelooflijke moeite met het omhakken van een stuk of wat van de grootste boomen voor timmerhout, om riemen en masten van te maken, waar ik evenwel trouw aan geholpen werd door Zijner Majesteits scheepstimmerlieden, die mij van dienst waren, om ze glad te maken, nadat ik het ruwe werk gedaan had.
Binnen ongeveer een maand, toen alles gereed was, zond ik om bevelen van Zijne Majesteit, en berichtte dat ik mijn afscheid ging nemen. De Keizer en de keizerlijke familie kwamen uit het paleis, ik knielde met mijn gezicht op den grond om zijn hand te kussen, die hij mij genadiglijk toereikte, wat ook gedaan werd door de Keizerin en de jonge Prinsen van den bloede. Zijne Majesteit schonk mij vijftig beurzen met tweehonderd sprugs elk, benevens zijn levensgroot portret ten voete uit, dat ik onmiddellijk in mijn handschoen stopte, om het niet te laten beschadigd worden. De ceremonies bij mijn vertrek waren te talrijk om er den lezer hier mee lastig te vallen.
Ik laadde de boot met het vleesch van honderd ossen en driehonderd schapen, met brood en kaas naar evenredigheid, en zooveel toebereide levensmiddelen, als vierhonderd koks mij verschaffen konden. Ik nam met mij zes levende koeien en twee stieren, en evenveel ooien en rammen, met het voornemen ze in mijn vaderland in te voeren en het ras te doen voorttelen. Om ze aan boord te voeden nam ik een goeden bundel hooi en een zak graan mee. Ik had gaarne een der inboorlingen meegenomen, maar dat was iets, dat de Keizer mij in geen geval wou toestaan, en behalve dat hij mijn zakken zorgvuldig doorzoeken liet, moest ik Zijne Majesteit mijn woord van eer verpanden, geen van zijne onderdanen mee te voeren, zelfs niet met hun eigen toestemming of op hun verzoek.
Toen ik dus alles zoo goed ik kon had klaargemaakt, ging ik onder zeil op den 24sten September 1701, om 6 uur 's morgens; en nadat ik ongeveer vier mijlen noordwaarts gegaan was, daar de wind zuidoost was, bespeurde ik om zes uur 's avonds een klein eiland, zoowat een halve mijl naar het Noordwesten. Ik stuurde er op aan en wierp 't anker uit nabij het eiland, dat wel onbewoond leek. Ik gebruikte toen eenige ververschingen en ging naar kooi. Ik sliep goed, en naar ik vermoed minstens zes uur, want de dag brak aan twee uur na mijn ontwaken. Het was een heldere nacht, ik at mijn ontbijt voor de zon opkwam, en, nadat ik het anker opgehaald had, stuurde ik, met gunstigen wind, in dezelfde richting waar ik den vorigen dag gevaren had, waarbij ik afging op mijn zakcompas. Mijn plan was, zoo mogelijk, een van die eilanden te bereiken, die ik reden had te gelooven dat Noordoost van Van Diemen's land lagen. Ik bespeurde dien dag niets, maar den volgenden, omtrent drie uur 's middags, toen ik naar mijn berekening vier en twintig mijlen van Blefuscu af was, merkte ik een schip dat Zuid-Oost stuurde; mijn richting was vlak Oost. Ik riep het aan, maar kon geen gehoor krijgen; maar ik merkte dat ik op haar won, doordat de wind liggen ging. Ik zette alle zeilen bij en binnen een half uur werd ik gezien, en van het schip werd een vlag geheschen en een schot gelost. Het is moeielijk mijn vreugde uit te drukken bij de onverwachte hoop mijn bemind vaderland weer te zien, en de dierbare panden, die ik daar had achtergelaten. Het schip minderde zeil, ik kwam het langs zij tusschen vijf en zes uur 's avonds, den 26sten September; maar mijn hart sprong op in mijn lijf toen ik haar Engelsche kleuren zag. Ik stak mijn koeien en schapen in mijn jaszakken en ging aan boord met mijn heele kleine lading van levensmiddelen. Het vaartuig was een Engelsche koopvaarder op de terugreis van Japan door de Noord- en Zuidzeeën; de kapitein, Mr. John Biddel van Deptford, een zeer beschaafd man en uitstekend zeeman. Wij waren nu onder de breedte van 30 graden zuidelijk; er waren zoowat vijftig man aan boord; ik ontmoette hier een ouden kameraad van me, een zekeren Peter Williams, die den kapitein een goed idee van mij gaf. Deze heer behandelde mij minzaam en vroeg mij hem te vertellen waar ik 't laatst vandaan kwam en waar ik heen wou, wat ik in een paar woorden deed; maar hij vond dat ik ijlde en dat de gevaren, die ik ondergaan had, mijn hoofd van streek hadden gemaakt, waarop ik mijn zwarte koeien en schapen uit mijn zak nam, die, na groote verbazing, hem overtuigden van mijn goede trouw. Ik toonde hem toen het goud, dat de Keizer van Blefuscu mij gegeven had, het levensgroote portret van Zijne Majesteit en een paar andere bijzonderheden van dit land. Ik gaf hem twee zakken met tweehonderd sprugs elk en beloofde hem als we in Engeland aankwamen, een koe en een schaap present te doen.