Gulliver's Reizen naar Lilliput en Brobdingnag
Part 5
Ofschoon wij gewoonlijk straf en belooning de twee scharnieren noemen, waar alle bestuur op draait, heb ik die stelling toch bij geen enkel volk in praktijk gebracht gezien, behalve bij dat van Lilliput. Al wie daar afdoend bewijzen kan, dat hij de wetten van zijn land zorgvuldig gehoorzaamd heeft, gedurende drie-en-zeventig manen, die heeft aanspraak op zekere voorrechten, verschillend naar zijn stand en rang in de maatschappij, met een daaraan evenredige som gelds, uit een daartoe ingericht fonds; ook krijgt hij den titel van snilpall, of wettige, die bij zijn naam gevoegd wordt, maar niet overgaat op zijn nakomelingen. En deze lieden vonden het een verbazend groote staathuishoudelijke fout in ons, dat wij het opvolgen van onze wetten alleen door straffen afdwongen en niet door belooningen aanlokkelijk maakten. Om die reden heeft het beeld van de gerechtigheid, dat in hun gerechtshoven zit, en zes oogen heeft, twee van voren, twee van achteren, en een aan iedere zijde, om alzijdige waakzaamheid uit te drukken, in haar rechterhand een open tasch met goud, en een zwaard in de scheede in haar linker, om te toonen dat zij meer tot beloonen dan tot straffen geneigd is.
Bij het kiezen van personen voor alle ambten, letten zij meer op goede zeden dan op groote bekwaamheden, want, daar regeeringen noodig zijn voor de menschheid, gelooven zij dat de gewone mate van menschelijke wijsheid voldoende is voor een of ander regeeringsambt; en dat de Voorzienigheid nooit kan bedoeld hebben het bestuur van de staatszaken tot een geheimenis te maken, alleen doorgrondelijk voor zeldzame verheven geesten, zooals er zelden drie in een eeuw worden geboren; maar waarheid, rechtvaardigheid, gematigdheid en dergelijke deugden gelooven zij dat in het bezit van iedereen zijn kunnen, en de beoefening van die deugden, gezamenlijk met ondervinding en goede bedoelingen stelt elk mensch, meenen ze, in staat, zijn land te dienen in betrekkingen, waar niet een bepaalde studie voor onmisbaar is. Het gemis daarentegen van zedelijke deugden, vonden zij, kon zoo weinig worden opgewogen door schitterende geestesgaven, dat nooit eenige betrekking kon gewaagd worden in zoo gevaarlijke handen als van zúlke personen, want zelfs de fouten, door onwetendheid begaan, maar met deugdzame bedoeling, zouden nooit van zoo noodlottig gevolg voor het algemeen welzijn wezen, als de practijken van een, die uit lust tot kwaaddoen iets verderflijks deed, en dat verderflijke met zijn groote bekwaamheden uitvoerde, voortzette en verdedigde.
Eveneens maakt het ongeloof aan een Goddelijke Voorzienigheid iemand ongeschikt tot het bezetten van een staatsambt; want, daar de koningen zich plaatsvervangers van de Voorzienigheid noemen, kan niets--naar de meening van de Lilliputters--dwazer voor een Vorst zijn, dan in zijn dienst menschen te gebruiken, die het gezag niet erkennen, waar hij onder heerscht.
Ik wil, bij het verhaal van deze en de volgende wetten, wèl verstaan hebben dat ik de oorspronkelijke instellingen bedoel, en niet de zeer schandalige afwijkingen, waartoe dit volk door zijn ontaarde menschennatuur vervallen is; want, wat betreft die schandelijke gewoonten van groote ambten te krijgen door op koorden te dansen, of lintjes van gunst en onderscheiding door over stokken te springen en er onder door te kruipen, de lezer moet wel bedenken, dat die eerst werden ingevoerd door den grootvader van den nu regeerenden Keizer, en toenamen tot wat ze tegenwoordig zijn door de voortdurende verergering van partij- en club-geest.
Ondankbaarheid wordt onder hen voor een halsmisdaad gehouden, zooals we lezen, dat ook in andere landen het geval is geweest; want zij redeneeren zoo, dat iemand, die zich slecht gedraagt tegenover zijn weldoener, noodzakelijk een vijand van de overige menschheid, die hem niet aan zich verplicht heeft, zijn moet, en dat zulk een man niet geschikt is om te blijven leven.
Hun begrippen omtrent de plichten van ouders en kinderen verschillen bijster van de onze. Zij zijn van meening, dat ouders de laatste van alle menschen zijn, wien de opvoeding van hun eigen kind mag worden toevertrouwd; en daarom hebben zij in iedere stad publieke opvoedingsgestichten, waar alle ouders, behalve landbouwers en arbeiders, verplicht zijn, hun kinderen van beiderlei geslacht heen te zenden, om opgevoed en onderwezen te worden, zoodra ze den leeftijd van twintig manen bereikt hebben, op welken tijd zij verondersteld worden eenigszins handelbaar te zijn. Deze scholen zijn in verscheiden soorten, voor de verschillende standen, en voor beiderlei geslacht. Zij hebben bepaalde leeraren, ervaren in het opleiden van kinderen voor zulk een betrekking, als den rang van hun ouders, zoowel als hun eigen bekwaamheden en neigingen, het meest passend is. Ik zal eerst iets zeggen van de mannelijke opvoedingsgestichten, en dan van de vrouwelijke.
Aan de opvoedingsgestichten voor mannelijke kinderen van adellijke of deftige geboorte, zijn ernstige en geleerde professoren en verschillende andere leeraren aangesteld. Kleeding en voedsel der kinderen zijn eenvoudig en sober. Zij worden opgevoed in de beginselen van eer, rechtvaardigheid, moed, bescheidenheid, lankmoedigheid, godsdienst en vaderlandsliefde; zij zijn altijd bezig met het een of ander, behalve in den tijd van eten en slapen, die heel kort is, en de twee uren van afleiding, die in lichaamsoefeningen bestaat. Zij worden door mannelijke bedienden gekleed tot ze vier jaar oud zijn, en zijn dan verplicht zich zelf te kleeden, al zijn ze nog zoo hoog van rang en geboorte; de vrouwelijke bedienden, die, naar evenredigheid met ónzen leeftijd, van vijftig jaar oud zijn, doen alleen het laagste werk. Zij mogen nooit met de bedienden babbelen, maar gaan gezamenlijk in kleine of groote groepen hun uitspanning houden, en altijd vergezeld van een professor, of een van zijn onder-leeraren, waardoor zij die vroege verderfelijke indrukken van dwaasheid en ondeugd vermijden, waaraan onze kinderen zijn blootgesteld. Hun ouders mogen hen tweemaal per jaar bezoeken; het bezoek duurt maar een uur; het staat hun vrij het kind bij het komen en het gaan te kussen; maar een professor die er altijd bij is, staat hun niet toe te fluisteren of suikerwoordjes te gebruiken, of eenigerlei geschenk mee te brengen: speelgoed, zoetegoed of dergelijke.
Het kostgeld van iedere familie voor de opvoeding en het onderhoud van een kind, wordt, als het niet op tijd betaald is, door keizerlijke beambten geïnd.
De opvoedingsgestichten voor kinderen van gewone burgers, kooplieden, handelaars en fabrikanten, worden naar verhouding op dezelfde wijze behandeld, alleen worden zij, die voor den handel of eenig vak bestemd zijn, op hun elfde jaar in de leer gedaan; terwijl de kinderen van personen van stand tot hun vijftiende jaar in het gesticht blijven, wat overeenkomt met hun een-en-twintigste bij ons, maar de laatste drie jaren wordt de afzondering gaandeweg minder.
In de vrouwelijke opvoedingsgestichten worden de jonge meisjes van stand in veel opzichten juist als de jongens opgevoed, alleen worden zij gekleed door vaste bedienden van hun eigen geslacht; maar altijd in tegenwoordigheid van een professor of onder-leeraar, totdat zij in staat zijn zichzelf te kleeden, wat op hun vijfde jaar is. En als het ooit uitkomt, dat die bedienden het wagen de meisjes te vermaken met vreeselijke of onzinnige vertelsels, of met de gebruikelijke dwazigheden van kamermeisjes bij ons, dan worden zij driemaal in 't openbaar rond de stad gegeeseld, krijgen een jaar gevangenisstraf, en worden voor hun leven verbannen naar het meest verlaten gedeelte van het rijk. Zoodoende schamen de jonge dames zich even erg lafaards en dwazen te zijn als de mannen, en verachten alle lichaamsversieringen, behalve ordentelijkheid en zindelijkheid; ook bespeurde ik geen verschil in hun opvoeding, om het verschil van geslacht, alleen waren de lichaamsoefeningen van de meisjes minder inspannend dan die van de knapen, en leerden ze het een en ander van de huishouding meer, en een hoeveelheid algemeene wetenschap minder; maar toch ook niet heelemaal geen wetenschap, want hun stelregel is, dat de vrouw van stand, daar ze toch niet altijd jong kan wezen, tenminste altijd een redelijke en aangename gezellin moet kunnen zijn. Als de meisjes twaalf jaar oud zijn, dat bij dit volk de huwbare leeftijd is, nemen hun ouders of voogden hen thuis, met innige dankbaarheidsbetuigingen aan de professoren en zelden zonder tranen van de jonge dame en haar vriendinnen en kameraadjes.
In de opvoedingsgestichten voor meisjes van minderen stand, worden de kinderen onderwezen in alle soorten van werk dat voor vrouwen geschikt is, ook weer elk naar zijn toekomstige plaats in de maatschappij: die bestemd zijn leerling te worden gaan eruit als ze zeven jaar oud zijn; de overige blijven tot hun elfde.
De min-gefortuneerde familiën, die kinderen in deze gestichten hebben, zijn verplicht, behalve hun jaarlijksche kostgeld, dat zoo laag mogelijk is, den directeur van de inrichting een klein maandelijksch deel van hun verdiensten af te staan tot een toekomstig inkomen voor het kind; en daartoe worden alle ouders door de wet in hun uitgaven beperkt. Want de Lilliputters achten niets onrechtvaardiger, dan dat er menschen zijn, die kinderen ter wereld brengen, en den last van hun onderhoud op de openbare kas schuiven. Personen van stand geven vastigheid voor een zekere som voor ieder kind, naar hun vermogen; en deze fondsen worden altijd zorgvuldig en met de meeste rechtvaardigheid bestuurd.
De landbouwers, boeren en arbeiders houden hun kinderen thuis, daar die niets anders zullen hebben te doen dan den grond te bewerken en te bebouwen en hun opvoeding dus van weinig belang is voor het publiek; maar hun ouden en gebrekkigen worden onderhouden in gasthuizen; want bedelen is een beroep dat men in dat rijk niet kent.
En hier zal het den nieuwsgierigen lezer misschien vermaken iets te hooren van mijn huishouding en mijn levenswijze in dat land, waar ik negen maanden en dertien dagen geweest ben. Daar mijn hoofd van nature staat naar knutselen, en het hier bovendien wel noodzakelijk was, had ik me een tamelijk makkelijke stoel en tafel gemaakt, van de grootste boomen van 't Keizerlijk park. Tweehonderd naaisters waren aangesteld om overtrekken en lakens voor mijn bed en tafel te naaien, allemaal van de sterkste en grofste soort goed die er te krijgen was, dat ze, nochtans, genoodzaakt waren verscheiden keeren over elkaar te vouwen, want het dikste was een paar soorten fijner dan mousseline. Hun linnen is meestal drie duim breed, en een stuk is drie voet. De naaisters namen mij de maat, terwijl ik op den grond lag, een staande bij mijn nek, en een andere bij mijn bovenbeen, met een sterk touw, waarvan ze de uiteinden vasthielden, terwijl een derde de lengte mat van het touw met een lineaal van een duim lang. Toen maten zij mijn rechter duim, en hadden meer niet noodig, want door een wiskundige berekening, dat tweemaal om den duim is eenmaal om den pols, en zoo door tot nek en middel, en met behulp van mijn oude hemd, dat ik als model voor hen uitspreidde op den grond, hadden zij precies mijn maat. Driehonderd kleermakers waren op dezelfde manier aan 't werk om mij kleeren te maken; maar zij hadden een ander hulpmiddel om mij de maat te nemen. Ik knielde neer, en zij zetten een ladder van den grond tot mijn nek; een van hen klom daartegen op, en liet een schietlood vallen, van mijn halsboord tot den vloer, wat juist de lengte van mijn jas aangaf, maar mijn middel en armen mat ik zelf. Toen mijn kleeren gemaakt waren, wat in mijn huis gebeurde (want de grootste van hun huizen zouden niet in staat zijn geweest ze te bevatten) zagen ze eruit als het lapjeswerk, dat de dames in Engeland werken, behalve dat ze van één kleur waren.
Ik had driehonderd koks, om mijn eten te bereiden, in kleine, geriefelijke hutjes om mijn huis heen, waar ze woonden met hun families en mij elk twee schotels klaarmaakten. Ik nam twintig knechts in mijn hand, en zette ze op tafel; honderd anderen stonden onder op den grond, een afdeeling met schotels spijs, een andere met vaten wijn en andere dranken, op hun schouders geheschen; de knechts op tafel trokken dat alles, naarmate ik noodig had, heel vernuftig omhoog, met koorden, op de manier, waarop wij in Europa een aker uit een put ophalen. Een schotel van hun spijs was een goede mondvol, en een vat van hun drank een redelijke slok. Hun lamsvleesch is minder dan het onze, maar hun ossenvleesch is uitstekend. Ik heb éen lende gehad, die ik genoodzaakt was in drie happen op te eten; maar dat is zeldzaam. Mijn bedienden waren verbaasd mij die te zien eten met been en al, zooals wij bij ons het een leeuwriksboutje doen. Hun ganzen en kalkoenen at ik gemeenlijk in een hap, en ik moet bekennen dat ze veel beter zijn dan de onze. Van hun kleine gevogelte kon ik twintig of dertig op de punt van mijn mes nemen.
Eens wenschte Zijne Keizerlijke Majesteit, ingelicht omtrent mijn manier van leven, gezamenlijk met zijn gevolg, en de prinsen en prinsessen van den bloede, het geluk te mogen hebben,--zooals het hem wel behaagde dat te noemen,--met mij te tafelen. Zij kwamen dan ook, en ik zette hen op hofstoelen, op mijn tafel, vlak tegenover me, met hun wacht om hen heen. Flimnap, de Minister van Financiën, stond daar ook bij met zijn witten staf; en ik zag wel dat hij dikwijls met een zuur gezicht naar me keek, maar deed of ik dat niet merkte en at meer dan gewoonlijk ter eere van mijn dierbaar geboorteland, en tot overgroote verbazing van het hof. Ik heb mijn eigen redenen om te meenen, dat dit bezoek van Zijne Majesteit Flimnap een goede gelegenheid gaf mij kwaad te doen bij zijn meester. Die minister was altijd in 't geheim mijn vijand geweest, schoon hij mij voor 't uiterlijk minzamer behandelde, dan met zijn galachtige natuur overeenkwam. Hij stelde den Keizer den slechten toestand voor van zijn schatkist; dat hij genoodzaakt was geld op te nemen tegen hoogen interest; dat wisselbrieven niet anders konden circuleeren dan tegen negen percent beneden pari; dat ik, kortom, Zijne Majesteit meer dan anderhalf millioen sprugs (hun grootste gouden munt, zoowat zoo groot als een lovertje) gekost had, en dat het, over 't geheel, raadzaam voor den Keizer zijn zou bij de eerste gelegenheid de beste van mij te worden verlost.
Hier acht ik mij verplicht den goeden naam te verdedigen van een uitmuntende dame, die om mijnentwil onschuldig te lijden had. De minister van financiën kreeg het in zijn hoofd jaloersch te worden op zijn vrouw, waarvan kwaadaardige tongen hem verteld hadden dat hare genade een hevige genegenheid voor mij had opgevat; en een tijdlang liepen er praatjes door het hof van dat ze eens in 't geheim in mijn woning geweest was. Ik verklaar plechtig dat dit een lage, gemeene leugen is, die geen enkelen grond heeft, dan dat het hare genade behaagde mij te behandelen met alle onschuldige blijken van vriendschappelijke familiariteit. Ik geef toe dat ze dikwijls bij mij aankwam, maar dat was altijd in 't openbaar, en nooit zonder nog wel drie anderen in haar koets, gewoonlijk haar zusters en dochtertje en de een of andere bizondere kennis; maar dat deden verscheiden hofdames. En nu nog roep ik mijn bedienden tot getuigen, of ze ooit een koets voor mijn deur zagen, zonder te weten wie erin waren. Bij zulke gelegenheden was mijn gewoonte, als een bediende mij gewaarschuwd had, onmiddellijk naar de deur te gaan, en, nadat ik mijn gasten gegroet had, de koets met twee paarden heel zorgvuldig in mijn handen te nemen (want als er zes paarden waren spande de postiljon er vier af), en ze op de tafel te plaatsen, waar ik een lossen rand omheen had gezet, van vijf duim hoog, ter voorkoming van ongelukken. En dikwijls heb ik vier koetsen met span en al op mijn tafel gehad, allen vol gezelschap, terwijl ik in mijn stoel zat met mijn gezicht voorover naar hen toe; en terwijl ik bezig was met éen partij, reden de koetsiers de andere zoetjes over de tafel rond. Menigen namiddag heb ik heel aangenaam met bezoek krijgen en praten doorgebracht. Maar ik tart den minister van financiën, of zijn twee berichtgevers (ik zal ze noemen, en laat ze zien hoe ze zich eruit redden), Clustril en Drunlo, te bewijzen dat ooit iemand bij me kwam incognito, behalve de secretaris Reldresal, die kwam, door bizonderen last van Zijne Keizerlijke Majesteit, zooals ik hiervoor verteld heb. Ik zou niet zoolang hebben uitgeweid over deze bizonderheden, als het niet een zaak was, waarin de goede naam van een groote dame zoo van nabij betrokken is, om nog niet eens te spreken van den mijne; schoon ik toen de eer genoot nardac te zijn, wat de minister van financiën niet is; want de heele wereld weet dat hij maar een glumglum is, éen graad lager in rang, zooals een markies éen graad lager is dan een hertog; al is 't waar dat hij het recht van voorgang op mij had, van wege zijn ambt. Door deze valsche beschuldigingen, die mij later door een toeval, dat het niet de moeite waard is te vermelden, ter ooren kwam, keek Flimnap, de minister van financiën, gedurende eenigen tijd zijn vrouw leelijk en mij leelijker aan; en ofschoon hij ten laatste ontgoocheld en met haar verzoend werd, verloor ik daar zijn gunst niet minder om, en zag mijn invloed snel afnemen ook bij den Keizer, die inderdaad te zeer beheerscht werd door dien gunsteling.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
De schrijver vlucht, nadat hij gehoord heeft van een plan om hem van hoogverraad aan te klagen, naar Blefuscu.--Hoe hij daar ontvangen werd.
Voor ik voortga met te vertellen hoe ik dit rijk verlaten heb, zal het niet onaardig zijn den lezer iets te zeggen van een hofintrige tegen mij, die zich sinds twee maanden om mij heen had gevormd.
Ik was, tot toen toe, mijn heele leven onbekend met hoven geweest, waar ik door mijn lage geboorte niet paste. Wel had ik genoeg gelezen en gehoord van de humeurs van vorsten en ministers; maar nooit had ik verwacht, die zoo verschrikkelijk aan 't werk te zullen zien in zoo'n verwijderde landstreek, waar ik gemeend had dat naar heel andere regels geregeerd werd dan in Europa.
Toen ik juist alles gereed maakte om mijn opwachting te gaan maken bij den Keizer van Blefuscu, kwam een heer van rang van het hof, (wien ik eens, toen hij bij den Keizer in de uiterste ongenade gevallen was, van dienst was geweest) 's nachts in 't diepste geheim aan mijn huis, in een gesloten draagstoel, en vroeg zonder zijn naam te zeggen, verlof om binnen te komen. De dragers werden weggestuurd; ik stak den stoel met Zijn Edelheid erin in mijn jaszak, en nadat ik een vertrouwden dienaar last had gegeven te zeggen dat ik onwel was gaan slapen, sloot ik de deur van mijn huis, zette den stoel op tafel, zooals ik gewoon was, en ging ervoor zitten. Na de gebruikelijke begroetingen, toen ik zag dat Zijn Edelheids gezicht groote bezorgdheid teekende en de reden daarvan vroeg, verzocht hij mij met geduld te luisteren naar een zaak die onmiddellijk betrof mijn eer en mijn leven. Hij zei daarop ongeveer het volgende, want ik hield er aanteekening van zoodra hij weg was: "Gij moet weten", zeide hij, "dat nu onlangs verscheidene malen geheime raad over u is belegd; en eerst twee dagen geleden heeft Zijne Majesteit een vast besluit genomen. Het zal u bekend zijn, dat Skyresh Bolgolam (galbet, of opper-admiraal) bijna van uw aankomst af uw doodsvijand is geweest. Zijn oorspronkelijke redenen daartoe weet ik niet, maar zijn woede is erg toegenomen sinds uw groote onderneming tegen Blefuscu, waardoor zijn roem als admiraal verduisterd werd. Deze heer, in overleg met Flimnap, den minister van financiën, waarvan het bekend is dat hij u haat vanwege die geruchten over zijn vrouw, Limtoc, den generaal, Lalcon, den kamerheer en Palmuff, den minister van Justitie, heeft een aanklacht tegen u opgesteld, wegens verraad en andere halsmisdaden."
Deze voorrede maakte mij zoo ongeduldig, daar ik overtuigd was van mijn onschuld en mijn verdiensten, dat ik hem wou in de rede vallen, maar hij verzocht mij bedaard te zijn, en ging voort als volgt:
"Uit dankbaarheid voor de diensten, die gij mij bewezen hebt, verschafte ik mij inlichtingen over den heelen loop der zaak, en een afschrift van de punten van beschuldiging, waardoor ik, om uwentwil, mijn hoofd op 't spel zette.
Punten van Beschuldiging tegen Quinbus Flestrin, den Man-berg.
"1e. Dat de genoemde Quinbus Flestrin, toen hij de keizerlijke vloot van Blefuscu in de haven gebracht had, en daarna bevel kreeg van Zijne Keizerlijke Majesteit al de andere schepen van het genoemde rijk van Blefuscu te vermeesteren, en dat rijk tot een provincie te maken, die voortaan door een onderkoning zou worden bestuurd, en te dooden en uit te roeien niet enkel de uitgeweken stomp-punters, maar ook een iegelijk in dat rijk, die niet onmiddellijk de stomp-puntersche ketterij zou afzweren; dat hij, de voornoemde Flestrin, toen, als een valsch verrader van Zijne goedgunstige, verheven, Keizerlijke Majesteit verzocht van dien dienst verschoond te worden, bewerende ongeneigd te zijn de gewetens te dwingen, of de vrijheid en het leven te verwoesten van een onschuldig volk.
"2e. Dat, toen zekere gezanten kwamen van het hof van Blefuscu, om den vrede af te smeeken van Zijne Majesteit, hij, de meergenoemde Flestrin, als een valsch verrader, bovengenoemde gezanten hielp, schadeloos stelde, troostte en vermaakte, ofschoon hij wist, dat ze dienaars waren van een vorst, die eerst onlangs in open vijandschap leefde met zijne Keizerlijke Majesteit en in open oorlog was met Zijne Majesteit.
"3e. Dat de meergenoemde Quinbus Flestrin, in strijd met de plichten van een trouw onderdaan, zich nu gereedmaakt een reis te doen naar het hof en rijk van Blefuscu, waartoe hij alleen voor den vorm verlof heeft ontvangen van Zijne Keizerlijke Majesteit, en onder beschutting van dat verlof, valschelijk en verraderlijk bedoelt de genoemde reis te doen, en daardoor te helpen te troosten en schadeloos te stellen den Keizer van Blefuscu, pas onlangs een vijand, in open oorlog met Zijne Keizerlijke Majesteit, vorengenoemd."
"Er zijn nog een paar andere punten; maar deze, waarvan ik u een uittreksel voorgelezen heb, zijn de belangrijkste.
"In de menigvuldige debatten over deze beschuldiging gehouden, moet ik bekennen, dat Zijne Majesteit menig blijk gaf van zijne groote zachtaardigheid; herhaaldelijk wijzende op de diensten, die gij hem bewezen hebt, en trachtende uw misdaden te vergoêlijken. De minister van finantiën en de admiraal drongen er op aan, dat gij op de pijnlijkste en meest onteerende manier ter dood zoudt worden gebracht, door uw huis 's nachts in brand te steken, terwijl de generaal met twintigduizend man, gewapend met vergiftigde pijlen er omheen zou staan, om u in 't gezicht en de handen te schieten. Eenige van uw bedienden zouden geheime orders krijgen, om een giftig sap op uw handen te sprenkelen, waardoor ge uw vleesch in stukken zoudt scheuren en in de hevigste martelingen sterven. De generaal liet zich óók tot die meening overhalen, zoodat er geruimen tijd een meerderheid tegen u was; maar Zijne Majesteit, die besloten had, zoo mogelijk, uw leven te sparen, kreeg eindelijk den kamerheer op zijn zij.