Gulliver's Reizen naar Lilliput en Brobdingnag

Part 4

Chapter 43,816 wordsPublic domain

Eens op een morgen, ongeveer twee weken nadat ik mijn vrijheid herkregen had, kwam Reldresal, eerste geheimschrijver (zooals zij hem noemen) aan mijn huis, alleen vergezeld door een bediende. Hij beval dat zijn draagkoets hem op eenigen afstand wachten zou, en vroeg mij hem een gehoor van een uur toe te staan, waarin ik gereedelijk toestemde, in aanmerking nemende zijn rang en zijn persoonlijke verdiensten, zoowel als de vele goede diensten, die hij mij tijdens mijn sollicitaties aan het hof bewezen had. Ik bood aan te gaan liggen, opdat hij wat dichter bij mijn oor zou kunnen spreken; maar hij wou liever dat ik hem gedurende ons gesprek in de hand hield. Hij begon met mij geluk te wenschen met mijn invrijheidstelling; zei dat hij zich eenigszins er op beroemen mocht daartoe te hebben medegewerkt, maar voegde er bij, dat ik nochtans, als niet de tegenwoordige staat van zaken aan het hof geholpen had, haar misschien niet zoo gauw zou hebben verkregen. "Want", zeide hij, "in hoe bloeienden toestand wij voor een vreemde ook schijnen te verkeeren, wij lijden onder twee smartelijke kwalen: een hevigen partijtwist binnenslands, en het gevaar van een inval door een zeer machtigen vijand erbuiten. Wat de eerste betreft moet gij weten dat sinds zeventig manen twee overhoop liggende partijen in dit rijk geweest zijn, die zich noemden Tramecksan en Slamecksan, naar de hooge en lage hakken van hun schoenen, waardoor zij zich van elkander onderscheiden. Men beweert wel eens, dat de hoog-hakken het meest in gunst zijn bij ons oude vorstenhuis; maar, wat daar ook van aan zij, het is een feit dat Zijne Majesteit in het staatsbestuur, en, zooals ge wel zult bemerkt hebben, in al de posten, die de kroon te begeven heeft, alleen laag-hakken gebruikt; en wat meer zegt, dat Zijner Majesteits keizerlijke hakken minstens een drurr lager zijn dan van iemand aan 't hof (drurr is een maat van zoowat een veertiende van een duim). De vijandelijkheden tusschen deze twee partijen loopen zoo hoog, dat ze met elkaar eten, drinken, noch praten willen. Wij schatten de Tramecksan, of hoog-hakken, grooter in aantal dan wij; maar de macht is heelemaal in onze handen. Wij vreezen dat Zijne Keizerlijke Hoogheid de Kroonprins, zich min of meer tot de Hoog-hakken voelt aangetrokken; we kunnen tenminste duidelijk zien dat een van zijn hakken hooger is dan de andere, wat maakt dat hij een beetje mank loopt. Nu, te midden van deze huiselijke onrusten worden wij bedreigd door een inval van het eiland Blefuscu, dat het andere groote rijk van de wereld is, bijna zoo groot en machtig als dit van Zijne Majesteit. Want, wat aangaat wat wij u hebben hooren beweren, dat er andere koninkrijken en staten in de wereld zijn, bewoond door menschelijke wezens zoo groot als gij zijt, daarover verkeeren onze wijsgeeren zeer in twijfel, en gelooven liever dat gij van de maan of een van de sterren gevallen zijt; omdat het zeker is dat honderd stervelingen van uw omvang in korten tijd al het vee en de vruchten van Zijner Majesteits landen zouden uitroeien; bovendien maakt onze geschiedenis over zesduizend manen geen melding van eenige andere streken dan de twee groote rijken Lilliput en Blefuscu; welke twee machtige rijken, zooals ik u juist vertellen wou, sinds zes-en-dertig manen in een uiterst hardnekkigen oorlog gewikkeld zijn. Die begon door het volgende voorval: Het wordt door niemand tegengesproken dat de oorspronkelijke manier om eieren open te breken, voor we ze eten, was op de stompe punt; maar nadat de grootvader van onzen tegenwoordigen Keizer, toen hij nog een jongen was, eens het ongeluk gehad heeft, toen hij een ei ging eten en dat openbrak volgens de oude manier, zich in den vinger te snijden, liet de Keizer, zijn vader, een bevel afkondigen, waarbij al zijnen onderdanen met bedreiging van strenge straffen bevolen werd hun eieren aan de spitse punt open te breken. Het volk was over dit bevel zoo verbitterd, dat, zooals onze geschiedenissen melden, tengevolge daarvan zes opstanden verwekt zijn, waarin één Keizer zijn leven en een ander zijn kroon verloor. Deze binnenlandsche onrusten werden gestadig aan 't gisten gehouden door de vorsten van Blefuscu, en als ze gedempt waren zochten de ballingen altijd in hun rijk een schuilplaats. Men heeft berekend dat elfduizend menschen op verschillende tijden zich lieten dooden, eerder dan er in toe te stemmen hun eieren te breken aan de spitse punt. Veel honderden dikke boekdeelen zijn over dit strijdpunt uitgekomen; maar de boeken van de stomppunters zijn sinds lang verboden, en de heele partij bij de wet uitgesloten van het vervullen van staatsambten. Gedurende den loop van deze twisten, protesteerden de Keizers van Blefuscu herhaaldelijk door hun gezanten, ons beschuldigende een scheiding te maken in den godsdienst, door te handelen tegen een grondstelling van onzen grooten profeet Lustrog, in het vier-en-vijftigste hoofdstuk van den Blundecral (dat is hun Alcoran). Dit wordt evenwel als een verwringing van den tekst beschouwd, want de woorden zijn: dat alle ware geloovers hun eieren zullen openbreken aan de punt, die daartoe het geschiktst is. En welke punt daartoe het geschiktst is, lijkt, naar mijn bescheiden meening, te zijn overgelaten aan ieders oordeel en geweten, of hoogstens in de macht van de overheid gesteld om uit te maken. Nu hebben de verbannen stomppunters zooveel invloed gekregen aan het hof van den Keizer van Blefuscu, en zooveel geheimen bijstand en aanmoediging van hun partij hier in 't land, dat een bloedige oorlog tusschen de twee rijken al sinds zes-en-dertig manen met afwisselenden voor- en tegenspoed wordt gevoerd; gedurende welken tijd wij veertig kapitale schepen en een veel grooter aantal kleine vaartuigen verloren hebben, gezamenlijk met dertigduizend van onze beste zeelui en soldaten; en de schade door onze vijanden geleden wordt iets grooter geschat dan de onze. Zij hebben nu echter een talrijke vloot uitgerust en maken zich juist gereed om op ons af te komen; en de Keizerlijke Majesteit, die het grootste vertrouwen stelt in uw moed en kracht, heeft mij bevolen u dit overzicht van onzen toestand voor te leggen."

Ik verzocht den secretaris mijne onderdanige groeten aan den Keizer over te brengen en hem te doen weten, dat ik van meening was dat het mij, als vreemdeling niet passen zou mij met partijtwisten in te laten; maar dat ik gereed was mijn leven te wagen om zijn persoon en rijk tegen alle indringers te verdedigen.

VIJFDE HOOFDSTUK.

De schrijver voorkomt een inval, door een zeer bijzondere krijgslist.--Hem wordt een hooger rang geschonken.--Gezanten komen van den Keizer van Blefuscu om over den vrede te onderhandelen.

Het Keizerrijk Blefuscu is een eiland, gelegen ten noord-oosten van Lilliput, waarvan het alleen gescheiden is door een kanaal van achthonderd el breed. Ik had het nog niet gezien, en na dit bericht van voorgenomen inval vermeed ik mij aan die zij van de kust te vertoonen, uit vrees bespeurd te worden door een of ander schip van den vijand, die nog niet van mijn aanwezigheid verwittigd was, omdat gedurende den oorlog alle verkeer tusschen de twee rijken op doodstraf verboden en door onzen Keizer een embargo op alle schepen was gelegd. Ik deelde Zijne Majesteit een plan mede dat ik gemaakt had, om met één slag de heele vijandelijke vloot te vermeesteren, die, zooals onze voorposten ons verzekerden, in de haven voor anker lag, klaar om met den eersten gunstigen wind uit te zeilen. Ik raadpleegde de meest ervaren zeelui over de diepte van het kanaal, dat ze dikwijls gepeild hadden; die mij vertelden dat het in 't midden bij hoog water zeventig glumgluffs diep was, wat zoowat zes voet Europeesche maat is; en voor 't overige vijftig glumgluffs op zijn hoogst. Ik wandelde naar de noord-oostkust, vlak tegenover Blefuscu, en achter een heuveltje liggende haalde ik mijn kleinen zak-verrekijker uit en nam de vijandelijke vloot waar voor anker, bestaande uit ongeveer vijftig oorlogsschepen en een groot aantal transportschepen; toen ging ik terug naar mijn huis, en gaf bevel (waarvoor ik volmacht had) mij een groote hoeveelheid van het sterkste kabeltouw en ijzeren staven te leveren. Het kabeltouw was ongeveer zoo dik als pakgaren, en de staven van de lengte en dikte van een breinaald. Ik vlocht, om het sterker te maken, die touwen door elkaar, en boog met hetzelfde doel drie ijzeren staven ineen, waarvan ik de uiteinden tot een haak boog. Nadat ik zoo vijftig haken aan evenveel kabels bevestigd had, ging ik terug naar de noord-oostkust, en nadat ik mijn jas, schoenen en kousen uitgedaan had, wandelde ik in zee, in mijn leeren wambuis, zoowat een half uur voor hoog water. Ik waadde zoo gauw ik kon, en zwom in het midden nagenoeg dertig el, tot ik grond voelde. Ik bereikte de vloot in minder dan een half uur. De vijanden waren zoo verschrikt toen zij mij zagen, dat zij uit hun schepen sprongen, en naar de kust zwommen, waar er niet minder dan dertigduizend bij elkaar konden zijn; toen nam ik mijn touwwerk, en een haak vastmakende aan het gat van elken voorsteven, bond ik de koorden aan het uiteinde bij elkaar. Terwijl ik zoo bezig was, schoot de vijand verscheiden duizenden pijlen af, waarvan vele in mijn handen en gezicht bleven steken, en mij, behalve dat ze mij bitter pijn deden, erg in mijn werk hinderden. Het meest vreesde ik voor mijn oogen, die ik onfeilbaar zou verloren hebben, als ik niet plotseling aan een hulpmiddel gedacht had. Ik had onder andere kleine benoodigdheden, een bril in een geheim zakje, dat, zooals ik hiervoor vertelde, door de keizerlijke nazoekers niet was opgemerkt. Dien haalde ik voor den dag, en zette hem zoo vast ik kon op mijn neus, en ging, zoo gewapend, stoutmoedig met mijn werk voort, in spijt van de vijandelijke pijlen, waarvan menigeen tegen de glazen van mijn bril aansloeg, maar zonder andere uitwerking dan dat mijn bril er een klein beetje schuin van ging staan. Ik had nu al de haken aangehecht, en begon, met den knoop in mijn hand, te trekken; maar geen schip wou van zijn plaats, omdat ze allemaal te vast aan hun ankers lagen, zoodat het ergste deel van mijn onderneming nog overbleef. Ik liet daarom het touw los, en terwijl ik de haken aan de schepen vast liet, sneed ik vastberaden met mijn mes de ankertouwen door, waarbij ik ongeveer tweehonderd schoten in mijn gezicht en handen kreeg; toen nam ik het bij elkaar geknoopte uiteinde van de touwen, waar mijn haken aan vastgemaakt waren, en trok dood op mijn gemak vijftig van des vijands grootste oorlogsschepen achter me aan.

De Blefuscudianen, die niet het minste begrip hadden van wat ik ging doen, waren in 't eerst kapot van verbazing. Zij hadden mij de touwen zien doorsnijden en dachten, dat het alleen maar mijn plan was de schepen te laten afdrijven, of op elkaar loopen; maar toen zij de heele vloot in goede orde zagen voortbewegen, en mij trekken aan 't eind, stieten zij zulk een kreet uit van smart en wanhoop, dat het bijna onmogelijk is hem te beschrijven of te verbeelden. Toen ik buiten gevaar was, hield ik een poos stil om de pijlen uit te trekken, die in mijn handen en gezicht staken, en wreef er een beetje van dezelfde zalf op, die mij bij mijn eerste aankomst gegeven was, zooals ik vroeger verteld heb. Toen nam ik mijn bril af en nadat ik een uur ongeveer gewacht had tot het tij een beetje verloopen was, waadde ik met mijn buit door en bereikte veilig de Keizerlijke haven van Lilliput.

De Keizer en zijn heele hof stonden aan het strand, in afwachting van den uitslag van dit groote waagstuk. Zij zagen de schepen in een breede halve maan voortbewegen, maar konden mij niet onderscheiden, omdat ik tot de borst in het water was. Toen ik tot het midden van het kanaal gekomen was, waren zij in nog grooter benauwdheid, omdat ik onder water was tot mijn hals. De Keizer begon te gelooven dat ik verdronken was, en dat de vijandelijke vloot met oorlogzuchtige bedoelingen naderde; maar hij werd spoedig van zijn angst verlost; want het kanaal, bij iederen stap dien ik deed, ondieper wordende, kwam ik binnenkort dicht genoeg bij om mij verstaanbaar te maken en riep, het uiteinde van het touw, waar de vloot aan was vastgemaakt, omhoog houdende, met luide stem: Lang leve de zeer machtige Keizer van Lilliput! Deze groote vorst ontving mij bij mijn landing met alle mogelijke loftuitingen, en maakte mij op de plaats tot nardac, wat het hoogste eerambt onder hen is.

Zijne Majesteit verlangde dat ik van een volgende gelegenheid gebruik zou maken om ook de rest van de vijandelijke schepen in zijn havens te sleepen. En zoo mateloos is de eerzucht van vorsten, dat hij niets minder scheen in den zin te hebben dan het heele rijk Blefuscu in een provincie te veranderen en het te doen besturen door een onderkoning, de uitgeweken stomp-punters uit te roeien, en dat volk te noodzaken hun eieren bij de spitse punt open te breken, en zoo de eenige vorst van de heele wereld te zijn. Maar ik trachtte hem van dit plan af te brengen, door allerlei argumenten, zoowel aan de politiek als aan de rechtvaardigheid ontleend; ik verklaarde ronduit dat ik nooit mij zou laten gebruiken als werktuig om een vrij en dapper volk in slavernij te brengen. En toen de zaak in den raad besproken werd, was het wijste deel van den ministerraad van mijne meening.

Deze open stoutmoedige verklaring van mij was zoo tegengesteld aan de plannen en de politiek van Zijne Keizerlijke Majesteit, dat hij ze mij nooit vergeven kon. Hij zinspeelde er bedektelijk op in den raad, waar, zooals men mij zei, sommige van de wijsten, door hun stilzwijgen, ten minste schenen mij gelijk te geven, maar anderen, die mijn geheime vijanden waren, konden eenige uitdrukkingen niet weerhouden, die langs een omweg tot mij over werden gebracht. En van dien tijd aan begon een samenspanning van Zijne Majesteit met eenige van zijn ministers, met kwaadaardig opzet tegen mij, die in minder dan twee maanden uitbrak en bijna met mijn volkomen ondergang geëindigd was. Van zoo klein gewicht zijn de grootste diensten, vorsten bewezen, als ze in de schaal gelegd worden tegenover een weigering om hun hartstochten te bevredigen.

Ongeveer drie weken na deze heldendaad kwam er een plechtig gezantschap aan van Blefuscu, met nederig verzoek om den vrede, die spoedig geteekend werd op voor onzen Keizer zeer voordeelige voorwaarden, waarmee ik den lezer niet zal lastig vallen. Er waren zes gezanten, met een gevolg van ongeveer vijfhonderd personen, en hun inkomst was zeer prachtig, zooals het de grootheid van hun meester en het gewicht van hun zending paste. Toen de onderhandelingen waren afgeloopen, waarbij ik hun menigen goeden dienst deed door den invloed, dien ik nu had, of ten minste scheen te hebben, aan 't hof, brachten hunne Excellenties, die in 't geheim onderricht waren hoezeer ik hun vriend geweest was, mij een formeel bezoek. Zij begonnen met veel komplimenten over mijn dapperheid en edelmoedigheid, noodigden mij in naam van hun Keizer uit tot een bezoek aan zijn rijk, en vroegen of zij eenige blijken zien mochten van mijn ontzaglijke kracht, waarvan zij zooveel wonderen gehoord hadden, wat ik hun gereedelijk toestond, maar met de bijzonderheden waarvan ik den lezer niet lastig zal vallen.

Toen ik hunne Excellenties eenigen tijd tot hun onuitsprekelijke voldoening en verrassing had beziggehouden, verzocht ik hun mij de eer te willen doen mijn onderdanigste groeten over te brengen aan den Keizer hun meester, de roep van wiens deugden zoo ten rechte de geheele wereld met bewondering vervuld had, en wiens vorstelijke persoon ik besloten was mijne opwachting te maken voor ik terugkeerde naar mijn eigen land. Dienovereenkomstig vroeg ik den eerstvolgenden keer dat ik de eer had onzen Keizer te zien, zijn onbepaald verlof om den Blefuscudiaanschen vorst mijn opwachting te gaan maken, dat hij mij toestond, zooals ik duidelijk merkte, op eenigszins koude manier; maar ik kon daar de reden niet van gissen, totdat mij iemand een gerucht overbracht als zouden Flimnap en Bolgolam mijn onderhoud met de gezanten hebben voorgesteld als een bewijs van verandering in mijn gezindheid; waarvan ik zeker ben dat mijn hart volkomen vrij was. Dit was de eerste keer dat ik eenigszins een voorstelling van hoven en ministers begon te krijgen.

Hier moet ik doen opmerken dat de gezanten tot mij spraken door middel van een tolk, daar de talen van de beide rijken evenveel verschilden als twee talen in Europa, en iedere natie zich verheft op de oudheid, schoonheid en gespierdheid van haar eigen taal, met een duidelijk merkbare minachting voor die van haar naburen; onze Keizer evenwel had, gebruik makende van het voordeel dat de vermeestering van hun vloten hem gegeven had, hen verplicht hun geloofsbrieven over te leggen en hun rede te houden in de taal der Lilliputters. En het moet gezegd worden, dat door het drukke handels- en bedrijfsverkeer tusschen de beide rijken, door het voortdurend opnemen van uitgewekenen, dat weerkeerig bij hen is, en door de gewoonte in elk rijk, den jongen adel en de rijke burgerzoons naar elkaar over te zenden, opdat ze hun opvoeding voltooien door de wereld te zien, en menschen en zeden te leeren verstaan, er weinig personen van beteekenis: òf handelaren òf zeelui, in de zeeplaatsen zijn, die niet een gesprek kunnen voeren in beide talen, zooals ik een paar weken later merkte, toen ik mijn opwachting ging maken bij den Keizer van Blefuscu, wat, temidden van groote rampen, veroorzaakt door de boosheid van mijn vijanden, een gelukkig voorval bleek, zooals ik op de daartoe geschikte plaats zal mededeelen.

De lezer zal zich herinneren, dat er, toen ik de artikelen teekende, waar ik mijn vrijheid op herkreeg, sommige bij waren waar ik op tegen had, omdat zij mij te vernederend voorkwamen; ook kon niets dan een uiterste noodzakelijkheid mij er toe gebracht hebben ze te teekenen; maar nu, daar ik een nardac van den hoogsten rang in het rijk was, werden zulke diensten beneden mijn waardigheid gerekend, en ik doe den Keizer slechts recht door te verklaren, dat hij er mij nooit ééns aan herinnerd heeft.

ZESDE HOOFDSTUK.

Over de inwoners van Lilliput; hun wetenschappen, wetten en gewoonten; de wijze van opvoeding hunner kinderen.--Des schrijvers leefwijze in dat land.--Zijn rechtvaardiging van een edele dame.

Ofschoon ik van plan ben de beschrijving van dit rijk te bewaren voor een afzonderlijk werk, zal ik den belangstellenden lezer toch graag, voorloopig, eenige algemeene denkbeelden erover geven. Terwijl dan de gewone lengte van de inboorlingen iets minder dan zes duim is, bestaat er een juiste overeenkomst daarmee bij al de andere dieren, zoowel als bij planten en boomen; de grootste paarden en ossen bij voorbeeld zijn misschien vier en vijf duim hoog, de schapen anderhalven duim, iets meer of iets minder; hun ganzen zoowat zoo groot als een musch, en zoo de verschillende soorten, al kleiner, totdat men komt aan de kleinste, die voor mijn oogen bijna onzichtbaar waren; maar de natuur heeft de oogen van de Lilliputters bekwaam gemaakt tot het zien van alles wat hun noodig te zien is; zij zien zeer scherp, maar niet op grooten afstand. Zoo vond ik het heel aardig--om een voorbeeld te geven van hun scherpte van gezicht voor voorwerpen die dichtbij zijn--een kok waar te nemen als hij een leeuwrik plukte, die niet zoo groot was als een gewone vlieg en een klein meisje, dat een onzichtbaren draad door het oog van een onzichtbare naald haalde. Hun grootste boomen zijn zoowat zeven voet hoog; ik bedoel sommige uit het Keizerlijk park, waarvan ik de toppen maar effentjes met mijn gesloten vuist bereiken kon. De overige plantengroei is naar dezelfde verhouding; maar dat kan de lezer zich wel zelf verbeelden.

Ik zal hier maar weinig zeggen van den toestand der wetenschap, die verscheidene eeuwen geleden, in al haar takken bij hen gebloeid heeft; maar van hun wijze van schrijven vermeld ik als bijzonderheid, dat die niet is van links naar rechts, zooals bij de Europeanen; noch van rechts naar links als bij de Arabieren; noch van boven naar beneden zooals bij de Chineezen; maar schuins van een hoek van het papier naar den anderen, zooals die van de dames in Engeland.

Zij begraven hun dooden met het hoofd recht naar beneden, omdat zij de meening zijn toegedaan, dat zij in elfduizend manen allen weer zullen opstaan; in welken tijd de aarde (die ze zich als een plat vlak voorstellen) zich juist onderste boven keert, zoodat ze bij hun opstanding precies recht overend zullen staan. Hunne geleerden zien de onzinnigheid van die leer in, maar de gewoonte wordt gevolgd, ten believe van het gemeen.

Er zijn sommige zeer eigenaardige wetten en voorschriften in dit rijk; en als ze niet zoo regelrecht tegenovergesteld waren aan die van mijn eigen dierbaar vaderland, zou ik mij geneigd voelen het een en ander tot hun rechtvaardiging aan te voeren. Men zou er alleen van kunnen wenschen, dat ze ook goed uitgevoerd werden. De eerste, waar ik van spreken wil, betreft de aanklagers. Alle misdaden tegen den staat worden met de grootste gestrengheid gestraft, maar als de beschuldigde voor de rechtbank zijn onschuld duidelijk weet te doen uitkomen, wordt de aanklager onmiddellijk tot een onteerenden dood veroordeeld, en uit zijn goederen en bezittingen wordt de onschuldig beschuldigde vierdubbel schadeloos gesteld voor zijn tijdverlies, voor het gevaar dat hij geloopen heeft, voor de ontberingen van zijn gevangenschap en voor al de kosten die hij gemaakt heeft voor de verdediging. En, als dat eigendom daartoe niet groot genoeg is, wordt het ontbrekende door de Kroon aangevuld. De Keizer geeft hem dan tevens een openlijk bewijs van zijn gunst, en zijn onschuld wordt door de heele stad bekend gemaakt.

Zij achten bedrog een grooter misdaad te zijn dan diefstal, en plegen het daarom zelden anders te straffen dan met den dood; want, beweren zij, zorg en waakzaamheid, met een klein beetje gezond verstand, kunnen iemands bezittingen van dieven vrijwaren, maar eerlijkheid heeft geen beschutting tegen grootere slimheid; en, aangezien het noodzakelijk is dat er een voortdurend verkeer bestaat van koopen en verkoopen, en leveren op crediet, zou, als bedrog geoorloofd of geduld was, of niet strafbaar bij de wet gesteld, de eerlijke handelaar altijd gepierd worden en de schurk de winst maken. Ik herinner me dat ik eens bij den Keizer een misdadiger voorsprak, die met een groote som geld, die hij voor zijn meester in ontvangst had genomen, was op den loop gegaan, en dat, toen ik, als verzachtende omstandigheid, zoo tegen Zijn Majesteit opmerkte dat het alleen maar misbruik van vertrouwen was, de Keizer het monsterachtig in mij vond de grootste verzwarende omstandigheid voor een verzachtende te willen laten doorgaan; en, werkelijk, ik kon weinig anders daarop antwoorden dan het gewone gezegde, dat andere volken andere zeden hebben; want ik moet zeggen dat ik diep beschaamd was.