Gulliver's Reizen naar Lilliput en Brobdingnag
Part 13
Ik sliep een paar uur, maar mijn slaap werd onophoudelijk gestoord door droomen van de plaats waar ik van daan kwam, en de gevaren waaraan ik was ontsnapt. Toen ik wakker werd, voelde ik mij evenwel veel beter. Het was toen zoo wat acht uur 's avonds en de kapitein bestelde dadelijk avondeten, meenende dat ik reeds te lang gevast had. Hij onderhield mij allerminzaamst, bemerkende dat ik niet wild keek of onsamenhangend praatte; en toen wij alleen waren vroeg hij mij hem het verhaal te doen van mijn reizen, en hoe ik zoo kwam rond te drijven in een houten kast. Hij zei, dat hij, omstreeks twaalf uur op den middag, toen hij door zijn glas keek, iets bespeurde op een afstand, dat hij voor een zeil hield, dat hij besloot te praaien, daar het niet ver uit zijn koers lag, in de hoop een beetje beschuit te kunnen koopen, omdat die hij had, begon op te raken. Dat hij, naderbijkomende, en zijn vergissing bemerkende, zijn sloep had laten uitzetten om te ontdekken wat het was; dat zijn matrozen doodsbang terugkwamen, zwerende dat zij een drijvend huis gezien hadden. Dat hij lachte om hun dwaasheid, en zelf in de boot gegaan was, terwijl hij zijn volk last gaf een sterk kabeltouw mee in de boot te nemen. Dat hij, daar de zee kalm was, verscheiden malen om me heen geroeid was, mijn vensters had opgemerkt en het traliewerk dat ze beschutte. Dat hij twee krammen aan éene zijde bespeurde, die heelemaal van planken was en zonder doorgang voor het licht. Hij beval toen zijn volk naar dien kant op te roeien, en een kabel aan een van de krammen bevestigende, gaf hij hun last mijn kast, zooals zij haar noemden, naar het schip te sleepen. Toen ze daar was, gaf hij order een anderen kabel te bevestigen aan den ring, die in de zoldering vastzat, en mijn kast met katrollen op te hijschen, wat al de matrozen niet bij machte waren hooger dan twee of drie voet te doen. Hij zei, dat zij mijn stok met den zakdoek uit het gat zagen gestoken, en daaruit opmaakten, dat de een of andere ongelukkige er binnen moest opgesloten zijn. Ik vroeg of hij of een van zijn volk niet sommige monsterachtige groote vogels in de lucht gezien hadden omstreeks den tijd dat zij mij in 't gezicht kregen? Waarop hij antwoordde, dat, terwijl hij deze zaak, toen ik sliep, met de matrozen besprak, een van hen zeide, dat hij drie arenden gezien had, die naar het noorden vlogen, maar niets bemerkte van dat zij meer dan de gewone grootte hadden; wat ik veronderstel dat moet worden toegeschreven aan de groote hoogte waarop zij waren; en hij begreep niet om wat reden ik dat vroeg. Ik vroeg toen den kapitein hoever wij, naar zijne berekening, van land waren? Hij zei, naar de beste berekening die hij maken kon, tenminste honderd mijlen. Ik verzekerde hem, dat hij zich bijna de helft vergissen moest, want dat ik het land, waar ik vandaan kwam, verlaten had niet meer dan twee uur voordat ik in zee viel. Waarop hij opnieuw ging gelooven dat mijn hoofd van streek was, wat hij me half en half te verstaan gaf, en toen raadde naar bed te gaan in een hut, die hij voor me had laten klaarmaken. Ik verzekerde hem dat ik door zijn goede zorgen en gezelschap uitstekend was opgefrischt, en zoo goed bij mijn verstand als ooit. Toen werd hij ernstig, en verzocht mij hem vrijuit te zeggen of mijn geest niet ontrust werd door het bewustzijn van een vreeselijke misdaad, waarvoor ik gestraft was, op bevel van een of anderen vorst, met in die kast gezet te worden; zooals groote misdadigers, in andere landen, gedwongen zijn op zee te gaan in een lek vaartuig, zonder teerkost: want ofschoon het hem spijten zou zulk een slecht man in zijn schip genomen te hebben, gaf hij toch zijn woord, dat hij mij veilig aan land zou zetten in de eerste de beste haven waar wij aankwamen. Hij voegde erbij, dat zijn vermoedens zeer versterkt waren door sommige allerdwaaste praatjes, die ik eerst tegen de matrozen en daarna tegen hem zelf gehouden had, aangaande mijn kamer of kast, zoowel als door mijn zonderlinge blikken en gedrag bij 't avondeten.
Ik verzocht hem geduldig te willen luisteren naar mijn verhaal, dat ik hem daarop getrouwelijk vertelde, van den laatsten keer dat ik Engeland verliet tot het oogenblik dat hij mij het eerst ontdekte. En, zooals de waarheid zich altijd een weg baant in redelijke geesten, zoo werd ook deze brave eerlijke man, die een beetje geleerdheid en een zeer gezond verstand had, onmiddellijk van mijn oprechtheid en waarheidsliefde overtuigd. Maar om al wat ik gezegd had verder te bevestigen, verzocht ik hem last te geven dat mijn kabinet gebracht zou worden, waarvan ik den sleutel in mijn zak had; want hij had me al verteld hoe het volk over mijn kamer had beschikt. Ik opende het waar hij bij was, en toonde hem de kleine verzameling merkwaardigheden, die ik in het land, waaruit ik zoo wonderlijk verlost was, had aangelegd. Daar was de kam, die ik uit de haartjes van des konings baard gemaakt had, en nog een van dezelfde grondstof, maar met voor rug een knipsel van Harer Majesteits duimnagel. Daar was een verzameling naalden en spelden van een voet tot een halve el lang; vier wespenangels, als kastenmakers-spijkers; eenige kamselharen van de koningin; een gouden ring, dien zij mij op een keer op de innemendste wijze ten geschenke gegeven had door hem van haar pink te nemen en me om het hoofd te werpen als een halsband. Ik wenschte, dat de kapitein mij het genoegen zou doen dezen ring in erkentelijkheid voor zijn beleefdheden aan te nemen, wat hij heel stellig afsloeg. Ik liet hem een likdoorn zien, dien ik met eigen handen van den teen van een hofdame gesneden had; hij was zoo wat zoo groot als een pippeling, en zoo hard geworden, dat ik hem, toen ik in Engeland terug was, uitholde tot een beker en in zilver zette. Ten laatste liet ik hem de broek zien, die ik aanhad, die gemaakt was van muizevel.
Ik kon hem niets anders doen aannemen als een tand van een hofbediende, dien ik zag dat hij zeer belangstellend bekeek en graag hebben wou. Hij nam hem aan met de overvloedigste dankbetuigingen, meer dan zulk een kleinigheid verdiende. Hij was door een onhandigen dokter getrokken aan een van de bedienden van Glumdalclitch, die aan tandpijn leed, maar hij was zoo gaaf als hij een in zijn hoofd had. Ik liet hem schoonmaken en legde hem in mijn kast. Hij was zoo wat een voet lang en vier duim in doorsneê.
De kapitein was met het eenvoudige verhaal, dat ik hem gedaan had, volmaakt tevreden, en zei, dat hij hoopte, dat ik, in Engeland teruggekeerd, de wereld verplichten zou door het op schrift te stellen en uit te geven. Mijn antwoord was, dat ik meende, dat we al zeer overvoerd waren met reisboeken, dat er niets meer gebeuren kon, dat buitengemeen was; waarom ik ook geloofde, dat sommige schrijvers de waarheid minder dan hun eigen ijdelheid, of geldzucht, of het vermaak van onwetende lezers raadpleegden; dat mijn verhaal weinig anders dan gewone gebeurtenissen bevatten kon, zonder die opsierende beschrijvingen van vreemde planten, boomen, vogels en andere, of van de barbaarsche gewoonten en den afgodendienst van wilde volksstammen, die bij de meeste schrijvers talrijk zijn. Evenwel dankte ik hem voor zijn goede bedoeling en beloofde hem de zaak in bedenking te houden.
Hij zei, dat hij zich over éen ding verwonderde, daarover namelijk, dat ik zoo luid sprak; en vroeg mij of de koning of de inwoners van dat land hardhoorig waren? Ik zei hem dat ik dat twee jaar lang voor gewoonte had gehad, en dat ik me evengoed verwonderde over zijn stem en die van zijn volk, die mij niets schenen te doen dan fluisteren, en toch kon ik ze goed genoeg verstaan. Maar, als ik sprak in dat land, was het als een man die in een straat spreekt tegen een, die van den top van een toren kijkt, tenzij ik op tafel stond of in iemands hand. Ik vertelde hem, dat ik nog iets bemerkt had, namelijk dat toen ik eerst op 't schip kwam en de matrozen om me heen stonden, ik dacht dat ze de allernietigste schepseltjes waren die ik ooit gezien had. Want, toen ik in het land van dien vorst was, kon ik niet over mij krijgen in een spiegel te kijken nadat mijn oogen gewoon waren geraakt aan zulke ontzaglijke voorwerpen, omdat de vergelijking mij zoo'n afschuwelijk klein denkbeeld van mij zelf gaf. De kapitein zei, dat hij aan 't avondeten gemerkt had dat ik alles met zekere verbazing bekeek, en soms nauwelijks mijn lachen, naar 't scheen, bedwingen kon, wat hij niet wist hoe hij 't verklaren moest, maar toeschreef aan de eene of andere stoornis in mijn hersens. Ik antwoordde, dat het zeer waar was: en ik wel eens zou willen weten hoe ik dat laten moest als ik zijn schotels zag van de grootte van een zilver driestuiverstuk, een zwijnspoot van nauwelijks een mond vol, een beker, niet zoo groot als een notedop; en zoo ging ik voort, de rest van huisraad en eetwaren beschrijvende op dezelfde manier. Want ofschoon de koningin een kleine uitrusting van alle noodige zaken voor mij had laten maken, toen ik in haar dienst was, waren mijn denkbeelden toch heelemaal vervormd door wat ik aan alle kanten om me heen zag, en ik zag mijn eigen kleinheid maar voorbij zooals de menschen hun fouten doen. De kapitein begreep mijn scherts volkomen en antwoordde luimig met het oude Engelsche spreekwoord, dat hij vermoedde dat mijn oogen grooter dan mijn buik waren, want hij merkte niet dat mijn maag heel trekkerig was, al had ik den heelen dag gevast; en in zijn vroolijkheid doorgaande, verklaarde hij dat hij graag honderd pond zou hebben gegeven om mijn kamer in den snavel van den arend, en later in haar val van zoo hoog in zee te zien; wat stellig een verbazingwekkend schouwspel geweest moest zijn, waardig dat de beschrijving ervan naar toekomstige eeuwen werd overgebracht; en de vergelijking met Phaëton lag zoo voor de hand, dat hij het niet laten kon haar te maken, schoon ik de figuur niet erg aardig vond.
De kapitein was, van Tonkin komende, op de thuisreis naar Engeland noordoostwaarts gedreven tot op 44 graden breedte en 143 lengte. Maar twee dagen nadat ik aan boord kwam, en langs de kust van Nieuw-Holland zeilende, hielden wij onzen koers west-zuid-west, en toen zuid-zuid-west, tot wij om de kaap de Goede Hoop voeren. Onze reis was zeer gelukkig, maar ik zal den lezer niet plagen met een dagverhaal ervan. De kapitein liep een of twee havens in, en zond de sloep uit om levensmiddelen en versch water in te nemen; maar ik verliet het schip niet voor we in de Duyns kwamen, wat gebeurde op den derden Juni 1706, zoowat negen maanden na mijn ontsnapping. Ik bood aan mijn goederen in pand te laten voor de betaling van mijn overtocht, maar de kapitein verklaarde dat hij geen duit ontvangen wou. Wij namen van elkaar een hartelijk afscheid en ik deed hem beloven dat hij mij zou komen opzoeken in mijn huis te Redriff. Ik huurde een paard en een gids voor vijf shillings, die ik van den kapitein leende.
Onderweg, de kleinheid van de huizen, de boomen, het vee en de menschen ziende, begon ik te denken dat ik in Lilliput was. Ik was bang op iederen reiziger dien ik tegenkwam te trappen, en riep hun dikwijls luidskeels toe uit den weg te gaan, zoodat het weinig scheelde of ik was voor mijn onbeschaamdheid met een of twee gebroken schedels thuis gekomen.
Toen ik aan mijn huis kwam, waarnaar ik genoodzaakt was te vragen, bukte ik mij, nadat een van de bedienden de deur geopend had, om binnen te gaan (als een gans onder een hek) uit vrees van mijn hoofd te stooten. Mijn vrouw vloog me tegemoet om me te omhelzen, maar ik boog me lager dan haar knieën, meenende dat ze anders nooit bij mijn mond zou kunnen komen. Mijn dochter knielde om mijn zegen te vragen, maar ik kon haar niet zien eer ze weer opstond, daar ik zoo lang gewoon was geweest met mijn hoofd en oogen zestig voet naar boven gericht, te staan; en toen ging ik haar met een hand om 't midden vatten. Ik keek op de boden neer, en op een of twee vrienden die in huis waren, als waren zij dwergen en ik een reus. Ik zei tegen mijn vrouw, dat ze te spaarzaam was geweest, want ik vond dat ze zichzelf en haar dochter tot niets vermagerd had. In 't kort, ik gedroeg me zoo onverklaarbaar, dat zij allen van de meening van den kapitein waren, toen die me 't eerst zag, en geloofden dat ik mijn verstand was kwijtgeraakt. Dit doe ik opmerken als een staaltje van de groote macht van gewoonte en vooroordeel.
Binnen weinig tijd gingen ik en mijn huisgenooten en vrienden elkaar beter verstaan; maar mijn vrouw verklaarde dat ik nooit meer naar zee zou gaan, ofschoon mijn ongelukkig noodlot het zoo besloten had dat zij geen macht had mij tegen te houden, zooals de lezer hierna hooren zal. Ondertusschen eindig ik hier het tweede deel van mijn ongelukkige reizen.
INHOUD.
EERSTE DEEL.
REIS NAAR LILLIPUT.
EERSTE HOOFDSTUK 5
De schrijver deelt het een en ander mee over zichzelf en zijn familie.--Zijn eerste aanleiding tot op reis gaan.--Hij lijdt schipbreuk en zwemt om zijn leven te redden.--Hij komt veilig aan land in het rijk Lilliput.--Wordt gevangen genomen en het land ingevoerd.
TWEEDE HOOFDSTUK 19
De Keizer van Lilliput, vergezeld van verscheidene edelen, brengt den schrijver in zijn gevangenis een bezoek.--Beschrijving van des Keizers persoon en kleeding.--Geleerden aangesteld om den schrijver hun taal te leeren.--Hij raakt in gunst door zijn zachtmoedigheid.--Zijn zakken worden onderzocht en zijn zwaard en pistolen hem afgenomen.
DERDE HOOFDSTUK 32
De schrijver vermaakt den Keizer en den adel van beiderlei geslacht op een zeer ongewone manier.--Beschrijving van de vermaken aan het hof van Lilliput.--De schrijver verkrijgt zijn vrijheid op zekere voorwaarden.
VIERDE HOOFDSTUK 42
Mildendo, de hoofdstad van Lilliput, beschreven, tegelijk met het paleis van den Keizer.--Een gesprek tusschen den schrijver en een eersten secretaris over de zaken van het rijk.--De aanbiedingen van den schrijver om den Keizer in zijn oorlogen te helpen.
VIJFDE HOOFDSTUK 49
De schrijver voorkomt een inval door een zeer bijzondere krijgslist.--Hem wordt een hooge rang geschonken.--Gezanten komen van den Keizer van Blefuscu om over den vrede te onderhandelen.
ZESDE HOOFDSTUK 56
Over de inwoners van Lilliput; hun wetenschappen, wetten en gewoonten; de wijze van opvoeding hunner kinderen.--Des schrijvers leefwijze in dat land.--Zijn rechtvaardiging van een edele dame.
ZEVENDE HOOFDSTUK 68
De schrijver vlucht, nadat hij gehoord heeft van een plan om hem van Hoogverraad aan te klagen, naar Blefuscu.--Hoe hij daar ontvangen werd.
ACHTSTE HOOFDSTUK 79
De schrijver krijgt door een gelukkig toeval de middelen om Blefuscu te verlaten; en keert na eenige moeilijkheden veilig in zijn vaderland terug.
TWEEDE DEEL.
REIS NAAR BROBDINGNAG.
EERSTE HOOFDSTUK 89
Een hevige storm; de sloep wordt uitgezonden om water te halen; de schrijver gaat mee om het land op te nemen.--Hij wordt op de kust achtergelaten, gegrepen door een van de inboorlingen, en naar een boerenwoning gevoerd.--Zijn ontvangst daar met de verschillende dingen, die hem daar overkwamen.--Een beschrijving van de inwoners.
TWEEDE HOOFDSTUK 104
Een beschrijving van het dochtertje van den boer.--De schrijver naar een marktplaats gebracht en daarna naar de Hoofdstad.--Bijzonderheden over zijn reis.
DERDE HOOFDSTUK 112
Er wordt van het Hof gezonden om den schrijver.--De Koningin koopt hem van zijn meester, en stelt hem voor aan den Koning.--Hij houdt twistgesprekken met Zijner Majesteits geleerden.--Een kamer aan 't Hof wordt voor hem ingericht.--Hij staat in gunst bij de Koningin.--Hij verdedigt de eer van zijn Vaderland.--Zijn vijandschap met den Dwerg van de Koningin.
VIERDE HOOFDSTUK 125
Beschrijving van het Land.--Voorstel tot verbetering van nieuwe Landkaarten.--Het Koninklijk Paleis en een Beschrijving van de Hoofdstad.--Des schrijvers manier van Reizen.--Beschrijving van den voornaamsten Tempel.
VIJFDE HOOFDSTUK 131
Verschillende avonturen, die den schrijver overkwamen.--De Terechtstelling van een misdadiger.--De schrijver toont zijn bekwaamheid in de Zeevaart.
ZESDE HOOFDSTUK 143
Pogingen van den schrijver om den Koning en de Koningin genoegen te doen.--Hij toont zijn muzikale bekwaamheden.--De Koning laat zich door den Schrijver inlichten over Engelsche toestanden.--Wat de Koning naar aanleiding daarvan opmerkt.
ZEVENDE HOOFDSTUK 155
Des schrijvers Vaderlandsliefde.--Hij doet den Koning een voordeelig voorstel, dat wordt verworpen.--Des Konings groote onwetendheid in de Politiek.--De wetenschap van het Land zeer onvolledig en beperkt.--Hun wetten, en zaken van Oorlog, en Staatkundige Partijen.
ACHTSTE HOOFDSTUK 163
De Koning en de Koningin maken een reis naar de grenzen.--De schrijver vergezelt hen.--De wijze waarop hij het Land verlaat zeer omstandig verteld.--Hij komt in Engeland terug.
NOOT
[1] Een speling der natuur.