Gulliver's Reizen naar Lilliput en Brobdingnag
Part 11
Ik placht eens of tweemaal in de week bij het opstaan van den Koning tegenwoordig te zijn en had hem dikwijls onder de handen van zijn barbier gezien, wat waarachtig in 't eerst verschrikkelijk was om waar te nemen; want het scheermes was bijna tweemaal zoo lang als een gewone zeis. Zijne Majesteit werd, naar de gewoonte daar te lande, maar tweemaal per week geschoren. Ik haalde op een keer den barbier over mij een beetje zeepsop te geven, waar ik veertig of vijftig van de sterkste haarborstels uitpikte. Ik nam toen een stuk fijn hout, en sneed het als den rug van een kam, en maakte er een aantal gaatjes in op gelijke afstanden, met de kleinste naald die ik van Glumdalclitch krijgen kon. Ik maakte daar zoo kunstig de stompjes haar in vast, ze afkrabbende en toespitsende met mijn mes, dat ik een heel geschikten kam kreeg, die me goed van pas kwam, daar uit mijn eigene zooveel tanden gebroken waren, dat hij bijna niet meer te gebruiken was, en ik wist in dat land geen éen kunstenaar zoo fijn en nauwkeurig, dat hij op zich nemen kon me een nieuwen te maken.
Dit doet me denken aan een tijdverdrijf, dat me heel wat vrije uren bezig hield. Ik vroeg de dame van 't toilet van de Koningin de kamharen van Hare Majesteit voor mij te bewaren, waarvan ik mettertijd een goede hoeveelheid kreeg; en raadplegende met mijn vriend den meubelmaker, die den algemeenen last had kleine karweitjes voor mij te doen, zei ik hem mij twee stoelrompen te maken, niet grooter dan die ik in mijn doos had, en met een fijne aalboor kleine gaatjes te boren rondom die gedeelten waar ik de ruggen en zittingen bedoelde te maken; door die gaatjes weefde ik de sterkste haren die ik erbij had, juist zooals in Engeland rieten stoelen worden gemaakt. Toen ze klaar waren gaf ik ze aan Hare Majesteit present, die ze in haar kabinet zette en ze placht te toonen als merkwaardigheden, zooals ze dan ook inderdaad de verbazing opwekten van elk, die ze zag. De Koningin wou me op een van deze stoelen laten zitten, maar ik weigerde bepaald haar te gehoorzamen, betuigende dat ik eer zou willen sterven dan een onbehoorlijk deel van mijn lichaam plaatsen op die kostelijke haren, die eens Harer Majesteits hoofd versierden. Van deze haren (want ik had aanleg voor zulke werkjes) maakte ik ook een mooi beursje, van zoowat vijf voet lang, met Harer Majesteits naam met goudletters erin geborduurd, die ik met toestemming van de Koningin aan Glumdalclitch gaf. Om de waarheid te zeggen, was ze meer voor de mooiigheid dan om haar te gebruiken, omdat ze niet sterk genoeg was om het gewicht van de grootere munten te dragen, en zij bewaarde er daarom niets in dan een beetje klein speelgoed, waar kinderen zoo dol op zijn.
De koning, die heel veel van muziek hield, had herhaaldelijk concerten aan het hof, waar ik somtijds naartoe gebracht werd en in mijn doos op een tafel gezet om te luisteren, maar het lawaai was zoo hevig, dat ik nauwelijks de wijzen onderscheiden kon. Ik ben zeker dat al de trommels en trompetten van een koninklijk leger, slaande en blazende met hun allen vlak aan je ooren, niet zoo'n lawaai maken. Ik had de gewoonte mijn doos zoo ver ik kon van de muzikanten te laten plaatsen, dan de deuren en vensters er van te sluiten en de gordijnen dicht te trekken, waarna ik hun muziek niet onaangenaam vond.
Ik had in mijn jeugd een beetje op het spinet leeren spelen. Glumdalclitch had er een in haar kamer, en een meester kwam haar tweemaal per week les geven; ik noem het een spinet, omdat het een beetje op dat instrument leek en op dezelfde manier bespeeld werd. Ik kreeg het in mijn hoofd den Koning en de Koningin met een Engelsch deuntje op dit instrument te vermaken. Maar dit bleek verbazend moeielijk, want het spinet was bijna zestig voet lang, daar iedere toets bijna een voet breed was, zoodat ik met uitgestrekte armen niet meer dan vijf toetsen omvatten kon, en om ze neer te drukken moest ik met mijn vuisten goed raak slaan, wat een te zwaar en bovendien vruchteloos werk zou zijn. De methode die ik toen bedacht was deze: ik vervaardigde twee ronde stokken van zoowat de grootte van gewone knuppels; zij waren aan een eind dikker dan aan het andere, en ik bekleedde de dikke enden met een stuk muizevel, opdat ik, als ik ermee sloeg, de toetsen niet beschadigen en het geluid niet storen zou. Voor het spinet werd een bank gezet, zoowat vier voet onder de toetsen en ik werd op de bank getild. Ik liep dwars er op heen en weer, zoo hard als ik kon, de toetsen beukende met mijn twee stokken, en speelde op goed geluk een Ierschen dans (a jig) tot groote voldoening van Hunne Majesteiten; maar het was de geweldigste inspanning, die ik ooit doorstaan heb; en toch kon ik niet meer dan zestien toetsen aanslaan en dus ook niet de eerste en tweede partij te gelijk spelen, zooals andere kunstenaars doen, wat groot nadeel was voor mijn spel.
De Koning, die, zooals ik te voren opmerkte, een vorst was van een uitmuntend verstand, placht dikwijls last te geven mij in mijn doos bij hem te brengen en op de tafel te zetten in zijn studeervertrek; hij beval nu en dan een van mijn stoelen uit mijn doos te halen, en drie el van hem af op den top van zijn schrijftafel te gaan zitten, wat me bijna gelijk met zijn gezicht bracht. Op die manier had ik verscheiden gesprekken met hem. Eens nam ik de vrijheid Zijne Majesteit te zeggen dat de minachting die hij toonde voor Europa en de rest van de wereld, niet overeenkomstig scheen met die uitmuntende eigenschappen, die in hem uitblonken; dat het verstand niet toenam met den omvang van het lichaam; integendeel, wij maakten in ons land de opmerking, dat de grootste menschen gewoonlijk het slechtst ervan voorzien waren; dat onder alle andere dieren de bijen en mieren den naam hadden van nijverder, kunstvaardiger en verstandiger te wezen, dan verscheidene van de grootere soorten, en dat, voor hoe onbeteekenend hij mij ook houden mocht, ik hoopte, dat ik eens in staat mocht zijn Zijne Majesteit een veelbeteekenenden dienst te bewijzen. De Koning hoorde me met oplettendheid en begon een veel beter idee van me te krijgen dan hij vroeger gehad had. Hij vroeg mij hem een zoo nauwkeurig mogelijk verslag te geven van het bestuur in Engeland, omdat, al zijn vorsten gewoonlijk gehecht aan hun eigen zeden (want zoo vermoedde hij dat andere vorsten waren, naar wat ik wel eens verteld had) hij toch graag iets hooren wou dat navolging verdiende.
Stel u voor, beleefde lezer, hoe dikwijls ik toen verlangde naar de stem van Demosthenes of Cicero, die mij zou hebben bekwaam gemaakt om den lof te verkondigen van mijn eigen lieve vaderland, in een stijl, zijn deugden en zijn welvaart waard.
Ik begon mijne rede met Zijne Majesteit mee te deelen, dat ons gebied bestaat uit twee eilanden, die drie machtige koninkrijken saamstelden, onder eenen vorst, en onze koloniën in Amerika. Ik weidde lang uit over de vruchtbaarheid van den grond en de warmtegesteldheid van ons klimaat. Ik sprak toen in 't breede over de samenstelling van een Engelsch parlement, gedeeltelijk bestaande in een vermaard lichaam, genaamd het Huis van de Lords, personen van het edelste bloed en van de oudste en rijkste erfdeelen. Ik beschreef de buitengewone zorg die altijd voor hun opvoeding in kunsten en wapenen gedragen wordt, om ze bekwaam te maken raadgevers voor Koning en rijk te zijn, om een aandeel te hebben in de wetgeving, om leden te zijn van het hoogste gerechtshof, waarvan geen beroep meer is, en om kampvechters te wezen altijd vaardig voor de verdediging van hun vorst en hun vaderland, vol moed, beleid en trouw. Dat zij het sieraad en het bolwerk waren van het koninkrijk, waardige opvolgers van hunne vermaarde voorzaten, wier roem de belooning van hun deugd geweest was, waarvan hun nageslacht bij menschenweten ook nog niet één keer was ontaard. Hieraan waren toegevoegd verscheidene heilige mannen, om deel van die vergadering te zijn, en bisschoppen genaamd; wier bizondere taak het is zorg voor den godsdienst te dragen en voor hen die het volk daarin onderrichten. Deze werden onder het heele volk opgespeurd en uitgezocht door den vorst en zijn raadsmannen, uit die leden van de priesterschap, die het meest naar verdienste bekend stonden om de heiligheid van hun leven en de diepte van hun wijze wetenschap, die men naar waarheid de geestelijke vaders van geestelijkheid en volk noemen mocht.
Dat het andere deel van het parlement bestond in een vergadering genaamd het Huis der Gemeenen, allen mannen van beteekenis, vrijelijk gekozen en afgevaardigd door het volk zelf, om hunne groote bekwaamheden en liefde voor hun vaderland, ten einde de wijsheid van het heele volk te vertegenwoordigen. En dat deze twee lichamen de meest indrukwekkende vergadering van Europa vormden; waaraan, gezamenlijk met den vorst, de heele wetgeving is toevertrouwd.
Ik sprak toen van de gerechtshoven, waarin de rechters, die eerwaardige wijzen en wetsuitleggers, zitting hebben, om vast te stellen de bestreden rechten en eigendommen der menschen, zoowel als om te straffen wie kwaad doet en te beschermen wie onschuldig is. Ik prees het voorzichtig bestuur van onze schatkist, de dapperheid en goede uitrusting van onze land- en zeemacht. Ik berekende het aantal inwoners van mijn vaderland, door op te tellen hoeveel millioenen er van iedere godsdienstige sekte of politieke partij bij ons zijn. Ik vergat zelfs niet onze spelen en tijdverdrijven, noch eenige andere bizonderheid, die ik dacht dat strekken mocht tot groote eer van mijn land. En ik eindigde dat alles met een kort historisch overzicht van zaken en verbeteringen in Engeland, gedurende de laatste honderd jaar.
Dit overzicht duurde vijf zittingen, elk van verscheidene uren, en de Koning hoorde het heelemaal aan met de grootste aandacht, herhaaldelijk aanteekeningen makende van het gesprokene en memorandums van alle vragen die hij van plan was mij te doen.
Toen ik mijn lange rede geëindigd had, stelde Zijne Majesteit, in een zesde zitting, terwijl hij zijn aanteekeningen raadpleegde, een aantal twijfelingen, vragen en tegenwerpingen op elk onderdeel. Hij vroeg op welke wijze geest en lichaam van onzen jongen adel werden opgekweekt, en met wat soort bezigheid zij gewoonlijk het eerste en meest indrukwekkende deel van hun leven doorbrachten? Welke weg werd ingeslagen om die vergadering aan te vullen, als de een of andere adellijke familie uitstierf? Aan welke vereischten zij die tot nieuwe lords worden bevorderd moesten voldoen; of de luim van den vorst, een som gelds aan een hofdame of eersten minister, of een plan om een partij te versterken ten nadeele van het algemeen welzijn, ooit misschien beweegredenen waren tot zulke bevordering? Wat die lords wisten van de wetten van hun land, en hoe zij aan die kennis kwamen, die hun toch noodig was om te kunnen oordeelen over de bezittingen van hun mede-onderdanen in het hoogste beroep? Of ze altijd vrij waren van gierigheid, partijdigheid of geldnood, zoodat een omkooping of een of ander duister plan geen vat op hen hebben kon? Of die heilige heeren waar ik van sprak altijd tot dien rang bevorderd werden op grond van hun kennis in godsdienstzaken, en de heiligheid van hun leven; of zij nooit den huig naar den wind gehangen hadden, toen ze nog gewone priesters waren; of slaafsche omgekochte kaplaans waren geweest van den een of anderen edelman, wiens meeningen zij knechtachtig voortgingen te volgen, nadat zij waren toegelaten in die vergadering?
Hij wenschte daarop te weten welke kunsten werden in 't werk gesteld bij het verkiezen van hen die ik Gemeenen noemde; of een vreemdeling, met een ruime beurs, de minder-ontwikkelde stemmers niet zóó zou kunnen bewerken dat ze hem kozen voor hun eigen landheer, of den aanzienlijksten heer in de buurt? Hoe het kwam dat de menschen zoo verschrikkelijk erop gesteld waren in die vergadering te komen, wat ik beweerde dat grooten last en onkosten veroorzaakte, ja dikwijls den ondergang van hun families, zonder eenig loon of toelage; omdat dit zulk een verheven soort deugd en belangstelling in de publieke zaak zou zijn, dat Zijne Majesteit er aan twijfelde of die wel altijd oprecht kon wezen. En hij wenschte te weten of zulke ijverige heeren misschien ook eenig uitzicht zouden hebben om zich zelf schadeloos te stellen voor de moeiten en kosten die zij moesten beloopen, door het algemeen welzijn op te offeren voor de plannen van een zwak en verdorven vorst, in samenspanning met een bedorven ministerraad. Hij vermenigvuldigde zijn vragen en vroeg me heelemaal uit over dit onderwerp, tal van vragen en tegenwerpingen stellende, die ik het voorzichtig noch oorbaar vind te herhalen.
Omtrent wat ik zei van onze gerechtshoven wenschte Zijne Majesteit verscheidene punten te zien toegelicht, en dit kon ik daarom te beter doen omdat ik indertijd bijna geruïneerd was door een lang proces in de Chancery, dat in mijn voordeel beslist werd, met vergoeding van kosten. Hij vroeg hoeveel tijd er gewoonlijk gebruikt werd om recht te spreken tusschen recht en onrecht, en wat dat kostte? Of het advocaten en redenaars vrij stond te pleiten in zaken, waarvan het openbaar was dat ze onrechtvaardig, ergerlijk of gevallen van machtsoverschrijding waren? Of partijverschil, politiek of godsdienstig, wel eens eenig belangrijk gewicht was in de schaal der gerechtigheid? Of die pleitende redenaars menschen waren, opgevoed in de algemeene kennis der rechtvaardigheid, of alleen in provinciale, nationale en plaatselijke gebruiken? Of zij of de rechters eenig aandeel hadden in het maken van die wetten, die zij de vrijheid namen uit te leggen en te bekantteekenen naar welgevallen? Of zij ooit, op verschillende plaatsen, voor en tegen dezelfde zaak gepleit hadden, en vroegere gevallen hadden aangewend om tegengestelde meeningen te bewijzen? Of zij een rijke of een arme corporatie waren? Of zij eenige geldelijke belooning ontvingen voor hun pleiten of hun raadgeven? En, voornamelijk, of zij ooit werden toegelaten als leden in het Lagerhuis? Toen begon hij aan het bestuur van onze finantiën, en zei dat hij dacht dat mijn geheugen mij in den steek moest hebben gelaten, omdat ik onze inkomsten op vijf of zes millioen per jaar had berekend, en toen ik kwam aan de uitgaven, noemde ik daarvoor bedragen, die soms meer bedroegen dan het dubbele; want de aanteekeningen, die hij gemaakt had, waren over dit punt heel nauwkeurig, omdat hij hoopte, naar hij mij zei, dat de kennis van onze administratie hem van nut zou kunnen zijn, en hij kon zich niet hebben bedrogen in zijn berekeningen. Maar, als wat ik hem vertelde waar was, begreep hij volstrekt niet hoe de zaken van een staat konden verloopen, als die van een privaat persoon. Hij vroeg mij wie onze schuldeischers waren, en waar wij 't geld vonden om hen te betalen? Het verbaasde hem mij te hooren spreken van zulke dure en drukkende oorlogen. Hij zei, dat wij zeker een erg twistziek volk waren, of erg slechte buren om ons heen hadden, en een Engelsch generaal wel rijker dan een Engelsch koning moest zijn. Hij vroeg wat wij hadden te maken buiten onze eilanden, behalve voor handel, onderhandeling en ter verdediging van de kusten door een vloot? Boven alles was hij verbaasd mij te hooren praten van een staand huurleger in vredestijd en in 't midden van een vrij volk. Hij zei, dat als wij geregeerd werden met onze eigen toestemming door onze vertegenwoordigers, hij zich niet kon verbeelden waarvoor we bang waren, of tegen wien wij hadden te vechten; en vroeg wat mijn meening was, of iemands huis niet beter zou beschermd worden door hemzelf, zijn kinderen en huisgezin, dan door een half dozijn schurken, op goed geluk opgepikt op straat, voor kleine gage, die honderdmaal meer konden maken door hem den nek af te snijden.
Hij lachte om mijn grappige rekenkunst, zoo noemde hij 't--van het aantal Engelschen te berekenen door de aanhangers van onze verschillende godsdienstige en staatkundige sekten bij elkaar te tellen. Hij zei dat hij niet begreep waarom zij, die meeningen zijn toegedaan, nadeelig voor het algemeen, zouden worden genoodzaakt die te veranderen, maar ook niet waarom men ze niet dwingen mocht ze voor zich te houden. En, zoo goed als het dwingelandij was in een regeering het eerste te eischen, zoo goed was het zwakheid het tweede niet door te zetten, want wel mag het iemand vergund zijn vergiften in zijn kamer te houden, maar niet ze te verkoopen voor voedsel.
Hij merkte op, dat ik, onder de vermaken van onzen hof- en land-adel, het spel genoemd had; hij wou weten op welken leeftijd dit tijdverdrijf begonnen en op welken er mee geëindigd werd; hoe veel van hun tijd er aan besteed werd; of het ooit zoo hoog was dat het hun vermogen benadeelde; of lage, gemeene menschen, door hun bedrevenheid in die kunst, niet groote rijkdommen verkrijgen, en onze edelen zelf van zich afhankelijk doen zijn, en hen doen verkeeren in onwaardig gezelschap; hen heelemaal beletten zelfs hun geest te beschaven, en hun dwingen door de verliezen die zij lijden, diezelfde schandelijke bedrevenheid te leeren en te beproeven op anderen?
Hij was heelemaal verbaasd over het geschiedkundig overzicht, dat ik gaf, van onze staatszaken in de laatste eeuw; bewerende, dat het niets was dan een hoop samenzweringen, opstanden, moorden, slachtingen, omwentelingen, verbanningen, ja het ergste wat gierigheid, partijzucht, huichelarij, valschheid, wreedheid, woede, krankzinnigheid, afgunst, nijd, wellust, kwaadaardigheid of eerzucht konden voortbrengen.
In een volgende zitting nam Zijne Majesteit de moeite in 't kort te herhalen al wat ik verteld had; hij vergeleek zijne vragen met mijne antwoorden; toen, mij in zijn handen nemende, en mij zachtjes streelende, uitte hij zich in deze woorden, die ik nooit vergeten zal, noch de wijze waarop hij ze zei: mijn kleine vriend Grildrig, ge hebt een allerbewonderenswaardigste lofrede gehouden op uw vaderland; gij hebt helder bewezen, dat onwetendheid, luiheid en gemeenheid de noodzakelijke eigenschappen zijn, die iemand geschikt maken voor wetgever; dat de wetten het best verklaard, uitgelegd en toegepast worden door hen wier belangen en vermogens hen dwingen ze te verdraaien, te veronwaarden en te ontduiken. Ik merk in uw staatsbestuur een paar lijnen van een inrichting, die, oorspronkelijk, wel dragelijk geweest mag zijn, maar die half uitgewischt, en al het overige heelemaal verknoeid en bevlekt door het bederf. Het blijkt niet, uit al wat ge zeidet, hoe eenige deugd wordt vereischt voor het vervullen van eenige betrekking; veel minder, dat deugd bij u adelt; dat vroomheid en geleerdheid priesters; dat dapperheid soldaten; onbesprokenheid rechters; vaderlandsliefde senatoren; wijsheid raadslieden doet bevorderen. Wat u zelf betreft--vervolgde de koning--die het grootste deel van uw leven reizende hebt doorgebracht, ik ben wel geneigd te hopen, dat gij tot heden veel fouten van uw land ontweken zijt, maar, uit wat ik van uw eigen verhaal gehoord heb, uit de antwoorden ook die ik met moeite u ontrukt en ontwrongen heb, begrijp ik volkomen dat het gros van uw Engelschen het afgrijselijkst ras van walgelijke wormen is, dat de natuur ooit kan geduld hebben dat omkroop op de oppervlakte van deze aard.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
Des schrijvers vaderlandsliefde.--Hij doet den Koning een voordeelig voorstel, dat wordt verworpen.--Des Konings groote onwetendheid in de politiek.--De wetenschap van dat land zeer onvolkomen en beperkt.--Hun wetten, en zaken van oorlog, en staatkundige partijen.
Niets dan een buitengewone waarheidsliefde zou mij hebben kunnen beletten dit deel van mijn verhaal achter te houden. Het was vergeefs mijn boosheid te doen merken, die altijd belachelijk werd gemaakt, en ik was genoodzaakt mij bedaard te houden, terwijl mijn edel en zeer bemind vaderland zóó beleedigd werd. Het spijt mij even erg als wien ook van mijn lezers, dat het gebeuren moest; maar deze vorst was nu eenmaal zoo nieuwsgierig en uitvorschend naar iedere bizonderheid, dat het tegen alle erkentelijkheid en goede manieren zou geweest zijn hem niet zoodanige inlichtingen te geven als ik kon. Toch moge ik dit doen opmerken tot mijn rechtvaardiging, dat ik kunstiglijk menige vraag ontweken heb, en elk punt een gunstiger draai gaf, dan met strenge waarheid bestaanbaar was; want ik heb altijd die prijselijke partijdigheid voor mijn eigen vaderland voorgestaan, die Dionysius van Halicarnassus, zoo ten rechte, den geschiedschrijver aanbeveelt; ik wilde de zwakheden en mismaaktheden van mijn staatkundige moeder verbergen, en deugden en schoonheden in het gunstigste licht hebben gesteld. Dit was mijn ernstig streven, in die gesprekken die ik voerde met den koning, schoon dat streven helaas niet met goeden uitslag werd beloond. Maar ook weer moet men niet te hard oordeelen over een koning, die geheel leeft afgesloten van de overige wereld, en, dientengevolge, volslagen onbekend moet wezen met de zeden en gewoonten die bij andere volken in zwang zijn: een onkunde, die veel vooroordeelen baart, en een zekere bekrompenheid van denken, waar wij en de beschaafde volken van Europa volkomen vrij van zijn; en het zou hard wezen, werkelijk, als de begrippen van deugd en ondeugd van een vorst die zoo veraf woont, werden voorgesteld als een standaard voor het heele menschdom.
Om te bevestigen wat ik nu gezegd heb, en verder de ellendige gevolgen van een beperkte opvoeding te doen zien, zal ik hier een verhaal inlasschen dat nauwelijks zal worden geloofd. In de hoop mij verder van Zijner Majesteits gunst te verzekeren, vertelde ik hem van een uitvinding, gedaan tusschen drie- en vierhonderd jaren geleden, om een zeker poeder te maken, dat de kleinste vonk die er in viel, al was het op een hoop, die zoo groot als een berg was, kon doen ontbranden, en in de lucht vliegen met een geluid en geweld, grooter dan dat van den donder. Dat een tamelijke hoeveelheid van dit poeder, in een holle pijp van koper of ijzer gestampt, meer of min naar die pijp groot was, een ijzeren of looden kogel met zulk een geweld daaruit zou drijven, dat niets in staat was zijn kracht te weerstaan; dat de grootste kogels, zoo afgeschoten, niet alleen heele slagorden tegelijk konden verwoesten, maar de sterkste muren tot puin brijzelen, schepen doen zinken, met duizend man er in; en als ze met een ketting aan elkaar verbonden waren, masten en tuig konden doorsnijden, honderden lichamen middendoor deelen, en alles voor hen uit plat slaan. Dat wij dit kruit dikwijls in groote holle ijzeren kogels deden, en ze met een werptuig afzonden naar de een of andere stad, die wij belegerden, waar ze het plaveisel opscheurden, de huizen aan stukken reten, splinters van zich werpende naar alle kanten, die de nabijzijnden doodden. Dat ik de ingrediënten heel goed kende, die heel goedkoop en gemakkelijk verkrijgbaar waren; en ook de kunst verstond van ze te mengen, en zijn werklieden aanwijzingen kon geven voor het maken van die buisjes, van eene grootte, evenredig aan die van alle andere dingen in Zijner Majesteits rijk, en de grootste zou niet langer dan honderd voet hoeven te zijn; twintig of dertig van welke tuben, met de noodige hoeveelheid kruit en kogels geladen, de muren zouden stukschieten van de sterkste stad in zijn koninkrijk, als die het ooit zou wagen zijn vorstelijke bevelen te weerstaan. Dit bood ik den koning onderdanig aan, als een kleine schatting van erkentelijkheid, en mijn dank voor zooveel blijken van zijn koninklijke gunst en bescherming.