Gulliver's Reizen naar Lilliput en Brobdingnag
Part 10
Ik verlangde er zeer naar den grooten tempel te zien, en voornamelijk den bijbehoorenden toren, dien men voor den grootsten van het rijk houdt. Dientengevolge bracht Glumdalclitch mij op een keer daarheen, maar ik moet zeggen dat ik teleurgesteld terugkwam, want de hoogte is niet grooter dan drieduizend voet, van den grond tot de spits; wat, als men bedenkt welk verschil in grootte er is tusschen de menschen daar en in Europa, nu niet zoo erg verbazingwekkend is en niet in verhouding staat (als ik me wel herinner) tot de hoogte van den Salisbury Toren. Maar, om niet een volk te na te spreken, waaraan ik, zoolang ik leef, erkennen zal bizonder veel verplicht te zijn, moet ik erbij voegen, dat wat deze beroemde toren dan moge missen in hoogte, ruimschoots weer wordt goedgemaakt door zijn schoonheid en sterkte. Want de muren zijn bijna honderd voet dik, gebouwd van gehouwen steenen, waarvan elke omstreeks veertig voet vierkant is, en aan alle zijden versierd met beelden van goden en keizers, meer dan levensgroot in marmer gebeiteld, elk in zijn eigen nis. Ik mat een pink, die van een van die beelden was afgevallen en onopgemerkt onder wat afval lag, en vond dat ze juist vier voet en een duim lang was. Glumdalclitch wikkelde haar in een zakdoek, en nam ze in haar zak mee naar huis, om te bewaren bij andere aardigheden, waar ze dol op was, zooals kinderen van haar leeftijd meestal.
De koninklijke keuken was een zeer edel gebouw, van boven overwelfd, en omstreeks zeshonderd voet hoog. De groote oven is tien pas minder breed dan de dom van de St. Paul: want ik mat den laatsten opzettelijk, na mijn terugkomst. Maar als ik den haard beschrijven zou, de ontzaglijke potten en ketels, de stukken rundvleesch aan de spitten, en allerlei andere bizonderheden, dan zou ik misschien nauwelijks geloofd worden; een streng kriticus ten minste zou geneigd zijn te denken, dat ik een beetje erbij maakte, zooals reizigers dikwijls verdacht worden te doen. Om zulke beschuldigingen te vermijden, ben ik, naar ik vrees, al te veel in het tegenovergestelde uiterste vervallen en als dit opstel bij ongeluk vertaald zou worden in de taal van Brobdingnag (wat de algemeene naam van dat land is), en daarheen overgebracht, dan zouden de Koning en zijn volk, geloof ik, reden hebben te klagen, dat ik hun beleedigd had door een onware en verkleinende voorstelling.
Zijne Majesteit houdt zelden meer dan zeshonderd paarden in zijn stallen. Zij zijn meestal van vier-en-vijftig tot zestig voet hoog, maar als hij uitrijdt bij plechtige gelegenheden is hij omgeven door een gewapende garde van vijfhonderd ruiters, wat ik werkelijk geloofde dat het prachtigste schouwspel was, dat ooit kon gezien worden, totdat ik een deel van zijn leger ten oorlog zag uitgerust, waarvan ik later hoop te spreken.
VIJFDE HOOFDSTUK.
Verschillende avonturen, die den schrijver overkwamen.--De terechtstelling van een misdadiger.--De schrijver toont zijn bekwaamheid in de zeevaart.
Ik zou tamelijk gelukkig in dat land geleefd hebben, als mijn kleinheid me niet aan allerlei belachelijke en lastige ongelukjes had blootgesteld, sommige waarvan ik het wagen zal hier mee te deelen. Glumdalclitch droeg me dikwijls in mijn kleinste doos naar de tuinen van het paleis en placht me daar wel er uit te nemen en me in haar hand te houden of neer te zetten om te wandelen. Ik herinner me dat de dwerg, voor de Koningin hem weg deed, ons op een keer in den tuin volgde en toen mijn oppaster mij had neergezet en hij en ik samen vlak bij een paar dwergappelboomen stonden, kon ik niet laten mijn geestigheid te luchten door een spottende toespeling op hem en de boomen, die in hun taal evengoed steek houdt als in de onze, waarop die kwaadaardige schurk, toen hij zijn kans schoon zag, terwijl ik onder een van die boomen wandelde, hem vlak boven mijn hoofd heen en weer schudde, waardoor een dozijn appelen van de grootte van een bierton, langs mijn ooren neerkwamen, en een trof me op mijn rug, terwijl ik bukte, en bonkte me plat op den grond, maar ik ontving geen kwetsuur, en den dwerg werd op mijn voorspraak vergiffenis geschonken, omdat ik zelf aanleiding tot zijn baldadigheid gegeven had.
Op een anderen keer liet Glumdalclitch me achter om me te vermaken op een effen grasveld, terwijl zij een beetje verder met haar gouvernante wandelde. In dien tusschentijd viel er plotseling zulk een hevige hagelbui, dat ik onmiddellijk tegen den grond werd geslagen, en toen ik lag, troffen mij de hagelsteenen zoo vreeselijk over mijn heele lichaam, dat het wel leek of ik met kaats-ballen gegooid werd; het lukte mij evenwel op handen en voeten kruipende, mij voorover op mijn gezicht liggende, te bergen aan den windvrijen kant van een komkommerbed; maar zoo van hoofd tot voeten gekneusd, dat ik in geen tien dagen uit kon gaan. Dit is ook in 't geheel niet vreemd, omdat, daar de natuur in dat land in al haar voortbrengselen dezelfde evenredigheid betracht, de hagelsteenen er bijna achttienhonderd maal zoo groot zijn als in Europa, wat ik weet bij proefneming, daar ik ze gewogen en gemeten heb.
Een gevaarlijker ongeval overkwam mij in denzelfden tuin, toen mijn kleine verzorgster, meenende, dat ze mij op een veilige plaats gezet had, (wat ik haar dikwijls verzocht te doen, opdat ik in stilte mijn gedachten kon laten gaan) en mijn doos hebbende thuisgelaten om zich de moeite van het dragen te besparen, naar een ander deel van de tuinen ging met haar gouvernante en eenige dames van haar kennis. Terwijl zij nu afwezig was en mij niet hooren kon, kwam een kleine witte hazewind, die aan een van de oppertuinlui toebehoorde en toevallig in den tuin geraakt was, rondsnuffelen, dicht bij de plek waar ik lag; de hond volgde den reuk van mijn spoor, kwam recht op me af, nam me in zijn bek, en liep met me weg naar zijn meester, kwispelstaartende, en zette mij zoetjes op den grond. Gelukkig was hij zoo goed onderricht, dat ik tusschen zijn tanden gedragen was, zonder in 't minst gewond te zijn en zonder dat zelfs mijn kleeren gescheurd waren. Maar de arme tuinman, die mij heel goed kende, en veel van mij hield, was doodelijk verschrikt; hij nam mij zachtjes in allebei zijn handen en vroeg me of ik me niet had bezeerd? Maar ik was zoo ontsteld en buiten adem, dat ik geen woord kon spreken. In een minuut of wat kwam ik weer tot mezelf, en hij bracht me veilig naar mijne kleine verzorgster, die juist was gaan kijken op de plaats waar zij mij gelaten had, en doodsangsten uitstond toen ik niet verscheen en niet op haar roepen antwoordde. Zij berispte den tuinman hevig over zijn hond. Maar de zaak werd gesust en nooit aan het hof geweten, want zij was bang dat de Koningin boos zou worden; en wat me zelf betreft, ik kon niet vinden dat het verhaal er van goed zou doen aan mijn reputatie.
Dit ongeval deed Glumdalclitch voor goed het besluit nemen mij in 't vervolg nooit buitenshuis uit het oog te verliezen. Ik was daar lang bang voor geweest en had juist daarom sommige ongelukkige avontuurtjes voor haar verborgen gehouden, die mij in de oogenblikken, dat ze mij alleen liet, overkwamen. Zoo schoot eens een wouw, die boven den tuin zweefde, op mij neer en als ik niet vastberaden mijn houwer getrokken had, en onder een dikken leiboom gevlucht was, zou hij mij zeker in zijn grijpers hebben meegepakt. Op een anderen keer, terwijl ik naar den top van een verschen molshoop opwandelde, viel ik tot mijn hals in het gat, waardoor het beest de aarde had opgegooid en bedacht het een of ander leugentje, de moeite van het onthouden niet waard, om me te verontschuldigen over het bederven van mijn kleeren. Eveneens schaafde ik mijn rechter scheenbeen tegen een slakkehuis, waarover ik bij ongeluk struikelde, toen ik eenzaam wandelde en peinsde over mijn arme Engeland.
Ik kan niet zeggen of het me onaangenaam of angstig aandeed, op die eenzame wandelingen te bemerken, dat de kleinere vogels volstrekt niet bang voor me leken, maar tot op een el afstands naar me toehupten, wormen en ander voedsel zoekende met evenveel gerustheid en onverschilligheid alsof er geen schepsel in hun nabijheid was. Ik herinner mij dat een lijster zoo brutaal was met zijn snavel een stuk koek uit mijn hand te grissen, dat Glumdalclitch mij pas voor ontbijt had gegeven. Toen ik probeerde een paar van die vogels te vangen, hielden zij stoutmoedig tegen mij stand en trachtten in mijn vingers te pikken, die ik niet tot binnen hun bereik waagde; daarna draaiden zij zich onbezorgd om en zochten wormen en slakken alsof er niets gebeurd was. Maar eens nam ik een dikken knuppel en gooide dien met al mijn kracht naar een vlasvink, zóo raak, dat hij neerviel en ik, met allebei mijn handen vast om zijn nek, sleepte hem in triumf naar mijn oppaster. Nochtans gaf het beest, dat alleen maar bedwelmd was, toen het bijkwam, mij zooveel slagen met zijn vleugels aan weerskanten van mijn hoofd en mijn lichaam, schoon ik het op armslengte hield en buiten het bereik van zijn klauwen was, dat ik twintigmaal op het punt stond het te laten gaan, Maar er kwam me gauw een van de bedienden te hulp, die het beest den nek omdraaide, en ik kreeg het den volgenden dag op bevel van de Koningin voor middagmaal. De vink scheen, voor zoover ik me kan herinneren, iets grooter te zijn dan een Engelsche zwaan.
De hofdames noodigden Glumdalclitch dikwijls uit in hun vertrekken te komen en vroegen haar dan mij mee te brengen om het pleizier te hebben mij te zien en aan te raken. Zij legden mij dikwijls tusschen hun borsten, waar ik erg vies van was, omdat er, om de waarheid te zeggen, een alleronaangenaamste lucht aan hun vel was, waarvan ik niet melding maak om iets te zeggen ten nadeele van die uitstekende dames, waar ik het grootste respekt voor heb; maar ik veronderstel dat mijn reukorgaan fijner was naar evenredigheid van mijn kleinheid, en dat die allerlofwaardigste juffrouwen niet onaangenamer waren voor elkaar of voor hun minnaars, dan dames van denzelfden stand bij ons. En bovendien, hun natuurlijke geur vond ik altijd nog dragelijker dan als ze parfumerieën gebruikten, want daar viel ik onmiddellijk van in zwijm. Ik herinner me altijd, dat een vertrouwd vriend van me in Lilliput zoo vrij was, op een warmen dag, toen ik nog al in de weer was geweest, over een sterke lucht te klagen, die ik bij me had, schoon ik in dat opzicht geen onaangename uitzondering maak op de meeste Engelsche heeren, maar ik veronderstel dat hun reukvermogens even verfijnd waren bij de mijne, als de mijne bij die van dit volk vergeleken. Ik kan hier niet nalaten recht te doen aan de Koningin, mijn meesteres, en Glumdalclitch, mijn oppaster, wier lichamen even aangenaam waren als van eenige dame in Engeland.
Eens op een dag kwam een jong heer, neef van de gouvernante van Glumdalclitch, en drong er op aan dat zij beiden zouden meegaan om een terechtstelling te zien. Het was van een man, die een bizonderen kennis van dien heer vermoord had. Glumdalclitch liet zich overhalen, erg tegen haar zin, want zij was van nature teêrhartig; en ik, schoon ik een afschuw heb van zulk soort vertooningen, was heel nieuwsgierig iets te zien dat ik dacht dat buitengewoon moest wezen. De booswicht werd in een stoel gezet, die te dien einde op het schavot stond, en zijn hoofd met één slag afgeslagen met een zwaard van ongeveer veertig voet lang. De aderen spoten zulk een ontzaglijke hoeveelheid bloed op, en zoo hoog in de lucht, dat de groote jet d'eau te Versailles, zoolang het duurde, niet zoo groot was; en het hoofd, toen het op het schavot viel, gaf zoo'n bons, dat ik er van opschrok, ofschoon ik er een halve mijl af stond.
De Koningin, die me dikwijls praten liet over mijn zeereizen, en zulke gelegenheden te baat nam om mij af te leiden als ik zwaarmoedig was, vroeg me of ik de kunst verstond met een zeil of een paar riemen om te gaan, en of een beetje roeien niet goed voor mijn gezondheid zou zijn? Ik antwoordde dat ik van 't een zoowel als van 't ander goed op de hoogte was; want ofschoon mijn eigenlijke betrekking op schip chirurgijn of dokter was geweest, was ik toch dikwijls als 't niet anders kon verplicht geweest het werk van een gewoon matroos te doen. Maar ik begreep niet hoe dat gebeuren kon in dat land, waar de kleinste wherry zoo groot was als een oorlogsschip eerste grootte bij ons, en een boot, die ik zou kunnen behandelen het in geen éen rivier zou uithouden. Hare Majesteit zei dat als ik een boot wou gemaakt hebben, haar eigen schrijnwerker die zou maken en zij zorgen zou voor een plaats waar ik in zeilen kon. Die knaap was een vernuftig werkman, en voltooide in tien dagen een pleizierboot, met al haar tuig, in staat om met gemak acht Europeanen te bevatten. Toen ze klaar was, was de Koningin zoo verrukt, dat ze met de boot in haar voorschoot naar den Koning liep, die bevel gaf haar in een tobbe met water te zetten, met mij erin bij wijze van proefneming, waar ik mijn twee losse riempjes niet gebruiken kon, wegens gebrek aan ruimte. Maar de Koningin had al vooruit een ander plan bedacht. Zij beval den schrijnwerker een houten trog te maken van driehonderd voet lang, vijftien breed en acht diep; die, goed gepekt, om lekken te voorkomen, op den vloer werd gezet, langs den muur van een van de buitenvertrekken van het paleis. Er was een kraan in bij den bodem, om het water uit te laten, als het begon te bederven; en twee bedienden konden het makkelijk vullen in een half uur. Hier ging ik nu dikwijls roeien, voor mijn eigen pleizier en voor dat van de Koningin en haar dames, die vonden dat ze zich uitstekend vermaakten met mijn vlugheid en handigheid. Soms zette ik mijn zeil op, en dan had ik niets te doen dan te sturen, terwijl de dames een briesje veroorzaakten met hun waaiers; en als zij moe waren, plachten eenige pages in mijn zeil te blazen, terwijl ik mijn bedrevenheid toonde door stuur- of bakboord te sturen, naar welgevallen. Als ik er mee uitscheidde, droeg Glumdalclitch mijn boot geregeld weer naar haar kamer, en hing haar aan een spijker om te drogen.
Op een van die oefeningen gebeurde er iets, dat mij bijna het leven gekost had; want nadat een van de pages mijn boot in den bak gezet had, tilde de gouvernante, die Glumdalclitch vergezelde, mij allerdienstvaardigst op, om me in de boot te zetten; maar ik glipte haar bij ongeluk door de vingers, en zou onredbaar veertig voet omlaag op den vloer gevallen zijn, als ik, door het gelukkigste toeval van de wereld, niet was opgehouden door een groote speld, die in de borstlap van die goede dame stak; de knop van de speld drong tusschen mijn hemd en mijn broeksband, en zoo bleef ik bij mijn middel in de lucht hangen, totdat Glumdalclitch mij te hulp vloog.
Een ander maal was een van de bedienden, die de taak hadden, geregeld om de drie dagen nieuw water in mijn bak te doen, zoo onachtzaam geweest (zonder dat hij het merkte) een grooten kikvorsch uit zijn emmer te laten glippen. De vorsch lag verborgen totdat ik in mijn boot was gezet, maar toen, een vast plekje ziende, klom hij daar tegen op, en deed de boot zoo schuin gaan, dat ik genoodzaakt was met al mijn gewicht te gaan overhangen aan den anderen kant, om te voorkomen, dat ze omsloeg. Toen de vorsch erin was, deed hij een sprong van de halve lengte van de boot, en toen over mijn hoofd, naar achteren en naar voren, en bezoedelde mijn hoofd en kleeren met zijn afschuwelijk slijm. Met zijn monsterachtigen kop leek hij het meest misvormde dier dat men zich kan voorstellen. Maar ik vroeg Glumdalclitch mij met hem te laten begaan. Ik zat hem toen een poosje achterna met een van mijn riemen en dwong hem ten slotte uit de boot te springen.
Maar het grootste gevaar dat ik ooit liep in dat rijk, overkwam me door een aap, die aan een van de keukenbedienden hoorde. Glumdalclitch had me in haar kamer opgesloten, terwijl zij ergens heen was op bezoek of om bezigheden. Daar het heel warm weer was, stond het venster van haar kamer open, als ook de vensters en de deur van mijn grootste doos, waarin ik gewoonlijk vertoefde omdat die grooter en gemakkelijker was. Terwijl ik rustig in gedachten aan mijn tafel zat, hoorde ik iets naar binnen vallen door het venster van de kamer, en van het eene eind naar het andere bewegen, waarop ik, schoon ik erg verschrikt was, waagde naar buiten te zien, maar zonder van mijn plaats op te staan; en toen zag ik een dartel dier heen en weer springen en snuffelen, totdat het eindelijk bij mijn doos kwam, die het bekeek, naar het scheen met grooten schik en nieuwsgierigheid, naar binnen kijkend door de deur en ieder venster. Ik trok me naar den versten hoek van mijn kamer of doos terug; maar de aap, die naar alle kanten binnenkeek, maakte me zóó beangst, dat mij de tegenwoordigheid van geest ontbrak, om me onder het bed te verschuilen, wat ik makkelijk zou hebben kunnen doen. Na een tijd te hebben doorgebracht met gluren, grijnzen en babbelen, kreeg hij mij in 't oog, en een van zijn pooten door de deur naar binnen stekende, zooals een kat doet, wanneer ze met een muis speelt, kreeg hij, schoon ik hem onophoudelijk trachtte te ontwijken, eindelijk een pand van mijn jas beet (die, van de stof van dat land gemaakt, heel dik en sterk was) en sleepte me daaraan naar buiten. Hij nam me in zijn rechter voorvoet, en hield me zooals een min een kind houdt als ze 't wil zogen, net zoo als ik Europeesche apen wel met kleine poesjes heb zien doen; en toen ik ging tegenstribbelen drukte hij mij zoo hard, dat ik het voorzichtiger achtte bedaard te zijn. Ik houd het er zeker voor dat hij me voor een jong van zijn eigen geslacht hield, want hij aaide me telkens met zijn anderen poot over mijn gezicht. In dat spelletje werd hij gehinderd door een gedruisch aan de kamerdeur, alsof iemand haar opende, waarop hij plotseling naar het venster sprong, waardoor hij was binnengekomen en daaruit op de lijsten en gootpijpen, terwijl hij op drie beenen liep en mij in het vierde hield, totdat hij op een dak was geklauterd, dat vlak naast het onze was. Ik hoorde Glumdalclitch een schreeuw geven op het oogenblik toen hij met mij naar buiten sprong. Het arme kind was bijna waanzinnig; dat gedeelte van het paleis was heelemaal in oproer; de bedienden zochten ladders; de aap werd door honderden in het hof gezien, op de daklijst van een gebouw zittende, terwijl hij mij als een zuigeling in een van zijn voorpooten hield en mij met de anderen voedde door mijn mond vol te stoppen met eten, dat hij uit een van zijn wangzakken kneep, waarbij hij mij sloeg als ik niet happen wou, waarom velen van het plebs beneden lachen moesten; ook geloof ik niet dat men hun dit verwijten mag, want het gezicht was zonder twijfel belachelijk genoeg voor een ieder, behalve voor mij zelf. Eenigen van het volk gooiden steenen naar de hoogte, op hoop den aap naar beneden te jagen, maar dit werd streng verboden, anders zouden ook waarschijnlijk mijn hersens zijn stukgegooid.
De ladders werden nu aangebracht, en door verscheidene mannen bestegen, waarop de aap, bemerkende dat hij bijna geheel was ingesloten, en niet in staat gauw genoeg op zijn drie beenen weg te komen, mij vallen liet op een vorstpan en zich op de vlucht begaf. Hier zat ik een poosje, driehonderd el boven den grond, ieder oogenblik verwachtende, door den wind te worden naar beneden gewaaid, of te vallen van duizeligheid, en hals over kop van de vorst tot de goot te tuimelen; maar een flinke knaap, een van de knechts van mijn verzorgster, klom naar boven, en, mij in zijn broekzak stoppende, bracht me veilig omlaag.
Ik was bijna gestikt aan het misselijke goed, dat de aap mij door de keel had geduwd; maar mijn lieve kleine oppaster pikte het met een kleine naald weer uit mijn mond en toen ging ik aan 't braken, wat me erg opluchtte. Ik was evenwel zoo zwak en gekneusd in de zijden door de knepen, die dat afschuwelijke dier mij gegeven had, dat ik genoodzaakt was veertien dagen het bed te houden. De Koning, de Koningin en het heele hof lieten iederen dag informeeren naar mijn gezondheid; en Hare Majesteit kwam me verscheiden malen bezoeken tijdens ik ziek was. De aap werd gedood, en bevel gegeven dat geen zoo'n dier meer in den omtrek van het paleis mocht gehouden worden.
Toen ik, nadat ik hersteld was, mijn opwachting maakte bij den Koning, om hem te bedanken voor zijn goede gunsten, behaagde het hem niet onbelangrijk met mij den draak te steken om dit avontuur. Hij vroeg wat mijn gedachten en bespiegelingen waren, terwijl ik in den aap zijn poot lag; hoe het eten smaakte dat hij me te slikken gaf; of ik hield van zoo gevoed te worden; en of de frissche lucht op het dak mijn eetlust gescherpt had? Hij vroeg me wat ik in mijn eigen land in zoo'n geval zou gedaan hebben. Ik vertelde Zijne Majesteit dat we in Europa geen apen hadden, behalve die voor de aardigheid van andere plaatsen werden aangebracht, en zoo klein, dat ik tegen een dozijn van hen op kon, als zij 't waagden mij aan te vallen. En dat, wat dat monsterdier betrof, waarmee ik zoo onlangs had te doen gehad (het was inderdaad zoo groot als een olifant), indien mijn angst mij had toegelaten eraan te denken mijn houwer te gebruiken (hier keek ik heldhaftig, en sloeg met mijn hand op het heft), toen hij zijn poot in mijn kamer stak, ik hem misschien zulk een wond zou hebben gegeven, dat hij haar heel graag gauwer terug had getrokken dan hij haar erin stak. Dit sprak ik uit met een vaste stem, als iemand, die niet lijden kan dat zijn moed in twijfel getrokken wordt. Maar mijn woorden veroorzaakten niets anders dan een luid gelach, dat alle eerbied, dien de omstanders hadden voor Zijne Majesteit, hen niet kon doen inhouden. Dit deed mij erover nadenken hoe 'n ijdele poging het is zichzelf als lofwaardig te willen voorstellen onder menschen waarmee men onmogelijk in vergelijking komen kan. En toch heb ik sinds mijn terugkomst heel dikwijls de moraal van mijn eigen gedrag gezien, waar een nietige verachtelijke schobbejak zonder de minste aanspraak op geboorte, voorkomen, geest of gezond verstand, het wel wagen durft zich gewichtig voor te doen en zich op gelijken voet te stellen met de grootsten van het koninkrijk.
Ik verschafte het hof iederen dag de een of andere lachwekkende geschiedenis, en Glumdalclitch, schoon ze overdreven veel van me hield, was toch ondeugend genoeg om de Koningin te vertellen als ik de een of andere dwaasheid begaan had, die zij dacht dat haar vermaken zou. Het kind was een poosje ongesteld geweest, en werd door haar gouvernante meegenomen om wat van de lucht te genieten naar een uur buiten de stad of dertig mijl afstands. Zij stapten uit het rijtuig nabij een smal voetpad in een veld, en toen Glumdalclitch mijn reisdoos had neergezet, ging ik eruit om wat te wandelen. Er was een koeiekoek op dat pad, en ik moest natuurlijk mijn vlugheid beproeven door te trachten erover heen te springen. Ik nam een loopje, maar zette ongelukkig verkeerd af, en kwam juist tot het midden, tot mijn knieën in den drek. Ik waadde er met eenige inspanning door en een van de bedienden veegde me zoo schoon hij kon, met zijn zakdoek; en mijn oppaster sloot me tot we thuiskwamen in mijn doos; waar de Koningin spoedig over het gebeurde werd ingelicht en de bedienden het door het heele hof vertelden; zoodat er een paar dagen lang gelachen werd om niets anders.
ZESDE HOOFDSTUK.
Pogingen van den schrijver om den Koning en de Koningin genoegen te doen.--Hij toont zijn muzikale bekwaamheden.--De koning laat zich door den schrijver inlichten over engelsche toestanden.--Wat de Koning naar aanleiding daarvan opmerkt.