Gulliver's Reis Naar Liliput

Chapter 6

Chapter 61,570 wordsPublic domain

Ik had in mijn boot het vleesch van 100 ossen en van 300 schapen meegenomen en daarenboven een overeenkomstige hoeveelheid brood en dranken, en dan nog bovendien zóóveel klaar gemaakte schotels als 400 koks per dag kunnen toebereiden. Voorts nam ik nog levende dieren meê, namelijk 6 koeien en 2 stieren, 6 schapen en 2 bokken, want ik wilde deze dieren in mijn vaderland laten zien. Als voeder voor deze dieren nam ik 100 bundels hooi mee en 50 zakken koren (bij ons noemt men dit koren, meel). Toen alles behoorlijk was opgeladen, verzocht ik Zijne Majesteit mijn garde-regiment te bevelen in de boot te stappen. Maar toen zette de vorst een paar oogen op als peperkorrels. Hij zeide mij, dat dit de bedoeling niet was, toen hij mij een regiment mee gaf, want dat dit regiment evenals vroeger aan hèm bleef toebehooren en dat hìj alleen er de beschikking over had, en dat de titel van opperbevelhebber maar een titel was en een eerbewijs. Hij zei mij, dat ik asjeblieft niet een paar van zijne onderdanen in mijn zakken moest steken. Ja, ik moest hem zelfs op mijn woord van eer beloven, dat ik geen Blefuskunees zou meenemen, zèlfs dan ook niet, wanneer er een zelf om zou vragen. Dit speet mij erg, maar ik gaf natuurlijk mijn eerewoord, en daardoor komt het, dat ik mijne kinderen geen levende soldaatjes meê kon brengen en den lezer geen enkelen van deze eilandbewonertjes als bewijs voor de waarheid van mijne reisbeschrijving kan laten zien.

Nadat ik den keizer, zooals dit in dit land gebruik is, gekust had, gaf hij mij de hand. Ik nam deze voorzichtig met duim en wijsvinger en drukte haar hartelijk, waarbij Zijne Majesteit zachtjes "qui!" riep, dat zooveel beteekent als bij ons "au!". Hierop nam ik afscheid van de keizerin en van de prinsjes; liet het kleinste prinsje nog eens paardje rijden op mijn pink en zette daarna zijn Hoogheid weer voorzichtig op den grond. Terwijl ik aan boord ging, speelde alle militaire kapellen, de soldaten presenteerden het geweer, het strand was zwart van menschen, die voortdurend "awah!" (ons "hoera!") riepen, en met honderdduizenden zakdoeken wuifden, die wel op vlinders geleken.

Daar de wind mijn schip naar het Zuid-Westen dreef, moest ik, of ik wilde of niet Liliput voorbij. Zoodra men mijn reusachtig schip in het zicht kreeg, liep ook hier bijna de geheele bevolking naar het strand. Ik had geen lust om te landen, want ik had respect voor de vergiftige pijlen van de Liliputters. Ik kwam dus niet te dicht bij de kust, maar dicht genoeg om, met behulp van mijnen verrekijker de menschen aan het strand duidelijk te kunnen onderscheiden. Spoedig herkende ik den keizer, die een zeer ernstig gezicht trok, de keizerin Zimpilla, die ijverig haar waaier gebruikte, Flimnap, Neldresal, en--Bolgolam! Diens gezicht was heelemaal paars,--paars als indigo en braambessen. Toen ik dit zag, kon ik het niet meer uithouden. Ik moest zoo vreeselijk lachen, dat het schip schommelde als bij eenen storm, en heele zwermen strandvogels, erbarmelijk krijschend, opvlogen en de menschjes aan den oever van het strand verschrikt terugweken. Toen ik weer door mijnen verrekijker keek, was de geheele hofhouding met de keizerin bezig, die bewusteloos in de armen van haar gemaal lag.

Den 24^sten September 1701 was ik onder zeil gegaan; drie dagen later 's middags tegen drie uur kreeg ik een schip in het zicht. Eerst klopte mijn hart zóó sterk, dat ik geen geluid kon geven, maar toen vermande ik mij en riep en wenkte ik zoo hard als ik maar kon. Dit deed ik lang tevergeefs. Eindelijk bemerkte ik, dat het schip van koers veranderde en dichterbij kwam. Toen ik nu zelfs na eenigen tijd de Engelsche vlag herkende, kende mijne vreugde geen grenzen meer. Haastig stopte ik mijne koeien, schapen, bokken en stieren in mijn zak en een kwartier later stapte ik met al mijn proviand aan boord van het schip, dat mij naar mijn vaderland zou brengen.

Toen ik den kapitein en de bemanning van dit schip zag, kon ik eerst niet spreken, zoò verbaasd was ik over hunne lengte. Eindelijk vroeg ik den kapitein of ik bij reuzen was terecht gekomen. Hij trok een kwaad gezicht en vroeg of ik hem voor den gek wilde houden en dat hij heel goed wist, dat hij nog niet eens van middelmatige lengte was en dat niet iedereen zoo vreeselijk lang kon zijn als ik. Toen vroeg hij mij waar ik dan vandaan kwam. Ik vertelde hem van Liliput en Blefusku en toen keek hij angstig en sprak zachtjes met den eersten stuurman, die naast hem stond. Daarop vroeg hij mij vriendelijk of ik mij ziek voelde en of ik soms groote gevaren had doorstaan. Ik merkte, dat hij mij voor krankzinnig hield en daarop haalde ik mijne runderen en schapen te voorschijn en toen moest hij mij wel gelooven.

[Illustratie: ...daarop haalde ik mijn runderen en schapen te voorschijn en toen moest hij mij wel gelooven.]

De kapitein was een welwillende en vriendelijke man, en de reis was aangenaam.

Den 13^den April 1702 liepen wij gezond en wel de haven van D. binnen en toen ik hier louter reuzenmenschen zag en eene reuzin met twee kindertjes, die zoo groot waren als olifanten en deze mij als man en vader begroetten, toen begreep ik pas, dat al die menschen niets grooter waren dan ik, en dat ze mij alleen maar zoo reusachtig groot toeschenen, omdat ik die kleine Liliputters nog altijd in mijn geest voor mij zag. Mijne runderen en schapen bracht ik goed en wel aan land.

Ik zette mijne kleine kudde op een cricket-veld in de buurt van Greenwich neer, waar hun het korte, malsche gras lekker smaakte, en ik verdiende heel wat doordat ik ze voor geld liet zien.

De schapen worden om hunne bizònder fijne wol, en de koeien om hare ongeloofelijk zoete melk zeer geroemd.

Wie naar Greenwich gaat moet v o o r a l niet vergeten naar deze buitengewone kudde te vragen en deze te gaan bekijken.

* * * * *

[Illustratie]

Bij de Uitgevers MEULENHOFF & Co. te Amsterdam verschijnt een nieuwe serie fraai en modern uitgevoerde KINDERBOEKEN onder den titel:

=ZONNE-BIBLIOTHEEK= VOOR ONZE KINDEREN.

De uitgevers willen in deze bibliotheek boeken voor de jeugd brengen die PRETTIG GESCHREVEN en GOED GEILLUSTREERD zijn, onderhoudende boeken in aantrekkelijk kleed, die de kinderen graag ter hand zullen nemen, boeken die

=ZONNIG ZIJN=

en een lichtstraaltje brengen in het kinderleven, waardoor de v e r v e l i n g verdreven wordt.

[Illustratie]

De titels der boeken in deze uitgaaf vindt men op de volgende bladzijden.

* * * * *

=DE ZONNE-BIBLIOTHEEK=

Als _DEEL I_ in deze bibliotheek verscheen:

=PRINSESJE ZONNESCHIJN=

vertellingen en sprookjes door F. H. VAN LEENT

Met vele fraai aantrekkelijke platen van J. SLUIJTERS

Prijs gecartonn. f 1.20, gebonden f 1.50

- - - - -

=Z E E R G U N S T I G=

werd dit boek beoordeeld zooals uit volgende besprekingen kan blijken:

F. H. van Leent is al een heel oude kennis van de vroegere jeugd, die nu al lang niet meer jong is. Maar ook tot de nu nog jongen zegt de naam van hem die zich hun hoogbejaarde vriend noemt, nog veel liefs en gezelligs. Het zijn frissche sprookjes, die hier worden verteld, frisscher dan veel van de tegenwoordig wel verschijnende met dik-opgelegde paedagogiek. Jan Sluijters heeft er vlotte, rake illustraties bij gemaakt--iets zeer oorspronkelijks.

_De Telegraaf._

Bizonder mooi van uiterlijk is dit boek, aardig en overvloedig geïllustreerd.

_Nieuws van den Dag._

Van Leent en Jan Sluijters, twee namen die wat goeds kunnen doen verwachten. Zij brengen een werkelijk zonnig boekje.

* * * * *

=DE ZONNE-BIBLIOTHEEK=

Als _DEEL II_ in deze uitgaaf verscheen zooeven:

=SPROOKJES UIT MOEDERS JEUGD=

Opnieuw verteld door S. ABRAMSZ

Redacteur van "Voor de Kinderkamer" en "Voor het Jonge Volkje"

Met bijna 100 platen en plaatjes in kleuren van J. SLUIJTERS

Prijs souple gecartonn. f 1.20, gebonden f 1.50

Een zeer aantrekkelijk, mooi uitgevoerd boek dat iedere moeder graag aan haar kinderen zal geven. De oude sprookjes van vroeger, die nu opnieuw in kinderlijken, eenvoudigen toon hier verzameld zijn--met schattige plaatjes.

BEOORDEELINGEN:

Een moeder van twee kleine kinderen van 5 en 7 jaar schrijft ons: "dat is een schat van een boekje, niet alleen zijn de plaatjes zoo aardig en fijn geteekend maar ook de verhaaltrant is zoo echt eenvoudig en kinderlijk. Heel anders dan wij de sprookjes vroeger hadden".

Een sympathieke uitgaaf.

Een boek dat de uitgevers bijzonder kostbaar en aantrekkelijk hebben uitgegeven, en toch tegen zeer billijken prijs, omdat zij weten dat duizende kinderhanden er naar zullen grijpen, en een zeer groote oplaag dus aangewezen is.

_Het Boek in 1912._

* * * * *

=DE ZONNE-BIBLIOTHEEK=

Hieronder laten wij nog eenige gunstige besprekingen volgen:

Dit deeltje in de Zonne-Bibliotheek zal zeker wel zonneschijn brengen in het kinderleven. Het is prettig geschreven, en er staan verscheidene aardige prentjes in die goed geteekend zijn.

_Leidsch Dagblad._

[Illustratie]

Ze zijn zeer aardig de verhalen in de "Zonne-Bibliotheek", en de kinderen zullen met deze boeken wel in hun schik zijn. Keurig zijn de boekjes geïllustreerd. Als alle boeken in de Zonne-Bibliotheek zoó zullen worden, zullen de uitgevers genoegen er van beleven.

_Prov. Overijsselsche en Zwolsche Courant._

Bij elken boekhandelaar zijn deze boeken verkrijgbaar.

* * * * *

Transcriber's Notes:

1) 'zòo' en 'zoò' worden allebei gebruikt in de tekst.

2) "Wanneer Zijne Majesteit eene bizonder dringende zending te verrichten heeft" (ik heb 'verrichtten' veranderd naar 'verrichten').

End of Project Gutenberg's Gulliver's Reis Naar Liliput, by Otto Ernst