Chapter 5
IV. de geheele bevolking van dit ongeloovige rijk onmiddellijk te dooden wanneer zij nog langer dik-eiïgen wilden blijven,
heeft toch in weerwil daarvan, de herhaaldelijk genoemde Flestrin de verregaande brutaliteit gehad om het bevel van onze zeer beminde keizerlijke Hoogheid te weigeren, onder het laffe en domme voorwendsel, dat het hem tegen de borst stuit, een dapper en edel volk te onderdrukken en te verdelgen.
Zoo is de menschberg dus strafbaar in gevolge van §§ 7817, 7818, 7819, 7820 a: en b: van de strafwet en voorts in gevolge van §§ 84, 85 en 86 van de wet tegen de dik-eiïgen.
Artikel 3. Ofschoon het bovengenoemden Flestrin bekend was, dat de gezant van Blefusku de afgezant van een vorst was, die nog kort geleden met onzen vredelievenden keizer in een kwaadwillig-ontstanen oorlog was gewikkeld, waagde de menschberg het toch af en toe met dezen gezant te verkeeren, en hem als ware hij een Liliputter bij zich te ontvangen en te behandelen. Strafbaar enz. enz.
Artikel 4. Ofschoon de beklaagde moet weten, dat de vorst van Blefusku en zijn volk door ons land als erfvijanden worden beschouwd, loopt hij met het plan rond, zich beroepende op eene slechts mondeling en terloops geuite toestemming van zijne keizerlijke Hoogheid, ons land met de arglistige bedoeling te verlaten, naar Blefusku te reizen en daar de vijanden van ons dapper, vredelievend volk in hunne vijandige pogingen te steunen door hun hulp, medewerking en bijstand te verleenen. Strafbaar enz. enz.
Er volgen hier nog achttien artikelen; maar deze zijn de belangrijkste," zoo eindigde mijn vriend ten slotte.
"Men moet het den keizer nazeggen," vervolgde hij, "dat hij alles in het werk stelde, om uwe verdiensten te prijzen, en met mildheid herinnerde hij aan de heiligheid van het gastrecht, maar--de meerderheid eischt uw dood, alleen is men het nog niet eens met elkaar op welke wijze deze moet plaats hebben.
Als men u wil ophangen, heeft men zulk een reuzengrooten galg noodig, dat alleen gijzelf die zoudt kunnen timmeren, en eenigen twijfelen of gij dit wel zoudt willen doen.
Onthoofding door middel van een bijl zal veel te lang duren. Bolgolam en Flimnap zijn overigens van meening, dat zulk een dood veel te eervol en te aangenaam voor een verrader is.
Toen opperde iemand het plan om uw huis terwijl gij sliept aan alle vier hoeken aan te steken en voor het geval, dat gij dan zoudt vluchten, moesten 20.000 boogschutters met vergiftige pijlen op u schieten. Daartegen kwam men op, omdat zulk een reuzenvuur een groot gevaar voor het heele land zou kunnen worden en men overlegde of het niet het beste zou zijn als uwe bedienden heimelijk een zoo scherp vergift in uw hemd zouden gooien, dat zoo bijtend was, dat het uw hemd met uw vleesch zou verteren[5].
[5] Op zulk eene wijze stierf Hercules; zooals men ziet zouden de Liliputters het zelfs met hem hebben klaar gespeeld.
Eindelijk gelukte het den keizer den schatbewaarder Lalkol op zijne zijde te krijgen, en daarna kreeg Reldresal, die zich als een waarachtig vriend van u gedroeg, het woord. Hij gaf toe, dat uw misdaad heel groot was, maar grooter nog was, zooals iedereen op dezen aardbodem wist, de genade van onzen geliefden keizer. Hij verzocht dringend, met het oog op de belangrijke diensten, die gij het land hebt bewezen, u het leven te schenken en u slechts de oogen uit te steken. De rechtvaardigheid en zachtheid van dit vonnis zult u zelf wel moeten erkennen. Door uw blindheid vermindert uw lichaamskracht niet. U zou dan ook in het vervolg den keizer van nut kunnen zijn. Ja, blindheid verhoogt zelfs moed, omdat een blinde nooit de gevaren ziet. Ten slotte is het ook voldoende, dat gij in het vervolg door de oogen van de ministers ziet; want de wijste en grootste vorsten zijn gewend niet anders dan zóó te zien.
Deze raad vond ondertusschen vooral bij Bolgolam, den heftigsten weerstand.
Woedend sprong hij op en riep: "Ik ben werkelijk zeer verwonderd, dat een hooge beambte en dienaar van Zijne Majesteit het voegzaam acht, de partij op te nemen voor een beslist hoog- en landverrader. De zoogenaamde diensten en verdiensten van dezen misdadiger, die de vorige spreker noodig vond op te sommen, bezwaren hem juist van het standpunt der hooge politiek gezien. Kan dit monster niet met dezelfde jas waarmeê hij het vuur uitdoofde een vonk aanwakkeren tot den meest verwoestenden brand? Kan hij niet de verschrikkelijkste overstroomingen te weeg brengen wanneer het hem invalt in een onzer zeeën of rivieren te baden? En kan hij niet, wanneer hij dit wil, de vijandelijke vloot evengoed naar den overkant brengen, als hij hem gehaald heeft? Alles wat men ten gunste van dezen misdadiger kan aanvoeren kan slechts tegen hem pleiten en daarom ben ik van oordeel, dat deze dik-eiïge op de vreeselijkste wijze ter dood moet worden gebracht. Jawel, ik zeg "dik-eiïge". Gij zult zeggen: "nog niemand heeft hem een ei zien eten". Mijne heeren, juist dàt maakt hem verdacht. Zelfs wanneer hij nog nooit in zijn leven een ei zou gegeten hebben, dan nog zou ik zeggen: "het verraad begint in het gemoed, en in zijn gemoed slaat hij het kopje van het ei er aan den dikken kant af," daarvoor durf ik mijne hand in het vuur te steken."
Zoo raasde en tierde de admiraal en Flimnap was het met hem eens. Hij somde een lange rekening van de kosten op, die het land voor u heeft moeten maken, en, zei hij, wanneer men u blind zou maken, zou dit nog erger worden. "Men heeft beweerd," zoo besloot hij zijne redevoering, "dat er geen wettige bewijzen tegen den menschberg te vinden zijn, maar ik ben van meening, dat deze niet noodig zijn als men van iemands schuld overtuigd is. Het hangt heelemaal van den rechter af wat hij als bewijs wil laten gelden en wat niet. Onze overtuiging is ons bewijs en krachtens onze overtuiging is hij schuldig en moet hij ter dood veroordeeld worden."
Na langdurig heen en weer gepraat besloot men 1^e tot oogen uitsteken, 2^e tot hongerdood, omdat dit laatste den schijn heeft of gij vanzelf zijt gestorven. Inderdaad is het heel natuurlijk, dat een mensch dood gaat als hij niets meer te eten heeft.
Natuurlijk was dit vonnis den admiraal veel te zacht, en hij had er nog heèl wat over te zeggen.
Over drie dagen zal uw vriend en beschermer Reldresal bij u verschijnen. Hij zal u dan het vonnis voorlezen en u wijzen op de buitengewone mildheid en de groote genade van den keizer.
De keizer is er vast van overtuigd, dat gij dankbaar zult zijn voor zooveel onverdiende genade en goedheid.
Gij weet nu waaraan gij u te houden hebt. Draag mij nu weer naar buiten; ik moet zoo gauw mogelijk naar huis anders zou ik nog ontdekt kunnen worden."
Onder de warmste dankbetuigingen bracht ik mijnen gast naar buiten. Op een vooruit afgesproken teeken verschenen zijne bedienden weer, en een oogenblik daarna was de draagstoel in het donker van den nacht verdwenen.
HOOFDSTUK XIII.
GULLIVER WORDT TE BLEFUSKU MET GROOT EERBETOON ONTVANGEN.
Het laat zich denken, dat ik de rest van den nacht niet slapend doorbracht. Voortdurend moest ik over dit vonnis nadenken. Het kwam zeker omdat ik geen hoveling en geen rechter was, dat ik dit vonnis zoo geheel anders beschouwde dan zij. Daar ik de veroordeelde was, vond ik het verre van zachtzinnig. Een oogenblik kwam de gedachte bij mij op naar mijne rechters te gaan, om mij te verdedigen, dan zouden zij wel m o e t e n inzien, dat ik onschuldig was.
Maar al gauw herinnerde ik mij, dat de wil van den rechter altijd de juiste in Liliput is, dus ik kwam van mijn plan terug. Toen besloot ik mij eenvoudig tegen het vonnis te verzetten. Wat konden die kleine kereltjes doen als ik mij wilde verdedigen! Ik kon hun heele leger vertrappen en hunne steden verwoesten! Maar, ook van zulke gedachten kwam ik terug. Als ik dit plan volvoerde, zouden vele onschuldigen, die mij nooit kwaad hadden gedaan omkomen, en zoodoende zou ik heel wat meer kwaad gesticht hebben dan zij mij zouden aandoen. Ik was ook door een eed gebonden, en ik had ook van den keizer vele gunsten ontvangen. Wanneer deze kereltjes met vergiftige pijlen schoten waren zij bovendien gevaarlijk genoeg.
Ik achtte het dus verstandiger om eerst mijn bezoek in Blefusku af te leggen. Ik had immers van den keizer van Liliput daartoe verlof.
Heel in de vroegte ging ik met mijne dekens naar de haven, waar de buitgemaakte vloot lag, nam een van de oorlogsschepen, legde mijne kleeren en de dekens daarop, en waadde en zwom, het schip aan een touw achter mij medetrekkend, naar Blefusku. Toen ik geland was liepen natuurlijk de menschen van alle kanten toe, om mij te bekijken, maar het opzien dat ik verwekte was niet zoo groot als ik had verwacht. Natuurlijk hadden de gezanten en ook vroeger de bemanning van de vloot bij hun terugkeer uit Liliput van mij verteld en mij nauwkeurig beschreven. Deze verhalen waren van mond tot mond gegaan, en daarom was de verbazing niet zoo groot als destijds in Liliput. Ja, een aanzienlijke Blefuskunees, die vloeiend Liliputsch sprak zei zelfs: "Ik had mij u veèl grooter voorgesteld!" Hij en nog een andere heer hadden de vriendelijkheid mij den weg naar de hoofdstad te wijzen. Deze hoofdstad heet, even als het geheele eiland, Blefusku.
[Illustratie: Toen ik geland was, liepen de menschen van alle kanten toe.]
De menschen, die mij in groote scharen vergezelden, gedroegen zich behoorlijk en maakten het mij op geenerlei wijze lastig. Op 200 Meter afstand van de stad hield ik halt, en zond eenen bode naar den keizer. Reeds twee uur later kwam de bode terug met de mededeeling, dat Zijne Majesteit met zijne familie en met de geheele hofhouding naar mij toe zou komen. Ik vond, dat de beleefdheid eischte nog 100 Meter door te loopen en daàr, den vorst af te wachten. Hij kwam en behandelde mij geheel als ware ik een vorst, en zijn gelijke. Hij stapte van zijn paard, en hij bracht mij aan het verstand, dat ik hem in mijn hand moest nemen, en hem op zou tillen. Toen ik dat had gedaan, kuste hij mij volgens de etikette van het land eerst op het voorhoofd en daarna op de kin. Ik deed die beide dingen in eenen kus. Toen knielde ik voor de keizerin, kuste haar onderarm, die zij mij met een lief glimlachje toestak, en dankte ik haar in galante woorden voor zooveel minzaamheid. Daarna deelde ik Zijne Majesteit mede, dat ik met goedvinden van Zijne Majesteit Bimbul van Liliput kwam, om zooals ik beloofd had, den machtigen heerscher van Blefusku alle diensten te bewijzen, die in mijn macht stonden, en die met mijn plichten tegenover Liliput vereenigbaar waren. Ik vertelde natuurlijk niet, dat ik bij keizer Bimbul in ongenade was gevallen. Ik veronderstelde natuurlijk, dat de Liliputters niet over mijn proces zouden spreken zoolang ik buitenslands was. Daarin had ik mij deerlijk vergist.
In vriendelijke woorden heette Zijne Majesteit mij welkom en dankte hij mij voor mijne aanbieding, en daarna verzocht hij mij aan tafel te gaan. Deze was te mijner eere in de open lucht gedekt, omdat ik onder een dak geen plaats gevonden zou hebben. De tafel zag er met hare bloemstukken van een duim hoog, met haar prachtige kristallen karaffen en glazen en haar duim-hooge gouden en zilveren vruchtenschalen, buitengewoon mooi uit. De Blefuskuneesche keuken is beroemd en de spijzen waren voortreffelijk toebereid, maar helaas alle zeer licht en weinig voedzaam. Ik schaamde mij bepaald, dat ik alleen ruim duizend lamskotteletten en twee duizend kwartels opat, en toen de maaltijd afgeloopen was, was ik nog niet eens verzadigd. 's Avonds had eveneens te mijner eer, in de open lucht een gala-opera plaats. Het muzikale genot was zeer twijfelachtig. De orkestmuziek klonk precies eender als het geluid van duizend musschen, wanneer zij om een kers vechten, maar de keizer verzekerde mij, dat deze opera het nieuwste werk was van den beroemdsten componist van den tegenwoordigen tijd.
Toen op het tooneel een zanger kwam, wiens laagste toon zoo hoog was als de hoogste toon van een zangeres bij ons, zeide de keizer tot mij: "Dit is onze diepste bas." Toen later echter de grootste opera-zangeres begon te zingen, klonk het precies alsof men met een heel fijne naald een gat prikt, in eene geheel met lucht gevulde varkensblaas, waardoor dan piepend de lucht ontsnapt.
Aan het einde van dit bedrijf, dacht ik dat het beleefd was krachtig, in mijne handen te klappen. Het gevolg daarvan was, dat in mijne nabijheid ongeveer zeven honderd menschen van hunne stoelen tuimelden, dat vele dames flauw vielen, en dat allen van hunne stoelen opsprongen in de meening, dat er een verschrikkelijke ramp had plaats gehad. Het duurde lang voor ik de menschen had gerust gesteld met de verklaring, dat men in mijn land op deze wijze blijk geeft van zijn bijval. Tot mijn diepe droefheid, vernam ik den volgenden dag, dat vele van de hofhouding, die in mijne nabijheid zaten, tengevolge van den luchtdruk, dien ik door mijn klappen had veroorzaakt, heftig verkouden waren geworden.
Ondanks zijne gastvrijheid was het in dit land met de woningtoestanden zeer slecht gesteld. Er was geen gebouw, dat mij een onderdak kon aanbieden en daarom moest ik mij op een renbaan voor de poorten van de stad uitstrekken, maar daar sliep ik in mijne dekens gewikkeld toch zeer goed, omdat ik den vorigen nacht niet veel had gerust.
HOOFDSTUK XIV.
ONZE HELD VERLANGT HUISWAARTS TE KEEREN, MAAR DE LILIPUTTERS ZENDEN EEN BEVEL TOT INHECHTENISNEMING.
In weerwil van de vriendelijke opname, die ik in Blefusku had gevonden, voelde ik mij toch niets in mijn schik. Zou ik hier nog weer eens hetzelfde moeten mede maken als ginds in Liliput? Het einde zou dan ook wel weer hetzelfde zijn! Bovendien had ik ook heimwee naar huis en haard, en men kan zich dus wel voorstellen hoe ik vol verlangen uitkeek toen ik den volgenden dag, terwijl ik heelemaal niet aan die mogelijkheid dacht, al wandelende langs de Noordkust van het eiland op een halve mijl afstand een voorwerp op het water zag drijven, dat er ongeveer als een boot uitzag. Ik trok natuurlijk dadelijk mijn kousen en schoenen uit, sloeg mijn broekspijpen zoo ver mogelijk om, en stapte in zee. Tegelijkertijd kwam het donkere voorwerp, op de golven der zee gedragen, vanzelf dichterbij en zoo kon ik spoedig zien, dat het werkelijk een boot was. Zij dreef met de kiel naar boven op de golven doordat zij hoogstwaarschijnlijk door een storm van het schip waarbij zij behoorde was losgeslagen.
Ik keerde nu naar de residentie terug, en verzocht den keizer mij twintig van de grootste schepen, die hem na den slag nog waren overgebleven, ter beschikking te stellen en bovendien nog 3000 matrozen onder bevel van eenen vice-admiraal. Daartoe was de keizer bereid en ik keerde over land naar die plaats terug waar ik de boot had gezien, terwijl de Janmaten om het eiland heen naar datzelfde punt zeilden.
Intusschen was de boot nog dichterbij gekomen. De matrozen waren allen van trossen voorzien, die ik uit vele kabeltouwen had samengevlochten.
Nu kleedde ik mij uit, maar--ik hield mijn broek aan, want ik was door mijn Liliputsch proces wel voorzichtig geworden. Ik waadde naar de boot toe en was nog op ongeveer 100 Meter er van af, toen moest ik zwemmen. Toen ik de boot genaderd was wierpen mijne matrozen mij een zeer langen tros toe, waarvan ik het eene eind aan den boeg van de boot door een gat trok en bevestigde, en waarvan ik het andere eind aan eene, der medegekregen schepen liet vastmaken. Maar, wat nu? De matrozen konden onmogelijk de boot aan land trekken. Zij zouden haar slechts een klein eindje dichterbij kunnen slepen, maar meer ook niet.
Ik zelfs kon ook niets uitrichten omdat ik geen grond onder mijn voeten had. Ten slotte zwom ik achter de boot aan, en gaf deze al zwemmende af en toe een duwtje. Dit zou mij weinig of niet gebaat hebben, wanneer de vloed mij niet te hulp was gekomen. Na veel moeite, kwam ik eindelijk zóó ver dat ik, als ik mijn kin zoo hoog mogelijk in de hoogte stak, met mijn voeten den grond kon raken. Nu kon ik toch eindelijk eens een paar minuten uitrusten. Daarna vervolgde ik mijn werk weer, totdat het water mij slechts tot de elbogen reikte. Nu liet ik een der schepen naderbij komen waarin ik nog ander touwwerk had gestopt, nam negen trossen eruit en bevestigde deze met het eene eind aan even zoo vele schepen van de vloot, en met het andere einde aan de boot. Daar de wind nu ook op onze hand was, gelukte het ons, daar de schepen trokken en ik duwde, de boot op veertig Meter afstands van den oever te krijgen. Daar liet ik haar liggen en wachtte de eb af, waardoor zij op het droge kwam. Met behulp van 2000 menschen en talrijke katrollen en hefboomen gelukte het ons dan ook de boot om te draaien, zoodat zij op de kiel kwam te liggen. Tot mijne niet geringe vreugde kan ik vaststellen, dat zij weinig beschadigd was. Ik had 10 dagen noodig om mij twee roeispanen te maken en toen stuurde ik mijn boot in de haven van Blefusku, maar ik deed dit heel voorzichtig want anders zou door den zwaren golfslag, die mijn boot al varend te weeg bracht, deze te veel schommeling veroorzaken, wat natuurlijk voor die miniatuur-scheepjes, die in de haven lagen nadeelig zou zijn geweest. Men kan zich voorstellen dat er heel wat menschen op den oever te zamen stroomden, hoe men schreeuwde, en wenkte en naar de boot wees, en hoe men een en al verbazing was, toen ik met deze boot kwam aanvaren, die de heele vloot van Blefusku en Liliput te zamen gemakkelijk had kunnen bevatten.
[Illustratie: Iedereen hielp mij bij het maken van de boot.]
Intusschen verwonderde ik mij elken dag meer, dat er nog steeds geen bevel uit Liliput was gekomen om mij uit te leveren. Natuurlijk was dit zwijgen zeer verklaarbaar. Men had er geen flauw vermoeden van, dat mij de inhoud van dat beruchte proces bekend was, en dat ik op de hoogte van mijn vonnis was, en zoodoende verwachtte men waarschijnlijk, dat ik totaal onkundig van dit alles over eenigen tijd in mijne kooi terug zou keeren. Maar eindelijk was mijn wegblijven den Liliputters toch wel verdacht voorgekomen, want op zekeren dag verscheen bij den keizer een Liliputsche hoveling, met een afschrift van een gedeelte van de aanklacht, die tegen mij was ingebracht en met den eisch mij uit te leveren. Natuurlijk verzweeg de bode wijselijk dit gedeelte van de aanklacht, dat over mijne vriendelijkheden tegenover Blefusku handelde en over mijne weigering Blefusku te vernietigen en alle dik-eiïgen te dooden. De afgezant van Liliput verklaarde, dat ik, wanneer ik niet binnen twee dagen zou terugkeeren den titel van "Nardak" zou verliezen en tot hoog- en landverrader zou worden verklaard. De verheven heerscher van Liliput hoopte en verwachtte in het belang van het in standhouden van den vrede en uithoofde van de uitstekende betrekkingen van de beide innig-bevriende mogendheden, dat zijn verheven, en hem goed gezinde broeder, de keizer van Blefusku, den staatsmisdadiger aan handen en voeten gebonden, zonder verwijl zou uitleveren.
De keizer van Blefusku verzocht drie dagen bedenktijd, alvorens hij dit verzoek kon beantwoorden en liet mij bij zich komen.
Ik schonk hem klaren wijn over de wakkere Liliputters en vertelde hem, wat men van mij had verlangd en wat ik had geweigerd. Daarop liet Zijne Majesteit den afgezant van Liliput het volgende antwoord mededeelen: "De keizer van Blefusku beantwoordt de vriendschappelijke gezindheid van zijnen verheven en hem goedgezinden broeder met dezelfde oprechtheid en hartelijkheid. Wat nu den eisch betrof, dat ik aan handen en voeten zou worden uitgeleverd, moest hij antwoorden, dat Zijne Majesteit van Liliput wel uit eigen ervaring wist, dat dit niet zoo heel gemakkelijk was, en in ieder geval alleen dan uitgevoerd kon worden, wanneer ik zelf daar niets tegen had. Bovendien was hij mij, al had ik hem dan ook zijn vloot weggenomen, voor vele waardevolle diensten zeer dankbaar, en ondankbaarheid was,--dit wist zijn doorluchtige neef immers wel, bij een koning uitgesloten. Bovendien had de menschberg op zee een vaartuig gevonden, dat sterk genoeg was om hem te torsen en waarmeê hij vermoedelijk wel vertrekken zou, zoodat beide landen binnenkort wel van dezen drukkenden last zouden ontheven zijn."
Nadat de bode, die met het bevel tot inhechtenisneming was gekomen, met dit korte antwoord, waarvan hij leelijk op zijn neus keek, was afgepoeierd, verzocht ik den keizer mij het noodige materiaal te verschaffen om mijn schip in orde te maken en uit te rusten, en ik vroeg verlof weer naar mijn vaderland terug te keeren. Zijne Majesteit vroeg mij zeer vriendelijk of het mij dan niet in zijn land beviel, en of ik niet wilde blijven. Wanneer ik in zijnen dienst wilde treden, kon ik verzekerd van zijne machtige bescherming zijn. Ik ben ervan overtuigd, dat hij dit op dit oogenblik eerlijk meende, maar na de onpleizierige ondervindingen, die ik van vorsten en ministers had, dacht ik bij mijzelf: "Liever niet!"
Ik dankte den vorst eerbiedig voor zijn groote goedheid, maar ik zei, dat ik liever alle verschrikking en gevaren van den oceaan wilde trotseeren, dan de twistappel te zijn tusschen twee machtige rijken en de oorzaak van bloedige oorlogen. De keizer drong dan ook niet langer aan en scheen in zijn hart verheugd te zijn een zoo grooten man kwijt te raken, die op den duur wel last kon veroorzaken.
HOOFDSTUK XV.
GULLIVER VERTREKT MET EERBEWIJZEN; MAAKT DEN LILIPUTTERS UIT DE VERTE EEN AFSCHEIDSBEZOEK EN KEERT NAAR ZIJN VADERLAND TERUG.
Iedereen hielp mij nu vol bereidwilligheid met de uitrusting van mijn schip. Vijfhonderd man werden aangesteld om mij van dertienmaal dubbel genomen zeildoek zeilen te maken. Ik zelf vlocht de noodige kabels en touwen, nam een grooten steen als anker en kreeg om de naden van mijn vaartuig dicht te maken, het vet van 500 koeien. Een maand later was ik met alles gereed, en ik verzocht nu den keizer afscheid te mogen nemen.
Wederom kwam hij met zijne geheele familie en het geheele hof bij mij en nogmaals sprak hij zijn spijt uit, dat het hem niet mocht gelukken, mij aan zijn land te binden. (Bij de uitdrukking aan zijn land "binden", moest ik aan den eersten tijd in Liliput denken). Hij zeide, dat hij mij ongaarne liet vertrekken, maar hij hoopte, dat ik nog eens terug zou komen. Daarna liet hij mij vijftig zakken met geld, elk met 200 "dobols" erin (een dobol = een sprug) geven, en een levensgroot portret van hem met zijne handteekening er onder. Dit portret schoof ik dadelijk, om het niet te verliezen, in mijne handschoen. Om mij nog een zeer bizondere eer te bewijzen gaf de vorst en opperste bevelhebber van het leger, mij een regiment kurasiers mee. Dit regiment zou in het vervolg het "Gulliver-regiment" genoemd worden, waarvan ik de opperbevelhebber zou zijn.