Gulliver's Reis Naar Liliput

Chapter 4

Chapter 44,037 wordsPublic domain

Hij vervolgde nu: "De naar Blefusku gevluchte dik-eiïgen, hebben nu de menschen daar zóó lang opgestookt en bij hunne partijgenooten hier in het land zóóveel steun gevonden, dat de beide staten sedert 36 maanden een verbitterden oorlog voeren. Dan eens is de overwinning aan onze zijde en dan weer aan de hunne.

Het kostte ons reeds 40 groote schepen en 30.000 dappere zeelieden en soldaten. De verliezen van den vijand schatten wij nog hooger. Nu hebben de Blefuskuneezen echter een reusachtige vloot uitgerust en daarmede denken zij ons bij de eerstvolgende gelegenheid te overrompelen. Zijne Majesteit, onze Allergenadigste keizer en heer heeft mij bevolen u hiervan mededeeling te doen, omdat hij in uw kracht en in uw dapperheid het grootste vertrouwen stelt."

Toen de minister uitgesproken was, boog ik diep en zeide: "Als vreemdeling zou ik mij niet veroorloven mij in den partijstrijd te mengen en een beslissing te nemen in de groote "eiervraag", maar wanneer vijanden het rijk van Zijne Majesteit bedreigen, dan spreekt het wel van zelf, dat mijn kracht en mijn leven geheel tot zijne vervoeging staan!"

HOOFDSTUK IX.

GULLIVER'S SCHITTERENDE OVERWINNING TER ZEE.

Het keizerrijk Blefusku lag ten Noord-Oosten van Liliput en tusschen beide landen was een kanaal ter breedte van 800 el, dat de vorm had van een hemdsmouw. Ik had het nooit gezien, omdat ik nog niet aan de Noord-Oostzijde van Liliput was geweest, en nu liet ik mij met opzet daar niet zien, omdat ik voor de Blefuskuneezen niet wilde weten, dat ik in Liliput was. Of zou mijne aanwezigheid hun misschien al door spionnen verraden zijn? Ik hoopte van niet, want gedurende den oorlog was ieder verkeer tusschen de beide landen op straffe des doods verboden en de kusten van ons eiland werden door de meest betrouwbare dun-eiïgen zoo scherp mogelijk bewaakt.

De vijanden schenen te dien opzichte minder voorzorgen te nemen. Het was ten minste onzen spionnen gelukt hun vloot in oogenschouw te nemen, die in de haven gereed lag om uit te zeilen, en klaarblijkelijk alleen nog maar op gunstigen wind wachtte. Van oude, ervaren zeerotten in ons land hoorde ik, dat het kanaal in het midden bij vloed, zeventig "glumgluffs" diep was, dat is iets meer dan mijne lengte.

Ik ging nu behoedzaam naar de Noord-Oostzijde van ons eiland, stelde mij verdekt achter eenen berg op, en haalde mijnen verrekijker te voorschijn. Met behulp daarvan stelde ik vast, dat de vijandelijke vloot uit vijftig oorlogsschepen en talrijke transportschepen bestond. Daarna keerde ik terug en ik verzocht, mij een groot aantal van de sterkste scheepskabels te geven, die zoo dik waren als bij ons ijzergaren, en dan nog een evenzoo groot aantal ijzeren staven zoo dik als een naald. Ik draaide telkens drie kabels tot een, hetzelfde deed ik met de ijzeren stangen en ieder van deze drie dubbele stangen boog ik aan het uiteinde om tot een haak. Ten slotte bevestigde ik de kabels aan de stangen, waar ik deze niet had omgebogen. Aldus uitgerust deed ik mijn jas, mijne kousen en mijne schoenen uit en stapte een half uur vóór den vloed in het kanaal. Ik liep zoo snel mogelijk door, zwom, waar het water het diepst was, ongeveer 30 el ver en was in een klein half uurtje de vloot genaderd. De schrik der Blefuskuneezen toen zij mij zagen, is niet te beschrijven. Als opgejaagde muizen sprong de geheele bemanning der vloot te water en zwom aan land. Dat spreekt ook eigenlijk vanzelf, want stel je nu eens voor, dat er bij ons plotseling een monster zeventien maal zoo groot als een gewoon mensch aan de kust verscheen.

Wel 30.000 menschen wriemelden als een uit-elkander-gejaagde mierenhoop langs het strand. Ik stak vlug in ieder gat, dat de schepen vooraan den boeg hebben een haak en wond de, aan de haken bevestigde kabels tot een kluwen samen. Intusschen waren de vijanden in zooverre van hunnen schrik bekomen dat zij als razenden op mij begonnen te schieten. Duizenden pijlen, waarvan sommige mij raakten en mij vreeselijke pijn veroorzaakten, snorden door de lucht, en omdat ik, om deze af te weren dikwijls mijn arm voor mijn gezicht moest houden, werd ik bij mijn werk aanmerkelijk gestoord. Het meest bevreesd was ik voor mijne oogen, maar toen viel mij in, dat ik immers mijn bril bij mij had. Die zette ik op, en al kletterden de pijlen soms tegen de glazen als hagel tegen de ruiten, in ieder geval waren mijne oogen ten minste beschut. Toen ik alle vijftig oorlogsschepen aan een touwtje had, begon ik te trekken, maar o, wee! want ik bemerkte toen pas, dat ze alle vast voor anker lagen en dat ik dus het zwaarste werk nog moest doen. Er bleef mij dus niets anders over, dan alle vijftig ankertouwen met mijn zakmes door te snijden en daarbij kreeg ik wel een paar honderd pijlen tegen mijn gezicht en mijne handen. Ik beet van pijn op mijne lippen. Ten slotte had ik echter het laatste touw doorgesneden en trok ik de heele Armada der Blefuskuneezen meê.

Een oogenblik heerschte er eene doodelijke stilte aan de kust, een stilte veroorzaakt door een vreeselijke ontsteltenis, maar toen volgde er een geschreeuw, dat ik mijn leven lang niet zal vergeten. Een dergelijk geschreeuw hoorde ik eens toen ik op een eenzaam strand op vogels schoot, die daar bij honderdduizenden waren genesteld. Ik trok rustig verder met de vloot, die zich als een waaier achter mij uitstrekte. Toen ik buiten schot was bestreek ik mijne wonden met eene geneeskrachtige zalf, nam mijn bril af, wachtte, toen ik in het midden van het kanaal gekomen was, totdat de vloed eenigszins gedaald was, en ging toen naar de haven van Liliput. Het water kwam mij op de diepste plaatsen van het kanaal heelemaal tot aan mijn hals. Daarom zagen de Liliputters mij niet dadelijk en dachten niet anders of de vloot der Blefuskuneezen kwam met eene vijandelijke bedoeling op Liliput aan. De geheele vloot van Liliput en ook het heele leger onder opperbevel van den keizer verzamelde zich dus zoo snel mogelijk in de haven, maar toen zij mij zagen en ik uitriep: "Lang leve keizer Bimbul, de overwinnaar!" kende het gejuich geen grenzen en de Liliputters maakten nu ook juist zoo'n leven als de vogels aan het strand. De keizer raakte niet uitgeput in loftuitingen en benoemde mij onmiddellijk tot "nardak" dat is de hoogste eeretitel in Liliput en beteekent zooveel als "medezon des heerschers". Ik moest nu met hem het heele leger langs loopen, wat verscheidene minuten duurde en toen trok het geheele leger in paradepas aan ons voorbij, wat zeer lang duurde en mij erg moe maakte, niettegenstaande alle muziekkorpsen daarbij speelden. De muziek klonk voor mijn bewustzijn zóó zacht, dat ik alleen maar de Turksche trom hoorde, en dat klonk net alsof bij ons een dikke bromvlieg tegen het venster bonst.

Toen ook dit schitterende schouwspel voorbij was, hield de keizer een lang gesprek met mij, waarin hij den vurigen wensch uitte, verder alle andere schepen der Blefuskuneezen in zijn macht te krijgen en het heele land te veroveren. Hij wilde Blefusku tot eene provincie van Liliput maken onder heerschappij van eenen onderkoning en dan alle dik-eiïgen wijd en zijd uitroeien, of ze dwingen hunne eieren voortaan aan het dunne einde open te maken. Dan eerst zou hij, naar hij meende, in het oog van ieder de eenige monarch der aarde en de alleenheerscher der wereld zijn.

Ik was even ontdaan als verontwaardigd over des keizers eisch en ik trachtte Zijne Majesteit uit te leggen, dat het noch verstandig, noch rechtvaardig was zoò te handelen, en ik zei hem, dat ik mij er nooit toe zou leenen om een dapper en vrij volk onder het juk der slavernij te brengen.

De keizer heeft mij deze vrijmoedige weigering nooit vergeven. Wel had hij mij dikwijls gevraagd, hem altijd onomwonden mijne meening te zeggen, maar toen ik dit deed, was hij diep gekrenkt.

De vorst deelde zijne veroveringsplannen en mijn meening daarover den ministers meê. Onder hen waren er ten minste verscheidene verstandig genoeg om het met mijne weigering eens te zijn, maar toen hij deze zaak in den Raad van Staten ter sprake bracht en eenige verdachtmakingen tegen mij losliet, vielen deze in vruchtbare aarde. Wel waren hier ook verscheidenen, die mij innerlijk gelijk gaven, maar zij dorsten zich niet te verzetten tegen den keizer en tegen de meerderheid en daarom zwegen zij. Des te meer echter praatten en stookten mijne vijanden en daarvan had ik plotseling een groot aantal.

Mijn succes en de onderscheidingen, die ik daardoor had ontvangen, wekten afgunst en haat bij talrijke hof- en staatsambtenaren, het ergste natuurlijk bij mijnen aartsvijand, admiraal Bolgolam. Hij had er weliswaar niet voor gezorgd, om de vloot waarover hij het bevel voerde zóó uit te rusten, dat deze de schepen der vijanden niet behoefde te vreezen,--anders zou men ook mijne hulp niet noodig hebben gehad,--maar nu ik in zijne plaats den vijand had verslagen, was hij buiten zich zelf van afgunst en nijd. Hij liet dit natuurlijk niet merken daar hij een geslepen diplomaat was, maar in stilte bereidde hij met Flimnap, den schatmeester, die zoo prachtig op het slappe koord kon loopen, en met andere partijgenooten een aanslag op mij voor, die mij ten verderve zou voeren.

Spoedig daarop gebeurde er bovendien iets, dat koren op den molen van mijne vijanden was.

HOOFDSTUK X.

ONZE HELD VERRICHT WEDEROM EEN GOEDE DAAD, MAAR OOGST SNOODEN ONDANK.

Er kwamen nu zes gezanten uit Blefusku met groote praal en met een gevolg van vijfhonderd personen om vredesonderhandelingen aan te knoopen. Er werd dan ook inderdaad vrede gesloten en wel onder voorwaarden, die voor onzen keizer en zijn land zeer voordeelig waren, al kon Zijne Majesteit ook niet alles wat hij wilde, doorzetten. Als "Nardak" moest ik tegenwoordig zijn bij de vredesonderhandelingen en het gelukte mij ook vaak mijne voorstellen er door te krijgen waardoor vele voorwaarden verzacht werden, die oorspronkelijk veel te hard, en daardoor onrechtvaardig en onverstandig waren en slechts aanleiding tot een nieuwen oorlog konden geven.

De gezanten van Blefusku hadden ondervonden, dat ik herhaaldelijk te hunner gunste had gesproken en toen nu hunne politieke aangelegenheden geëindigd waren, lieten zij mij vragen of hun bezoek mij aangenaam zou zijn. Ik dacht wel bij mijzelf, dat ik door dit bezoek mijnen vijanden voedsel zou geven voor hun haat tegen mij, maar ik antwoordde toch, dat het mij aangenaam zou zijn.

Ik verzocht den heeren beleefd, in mijn rechterhand te komen en liet ze daar op mijn snuifdoos plaats nemen. Ze bedankten mij vriendelijk voor de diensten, die ik hun had bewezen, put'ten zich uit in complimenten over mijn dapperheid en brachten mij ten slotte een uitnoodiging van hunnen keizer over, die naar zij zeiden, mij zeer waardeerde, en wien het aangenaam zou zijn mij in zijn land te kunnen begroeten. Ik nam ook deze uitnoodiging aan, hoewel ik best wist, dat daaraan wel eenig gevaar was verbonden. Bij het afscheid nemen verzochten mij de heeren hun nog eenige staaltjes van mijn fabelachtige lichaamskracht te toonen. Ik deed dit gaarne, maar ik wil niet stil staan bij de opsomming daarvan, want dat zou net zijn alsof ik zou willen opsnijden en per slot van rekening is het toch geen kunst menschen ter grootte van eenen vinger bewondering af te dwingen.

Het gesprek, dat wij voerden, werd in het Liliputsch gehouden. Natuurlijk zou ik de taal der Blefuskuneezen niet verstaan hebben, maar de gezanten zouden eenen tolk meegenomen kunnen hebben, dit hadden zij echter niet gedaan, omdat zij mij eene bizondere beleefdheid wilden bewijzen.

Des te meer moest ik dit waardeeren, omdat beide volken groote minachting voor elkaars taal hadden. De Liliputters beweerden, dat de Blefuskuneezen kakelden als kippen, wanneer zij eieren leggen, en zij zelf zijn zeer trotsch op de schoonheid van hunne eigen taal.

De Blefuskuneezen daarentegen beweren, dat de Liliputters spraken alsof zij een heete aardappel in hun keel hadden, maar zij dwepen met hunne eigen taal. Aangezien er nu echter in tijden van vrede een levendig verkeer tusschen beide rijken bestaat en het voor zaken-doen en geld-te-verdienen zeer noodig is elkaars taal te kennen, zijn er in beide landen slechts weinig beschaafde menschen, die beide talen niet eenigszins machtig zijn.

Uit hoofde van de artikelen, die ik had bezworen, moest ik den keizer natuurlijk vergunning vragen of ik dit bezoek in Blefusku mocht maken. Hij gaf mij daartoe wel verlof, maar hij deed dit op een zeer koelen toon, en hij behandelde mij trouwens zeer uit de hoogte. Later vernam ik, dat mijne vijanden mij, bij hem naar aanleiding van het bezoek der gezanten, zeer verdacht hadden gemaakt. Zij zeiden, dat het duidelijk bleek, dat ik met den vijand des lands heulde. Ik heb al gezegd, dat de keizer mij niet vergeven kon, dat ik het niet eens was met zijne veroveringsplannen. Daar kwamen nog allerlei kleine onaangenaamheden bij. Zooals men reeds weet, moest ik het geheele rijk omloopen om de grootte ervan vast te stellen. Ik deed dit trouw en niettegenstaande ik mijn best deed niet te groote stappen te nemen, was toch de keizer zichtbaar uit zijn humeur toen ik reeds na twee en een half uur terug kwam en hem berichtte, dat het maar 16.231 passen waren geweest. Uit dit alles begon ik langzamerhand te merken, dat vorsten en ministers ook geen volmaakte menschen zijn.

Volgens de artikelen die ik had bezworen, had ik ook nog op mij genomen, desgevraagd velerlei andere diensten te bewijzen, maar ik moet eerlijkheidshalve van den keizer zeggen, dat hij sinds ik "Nardak" was, daarvan geen misbruik maakte, ja, dat hij ze eigenlijk zelfs niet van mij verlangde, maar spoedig daarop zou zich een omstandigheid voordoen, dat ik hem een dienst zou bewijzen zonder dat ik hem daarom vroeg.

Toen ik op zekeren nacht rustig lag te slapen, ontwaakte ik plotseling door een gevoel alsof een muis mij in mijne neus had gebeten. Ik sprong op, greep naar mijn neus en ik ontdekte eenen Liliputter, die zich aan mijn snor vastklampte.

"Neem mij niet kwalijk, Excellentie," zei hij, "dat ik u in uw neus kneep, maar ik wist geen ander middel om u wakker te maken. Kom gauw mee, en help ons. De vleugel van het paleis van Hare Majesteit staat in brand!"

Binnen drie seconden was ik opgesprongen, en had in alle haast mijn jas over mijn nachtgoed aangetrokken.

Voor mijne woning vond ik eene menigte menschen, die mij smeekten mij toch te haasten om zoo spoedig mogelijk te kunnen helpen. Men vertelde mij onderweg, dat de brand ontstaan was door onachtzaamheid van een hofdame die bij kaarslicht een Blefuskuneesche ridderroman had gelezen en daarbij was ingeslapen.

[Illustratie: Ik wierp mijn kleeren op de vlammen en verstikte zoo in eenige seconden het vuur.]

Daar men mij verwachtte en de straat voor mij had ontruimd en bovendien de maan ook scheen, kwam ik zonder ook maar iemand dood te trappen, op de plaats van den brand aan. Men was natuurlijk bezig den brand met water te blusschen, dat men met reusachtige emmers ter grootte van eenen vingerhoed aanvoerde. Daar echter de plaats waar men het water haalde tamelijk ver weg was, hielp het blusschen niets en de brand breidde zich hoe langer hoe verder uit. Het heele prachtige paleis, een wonderwerk van architectuur, waaraan vele geslachten gebouwd hadden, zou tot op den grond toe zijn afgebrand, wanneer het mij niet plotseling zou zijn ingevallen hoe ik zou kunnen redden. Ik scheurde mijne kleeren van het lijf, wierp ze op de vlammen, en verstikte op deze wijze in eenige seconden het vuur. Het bange zwijgen der menigte loste zich nu in een gejuich van vele duizenden op, maar huiverig kroop ik in mijne kleeren en vloog zonder den dank van den keizer en van de keizerin af te wachten naar huis en kroop weer onder de dekens.

De dank van den keizer en de keizerin was echter zeer zonderling. De keizer liet heelemaal niet van zich hooren, maar ik vernam, dat keizerin Simpilla tot in het diepst van haar ziel was gekrenkt, omdat ik het gewaagd had mij in mijn nachthemd binnen de muren van het paleis voor de oogen van Hare Majesteit en de hofdames te vertoonen.

Ik mocht haar nooit in mijn leven meer onder de oogen komen.

Er heerscht inderdaad in dit land een zeer streng gevoel van fatsoen. Men mocht alleen aan een hofbal slechts in een hemd gekleed verschijnen. In ieder ander geval werd men met den dood gestraft. Wel liet de keizer mij weten, dat hij alles zou probeeren om gratie voor mij bij den Raad van Staten te verkrijgen, maar dag op dag verstreek, zonder dat de gratie kwam. De keizerin bleef onverzoenlijk en in dit geval had zij schijnbaar meer invloed dan de alleenheerscher der allerheerschers.

HOOFDSTUK XI.

DE VIJANDEN VAN ONZEN HELD ZIJN IN DE WEER.

Mijn doodsvijand Bolgolam had in den schatmeester Flimnap een ijverigen bondgenoot gevonden. Ik was "Nardak", dat wil zeggen, "Zon naast den Heerscher" en hij was slechts "Glumdak" dat wil zeggen "Fakkel des Heerschers", en dit alleen was reeds genoeg om mij te haten. Maar, er kwam nog iets veel ergers bij; hij beweerde, dat ik de geldmiddelen van het land uitputte.

Toen ik bij den keizer nog in de gunst stond, had hij zichzelf met zijne gemalin en verscheidene menschen van het Hof, waaronder ook Flimnap zich bevond, ten eten genoodigd. Ik liet natuurlijk een bizonder lekker maal klaar maken onder anderen eene ossenpastei met vet gemeste kalveren opgemaakt. Dien dag at ik bizonder veel.

1^e Omdat ik eetlust had.

2^e Omdat ik mijn gasten een goed voorbeeld moest geven.

3^e Omdat ik hunne bewondering wilde afdwingen.

4^e Omdat ik den roem van mijn vaderland had hoog te houden.

Flimnap at echter niets anders dan een leeuwerik-tongetje. Hij leed namelijk al zeven jaar aan een maagkatarrh, omdat hij eens bij zijn ontbijt 25 kievitseieren[3] had gegeten.

[3] In Liliput is een kievitsei ongeveer zoo groot als bij ons een rijstkorrel.

Al dadelijk toen hij van het diner terugkwam, had hij, zooals ik later vernam, den keizer uitgelegd, dat ik door mijn eten den Staat bankroet zou maken. Hij zei, dat het geld in de schatkist steeds meer slonk, en dat men reeds een leening had moeten sluiten en dat de menschen al langzamerhand ontevreden begonnen te worden. Tot nu had ik het land reeds 1½ millioen "sprugs"[4] gekost, wanneer dit nog een poosje zou voortgaan, bleef er heelemaal niets over. Ik moest dus afgeschaft worden. Tot overmaat van smart had een schurk den braven Flimnap stilletjes verteld, dat zijne vrouw veel van mij hield, en heel dikwijls naar mij kwam kijken. Zelfs de keizerin was dit ter oore gekomen, en was daar zeer ontstemd over.

[4] Een "sprug" is de grootste gouden munt in Liliput en is zoo groot als een vliegenpik; in het midden is een groot vierkant gat.

Ik kreeg veel bezoek, vooral van dames, die dan hare equipages op mijne tafel lieten wachten, en al deze equipages vormden een "file" zooals men dat in groote steden bij het aan- en uitgaan van comedies en opera's wel ziet.

Ook de vrouw van den schatmeester kwam mij geregeld bezoeken, maar nooit--dat zweer ik--heb ik met deze achtenswaardige dame over iets anders gesproken, dan waarover ik met de andere dames altijd praatte, en a l l e e n heb ik haar nooit ontvangen.

Als eenvoudig man kwam ik natuurlijk in mijn vaderland nooit met vorsten in aanraking. Zoo kwam het, dat ik er geen idee van had, dat de menschen aan het Hof heel jaloersch op elkaar waren, en elkaar altijd een mooie betrekking misgunden. Van zulke kleine menschjes als de Liliputters zijn, had ik dit zeker niet verwacht. Langzamerhand begreep ik echter, dat ik mij op dit punt vergist had. Deze menschjes waren weliswaar klein van gestalte, en hadden weinig kracht, maar in boosaardigheid en haat en nijd deden zij niet onder voor een Europeaan. Hunne passen waren wel niet grooter dan een lid van een vinger, maar in slechtheid hielden zij gelijken tred met de langste van onze landgenooten.

Ik maakte mij juist gereed voor mijn bezoek aan Blefusku, toen ik 's nachts door een kloppen op mijne deur werd gewekt. Ik schoot mijn jas aan, maakte de deur open en zag toen een draagstoel met twee dragers. Uit den draagstoel zag ik het gezicht van eenen man, dien ik in het donker niet dadelijk kon onderscheiden. Hij gaf den beiden dragers een teeken, dat zij weg moesten gaan.

Toen vroeg de man, zonder zijn naam te noemen, of hij binnen mocht komen. Daar het mij voorkwam, dat hij mij in het geheim iets gewichtigs had te vertellen, stopte ik den heelen draagstoel met zijn inhoud in den zak van mijn jas, stuurde mijne bedienden weg, grendelde de deur en zette daarna den draagstoel op de tafel. Toen nu de geheimzinnige bezoeker zijn hoofd weer uit den draagstoel stak, herkende ik bij het maanlicht mijn vriend Sandribog. Ik had eens bij den keizer een goed woordje voor hem gedaan, toen hij voor een kleinigheid in ongenade was gevallen. Zijn schuld bestond hierin, dat eens, in tegenwoordigheid van den keizer zijn kous was afgezakt. Daar hij nu door mijn toedoen weer in genade was aangenomen, beloonde hij dit met een zeer trouwe en oprechte vriendschap.

"Waarde vriend," zei hij met een bezorgd gezicht, "ik heb u iets mede te deelen, dat in verband staat met uw leven en uw goeden naam. Val mij niet in de reden want ik moet dadelijk weer weg, daar niemand mag zien, dat ik mij bij u bevind.

Eene commissie samengeroepen door den keizer heeft in verscheidene geheime zittingen overlegd, wat er met u moet gebeuren. Twee dagen geleden heeft men een besluit genomen. Het is u bekend, dat admiraal Bolgolam uw doodsvijand is. Hij heeft eene forsche gestalte. Hij is bijna zoo groot als de keizer, en de dames van de hofhouding hielden allen veel van hem. Nadat u hier is gekomen, hebben ze slechts oogen voor u en daarom zwoer Bolgolam u eeuwigen haat. Hij gaf wel toe, dat u in zeker opzicht wat grooter is dan hij, maar dit zeide hij steeds met een van kwaadheid bevende stem. Toen u nu bovendien de vijandelijke vloot had verslagen, wat hem natuurlijk onmogelijk was geweest, kende zijne woede geen grenzen.

Hij diende nu met den schatmeester Flimnap, generaal Limtak, den kamerdienaar Lalkol, en den minister van justitie Balmuff een aanklacht wegens hoogverraad tegen u in, en daarover heeft men herhaaldelijk beraadslaagd. Het vonnis is in verscheidene artikelen samengesteld. Ik ben erin geslaagd daarvan een afschrift te krijgen. Ik zet mijn leven op het spel door het u voor te lezen, maar misschien kan het u van nut zijn, wanneer u op den slag, dien uwe vijanden u willen toebrengen, tenminste is voorbereid."

HOOFDSTUK XII.

AANKLACHT, GERECHTSHOF EN VONNIS.

Diep geroerd, wilde ik mijnen trouwen vriend bedanken, maar hij beduidde mij te zwijgen en las: "Aanklacht tegen Quimbus Flestrin (den menschberg) wegens hoogverraad.

Artikel 1. Ofschoon door een wet, uitgevaardigd onder de regeering van Zijne Keizerlijke Majesteit Kalin Deffar Plune, vastgesteld is, dat al wie binnen het bereik van het keizerlijk paleis verschijnt, hetzij onvoldoende,--hetzij onbehoorlijk,--hetzij onvolledig gekleed aan lijf en eer gestraft zal worden wegens hoogverraad, heeft tòch genoemde Quimbus Flestrin het hooge bevel opzettelijk en bewust overschreden, en gewaagd onder voorwendsel brand te willen blusschen in de vertrekken onzer zeer geliefde keizerin, geheel ontdaan van zijne bovenkleeren, schaamteloos en brutaal zich, alleen gekleed in een hemd, aan de omstanders te vertoonen, welke misdaad strafbaar is in gevolge van §§ 7843, 7844, 7845, 7846, 7847 en 7848 van de strafwet, en in gevolge van §§ 12374, 12375 en 12376 van de politieverordening op openbare wegen enz. enz.

Artikel 2. Ofschoon zijne keizerlijke Hoogheid den beklaagde, nadat hij op aanduiding van Zijne Majesteit de vloot uit Blefusku had afgehaald, uitdrukkelijk had bevolen,

I. ook alle andere schepen uit Blefusku te halen,

II. het keizerrijk Blefusku tot eene provincie van Liliput te maken,

III. niet alleen alle van Liliput naar Blefusku uitgeweken dik-eiïgen te dooden, maar ook