Chapter 2
Twee uur later trok de hofstoet zich terug en ik bleef achter onder een sterke bewaking, die mij tegen de nieuwsgierigheid, ruwheid en baldadigheid van het gepeupel moest beschermen. Het duurde dan ook inderdaad niet lang, of eerst enkele en daarna steeds meer menschjes begonnen mij met steenen te gooien; ja enkele schoten zelfs pijlen op mij af en het zou best kunnen zijn, dat ik door een van die pijlen een oog kon verliezen. Toen liet de commandant van de wacht zes van de boosdoeners gevangen nemen en ze boeien. Daarna leverde hij ze aan mij over. Ik pakte ze beet en stak eerst vijf van hen in mijn rechterjaszak; den zesden nam ik in mijn linkerhand alsof ik hem wilde opeten. Het manneke piepte van angst, als een jong konijn wanneer de vos hem te pakken heeft. En toen ik nu ook mijn zakmes trok dat tweemaal zoo lang was als de heele misdadiger, verstijfden allen van schrik. Ik sneed echter alleen maar de boeien van den gevangene los, zette hem op den grond, gaf hem met mijn wijsvinger een zacht duwtje tegen zijn achterste en liet hem loopen. Hetzelfde deed ik met de anderen en ik merkte, dat deze handelwijze op het volk en op de soldaten een uitstekenden indruk maakte en dat ik daardoor bij hen in de gunst kwam.
Veertien dagen lang, woonde ik in en bij mijnen tempel, en gedurende dien tijd werd er een bed voor mij klaargemaakt. Honderdvijftig matrassen werden aan elkaar genaaid. Deze hadden voldoende lengte en breedte voor mijne grootte en aangezien vier van zulke matrassen op elkaar moesten gestapeld worden, gebruikte ik zeshonderd van hunne matrassen.
Op dezelfde manier werden lakens, dekens en hoofdkussens gereed gemaakt en niettegenstaande dit alles lag ik nog tamelijk hard. Intusschen kwamen nog dagelijks uit alle deelen des lands de menschen in dichte drommen toestroomen om mij te bekijken. Men liet de zaken rusten; het bedrijf lag stil: de schoenmakers leverden geen schoenen meer af, de kleermakers maakten geen kleeren, de bakkers bakten geen brood meer en de boeren melkten hunne koeien niet; de jongens bleven uit school weg en de vrouwen lieten haar potjes en pannetjes in den steek. Allen lieten den arbeid liggen om het vreemde monster te gaan bekijken. Toen liet de keizer het bevel uitvaardigen dat allen, die mij eenmaal gezien hadden weer naar huis terug moesten keeren en het niet moesten wagen voor de tweede maal te komen. Maar dat hielp niet veel, want de staatsambtenaren waren omkoopbaar en wie hun een flinke fooi gaf lieten zij door.
Dadelijk na zijnen terugkeer in de residentie, had de keizer den Raad van Staten om zich vereenigd en ik bereidde aan deze hooge vergadering geweldig veel hoofdbreken. Men schilderde in schelle kleuren de vreeselijke gevaren af waaraan ik het land zou kunnen blootstellen.
Sommige der raadslieden zeiden: "als hij zich nu eens los zou rukken! Als hij maar even zijne hand uitsteekt kan hij heele steden verwoesten. Op eene wandeling door het land kan hij ons den heelen oogst vernietigen, en de heele bevolking vertrappen!"
"Dàt zouden wij in ieder geval wel kunnen verhinderen," riepen anderen uit, "want wij zijn immers niet weerloos, maar, wij moeten hem voeden en als hij zoo doorgaat met vreten--want eten is dat niet meer--, duurt het niet lang meer of wij krijgen hongersnood."
Nu gaf een ander den raad, dat men mij maar eenvoudig zou laten verhongeren, en weer een ander van de heeren vonden het 't beste mij door vergiftige pijlen te dooden.
"En wat moeten we dan met zoo'n dooden reus doen?" riep een derde.
Terwijl men nog bezig was over mijn lot te beraadslagen, kwamen twee officieren, die mij mede bewaakt hadden in de raadzaal en gaven den keizer verslag van de zachtmoedigheid, die ik tegenover de zes misdadigers had betoond. Deze mededeeling bracht een volkomen ommekeer in de gevoelens teweeg, en de keizer beval nu,--en de Raad van Staten was het daarmeê eens,--dat alle burgers van iedere negen honderd Meter in het vierkant, mij dagelijks zes runderen, veertig schapen en ander vleesch, en eveneens drie honderd brooden, tien vaten wijn enzoovoorts, enzoovoorts, moesten leveren. De kosten daarvan zou hun uit de schatkist des keizers worden betaald. Er werden ook zes honderd man aangesteld om mij te bedienen. Zij kregen een onderkomen in de verschillende tenten naast mijn tempel. Dit groote aantal behoeft geen verwondering te wekken wanneer men bedenkt, dat voor het poetsen van een van mijne laarzen vijftien man noodig waren en voor het stoppen van een, niet zoo heel erg groot gat in mijne kous, twaalf touwslagers onder leiding van eenen baas aan het werk werden gezet. Het noodige waschwater moest natuurlijk door paarden worden aangevoerd. Voor waschkom had men mij het zwembassin van eene badinrichting gegeven en mijn scheerzeep roerde ik in een reuzenketel aan, die anders voor het bierbrouwen werd gebruikt. Het was zeer potsierlijk wanneer zij mijne jas terwijl ik ze aan had van achteren afborstelden. Dan werden boven aan de kraag wel twaalf touwen bevestigd, en de borstelaars klommen er op en af, zooals bij ons ververs doen wanneer zij een huis verven.
Voor het overige viel mijn kleeding niet in den smaak bij de bewoners van dit land; ze vonden het niet prettig, dat ik mij niet volgens de mode van hun land kleedde. Ook merkte ik op, dat zij het onfatsoenlijk van mij vonden, dat mijn hemd mijn heelen hals bloot liet, en dat mijne mouwen zoo kort waren, dat mijne polsen te zien waren. Daarom werd aan drie honderd kleermakers de opdracht gegeven mij een nieuwe jas te maken en twee honderd naaisters moesten ondergoed, tafellakens en beddegoed voor mij naaien. De kleermakers waren zoo slank als libellen. Zeven van hen konden op een kippenei staan en ze huppelden op en neer als jonge veulens. Het grofste linnen van de naaisters was niet dikker dan het dunste vliesje, dat men op een ei ziet als men den kop er af slaat, maar het fijnste was als nevel, en wanneer ik er zachtjes tegenaan blies, viel het uit elkaar. Het prachtigste kantwerk werd er uit vervaardigd. Voor mij moesten natuurlijk vele lagen van het grofste laken op elkaar worden gestapeld, om een doelmatig hemd of beddelaken te maken. Ik vond het bizonder prettig te kijken, hoe de naaisters een onzichtbaren draad in een onzichtbare naald staken, in den draad een nog altijd onzichtbaren knoop maakten en telkens wanneer er een naad klaar was, ze den draad met hare tandjes afbeten.
HOOFDSTUK IV.
DE ZAKKEN VAN DEN HELD VAN ONS VERHAAL WORDEN GRONDIG DOORZOCHT.
De keizer gaf mij zes beroemde taalgeleerden tot leeraren opdat ik de taal van het land zou leeren. Verder gelastte hij, dat de paarden van het land dikwijls in mijne tegenwoordigheid moesten worden afgereden, om zoodoende gewend te raken aan den griezeligen aanblik van den wandelenden mensch-toren.
Daar mij het leeren van vreemde talen altijd gemakkelijk gevallen was, maakte ik ook nu goede vorderingen. De keizer kwam dikwijls en hielp de leeraren bij het les geven en heel gauw kon ik al tamelijk vloeiend met hem praten. Ik hoorde onder andere van hem, dat dit land een eiland was en Liliput heette.
Natuurlijk smeekte ik hem telkens weer, en ik vroeg er hem op de knieën om, mij toch mijne vrijheid terug te geven. Hij zei, dat dit pas later kon gebeuren en dat het er heelemaal van afhing hoe ik mij gedroeg. Ook moest hij dit met den Raad van Staten overleggen. In ieder geval zou ik eerst een vredes- en vriendschapsverdrag met de Liliputters moeten sluiten. Ik moest maar geduldig zijn, zei hij, en in de eerste plaats mij onderwerpen aan een grondig doorzoeken van mijne zakken. "Ik weet wel heel goed," zei de keizer, "dat we uwe zakken niet kunnen nakijken wanneer u dat niet wilt hebben, maar ik verwacht van uw grootmoedigheid en van uw rechtvaardigheidszin, dat u dit zult toelaten. Wat wij u, terwille van onze veiligheid afnemen, zal u bij het verlaten van ons land teruggegeven of vergoed worden."
Natuurlijk bleef mij niets anders over dan die nakijkerij maar goed te vinden, en zoo ontving ik de beide ambtenaren, die voor dit doel gestuurd waren heel beleefd en stopte ze in mijn zak. Ze doorsnuffelden achtereenvolgens al mijne kleedingstukken, en deelde den keizer over hun onderzoek eene verklaring mee, waarvan ik het volgende mededeel: Na de meest nauwkeurige, grondige en nauwgezette doorzoeking vonden wij in de zakken van den menschberg (zoo vertaal ik de, in de verklaring staande woorden, "Quimbus Flestrin") als volgend genoemde en beschreven voorwerpen:
1. Een stuk grof doek, van dat soort, dat wij voor de sterkste en grootste zeilen gebruiken en zoo groot als het tapijt in uwer Majesteits salon, (dat was mijn zakdoek).
2. Een zilveren doos waarvan wij het deksel, zelfs niet met vereende krachten, konden oplichten. Wij gelastten den menschberg de doos te openen en klommen als plichtsgetrouwe beambten erin. Dadelijk zonken wij tot aan de knieën in een zwartachtige stof waaruit een zoo verschrikkelijke reuk opsteeg, dat wij er zoo spoedig mogelijk weer uitklommen en ons onderzoek een half uur moesten schorsen, aangezien we onophoudelijk moesten niezen. Wij houden deze stof voor een verschrikkelijk wapen van den menschberg. Wanneer hij deze stof in uwer Majesteits Residentie zou rondstrooien, zouden alle zaken moeten gesloten worden en kon er door het niezen niet verder geregeerd worden,--(dat was mijne snuifdoos).
3. Een dikke bundel van aan elkander gehechtte witte stof van de grootte van drie menschen en met zwarte figuren (misschien letterteekens bedekt) dat was mijn dagboek.
4. Een soort lijst in harde stof vervaardigd ter grootte van zoowat anderhalf mensch. Aan den eenen kant zijn twintig kolossale palen. Het geheel gelijkt op een stuk rasterwerk, zooals dit bij Uwe Majesteit den tuin van den publieken weg afscheidt. Het komt ons voor, dat het den eigenaar dient om zijn haar te kammen, (hier hadden zij het eindelijk bij het rechte eind).
5. Twee holle ijzeren buizen van meer dan manshoogte. Beide zijn aan een geweldig groot stuk hout bevestigd. Aan iedere buis zitten aan den eenen kant reusachtige stukken ijzer van zeer eigenaardigen vorm. Wij vroegen den eigenaar naar het doel van deze machines, maar wij konden hem niet verstaan daar hij onze taal niet volkomen machtig is. (Het waren mijne pistolen).
6. Verscheidene ronde en platte stukken wit en rood metaal; de witte zouden wel zilver kunnen zijn en waren gedeeltelijk zoo groot als molensteenen en waren zóó zwaar, dat wij ze met ons beiden niet konden tillen. Men kan zich eene voorstelling maken van de zwaarte van deze stukken als men hoort, dat een van uwe onderdanigste dienaren op de tanden knarste toen een van die stukken op zijne teenen viel. (Dat was geld).
7. Twee zwarte buizen, die zoo groot zijn, dat wij onder in zijn zak staande, hunne uiteinden nauwelijks konden bereiken. In ieder van die buizen was een zeer groote reep staal bevestigd. Wij gaven den menschberg last ons deze, naar het ons voorkwam, zeer verdachte en gevaarlijke machines nauwkeurig te verklaren en wij begrepen uit zijne verklaring, dat hij de eene noodig had om zijn baard te scheren en de andere om vleesch, brood en dergelijke dingen in stukken te hakken. (Dat hadden zij goed begrepen).
8. Een zeer wonderlijke machine, die voor de eene helft uit zilver en voor de andere helft uit eene, in den beginne onzichtbare massa bestaat, en den vorm heeft van eene reusachtige kaas. Op den eenen kant van deze machine zagen wij vreemde letterteekens en twee lansen. Een van deze lanzen scheen van zelf te bewegen, alsof hij leefde. Wij wilden deze lansen aanraken maar wij stootten onze vingers aan de massa, die wij niet hadden gezien, hoewel ze niet onzichtbaar, maar alleen maar doorzichtig en heel hard was. Al dadelijk toen we in dien zak waren gekropen waarin die machine zich bevond, vernamen wij een oorverdoovend leven als in eene smederij of bij een watermolen. Op onze vraag om inlichtingen verklaarde de menschberg ons, dat dit lawaai van binnen uit de machine kwam. De menschberg zei vervolgens nog, dat hij die machine bijna bij alles wat hij deed, raadpleegde. Het zou kunnen zijn, dat men hier te doen heeft met een, in onze landstreken onbekend dier. Wij denken dit omdat de eigenaar het aan een ketting, zoo dik als een arm, gevangen houdt. Hij noemt dit wonder in zijn doffe, loeiende taal "een horloge". (Dat klopt).
[Illustratie: Hij noemt deze wonderlijke machine een horloge.]
9. Een groot net, zooals onze visschers dat gebruiken, maar er zaten geen visschen in maar verscheidene stukken geel metaal. Wanneer deze van echt goud zijn, dan moeten zij van onberekenbare waarde wezen. (Mijn beurs).
Behalve den inhoud van de zakken, vonden wij nog bij den vreemdeling:
10. Een zwaard ter lengte van zeven of acht man, en:
11. Een buidel met twee vakken. In ieder vak zouden zoowat drie onderdanen van Uwe Majesteit kunnen zitten. In het eene vak bevond zich een aantal zware metalen kogels ter grootte van ruim een hoofd, zooals onze kunstenmakers ze bij hunne voorstellingen plegen te gebruiken. In het andere vak bevonden zich een groote menigte zwarte korrels. (Dat was mijn zak met schietvoorraad).
Nadat de keizer dit alles had gelezen, naderde hij mij aan het hoofd van 3000 soldaten en verzocht mij in vriendelijke woorden de genoemde voorwerpen af te geven. Ik gespte mijn sabel los en trok deze uit de scheede. Dit had een algemeene ontsteltenis ten gevolge. Ik zwaaide zoo'n beetje met mijn zwaard door de lucht en ofschoon het een beetje verroest was, schitterde het toch nog in het zonlicht. De Liliputters durfden niet in de schittering van mijn zwaard te kijken en sloegen angstig de handen voor het gezicht. Zoo ongeveer zal het de leeuwerik en hare jongen te moede zijn wanneer de zeis des maaiers over hunne hoofden zwaait.
Alleen de Keizer behield, ofschoon het hem moeite kostte, zijn kalmte; met eenigszins bleeke lippen vroeg hij mij het wapen op een afstand van zes voet ver van mij op den grond te werpen. Dit deed ik, maar door het schudden van den grond, sprongen de dichtstbijstaanden als ballen in de hoogte, en de paarden der ruiterij werden onrustig en steigerden. Nu verlangde Zijne Majesteit de werking der "holle ijzeren buizen" te leeren kennen.
Ik haalde mijne pistolen te voorschijn, liet zien hoe zij in elkander zaten, en nadat ik den vorst gewaarschuwd had, dat hij niet moest schrikken, laadde ik een der pistolen met los kruit, (dat in den waterdichten zak volkomen droog was gebleven) en schoot in de lucht.
Het had eene uitwerking alsof ik met bommen onder de menigte had geschoten. Honderden en honderden vielen als dood op den grond, de vrouwen vielen allen in zwijm; de keizer bleef wel op zijne voeten staan, maar wankelde toch even. Hij hield zijne oogen gesloten, zijn gezicht was doodsbleek en het zweet parelde hem op het voorhoofd. Met een stom gebaar gaf hij mij te kennen, dat ik deze wapens moest uitleveren. Ik gaf mijne pistolen en mijn schietvoorraad af en ik maakte hem erop merkzaam dat men het kruit niet met vuur in aanraking mocht brengen. Ik leverde eveneens alle andere genoemde voorwerpen uit.
[Illustratie: Ik schoot mijn pistool af, en de uitwerking was overweldigend, 't was voor die kleine menschjes alsof er een ontploffing plaats vond.]
Mijn horloge, waarover de geleerden, die aanwezig waren elf verschillende meeningen hadden, die door ieder hunner fel werd verdedigd, werd door twee sterke arbeiders weggebracht. Zij schoven een zwaren balk door den ring en namen hem over de schouders. De ambtenaren hadden noch mijn bril, noch mijn zakverrekijker en mijn kompas gevonden, want die voorwerpen droeg ik in een geheimen zak, en daar die dingen voor de menschen in Liliput geen waarde hadden, behield ik ze.
HOOFDSTUK V.
WIJ WORDEN LANGZAMERHAND VERTROUWELIJK EN WIJ BETOONEN ELKAAR VRIENDELIJKHEDEN.
Van dag tot dag werden de keizer, het leger en het volk van Liliput mij gunstiger gezind, zoodat ik de hoop begon te koesteren, weldra mijne vrijheid terug te krijgen.
Hoe meer de inwoners hun vrees voor mij verloren, des te ongedwongener gedroegen zij zich ook tegenover mij, en ten slotte beschouwden zij mij ongeveer als ware ik een buiten de stad gelegen wandelpark.
Voor alle mogelijke pretjes moest ik dienst doen; onder leiding van de betaalde gidsen kwamen mij nog steeds, van 's morgens vroeg tot 's avonds laat, ontelbare menschenscharen bezichtigen; mijn voorhoofd en het bovenvlak van mijn hand werden als dansvloer gebruikt, waarop tal van vroolijke paartjes zich heen en weer bewogen; maar de grootste aantrekking had ik wel voor bergbestijgers. Hun plezier bestond daarin, mij zonder ladder te bestijgen; wanneer ik lag, de punten van mijne schoenen als bizonder steile en gevaarlijke bergtoppen te bestijgen, of wel, in de verschrikkelijke nauwe afgronden van mijn vestjeszakje te dalen, waar ze gevaar liepen door mijn buik doodgedrukt te worden. Dikwijls moest ik, wanneer ik lag, een van mijne beenen optrekken zoodat mijn knie dan in de lucht stak. Dat verschafte hun dan een druk bezochten toren, van waaruit zij het heele eiland konden overzien. Bizonder moedige bergbestijgers beklommen mij terwijl ik rechtop stond. Dat was natuurlijk een uitstapje dat verscheidene dagen duurde en de toeristen overnachtten dan in een van mijne zakken. Maar de allergrootste waaghalzen verlangden dat ik, wanneer zij eenmaal het hooggebergte van mijn hoofd hadden bereikt mijn arm nog in de hoogte zou steken, dan klauterden zij ook nog daarop en gingen dan op mijne vingertoppen staan. De ijle en ijzige lucht van deze verschrikkelijke hoogte verdroegen zij echter niet lang, zij werden bergziek, dat wil zeggen, zij werden misselijk, benauwd en kregen hartkloppingen en verlangden weer naar beneden te komen.
De kinderen behandelden mij natuurlijk het ongegeneerdst. Zij speelden verstoppertje in mijn haar en mijn knevel, gebruikten den rug van mijn neus als glijbaan, en ik had hard werk om te zorgen, dat zij mijne oogappels niet als eene ijsbaan gebruikten.
In mijne mouwen en zakken, in mijne oorschelpen en neusgaten speelden zij roovertje en soldaatje en elk oogenblik was er eentje verdwaald. Dan hoorde ik plotseling uit mijn rechteroksel een klagelijk geschrei omdat een jongetje niet wist of het rechts of links moest gaan om door mijn armsgat op mijn vest te komen. Eindelijk stookten zelfs eenige jongens een vuurtje in mijn haar om daarin appelen te braden, maar toen werd het mij toch wat al te kras en dergelijke dingen verbood ik.
Toen ik den keizer met klachten aankwam dat ik al te veel last van het volk had, gelastte hij dat men daarmede dadelijk zou ophouden en hij wilde mij als vergoeding nu ook eens een pleizier aandoen. Hij hield er dol veel van om koorddansers te zien, en liet nu op de verschrikkelijke hoogte van twaalf voet boven den grond een touw spannen, dat niet dikker was dan bij ons een dun draadje. Daarop moesten nu allen dansen, die van den keizer een ambt of eene andere gunst wilden hebben en wie het beste danste en het hoogste sprong kreeg het ambt. Maar ook de ministers en de andere raadsheeren, die dus al een ambt hadden moesten hunne kunsten toonen, en de schatmeester van het rijk was zoo knap er in, dat wanneer men een plank op het touw legde, hij van af deze plank den zoogenaamden "doodssprong" maakte, dat wil zeggen hij sprong in de hoogte, duikelde in de lucht rond en stond dan weer op de plank. Natuurlijk gebeurde het dikwijls, dat iemand daarbij naar beneden viel, verscheiden ministers waren reeds meer dan eens gevallen en soms brak er ook wel eens een zijn nek.
Een ander amusement van den keizer bestond daarin, dat hij een stok voor zich uit hield en zijne raadslieden en zijn Hof daarover heen liet springen of daaronder door liet kruipen. Wanneer zij springen moesten, hield hij den stok zoo hoog mogelijk, wanneer zij kruipen moesten bijna tot aan den grond. Wie dan het beste en het langste gesprongen of gekropen had, kreeg een blauwen draad. De tweede prijs was een roode draad, en de derde een groene. Deze draden wonden de overwinnaars twee maal om hun gordel. Er waren maar weinig personen, die niet minstens één zoo'n draad droegen, en toch schenen zij zeer trotsch daarop te zijn.
[Illustratie: Een jager des keizers sprong met zijn renpaard over den schoen van mijn voet.]
Evenals de menschen, overwonnen ook langzamerhand de paarden iederen angst bij mijn aanblik. Zij sprongen met hunne berijders over mijne hand heen. Ja een jager des keizers sprong met zijn renpaard over den schoen van mijn voet en dat was inderdaad een fabelachtige toer.
Ik kwam nu op het idee Zijne Majesteit tot dank voor de vertooning der koorddansers, die ik mocht bijwonen, ook een schouwspel te bereiden en ik verzocht om eenige staven van twee voet lengte en zoo dik als mijn wijsvinger. De keizer beval zijn opperhoutvester de noodige boomen te laten vellen en reeds den volgenden morgen waren zes houthakkers met even zoovele wagens ieder door acht paarden getrokken, ter plaatse. Ik zette nu eenige van deze staven zoo in den grond dat zij een vierkant vormden; iedere zij van het vierkant was ongeveer zoo lang als mijn arm.
Toen spande ik een zakdoek zoo strak als een trommelvel over de punten van deze staven en zette daar bovenop wederom eene, uit staven vervaardigde, borstwering, ter hoogte van mijn pink. Zoo kreeg ik een prachtige exerceerplaats. Ik verzocht den keizer nu om een bataljon van zijne beste ruiters. Toen ik ze gekregen had, zette ik ze met hun vier-en-twintigen met paard en wapenrusting, en ook de officieren op het parade-veld. Daar verdeelden zij zich in twee partijen en volbrachten nu met groote behendigheid en stiptheid alle mogelijke oefeningen, schijngevechten en tornooien.
Ik moest aan de looden soldaten denken, waarmede ik als kind had gespeeld en die zich helaas niet van zelf voortbewogen en ik dacht bij mijzelf: "Wanneer het je gelukt weer naar huis te komen, dan moet je toch probeeren je kinderen een regiment van deze troepen mede te brengen!" De keizer had zeer veel plezier in deze manoeuvres en was zeer trotsch op de dapperheid van zijn leger. Ja, hij was op zekeren dag zoo genadig, zich zelf op het slagveld te laten tillen en het opperbevel op zich te nemen. Nog sterker. Hare Majesteit de keizerin in eigen persoon liet zich met haar gevolg zoo hoog door mij optillen, dat zij over het strijdperk kon heenzien.
Op zekeren dag geraakte helaas een paard met zijn hoef in een uitgerafelde plaats van mijn zakdoek verward, het dier viel en verrekte een pees. Toen gaf ik het gevaarlijke spel op.
Dit schouwspel had den keizer zoozeer bevallen, dat hij het mij door een zeer bizonder spel wilde vergelden, en hij wilde mij ook eens door iets buitengewoon groots bewondering afdwingen. Hij liet uit zijnen dierentuin een olifant halen en keek nu met de grootste aandacht naar mij om te zien wat ik nu wel van dien kolossus zou zeggen. Het was inderdaad een buitengewoon prachtexemplaar ter grootte van een flinken dashond, en de keizer vroeg me met trotschen glimlach, of ik zoò iets nu wel eens in mijn leven had gezien.
"Neen," zei ik, "zulk eenen grooten olifant heb ik nog nooit gezien!" Ik bedankte hem vriendelijk, nam het dier op mijn arm en streelde het, waarover Zijne Majesteit toch wel een beetje het land scheen te hebben.