# Grashalmen

## Part 5

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/grashalmen-14281/index.md

5.

Zwijge dan de verheerlijking van den oorlog, zwijge dan oorlog zelf, Weg van mijn huiverend zien, en dat het nimmer terugkome, dat veld vol zwart gebrande, verminkte lijken! Die onbeschrijflijke hel met stroomen bloeds, waar ontketende tijgers en wolven, wier tong uit den muil hangt, geen denkende menschen zich in verlustigen, En daarvoor: verheft U, strijd van denkende hoofden en nijvere handen, Komt met onversaagde legerscharen, machinenbouwers, Kom met uwe vaandels, arbeid, laat hen dartelen op den wind, Laat luide en klaar uwe trompetten schallen.

Zwijge dan de oude roman! Zwijge novelle, spijt en spel van hovelingen, Zwijge het minnelied van suikerzoete rijmen, het lied dat lusten en liefden van lediggangers bezingt, Enkel geschikt om gezongen te worden bij het banketteeren in den nacht, als de late dansers huppelen op de maat van vroolijke klanken, De ongezonde genoegens en buitensporige vermaken der enkelen, In geuren, gloed en wijn, onder het schitterlicht der kaarsen.

Voor U eerbiedwekkende, krachtige zusteren, Verhef ik mijn stem om kunst en dichter te bezielen voor onderwerpen die hunner waardiger zijn dan dezen. Dat kunst en dichter het heden en de realiteit verheffen, Dat de dichter niet voor enkelen zinge, maar voor den middelmaat-mensch en diens roem van dagelijkschen wandel en handel, Dat hij in liederen roeme arbeid en het gistend leven, en hoe dezen grootscher zijn dan alles, Dat hij bezinge den handenarbeid van ieder en allen, het ploegen, wieden en graven, Het planten en kweeken van den boom, van den boomstruik, het moesbed en de bloemen, De dichter zegge, dat iedere man zijn grootsche taak in het leven heeft en vervult en iedere vrouw tevens; De dichter zegge: neem hamer en zaag ter hand en gevoel U-zelf hoog, Hij zinge het lied van den timmerman, den stuc-werker, den schilder, Het lied van den kleêrmaker en kleêrmaakster, van de dienstmaagd, van den stalknecht en den portier, En vooral prijze hij het vernuft, dat het wasschen, koken en reinigen helpt door kleine uitvinding, En vooral achte hij 't niet beneden zich-zelf de hand aan den arbeid te leggen, welke ook.

Ik zeg: ik breng U, Muze, heden en hier, Allen arbeid en allen plicht, verheven of gewoon, Ik breng U het zwoegen, het gezonde zwoegen in het zweet, het eindeloos zwoegen zonder rust, Ik breng U de oude lasten van het werkzame leven en zijne belangen en zijne vreugden, Het huisgezin, de bloedverwantschap, kinderen, man en vrouw, De welvaart van het huis, het huis zelf en wat het huis toebehoort, Levensmiddelen en het conserveeren van levensmiddelen, door de scheikunde geholpen, En al wat den mensch sterk maakt, den gezonden man, de gezonde vrouw, den volkomen lang levenden mensch, Wat dien mensch in dit leven gezondheid en geluk schenkt en zijn ziel loutert, Voor het eeuwige toekomstige leven.

Dàn de jongste paringen der volken, hun arbeid, het onderling verkeer der werelddeelen, De stoomkracht, de sneltreinspoorwegen, gas en petroleum, Al deze triomfen van onzen tijd: de kabels van den Atlantischen Oceaan, De Pacifiek-spoorwegen, het Suez-kanaal, de Mont-Cenis, Gothard en Hoosac tunnels, de Brooklyn-brug, Deze geheele aarde door ijzeren banden omspannen, met de stoomvaartlijnen die als draden over de zeeën zijn getrokken, Dezen wereldkloot in zijn tuimeling door het heelal breng ik U.

UIT: EEN LIED VOOR DEN ARBEID

1.

Een lied voor den arbeid! In den arbeid van machines en in den handarbeid en in den arbeid op de velden vind ik de verklaring der godskrachten, Vind ik de godskracht zelf.

Arbeiders en arbeidsters! Indien alle geleerdheid en haar nut en haar fraai mij ontstraalde, zou dat dan veel zijn? Indien ik een geleerd professor, een liefdadig landheer, een wijs staatsman ware, zou dat dan veel zijn? Indien ik U was wat de patroon is die U in dienst neemt en betaalt, zou U dat bevredigen?

De geleerde, de brave, de weldadige en dan nog dit: de banaliteit, Neem een man als ik: geleerd, braaf noch weldadig misschien, maar de banaliteit verre.

Ik dienaar noch meester, Ik verlang niet eerder het vele dan het weinige, wie ook van mij geniet, ik verlang slechts wat mij toekomt, Ik wil uw gelijke zijn en gij zult mijn gelijke zijn. Indien gij aan de werkbank staat in de werkplaats, sta ik U zoo na als de naaste aan dezelfde bank, Indien gij uw broeder of liefsten vriend beschenkt vraag ik van U hetzelfde als gij aan broeder of liefsten vriend schenkt, Indien uw minnaar, man, vrouw u dag en nacht lief is, moet ik persoonlijk U even lief zijn, Indien gij geschandvlekt, misdadig, ongelukkig wordt, zal ik dat worden om uwentwil, Indien gij U uwe dwaze wetschennende daden herinnert, zult gij dan denken dat ik mij niet herinner mijne eigen dwaze, wetschennende daden? Indien gij in het drinkgelag aan tafel zit, zit ik in het drinkgelag tegenover U aan die tafel, Indien gij een vreemde ontmoet in de straten en hem of haar uw liefde schenkt, o ik ontmoet vele vreemden en schenk hun mijn liefde,

Nu, wat denkt gij dan van U-zelf? Hebt gij gering gedacht van U-zelf? Hebt gij den President hooger gesteld dan U-zelf? Of den rijke er beter aan toe dan gij? Of de geschoolde wijzer dan gij? (Omdat uw gezicht vuil of puistig is, of omdat gij eens dronken of een dief waart, Of omdat gij ziekelijk, of rheumatisch, of een lichtekooi zijt, Of omdat uw kracht gering is of gebroken, of omdat gij geen vat vol geleerdheid zijt en uw naam nooit gedrukt hebt gezien, Leidt gij daarvan af, dat gij iets minder onsterflijk zijt?)

2.

Zielen van mannen en vrouwen! U noem ik niet onzichtbaar, onhoorbaar, ongevoelig en onvoelbaar, Ik zal mij niet bemoeien voor of tegen U te pleiten om uit te maken of gij al dan niet bestaat, Ik erken openlijk wie gij zijt, al erkent niemand anders dat.

Volwassen, halfwassen, kind, van dit volk of elk ander volk, in huis of buitenshuis, ik zie in den een dezelfde waarde als in den ander, En ik zie al het andere door hen heen en achter hen.

Ik zie de vrouw en zij is geen zier minder dan haar man, Ik zie de dochter en zij is even goed als de zoon, Ik zie de moeder en zij is de volkomen gelijke van den vader.

Kinderen van den onwetende en den behoeftige, knapen die opgeleid worden in een vak, Jonge mannen die bij den boer werken en oude mannen die bij den boer werken, Matrozen, sjouwers, kustvaarders, landverhuizers, Ik zie ze allen en zij zijn mij na, ik zie ver weg anderen en zij zijn mij na, Niet een ontgaat mij, en niet een wenscht mij te ontgaan.

Ik breng U wat gij 't meeste behoeft en toch steeds hebt bezeten, Het is geen geld, amours, kleed, eten, geleerdheid, maar het is even goed, Ik zend geen zaakwaarnemer of tusschenman, bied U geen wissel van de waarde aan, maar geef U de waarde zelf.

Daar is iets dat den mensch invloeit nu en steeds, Niet in gedrukte woorden, noch in gepreekte of gepraten woorden kan men 't vinden, het ontsnapt aan die woorden, Niet in een boek, niet in dit boek is 't te vinden, Wie gij ook zijt het is 't uwe, het 'is niet verder van U dan uw gehoor of uw gezicht, Wat U het naaste, het gewoonste, het gereedste is spreekt er U van en daaruit komt het U immer te gemoet.

Lees in vele talen, toch leest gij hierover niets, Lees de Boodschap van den President en gij leest ook daarin niets hier over, Niet in de rapporten van het Binnenlandsch Ministerie of van het Ministerie van Financiën, niets in dagbladen of weekbladen, Niets in de belasting- of pensioenberichten, niets in de prijsnoteeringen of de mededeelingen van de Beurs.

3.

De zon en de kringloopende sterren in het firmament, De appelvormige aarde en wij met ons leven van die aarde, het is grootsch in zijn eeuwig gedobber, Ik weet niet wàt het is behalve dat het grootsch is en dat het geluk is, En dat de beteekenis van ons leven niet ligt in een bespiegeling of een bon-mot of eenig onderzoek, En dat het niet iets is, dat bij geluk ten goede kan keeren en bij ongeluk ons kan ontgaan, En niet iets, dat wij door een of andere omstandigheid kunnen verliezen, Het licht en de schaduw, de wonderbare beteekenis van het lichaam en zijn identiteit met de ziel, de tuk die met volkomen bereidwilligheid alle aardsche dingen verslindt, De alomvattende fierheid en het kunnen van den mensch, zijn onuitsprekelijke vreugden en smarten, Het wonder dat iedereen ziet in iedereen dien hij ziet en de wonderen die elke minuut der komende tijden van zich zullen vervullen, Wat is het doel van dit alles, dacht gij, Camerado? Dacht gij dat het enkel was voor uw handwerk of landwerk? of voor de winsten van uw winkel? Of om U aan een of andere betrekking te helpen? Of voor een spelletje in het beuzeluur van dezen heer en die dame? Hebt gij gedacht dat het landschap leven, vorm en kleur had enkel om in een schilderij geschilderd te worden? En dat de menschen leefden enkel opdat men hun leven konde beschrijven of bezingen, Of dat de zwaartekracht en de natuurwetten en de harmonieuze samenstelling van het Heelal en de luchtstroomingen enkel waren om aan schoolmeesters geleerdheid te verschaffen? Of dat het bruine land en de blauwe zee waren voor de atlassen en de landkaarten? Of de sterren om in sterrengroepen verdeeld te worden en dan aangeduid bij fantasie-namen? Of dat de groei en ontluiking der zaden zijn voor landbouwkundige tabellen of den landbouw zelf?

Oude instellingen, kunsten, boeken, verhalen en de vaardigheid in een beroep, zullen wij dit alles hoog stellen? Zullen wij ons eigendom, onzen handel hoog stellen? Ik heb er niets tegen. Ik stel dit alles even hoog als het hoogste--maar boven dit hoogste stel ik het kind dat geboren wordt van eene vrouw en een man.

4.

De som van al wat eerbied verdient tel ik op in U, wie gij ook zijt, De President bevindt zich in het Witte Huis om uwentwil, gij zijt niet hier ter wille van hem, De secretarissen arbeiden in hun bureaux voor U, gij arbeidt niet voor hen, Het Congres vergadert elke Twaalfde Maand voor U, Wetten, hoven, staatsconstituties, stedelijke charters, het komen en trekken van handel en verkeer, dit alles is voor U. Luistert goed, lieve discipelen, Leer, staatkunde, beschaving vloeien uit U, Standbeelden en monumenten en alle roem-inschriften waar ook zijn gehouwen in U, De waarde van geschiedenis en statistiek, zoo ver als haar geest het verleden mag zijn doorgedrongen, bevindt zich dit uur in U en die van mythen en verhalen evenzoo, Indien gij op dit oogenblik geen adem haddet en geen kracht, wat zou er van hen allen zijn? Het heerlijke epos zou niets zijn en oratiën en tragediën zouden ledig zijn.

De paleizen zijn wat gij er van maakt als uw oog hen aanschouwt, (Dacht gij dat hun waarde lag in den witten of grijzen steen? Of in de lijnen hunner bogen en kroonlijsten?)

De muziek is wat er uit uw ziel opvloeit als de instrumenten U aan uw werkelijk leven doen denken, Zij is niet de violen en cornetten, niet de hobo noch de trommen, noch de klanken van den bariton-zanger die zijn liefelijke romanza zingt, noch die van het mannenkoor, noch die van vrouwenkoor, Zij is dichter bij en verder dan dezen.

5.

Zal dan alles eenmaal zijn weg terug afleggen? Kan dan ieder de eeuwige schoonheid zien door een blik in den spiegel? Is daar niets hoogers of beters? Bevat gij alles, bevat de mystiek-onzichtbare ziel alles? En vreemd en zwaar zeker is mijn paradox; Het ruwste ter wereld en de onzichtbare ziel der wereld zijn één.

6.

Wilt gij dan de zaligheid verre zoeken? Gij zult zeker op uwe schreden terugkomen. In de dingen uws dagelijkschen levens vindt gij het beste, of zoo goed als het beste, In de menschen uws dagelijkschen levens vindt gij de edelste, krachtigste, liefdewaardigste! Geluk, kennis vindt gij niet elders maar hier, niet in de toekomst maar nu, In den man dien gij 't eerst ziet en aanraakt vindt gij altijd een vriend, een broeder, een naasten buur--in de vrouw een moeder, zuster, vrouw, De liefde en de arbeid der volken hebben de eerste plaats in poëmen en overal, Gij arbeidsters en arbeiders dezer Staten, gij bezit uw eigen goddelijk en krachtvol leven, En alles daarbuiten heeft plaats voor mannen en vrouwen zooals gij.

Wanneer de psalm gaat zingen in steê van den zanger, Wanneer de Schrift zal prediken in steê van den leeraar, Wanneer de kansel afdaalt en onder de menschen gaat in steê van den prediker, Wanneer ik bij dag of bij nacht het lichaam van boeken kan beroeren en zij dan mijn lichaam beroeren in keer, Wanneer eens professors collegie zooveel bewijst als een sluimerende vrouw of een slapend kind, Wanneer de goudstukken in de kelders glimlachen als des nachtwakers dochter, Wanneer de gevolmachtigde bazelt in den presidentsstoel en ik zijn vriend ben en metgezel, Dan, en niet eerder, zal ik dezen de hand reiken en hen zoo hoog verheffen als ik U doe, mannen en vrouwen aan den arbeid.

UIT: LIED VAN DE WENTELENDE AARDE

1.

Een lied van de wentelende aarde, in woorden die met haar harmonieeren, Dacht gij dat dit de woorden zijn, deze rechtoppe-lijntjes, deze boogjes, hoekjes, en stipjes? Neen, dat zijn de woorden niet, de echte woorden zijn in de aarde en in de zee, Zij zijn in de lucht, zij zijn in U.

Dacht gij dat deze woorden de liefelijke klanken zijn door den mond uws vriends gesproken? Neen, de ware woorden zijn liefelijker dan deze.

Menschenlijven zijn woorden, myriaden woorden, (In de beste gedichten ziet gij altijd het lijf van man of vrouw, altijd welgevormd, natuurlijk, levensvol, En elk deel vol kracht om te geven of te ontvangen zonder schaamte of reden tot schaamte.)

Lucht, aarde, water, vuur--de elementen zijn de woorden, Ik zelf ben een woord met dezen--mijne krachten vloeien samen met de hunne--mijn naam is voor hen een niets, Al wierd mijn naam ook genoemd in de drie duizend talen, wat zouden lucht, aarde, water, vuur weten van mijn naam? Een gezond gezicht, een vriendelijk bemoedigend gebaar zijn woorden, en zij zijn welsprekendheid en wijsheid, De bekoring van den oogopslag van sommige mannen en vrouwen, ook zij is vol welsprekendheid en wijsheid.

Het werk waaruit de ziel spreekt is het poëem dier onhoorbare woorden der aarde, De meesters kennen die aarde-woorden en zeggen daarin meer dan in hoorbare woorden. De aarde ontbloot haar schoonheid niet doch weigert ook niet haar schoonheid te ontblooten, niettemin is haar onzichtbaar leven het schoonste, Dring in haar door en gij verneemt luid-hoorbare klanken, het verheven koorgezang der helden, de weeklachten der slaven, De eeden der liefde, vervloekingen, doodsnikken van stervenden, gelach van jongelieden, geschreeuw van markters, Dring in haar door om de sleutelwoorden te kennen die nooit missen.

De woorden der welsprekende, stomme eeuwe-moeder tot hare kinderen missen nooit, De echte woorden missen nooit, want de slag mist nooit en de terugslag mist nooit, Aldus ook missen nimmer de dag en de nacht, evenmin als onze reis door de eeuwigheid mist.

Het Godsschip bevaart de Godszee, Rondwentelend, staag, om nimmer te vergaan, Zonneschijn, storm, koude, hitte voor altijd weerstaat, voorbij snelt, draagt het dezen, De waarheid en de bestemming der ziel bevat het, Het vloeiende ledig in 't rond en vooruit klieft en doordringt het, En steeds voort, door geen tegenspoed opgehouden, door geen anker vastgehouden, door geen klip geraakt, Vlug, vroolijk, voldaan, niets dervende, niets verliezende, Elk oogenblik in staat en bereid het logboek open te slaan, Het Godsschip bevaart de Godszee.

2.

Wie gij ook zijt! Slag en terugslag zijn bepaaldelijk voor U, Het Godsschip bevaart de Godszee voor U.

Wie gij ook zijt! Gij zijt de man of de vrouw voor wie de aarde vast en vloeibaar is, Gij zijt de man of de vrouw voor wie zon en maan daar zijn in het firmament, Voor niemand eerder dan voor U is het heden en het verleden, Voor niemand zekerder dan voor U is de onsterflijkheid.

Ieder man is voor zich en iedere vrouw is voor zich het sleutelwoord van verleden en heden en dat der onsterflijkheid; Niet een kan daar verwerven voor den ander--niet een, Niet een daar leven voor den ander--niet een. Het gezang is voor den zanger en komt tot hem terug, Het onderwijs is voor den onderwijzer en komt tot hem terug, De moord is voor den moordenaar en komt tot hem terug, De diefstal is voor den dief en komt tot hem terug, De liefde is voor hem die liefde geeft en komt tot hem terug, De gift is voor den gever en komt tot hem terug--het kan niet missen, De redevoering is voor den redenaar, het spel is voor den tooneelspeler en speelster niet voor het gehoor, En geen mensch verstaat grootheid en goedheid dan de zijne of die door de zijne wordt verklaard.

3.

Ik zweer de aarde zal gewis hem of haar volkomen zijn die zelf volkomen is, En de aarde zal gehavend en gebroken blijven hem of haar die zelf gehavend en gebroken blijft.

Ik zweer daar is grootheid noch vermogen die wedijvert met de grootheid en het vermogen der aarde, Daar kan geen leer welke ook zijn, ten ware zij worde bevestigd door die der aarde, Geen staatkunde, poëzie, religie, zede of wat ook, tenzij gegrondvest in de aarde, Tenzij oog in oog met de stiptheid, levenskracht, onpartijdigheid, rechtschapenheid dezer aarde.

Ik zweer ik zie in de liefde liefelijker krampen dan die de liefde oproept, Het is zelf-bezit dat nooit lokt of afwijst. Ik zweer ik zie weinig of niets meer in hoorbare woorden, 't Vloeit alles opwaarts tot de ongezegde waarheden dezer aarde, Tot hem die zingt de zangen des lijfs en zegt de waarheden der aarde, Tot hem die woordenboeken maakt van de woorden die aan den druk ontsnappen.

Ik zweer ik zie wat daar beter is dan het beste te noemen, Het is het beste altijd en immer ongenoemd te laten.

Zoodra ik mij ondersta het beste te noemen merk ik mijn krachteloosheid, Dan ligt mijn tong verlamd onder mijn verhemelte, Dan weigert mijn adem mijne longen te vullen, Ik word met stomheid geslagen. Het beste der aarde kan niet, kan nooit genoemd worden, alles en ieder is het beste, Dat beste is niet wat gij vermoeddet, het is veiler, lichter, nader, Niets behoeft er voor uit zijn natuurlijke voegen te worden gelicht, De aarde is even zeker en direct nu als zij was voorheen, Feiten, religiën, vooruitgang, beleid, handel en wandel zijn nu zoo reëel als voorheen, En ook de ziel is reëel, ook zij is zeker en direct, Geen preek of proef heeft haar bewezen, Onloochenbare vooruitgang bewijst haar.

4.

Dat dan in deze zangen weergalmen de klanken der ziel en de melodieën der ziel, (Indien zij niet den weergalm bevatten van de melodieën der ziel, wat zouden zij dan zijn? Indien zij niet leven waren direct van uw leven, wat zouden zij dan zijn?)

Ik zweer voortaan zal ik niets meer gemeen hebben met den godsdienst die het beste noemt, Ik wil enkel gemeen hebben met den godsdienst die het beste ongemoeid laat.

Spreekt sprekers, zingt zangers! Delft diep, vormt groot, stapelt hoog de woorden der aarde! Arbeidt, eeuwen na eeuwen, want niets zal verloren gaan, Misschien zal uw arbeid lang hebben te wachten, maar zeker zult gij er de wel-daad van zien, Wanneer de bouwstoffen allen bereid en gereed zijn, zullen de bouwmeesters verschijnen.

Ik zweer U, de bouwmeesters zullen verschijnen onafwijsbaar, Ik zweer U, dat zij U zullen verstaan en rechtvaardigen, De verhevenste onder hen zal hij zijn die U het beste van allen verstaat, en die allen verklaart en allen getrouw is, Hij en zijne makkers zullen U niet vergeten, zij zullen inzien, dat gij niet een jota minder zijt dan zij zelven, In hen en door hen zult gij volkomen verheerlijkt worden.

LIED DES HEELALS

1.

Kom, zei de Muze, Zing thans een lied door geen dichter nog gezongen, Zing thans het lied des Heelals. In deze onze ruwe aarde, Middenin den onpeilbaren chaos, Verborgen en veilig in haar hart, Kiemt het zaad der volmaaktheid. In allen leven kiemt dit zaad, Geen geboorte zonder de ontkieming van dit zaad, verborgen of zichtbaar, dit zaad ontvangt bloei.

2.

Heil U, waakzame, hoogstrevende wetenschap, Gij die, als van hooge bergtoppen, het jonge leven overziet, En verder steeds en verder Uw uitkomsten bevestigt. Maar heil, heil, heil der ziele, die alle wetenschap overtreft, Voor haar heeft de wereldgeschiedenis zich als een schel om den aardkloot gelegd, Voor haar wentelen alle sterren-myriaden door 't Heelal. Voor haar, spiralend omhoog en breed van slagen, (Of als een schip op zee, dat vaak boegseert) Vloeit wat vergankelijk is uit in het Eeuwige En strekt de realiteit zich uit naar 't ideaal. Voor haar de ontwikkeling van het al, die niet in wezen, wèl in schijn wordt gekend, En rechtvaardiging is niet enkel van het goede, maar van wat wij slecht noemen tevens. Eenmaal werpt ieder den mom af, wat deze ook waard zij, Eenmaal bloeit er heil uit alle verzwering, eenmaal vreugde uit list, bedrog en tranen, Heil waar de kracht aan ontspringt en vreugde, vreugde des Heelals. Uit het gros, uit het ongezonde, uit het onbeteekenende, Uit de middelmatige meerderheid, het talloos-vake bedrog van menschen en volken, Ontspringt het goede, Alom dan het goede, electrisch, bederfwerend, alles doordringend, alles vervullend.

3.

Boven de berghoogten van kwalen en smarten, Fladdert, fladdert en zweeft een nooit-gelamde vogel Hoog in de reine sferen des geluks, Door de duisterste wolken der onvolkomenheid, Breekt altijd een glimp van 't reinste licht der zon, Een straal der hemel-heerlijkheid-zelve. In de wangeluiden van zeden en gebruiken In het dolle Babyloonsch geraas, in oorverdoovende orgiën, Elk getier overruischende, wordt een toon gehoord, en niet meer dan vernomen, Van 't koorgezang der eeuwen in verre hemelgewesten gezongen. O, de zegenvolle oogen, o, de gelukkige harten Die in 't geweldig labyrinth, Den teederen leiddraad zien en volgen kunnen.

4.

En gij, Amerika, Als bekroning van het godsplan, in zijn overleg en in zijn uitvoering, Zijt gij--en niet om U zelfs wil--tot leven geroepen. Want ook gij omvat alles, Gij torscht en ontvangt alles en begroet alles, ook langs paden breed en nieuw Wendt gij U naar 't Ideaal. De tamme idealen van andere landen, de grandeurs van het verleden, Zijn niet voor U, gij hebt Uw eigen grandeurs van dezen dag. Goddelijk vertrouwen en grootheid die alles omvatten en verklaren, En dit alles bereikbaar voor allen.

Alles en allen om der wille der onsterflijkheid, Liefde evenals licht verwint het Al stilzwijgend, En de voortdurende verheffing der natuur beschenkt het Al met haar zegeningen, De bloesem draagt vrucht, de vrucht der eeuwen rijpt, de gaarden worden godstuinen, de oogst is zeker, Aldus rijpt alles: vormen, voorwerpen, ontwikkeling, menschheid tot het leven der zaligheid,

Geef dan, o God, mij altijd die gedachte, opdat altijd mijn ziel hoog zij en zinge, Geef mij, geef hem of haar, die ik liefheb dit onvernietigbaar geloof, In Uw Heelal, wat gij ons ook onthoudt, onthoud ons niet het geloof in Uw Godsplan, dat tijd en ruimte vervult, Het geloof in Heil, Vrede, volkomen Verlossing!

Is dit een droom? Neen, het ongeloof is een droom, En in de ontkenning is de leer en rijkdom des levens een droom, En de geheele wereld een droom.

PIONIERS! O PIONIERS!

Komt mijn zon-gebruinde kinderen, Volgt mij nu in dichte drommen, houdt Uw wapens blank en vaardig, Hebt gij allen Uw pistolen? Hebt ge Uw scherpgewette bijlen? Pioniers! O Pioniers!

Want wij kunnen hier niet dralen, Vòòrt wij moeten, lieve vrienden, moeten het gevaar trotseeren, Wij zijn het jonge sterkgespierde ras, alles rust op onze armen, Pioniers! O Pioniers!

