# Grashalmen

## Part 4

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/grashalmen-14281/index.md

Hier stijgt het fluïdum op, hier wast de zielegehechtheid, Het fluïdum en de zielegehechtheid is de frischheid en de bekoring van man en vrouw, (Het ochtendstondgras spruit niet frisscher en bekoorlijker iederen dag uit eigen wortels voort, dan dezen voortspruiten, frisch en bekoorlijk altijd, uit zich-zelf.) Uit naar het fluïdum en de zielegehechtheid vloeit van jong en oud het liefdezweet, En als een regen daalt de verrukking die alle schoonheid en rijkdom te boven gaat er uit neer, Uit naar het fluïdum en de zielegehechtheid zwelt het smachten en sidderen van de pijn der gemeenschap,

8.

Allons! wie gij ook zijt, kom en reis mede! Met mij reizende zult gij vinden wat nimmer U vermoeit. De aarde vermoeit nimmer, De aarde is eerst ruw, zwijgzaam, onbegrijpelijk, de natuur is eerst ruw en onbegrijpelijk, Zij niet moedeloos, geef niet op, daar zijn godsdingen diep verborgen, Ik zweer U daar zijn godsdingen heerlijker dan woorden kunnen zeggen.

Allons! Wij moeten hier niet toeven, Hoe verlokkelijk deze overvloeden, hoe gemakkelijk deze woningen zijn, wij kunnen hier niet blijven, Hoe veilig deze haven zij en hoe kalm deze wateren zijn, wij mogen hier niet ankeren, Hoe welkom de gastvrijheid zij die ons omgeeft, slechts voor een korte wijl is 't ons veroorloofd er van te genieten.

9.

Allons, de drang wordt krachtiger, Wij zullen onbekende en wilde zeeën bevaren, Wij zullen het gegier der winden en de stortvloeden der golven trotseeren en gaan waar de Yankee-klipper voortsnelt met volle zeilen. Allons! Met kracht, vrijheid, de aarde, de elementen, Gezondheid, moed, blijheid, zelf-achting, weetgierigheid; Allons! weg van alle evangeliën! Vooral weg van uwe evangeliën, O loensche materialistische priesters.

Die mummie blokkeert den doorgang--wij zullen met het begraven niet langer wachten.

10.

Luister! Ik wil oprecht jegens U zijn, Ik loof niet de oude, smedige prijzen uit, maar ruwe, nieuwe prijzen, Aldus de zelf-overwinningen die uw deel moeten zijn: Gij zult U niet ophoopen wat rijkdom genoemd wordt, Gij zult met kwistige hand uitdeelen wat gij wint of verkrijgt, Gij zult nauwelijks de stad bereikt hebben die het doel uwer reis was, ter nauwernood hebt gij U er voldaan nedergezet, of gij wordt opgeroepen door een onafwijsbaar bevel om door te gaan, Gij zult U niet storen aan de ironische glimlachen en den spot van hen die achterblijven, Welke liefdewenken gij ook ontvangt, gij moogt enkel antwoorden met hartstochtelijke kussen van afscheid, Gij zult niet veroorloven, dat zij die de armen naar U uitstrekken U vasthouden.

11.

Alles wijkt terug van den voortgang der zielen, Alle godsdienstvormen, alle tastbare dingen, kunsten, regeeringen--al wat op deze of welke wereld ook zichtbaar was of is trekt zich terug in nissen en gewelven voor de zielenprocessie langs de verheven wegen des Heelals.

Den voortgang der zielen van mannen en vrouwen langs de verheven wegen des Heelals is alle andere voortgang enkel toevoegsel en steun.

Eeuwig leven, eeuwig voorwaarts, Statig, plechtig, droef, terughoudend, bespot, woedend, onstuimig, zwak, onvoldaan, Wanhopig, trotsch, teeder, ziek, erkend door menschen, verloochend door menschen, Zij gaan! Zij gaan! Ik weet dat zij gaan, maar ik weet niet waarheen zij gaan, Toch weet ik dat zij heenwaarts gaan naar het beste--heenwaarts naar iets verhevens.

Wie gij ook zijt, kom mee! Man of vrouw kom mee! Gij moet daar niet staan druilen of leuteren in uw huis, ofschoon gij het U bouwdet of het voor U gebouwd is.

Weg uit den duisteren schuilhoek! Weg van achter het schut! Uwe maren zijn vergeefs, ik weet alles en openbaar alles.

Zie door U heen, gij zijt zoo krank als de anderen, Zie door het lachen, het dansen, het feestvieren der menschen heen, Zie onder hun kleed en sieraden, zie onder hunne gewasschen, propere gezichten, Zie dan een geheime, stille walging en wanhoop. Geen echtgenoot, geen vrouw, geen vriend vertrouwd genoeg om de belijdenis te ontvangen, Als een ander Ik, een dubbelganger van ieder, gaat het schuilend en angstig door het leven, Vormloos en woordeloos gaat het door de straten der stad, beschaafd en lief in de salons, In spoorwagens, op stoombooten, in openbare bijeenkomsten, Thuis in de woningen van mannen en vrouwen, aan tafel, in het slaapvertrek, overal, Keurig versierd, beleefd-glimlachend, recht van houding: dood in het hart, verdoemenis in het hoofd, Onder laken en handschoenen, onder linten en bloemen, Gebruiken nauwkeurig volgende, met geen syllabe sprekende over zich-zelf, Sprekende van alle andere dingen ter wereld, maar nooit over zich-zelf.

12.

Allons! door gevechten en door strijden! Het doel dat wij ons gesteld hebben kan niet worden ontgaan.

Was het einde van vroeger strijden overwinning? Wat heeft overwonnen? Gij-zelf? Uw volk? de Natuur? Welaan, versta mij goed--de Voorzienigheid heeft in het wezen der dingen de eeuwige wet gelegd, dat uit het genot zelf der overwinning, 't hindert niet wat zij geldt, iets groeit, dat een moeilijker strijd noodzakelijk maakt.

Mijn roep is de roep ten strijde, ik kweek feitelijke rebellie, Hij die met mij gaat moet wel gewapend gaan, Hij die met mij gaat zal dikwijls karig voedsel, armoede, boosaardige vijanden, verlatenheid vinden.

13.

Allons! De heirweg ligt voor ons open! Hij is veilig--ik heb hem beproefd--mijn eigen voeten hebben hem lang en vaak betreden--blijf niet achter! Laat het papier liggen op de lessenaar onbeschreven en het boek op de plank ongeopend! Laat de gereedschappen liggen in de werkplaats! laat het geld ongeïnd! Laat de school voor wat zij is! Stoor U niet aan het geroep des onderwijzers! Laat den prediker prediken in zijn preekstoel! laat den advocaat pleiten in het Hof en den rechter de wet verklaren.

Camerado, ik geef U mijn hand! Ik geef U mijn liefde oneindig kostelijker dan geld, Ik geef U mij-zelf buiten preek of wet om; Wilt gij U-zelf aan mij geven? Wilt gij de reis met mij maken? Zullen wij te zamen en elkaar trouw blijven heel ons leven lang?

UIT: OVER NAAR BROOKLYN MET DE VEERBOOT

1.

Vloedstroom daar omlaag! Ik zie U van aangezicht tot aangezicht! Wolken ten Westerhemel--gij daar, zon, ter halfuurshoogte--ook U zie ik van aangezicht tot aangezicht.

Menigten mannen en vrouwen in uw dagelijksch kleed, hoe belangwekkend vind ik U! De honderden en honderden die op de veerbooten naar Brooklyn oversteken om huiswaarts te keeren vind ik belangwekkender dan zij kunnen denken, En gij allen die van oever tot oever zult oversteken in volgende tijden, gij zijt mij meer, gij hebt grooter deel in mijn gepeins dan gij kunt denken.

2.

Tijd noch plaats doet zich gelden--afstand geldt niet, Ik ben met U, gij mannen en vrouwen van de volgende generatie of van alle volgende generatiën, Juist wat gij gevoelt wanneer gij rivier en hemel gadeslaat, gevoelde ik, Juist zooals ieder uwer een mensch in een menigte menschen is, was ik een mensch in een menigte menschen, Juist zooals gij U verkwikt gevoelt door het blijde leven van de rivier en den schittervloed, gevoelde ik mij verkwikt, Juist zooals gij staat te leunen over de borstwering en toch voortsnelt met den haastigen vloed, stond ik en snelde voort, Juist zooals gij ziet naar de tallooze scheepsmasten en de dikstammige schoorsteenen der booten, zag ik. Ook ik menig en menig keer stak de aloude rivier over, Sloeg de Twaalfde-maands zeemeeuwen gade, zag hen hoog in de lucht drijven met beweginglooze vleugelen en wiegelende lichamen, Zag hoe het glinstergeel lichtte op een deel hunner lichamen, terwijl het overige in zwarte schaduw bleef, Zag ze in langzaam beschreven cirkels zachtkens in het Zuiden dalen, Zag den weerschijn van zomerlicht in het water, Werd verblind soms door den glinsterenden zonnestroom, Keek naar de fijn uitsprankelende lichtspaken om de weerspiegeling van mijn hoofd in het zonneweerkaatsende water, Keek naar den nevel over den rug der heuvels Zuidwaarts en Zuidwestwaarts, Keek naar den stoomdamp in dikke violetgetinte vachten heendrijvende, Keek in de richting van den beneden-baaij om de aankomst der schepen te zien, Zag ze naderen, zag aan boord hen die mij na waren, Zag de witte zeilen der schoeners, zag de sloepen, zag de schepen voor anker, De matrozen aan hun werk in het want of schrijlings op de sparren, De ronde masten, de schommelende beweging van de kielen, de ranke, kronkelende wimpels, De groote en kleine stoomers in vaart, de loodsen en de loodshuizen, Het witte zog in de vaart achtergelaten, de snelle, sidderende wenteling der raderen, De vlaggen aller natiën en hoe zij bij zonsondergang gestreken werden, De uitgeschulpte golven in den schemer, het scheppen der raderborden, het dartelende, glinsterende gekuif, Het verre verschiet dat steeds neveliger werd, de grauwe muren van de steenen pakhuizen der dokken, Op de rivier het schemerachtig beweeg, de zware stoomsleepers dicht naast elkaar aan weerskanten bij de sloepen, de hooischepen, de door den nacht verraste lichters, Aan den naderenden oever de vuren der gieterij-schoorsteenen hoog op en helder vlammend in den nacht, En hun flikkering van zwart en bloedrood en geel licht werpende over de daken der huizen en omlaag in de straatspleten.

3.

Wat is de som der tientallen en honderdtallen jaren, die ons scheiden?

Wat het zij, het geldt niet, afstand noch tijd geldt. Ook ik leefde eens, het Brooklyn der breede heuvelen was mijn Brooklyn, Ook ik liep in de straten van Manhattan-eiland en baadde in de wateren die het omspoelen, Ook ik voelde die vreemde plotselinge vragen mijn binnenste bewegen, Op den dag midden in de menigte kwamen zij in mij op, Als ik in den laten nacht huiswaarts ging, of in bed, kwamen zij in mij op, Ook ik dobberde in den stroom der eeuwig onopgeloste raadselen, Ook ik had de identiteit mijns lijfs ontvangen, Wat ik was wist ik was mijns lijfs en wat ik zou worden wist ik, zou ik worden door het lijf.

4.

Niet enkel over U vallen schaduwen, Over mij ook zijn schaduwen gegaan, Het beste wat ik gedaan had leek mij ijdel en verdacht, Waren mijne gedachten die ik zoo verheven waande niet in waarheid zeer onbeduidend? Evenmin zijt gij 't alleen die weet wat het is slecht te zijn, Ook ik wist, wat het is slecht te zijn, Ook ik verwarde mij in den eeuwigen knoop van tegenstrijdigheid, Leuterde, gevoelde schaamte, berouw, wangunst, ik loog en stal, Was valsch, toornig, geil, had begeerten die ik zelfs niet durfde uitspreken, Was grillig, ijdel, gulzig, bekrompen, sluw, lafhartig, boosaardig, De wolf, de slang, het zwijn leefden in mij, De steelsche blik, het ijdele woord, de overspelige wensch leefde in mij, Weigering, haat, uitstel, laagheid, luiheid, dit alles ontbrak mij niet, Ik was een met de anderen, was een met het leven en de gebeurlijkheid van anderen, Ik werd bij mijn streelnaam toegeroepen door heldere, luide stemmen van jonge mannen als zij mij zagen naderen of voorbijgaan, Voelde hun arm om mijn nek als ik stond, of het achteloos leunen van hun lichaam tegen het mijne als ik zat, Zag velen die ik liefhad in de straten of op de veerbooten of in openbare bijeenkomsten en sprak hun toch met geen woord van die liefde, Leefde hetzelfde leven der anderen, hetzelfde oude, lachende, knagende, slapende leven, Speelde de rol die altijd den speler of de speelster zal blijven nastaren, Altijd dezelfde oude rol, de rol die is wat wij er van maken, zoo groot als wij wenschen, Of zoo klein als wij wenschen, of beiden groot en klein tegelijk.

5.

O, wat kan mij ooit luistervoller en schooner zijn dan het mastomboorde Manhattan? Rivier en zonsondergang en geschulpte golven van den vloedstroom? De zeemeeuwen en hunne wiegelende lichamen, het hooischip in den schemer en den lichter in den nacht? Wat zijn heerlijker goden dan die mij de hand drukken en mij met stemmen, lieflijk voor mijne ooren, luide en krachtig bij mijn streelnaam toeroepen als ik voorbijga? Wat is teerder dan wat mij verbindt aan de vrouw of den man die mij nu aanziet? En mij nu met U vereenigt en mijn ziel in de uwe doet leven?

Want wij begrijpen elkander, doen we niet? Wat ik U beloofde zonder het te noemen, hebt gij dat niet aanvaard? Wat de geleerdheid niet kan onderwijzen--wat het sermoen niet kan vervullen, is nu vervuld, niet waar?

6.

Stroom voort, rivier! Zwel aan met den vloed, neem af met de ebbe! Dartelt voort, gekuifde en geschulpte golven! Heerlijke wolken van zonsondergang! doordringt mij van uw pracht, of de mannen en vrouwen van alle volgende generatiën! Steekt over van oever tot oever, ontelbare menigten passagiers! Verheft U, hooge masten van Manhattan! Verheft U, schoone heuvelen van Brooklyn! Klop, bedrogen en wonderlijk brein! Werp uw vragen en antwoorden uit! Sleurt hier en overal met U voort, stroom van eeuwig onopgeloste raadselen, Staart oogen van dorstende liefde, staart in huis of op straat of in de openbare bijeenkomst! Klinkt op, stemmen van jonge mannen! roept mij luide en welklinkend bij mijn speelnaam! Leef, oud leven! Speel de rol die hem of haar die speelt eeuwig achterna staart, Speel de oude rol, de rol die groot is of klein, naar men haar maken wil. Bedenk wel, gij die mij leest, of ik U niet onzichtbaar aanzie; Zij sterk, borstwering boven het water, steun hen die achteloos tegen U aanleunen en zich toch met den stroom meehaasten; Vliegt voort, zeevogels! Vliegt op uwe zijde of wentelt in wijde cirkels hoog in de lucht; Weerkaats den zomerhemel, gij water en bewaart hem tot aller neerziende oogen tijd hebben gehad U te zien, Sprankelt uit fijne zonnelichtspaken om de weerspiegeling in het zonbeschenen water van mijn hoofd of ieders hoofd! Nadert schepen in den beneden-baaij! Vaart op en af witbezeilde schoeners, sleepen, lichters! Praalt uit, aller natiën vlaggen! Wordt naar behooren gestreken bij zonsondergang! Brandt uwe vuren hoog op, gij gieterij-schoorsteenen! Werpt zwarte schaduwen in het vallen van den avond, werpt rood en geel licht over de daken der huizen! Verschijnselen bewijst nu of in de toekomst wat gij zijt, Gij noodzakelijke nevel omhul de ziel, Voor mij om mijn lijf, voor U om uw lijf, geuren de goddelijkste aroma's, Gedijt steden--brengt uwe ladingen, brengt uwe fiere schouwspelen, breede en genoegzame wateren, Bloei op, Wezen dat misschien meer ziel heeft dan al wat leeft, Behoudt uwe plaatsen, dingen, duurzamer dan al het andere.

Gij hebt gewacht, gij wacht altijd, stomme heerlijke getuigers, Wij nemen U gretig in ons op en toch blijven wij steeds onverzadigd, Zoo abel zijt gij niet, dat gij ons kunt teleurstellen of U-zelven buiten ons bereik houden, Wij nemen U in ons op en verwerpen U niet--wij bevestigen U voor altijd in ons hart, Wij vademen U niet--wij hebben U lief--ook in U is volmaaktheid, Gij zijt ook een deel der eeuwigheid, Groot of klein, gij zijt een deel van de ziel.

UIT: LIED VAN DE BREEDE BIJL

Kracht, beleid en moed, dat is het hoogste! Wat het leven sterkt, sterkt tevens den dood, En de dooden zijn in de processie des levens even goed als de levenden zelf, En de zekerheid der toekomst staat even rotsvast als die van het heden, Want de teelkracht der aarde en der menschheid is hetzelfde als de ziel der aarde en der menschheid, En niets is blijvender dan de kracht die een man stempelt tot man.

Wat, denkt gij, is blijvend? Denkt gij, dat een groote stad blijvend is? Of een staat, waarin de nijverheid bloeit? Of een weldoorwrochte constitutie? of de best-gebouwde stoomschepen? Of huizen van graniet en ijzer? Of chef-d'oeuvres van werktuigkunde, vestingbouw, verdediging?

Weg er mede! Dit alles leeft geen eigen leven, dat tot liefhebben bezielt. O zeker, zij vervullen hun uur, alzoo ook dansen de dansers en pijpen de pijpers voor hen, Hun schoonheid gaat voorbij, zij doen wat zij moeten doen, Dit alles doet wat het moet doen tot het door een enkel woord der Godheid in het namelooze wordt weggeslingerd.

Dàt is de groote stad die de verhevenste mannen en vrouwen bezit, Misschien bestaat zij uit wat vervallen hutten, toch is zij de grootste stad van heel de wereld.

Een groote stad is niet allereerst de plaats van groote werven, dokken, fabrieken, opslagen, Noch de plaats van den altijd-vernieuwden groet van baren of van hen die het anker lichten voor het vertrek, Noch de plaats van de hoogste en kostbaarste gebouwen of winkels waarin goederen van heel de aarde worden verkocht, Noch de plaats waar de beste bibliotheken en scholen te vinden zijn, noch de plaats waar geld 't overvloedigst is, Noch de plaats met de talrijkste bevolking.

De stad van redenaars en barden, die in natuur en arbeid ziel en lichaam gestaald hebben, De stad die dezen liefheeft en verstaat en door dezen wederkeerig wordt geliefd, Waar de nagedachtenis der helden wordt gehuldigd door het gewone woord en de gewone daad en niet door monumenten op de pleinen, Waar geestdrift en beleid ieder zijn tijd en gelegenheid vindt, Waar de mannen en vrouwen lichtelijk denken over geschreven wetten, Waar niemand een slaaf is en niemand een meester van slaven, Waar de bevolking als een man op staat tegen de onbeperkte vermetelheid van lieden die enkel kracht vinden in den volkswil. Waar mannen en vrouwen wild van verontwaardiging opstorten, zooals, op 't gefluit van den dood, de zee zwiepende en rijtende baren opstort, Waar de achtbaarheid van het kleed altijd achterstaat bij de achtbaarheid van het hart, Waar de burger steeds hoofd en ideaal is, en de President, Mayor, gouverneur, en wie meer, betaalde dienaren, Waar den kinderen wordt onderwezen, dat zij de hoogste wetten in de ziel vinden en naar dezen behooren te leven, Waar in handel en wandel een volkomen eerlijkheid wordt toegepast, Waar de bespiegeling van het ongeziene wordt aangemoedigd, Waar vrouwen in optochten door de straten trekken naast de mannen, Waar zij in openbare bijeenkomsten plaats nemen naast de mannen; De stad van de trouwste vrienden, De Stad! De stad van het reine omgaan der seksen, De Stad! De stad van de gezondste vaders, De Stad! De stad van de best-belichaamde moeders, De Stad!, Dàt is de groote stad, dàt is De Stad!

UIT: HET TENTOONSTELLINGSLIED

1.

(Ach, weinig bevroedt de arbeider, Hoe na zijn arbeid hem brengt tot God, Den liefdevollen arbeider van het Al en het Eeuwig).

Niet enkel om uit het niet op te roepen, noch enkel om te stichten, Maar wellicht om aan het verre te ontleenen wat reeds goed gesticht is, En om er dan uw eigen karakter aan te geven, bezield en vrij, Om van de ruwe en trage oerkrachten der natuur brandstoffen te maken voor het levensvuur der religie, Om minder af te wijzen en te vernietigen dan te aanvaarden, te vereenigen, te verheffen, Om te gehoorzamen zoo goed als te bevelen, meer te volgen dan voor te gaan, Ook dit alles leert ten slotte onze nieuwe wereld ons, De nieuwe wereld, maar hoe weinig nieuw inderdaad, hoezeer de oude, oude wereld!

Lang, zeer lang groeide het gras, Lang, zeer lang daalde de regen neder, Lang, zeer lang rolde de aardkloot om zijn as.

2.

Kom, Muze, keer Griekenland en Ionië den rug toe, Sla het boek dier onmetelijk overschatte gloriën dicht, Dat verhaal van Troye en van Achilles' toorn en van Aeneas', Odysseus' zwerftochten, Schrijf "Verhuisd" en "Te huur" op de rotsen van uw sneeuwbekruinden Parnassus, Doe dit ook te Jeruzalem, stel die kennisgeving hoog op de poorten van Jaffa, en op den Moriah-berg, En hoog op de muren van uwe Duitsche, Fransche en Spaansche burgten, uwe Italiaansche paleizen, Want een beter, vruchtbaarder, wijder levenskring, een onafzienbaar, ongeploegd arbeidsveld wacht en roept U.

3.

Zij hoort en geeft aan onze roepstem gehoor, Of liever, zij volgt haar langgekoesterd begeeren, Zij komt door onweerstaanbare natuurlijke neiging gedreven! Ik hoor het ruischen van haar gewaad, Ik neem de ziel in mij op van haars adems lieflijken geur, Ik zie haar godinne-tred, haar wonderbaar oogenbeweeg, Als zij ommegaat en dit heerlijke schouwspel in 't rond ziet.

Zij, de edelvrouw der edelvrouwen! Kan ik dan gelooven wat ik zie? Kon geen dier antieke tempels, geen dier klassieke beeldgehouwen haar langer bekoren? Konden de schimmen van Vergilius en Dante, noch de myriaden heldenfamen, heldendichten, heldendaden haar langer bezielen en boeien? Heeft zij allen verlaten om tot ons te komen?

Ja, indien het niet te stout een beweren is, vrienden, Ik, zoo gij haar nog in het verleden waant, ik zie haar in het heden en in ons midden; Vindt zij in ons heden niet alles wat haar het verleden schonk en beter nog? Vindt zij ook niet hier de onsterflijke ziel der aarde en de bezielende kracht van de daad, van de schoonheid, van den heldenmoed? Wat haar vroeger bekoorde leeft niet meer, wat haar vroeger bezielde bezielt haar niet meer, De heldendaden van het heden en de scheppingen van het heden doen die van 't verleden vergeten, Niet meer klinkt haar stem, verstorven in de tijden, aan de bronnen van Castalië, Zwijgend zijn de gebroken lippen der Egyptische sphinxen, zwijgend al die pyramiden-graven die den tijd trotseerden, Voor altijd uit: het epos van Azië's en Europa's gehelmde krijgers, de wilde roep der muzen zwijgt, Zwijgt! Voor altijd de roepstem van Calliope! Dood! Clio, Melpomene, Thalia! Stil nu, de plechtige rhytmen van Una en Oriana, niemand nu zoekt meer den Heiligen Graal, Jeruzalem, een handvol koude asch in de winden geworpen, De middernacht-duistere heiren der kruisvaarders verdwenen voor het licht van den morgenstond, Amadis, Tancred namen slechts, Charlemagne, Roelant, Olivier namen slechts, Palmerijn en de bietebouw vergeten, verdwenen het torengespiegel in de wateren der Usk, Dood koning Arthur en zijne ridders, Merlijn en Lancelot en Galahad heengegaan, weggetrokken allen als de ademwas op glimmend staal, Dood! Dood! Voor ons en voor alle tijden dood, die eenmaal zoo machtige wereld, die nu ledige, onbezielde schimmenwereld, Die gulden, verblindende wonderwereld met al hare heerlijke legenden en mythen, Hare koningen en fiere kasteelen, hare priesters en strijdvaardige ridders en schoone riddervrouwen, Dood, de lijken in de wade, in de rusting, gedekt door de kroon, bijgezet in het knekelgewelf. Toen, in zijn koninklijke dicht, schalde Shakespeare hun dood uit met de klaroen der eeuwen, En heeft Tennyson's liefelijk, droevig rijm den lijkzang gezongen.

Ik zeg, vrienden, ik, zooal gij niet, zie de verheven zoekster, ('t is waar, hoewel altijd dezelfde, sinds dien veel veranderd op haar reis door eeuwen en landen,) En, bezield als ooit, streeft zij er naar ons te vinden, met kracht haar weg banende dwars door de warreling heen, Niet afgeschrikt door het gegons der machines en de schrille stoomfluit, Vindt zij draineer-pijpen, gazometers en fertilisators niet beneden haar aandacht, Glimlachend, bekoord, blijkbaar besloten bij ons te blijven, Daar is zij! onze moeder, onze vrouw, onze zuster, en bereidt ons middagmaal!

4.

Maar hoe? Weet ik niet langer hoe 't behoort? Ik leid de gast, O Columbia, uw huis binnen; (en wat anders zou dan mijn levensdoel en dezer zangen doel zijn?) In naam der vrijheid een onsterflijk Welkom! Laat ons juichen dat Europa tot ons komt! En in het altijd en eeuwig der toekomst zijt beiden mijne lieve zusters, oude en nieuwe wereld.

Vrees niet, Muze! Een echt nieuw leven en een echte nieuwe tijd ontvangen U en zullen U bezielen, Ik beken u oprecht, mijn volk is een vreemd, een wonderlijk volk, het doet zijn eigen nieuwe doen, Toch vindt gij er dezelfde oude menschheid in, dezelfde van binnen en van buiten, Dezelfde gezichten en harten, hetzelfde gevoel, hetzelfde smachten naar het onbereikbare, Dezelfde oude liefde, oude schoonheid, hetzelfde oude leven.

