Chapter 7
Zijne onderdanen waren echter lang niet gesticht over al de nieuwigheden, die hun vorst invoerde, en zij haatten de vreemdelingen, die door hem in het land geroepen waren en met weldaden werden overladen. Met leede oogen zagen zij het aan, hoe die vreemde mannen tot de hoogste waardigheden klommen. In hun oog waren die vreemdelingen immers verre hunne minderen? Waren zij, de Russen, dan niet, volgens de leeringen hunner priesters, het uitverkoren volk Gods en moesten zij nu die indringers boven zich gesteld zien? Dat was niet om te dulden, en een geest van ontevredenheid en verzet maakte zich van hen meester. Vooral de Strelitzen, die tot dusver de meening hadden gekoesterd, dat de heerschappij van den Czaar alleen afhankelijk was van hun trouw, waren ontevreden over de oprichting der poteschnie. Door deze nieuwe regimenten was de Czaar van hen geheel onafhankelijk geworden.
Ook de edelen waren ontevreden. Zij toch waren het voornamelijk, die de kosten moesten dragen voor het bouwen van de nieuwe oorlogsvloot, en dat beviel hun in het geheel niet. 't Werd nog erger, toen de Czaar hun meêdeelde, dat het zijn voornemen was, eene reis naar het buitenland te doen, en dat hunne zonen hem op dien tocht moesten volgen, om met de Europeesche beschaving kennis te maken. Zij moesten daar den scheepsbouw leeren, en de zeden dier volken, hunne wetten en instellingen bestudeeren.
Eindelijk besloten eenige ontevredenen, den Czaar te vermoorden. Zij kenden zijne gewoonte, om als er brand in Moskou ontstond, dadelijk naar de plaats des onheils te snellen, en zelf bij het blusschingswerk de behulpzame hand te bieden. Zij spraken daarom af, in den nacht van den 2en Februari 1907 twee huizen in brand te steken, en van de verwarring gebruik te maken, om den Czaar te dooden.
Om de laatste afspraken te maken, kwamen zij op den bepaalden dag bij den staatsraad Sokownin ter maaltijd bijeen, waar zij den nacht zouden afwachten. Volgens Russische gewoonte lieten zij de flesch weinig met rust.
Zoo werd het acht uur. Maar toen werd het twee der samenzweerders te benauwd. Een hevige angst overviel hen, en hun geweten klaagde hen luide aan. In het geheim deelden zij elkander mede, wat hun bezwaarde, en zij besloten zich, onder een of ander voorwendsel, te verwijderen en den Czaar te waarschuwen. Zij stelden daarom voor het drinken te staken en naar huis te gaan. Tegen middernacht zouden zij dan allen terugkomen en den beraamden aanslag uitvoeren. De anderen hadden geen lust om te vertrekken, maar zij gaven hun verlof heen te gaan, mits zij de stellige belofte aflegden, op den vastgestelden tijd terug te komen.
IJlings begaven zich de twee officieren naar den Czaar, die zich in een vroolijk gezelschap van dames en officieren bevond ten huize van Lefort, waar hij den avondmaaltijd zou gebruiken.
Hij had eerst in het geheel geen lust, de beide officieren te ontvangen, die hem om een geheim onderhoud lieten verzoeken. Maar op hun aanhouden gaf hij toe. Zoo vernam hij tot in bijzonderheden, wat er gebeuren zou. Hij liet de beide officieren gevangen houden, en gaf den hoofdman zijner garde, Lapuchin, schriftelijk bevel, om in alle stilte tegen elf uur het huis van den staatsraad Sokownin met zijne soldaten te omsingelen, precies op klokslag het gebouw te bezetten en allen gevangen te nemen, die daar aanwezig zouden zijn.
De Czaar begaf zich onder de gasten, zonder iets te zeggen van hetgeen er gaande was. Hij had zich voorgenomen, bij de gevangenneming aanwezig te zijn, maar hij vergiste zich in het uur. In plaats van om elf, ging hij om tien uur per rijtuig naar het huis van den staatsraad en trad binnen. Het verwonderde hem niet weinig, daar nog geen enkelen soldaat aan te treffen, en hij was zeer verbolgen op den hoofdman, die zijne bevelen, naar hij meende, zoo slecht nakwam.
Wie beschrijft de verwondering der samenzweerders, toen de Czaar daar plotseling in hun gezelschap verscheen. Verschrikt en ontsteld stonden zij op en brachten hem eerbiedig hun groet.
"Goeden avond, heeren," riep de Czaar hun toe. "Gaat zitten. Ik kwam hier toevallig langs, en daar ik nog licht binnen zag, dacht ik, dat hier wellicht gasten zouden zijn. Daarom besloot ik, ook even een bezoek te brengen."
Deze woorden stelden de samenzweerders gerust, en zij dronken op de gezondheid van den Czaar.
Eindelijk begaf zich een der officieren naar den staatsraad, en fluisterde hem in het oor:
"Het is tijd!"
Maar de staatsraad antwoordde: "Nog niet."
Hij had zacht gesproken, maar niet zoo zacht, of de Czaar, die op zijne hoede was, had hem verstaan. Hij sprong eensklaps op, gaf met zijne vuist een geweldigen slag op de tafel, en bulderde hun toe:
"Is het nog geen tijd voor u, dan is het tijd voor mij! Op, bindt elkander de handen!"
De Czaar zag er bij die woorden zoo vreeselijk uit, dat den samenzweerders alle moed ontzonk. Niemand durfde zich zelfs maar bewegen.
"Bindt elkander!" bulderde de Czaar hun nogmaals toe.
En de verbijsterde mannen gehoorzaamden.
Op hetzelfde oogenblik trad de hoofdman met zijne soldaten binnen. Buiten sloeg de klok elf uur.
De Czaar ontving hem met een vuistslag in het gelaat, nog steeds in de meening, dat de hoofdman zijn bevel niet stipt had uitgevoerd, maar toen de verschrikte man het schriftelijk bevel aan den Czaar toonde, had deze dadelijk berouw van zijne daad. Peter kuste hem op het voorhoofd en verklaarde, dat hij een wakker officier was, die zijn plicht gedaan had. Toen beval hij hem, de samenzweerders gevangen te nemen en naar de gevangenis te voeren. Zij werden wreed gestraft en eindelijk onthoofd.
Vier dagen later ondernam hij zijne buitenlandsche reis. Het hoofd van het gezantschap was Lefort, want de Czaar wilde niet als vorst, maar als bijzonder persoon ontvangen worden. Zijne bedoeling was verschillende vorsten te bezoeken, maar bovenal een schat van kennis op te doen, om dien later ten bate van zijn volk te kunnen gebruiken.
Lefort heette dus het hoofd van het gezantschap, en de Czaar behoorde tot zijn gevolg. Hij noemde zich Peter Michaëlow, opperkommandeur. 't Was een groot gezelschap, dat zich in den vreemde begaf, bestaande uit niet minder dan 270 personen, waaronder niet alleen vele jongelieden uit de aanzienlijkste geslachten, maar ook officieren, ambtenaars, soldaten en bedienden,--ja zelfs potsenmakers en dwergen.
Het voornaamste doel van de reis was, een bezoek te brengen aan Nederland, en wel in het bijzonder aan Zaandam, dat in dien tijd om zijn scheepsbouw tot ver in het buitenland beroemd was.
In den vroegen morgen van den 18en Augustus 1697 voer een schip van eenigszins vreemden vorm de Zaan op, waar het al spoedig de aandacht trok van een eenvoudigen smid, Gerrit Kist geheeten, die bezig was met poeren. Kist was vroeger in Rusland geweest, waar hij als smid in dienst van den Czaar had gewerkt.
't Was dan ook niet alleen de vreemde vorm van het vaartuig, die zijne aandacht trok, maar ook de mannen, die er zich op bevonden, wekten zijne belangstelling. Hij herkende dadelijk de Russische uniformen, wat hem op de gedachte bracht, dat ongetwijfeld het Russische gezantschap in aantocht was. Hij wist, dat dit komen zou, maar dat de Czaar zelf zich als een gewoon hoveling daarbij aangesloten had, was hem onbekend.
Wie beschrijft dus zijne verbazing, toen hij zich door een der opvarenden hoorde toeroepen:
"Smid!--Smid!--Kom bij ons!"
En zijne verbazing nam nog toe, toen hij in den man, die hem riep, den Czaar herkende. Dadelijk roeide hij naar het vaartuig en klom aan boord. De Czaar trad op hem toe, en zei:
"Smid, ik ben Pieter Michaëlow en kom hier, om het scheepstimmeren te leeren. Ik zal bij u mijn intrek nemen."
Kist verkeerde in de grootste verwarring. Hij wist niet, wat hij zeggen moest, en stamelde zoo iets van niet ruim genoeg behuisd te zijn voor een Czaar....
Maar de Czaar stampvoette van boosheid, en zei nadrukkelijk:
"Hier is geen Czaar, hier is alleen Pieter Michaëlow, die het scheepstimmeren komt leeren. Ik bèn geen Czaar, en wil niet zoo genoemd worden. En uw huis is groot genoeg. Met eene kleine kamer ben ik tevreden."
Kist miste den moed, om den Czaar langer te wederstreven. Hij keerde naar den wal terug, en spoedde zich naar zijne nederige woning, om het groote nieuws aan zijne vrouw mede te deelen. Zijn huis bestond uit slechts twee kamertjes, waarvan het achterste bewoond werd door een weduwe, Mary Freeriks geheeten. Deze liet zich voor eene goede som overhalen, op staanden voet met pak en zak naar een andere woning te verhuizen.
Intusschen was het vreemde vaartuig den Dam genaderd, waar al verscheidene menschen stonden te kijken naar het vreemde vaartuig en de sierlijk gekleede bemanning. De Czaar, in een eenvoudig rood wambuis gekleed, zooals de Hollandsche werklieden toen gewoon waren te dragen, sprong met een touw in de hand aan wal, en legde het vaartuig vast. Dat er zooveel menschen stonden, beviel hem in het geheel niet. Hij keek erg boos, en werkte geducht met zijne ellebogen, als ze hem in den weg stonden.
Het deftige gezantschap begaf zich aan wal en baande zich met moeite een weg door de omstanders, die gedurig talrijker werden.
De Czaar was woedend op de nieuwsgierige Zaankanters, en stapte, door de andere heeren gevolgd, eene herberg binnen. Daar wachtte hij de komst van Kist af, die hem naar zijne woning zou brengen. Maar het publiek verdrong zich voor de ramen van "De drie Zwanen", zoo heette de herberg, en keek nieuwsgierig naar binnen.
Eindelijk trad een der heeren naar buiten, en riep het volk toe:
"Waarom zoo nieuwsgierig, mannen? Wij zijn gewone handwerkslieden, en komen hier, om het scheepstimmeren te leeren. Gaat naar huis, er is hier niets bijzonders voor u te zien."
Maar het volk geloofde hem niet, en lachte hem uit.
Sommigen van hen traden de gelagkamer binnen en eischten bier, doch inderdaad was het hun slechts te doen, om de vreemde menschen te zien.
De Czaar was hevig verbolgen, en liet zich door den kastelein een vrije kamer geven. Daar kwam Kist hem eindelijk afhalen, om hem naar zijn huis te geleiden. De Czaar beval zijne volgelingen, hier of daar een onderkomen te zoeken, en verliet met Kist de herberg, om zich naar het eenvoudige huisje op het Krimp te begeven.
Den volgenden dag begaf de Czaar zich naar den scheepsbouwmeester Lijnst Teeuwisz Rogge, aan den Hoogendijk, en werd door dezen als gewoon werkman op de scheepswerf aangenomen. En hij ging dadelijk aan den arbeid. Lustig en zonder een woord te spreken, hanteerde hij hamer en beitel. Ook de heeren van zijn gevolg moesten een baas zoeken en een handwerk leeren.
Om twaalf uur verliet Czaar Peter, evenals de andere werklieden, die naar huis gingen om te schaften, de werf. Maar zelf gunde hij zich daartoe den tijd niet; hij begaf zich op weg om de vrouwen te bezoeken van de handwerkslieden, die in Rusland werkzaam waren. Hij bracht haar hunne groeten over en deelde haar alles omtrent hen mede, wat zij graag weten wilden.
Niemand van die eenvoudige vrouwtjes vermoedde, dat deze vriendelijke boodschapper de Czaar zelf was. Bij een van haar gebruikte hij het middagmaal.
Menigeen in Zaandam vermoedde wel zijn hoogen staat, en als hij zich op straat begaf, werd hij wel met de meeste belangstelling aangestaard, maar niemand kon toch met zekerheid zeggen, dat hij de Czaar was. Onophoudelijk was hij in de weer, om zijn kennis uit te breiden en alles, wat hem belangwekkend toescheen, te bekijken en te bestudeeren. Zoo bezocht hij verschillende scheepstimmerwerven, olie-, houtzaag- en papiermolens, lijnbanen, ankersmederijen, zeilmakerijen, ijzer- en kompaswinkels. Overal gaf hij blijken van eene zeldzame weetgierigheid, en was hij onuitputtelijk in het doen van vragen, veel meer, dan men kon beantwoorden. Bijzonder werd zijne aandacht getrokken door het doen stilstaan der molens door middel van den vang. In een papiermolen vroeg hij, waarom men den vang, als de molen stilstond, weer een weinig oplichtte. In den molen "de Kok", waar men bezig was met het scheppen van papier, nam hij den schepper over en schepte zulk een volmaakt blad papier, dat niemand het hem had kunnen verbeteren. Zelf was hij er zoo verheugd over, dat hij den knecht een rijksdaalder gaf, eene groote fooi voor den Czaar, want hij was zuinig van aard.
Intusschen werd het vermoeden met den dag stelliger, dat Pieter Timmerman, zooals hij genoemd werd, niemand anders was dan de Czaar, en zelfs van de omliggende dorpen kwam men naar Zaandam, om hem te zien. Dat was hem in het geheel niet naar den zin, want hij wilde 't liefst onopgemerkt blijven en voor een gewonen timmermansknecht doorgaan.
Op een middag had hij pruimen gekocht. Hij had ze in zijn hoed laten doen, en liep er op straat van te eten. Al spoedig had hij een drom van Zaansche jongens om hem heen, die hem om een pruim vroegen. Sommigen kregen er een, maar anderen gooide hij met de pitten. 't Werd al spoedig een standje. De jongens gooiden hem met de pitten terug, de Czaar werd boos, grooteren bemoeiden zich met de ruzie, en eindelijk zag hij zich genoodzaakt, zich in eene herberg aan den oploop te onttrekken. Een en ander had tengevolge, dat de omroeper op last van de burgemeesteren bij bekkenslag aan de Zaandammers bekend maakte, dat het verboden was "sommige voorname personen, die vreemdelingen zijn en onbekend willen blijven, te gooien met steenen en vuiligheid, op de hoogste boeten en straffen, daartoe staande."
Nu begreep iedereen, dat de geruchten waarheid bevatten en dat de vreemdeling niemand anders was dan de Czaar. De toevloed van nieuwsgierigen werd zoo groot, dat de toegangen tot het Krimp, waar de Czaar woonde door wachten moesten worden afgezet. Hij begreep zelf ook wel, dat hij zijn waren staat nu niet langer verborgen kon houden.
De voornaamste ingezetenen van Zaandam, o.a. de heeren Calff en Bloem, maakten kennis met hem, en al spoedig schonk hij hun zijn geheele vertrouwen.
Met Bloem maakte hij eens in een boeier een zeiltochtje op de Zaan. De vele molens, die hij zag, wekten terstond zijne aandacht. Hij bracht een bezoek aan een stijfselmakerij en een pelmolen, en toen hij zag, dat men aan den Kalverdijk bezig was een molen te bouwen, kwam de begeerte bij hem op, daar een kijkje te nemen. Men voer er heen, en de Czaar stapte aan wal. Dadelijk nam hij eenig gereedschap ter hand en--werkte ijverig mede. Deze molen, een pelmolen, werd door den eigenaar ter herinnering aan deze gebeurtenis, "de Czaar van Moscoviën" genoemd,--en thans nog is hij aanwezig, maar hij heet nu "de Grootvorst".
Dat zeiltochtje was den Czaar zoo goed bevallen, dat hij dadelijk ook een jacht kocht met al zijn toebehooren. Hij maakte er zelf een nieuwen boegspriet aan, en deed er verscheidene tochtjes mede.
De schepen, die op de werven aan de Binnenzaan gebouwd werden, moesten door middel van den overtoom over den Dam worden gesleept, omdat de sluizen in den Dam veel te smal waren, om zeeschepen door te laten. Dat overbrengen van een schip was altoos een belangwekkend schouwspel, dat vele nieuwsgierigen lokte. Ook tijdens het verblijf van den Czaar zou een schip overgehaald worden, en men had hem uitgenoodigd, daarvan getuige te zijn. Er kwam echter bij deze gelegenheid zooveel volk op de been, dat de Czaar niet te bewegen was, zijn huisje te verlaten. De duizenden, die toegestroomd waren om den Czaar te zien, moesten ongetroost naar huis gaan.
Reeds den volgenden morgen bracht de Czaar zijn plan ten uitvoer. Hij kon in Zaandam niet rustig en ongestoord zijn gang gaan, zooals hij zich dat had voorgesteld. Daarom vertrok hij naar Amsterdam, waar het stadsbestuur hem toestond op de Admiraliteitswerf te arbeiden. Maar nog menigmaal bezocht hij Zaandam, welke plaats hem bijzonder lief was.
Hij bleef in ons land tot den 18 Januari 1698 en vertrok toen naar Engeland. Reeds in Mei d. a. v. kwam hij hier terug om afscheid van zijne vrienden te nemen, en toen vertrok hij naar Rusland. Daar legde hij door zijne uitgebreide kennis den grondslag voor de latere macht van het Russische rijk. Hij was de leermeester van zijn volk en trachtte met alle kracht, waarover hij beschikken kon, zijne onderdanen de zegeningen te brengen van de beschaving, die hij op zijne reis bij andere volken had leeren kennen. Wel stuitte hij op veel tegenwerking en onwil, want zijn volk begreep hem niet, maar hij rustte niet en gaf den moed nooit verloren. Zijn land breidde hij uit tot aan de Oostzee, hij stichtte een oorlogsvloot, verbeterde de rechtspraak, bevorderde het onderwijs, vernietigde de macht van den adel, en beloonde den adel van den arbeid. Eindelijk begon hij aan den bouw van eene nieuwe stad, van St. Petersburg, welke stad, aan zee gelegen, voorbestemd was om de hoofdstad van zijn rijk te worden.
Met groote vreugde begroette hij het eerste koopvaardijschip, dat deze nieuwe plaats aandeed. Hij zelf voer het schip tegemoet, en bood zich aan als loods. Gaarne werd van zijne diensten gebruik gemaakt, maar groot was de verbazing der schepelingen, toen zij 's avonds bij den Czaar op een feest genoodigd, bemerkten, dat de Czaar zelf de loods geweest was.
Waarlijk, van deze krachtige figuur is met recht getuigd:
"Niets was den grooten man te klein."
EEN STOUT STUKJE.
Vijf dagen na de oorlogsverklaring van Frankrijk aan Duitschland, in het jaar 1870, waren nog maar weinig Duitsche troepen aan den linker Rijnoever bijeengekomen, en verkeerde men in het onzekere over de macht, die de Franschen op dat punt hadden samengetrokken. 't Was voor de Duitschers van het grootste belang te weten, of de streek van den Rijn naar de Vogezen nog vrij van vijanden, en tevens of de vijand misschien reeds in aantocht was. Evenzoo was het dringend noodzakelijk zich te vergewissen, of de Franschen, die daar wellicht mochten zijn, bestonden uit voetvolk, ruiterij of artillerie, en hoe groot hun macht ongeveer was. Eindelijk nog wilde men weten, hoe sterk de macht was, waarover de Fransche generaal Mac-Mahon in den Elzas het bevel voerde.
Een dapper officier van den Wurtemburgschen generalen staf, Ferdinand Adolf August Heinrich Graaf von Zeppelin, bood zich aan, een verkenningstocht door het vijandelijk land te ondernemen, welk aanbod werd aangenomen. Men voegde hem de luitenants von Gayling, von Wechmar, Winstoe en von Billiez toe, benevens nog zeven ordonnans-dragonders, allen dappere mannen, die voor geen gevaar terugdeinsden en bereid waren, hun leven voor het heil van het vaderland op te offeren.
In den vroegen morgen van den 24en Juli werden de paarden bestegen en begaf de patrouille zich op weg, om den gevaarvollen tocht te ondernemen. Spoedig bereikten zij de grens bij Lauterburg, en met de grootste koelbloedigheid reden zij deze Fransche stad binnen. In galop renden zij de straten van dit kleine stadje door, nagegaapt door de verraste bevolking, die zich juist kerkwaarts begaf en niet wist, of zij hunne oogen gelooven konden.
Wat? Waagde dat troepje Duitsche soldaten het, door de stad te trekken? Zie, zij keken de Franschen uitdagend aan, en hadden de blanke sabel in de vuist!
De burgers stonden verstomd van schrik, en eer zij zich daarvan hersteld hadden en alarm konden maken, waren de dappere Duitschers de stad reeds door eene andere poort uitgereden en lachten smakelijk om de verbazing der Lauterburgers.
Even voorbij de stad gelukte het hun, een paar telegraafpalen omver te werpen en de draden stuk te snijden. Dat deden zij om den Franschen de gelegenheid tot telegrafeeren te ontnemen, en tevens om er hun eigen veiligheid door te bevorderen.
Zij verlieten den grooten weg door een zijweg in te slaan, en vervolgden met de grootste behoedzaamheid hun tocht. In galop gingen zij verder, tot zij 's middags het dorp Neuweiler bereikten. Daar lichtten zij brutaal de brievenbus, en namen een brievenbesteller, dien zij tegenkwamen, zijne brieven en kranten af. De paarden werden echter vermoeid, want het was een warme dag, en zij hadden nu al vele uren geloopen. Toen zij 's middags om vijf uur het dorp Trimbach bereikten, konden de dieren bijna niet verder, waarom Zeppelin besloot, hier eenigen tijd te rusten. Zij lieten de paarden grazen en drinken, en namen intusschen den omtrek zorgvuldig op. Aan een brandspuithuisje ontdekte Zeppelin een proclamatie van Keizer Napoleon, en hij maakte zich juist gereed deze af te scheuren, toen twee mannen in uniform naderden. 't Waren een gendarme en een lansier, beiden te paard. De eerste had zijn sabel getrokken en de lansier hield ook zijn wapen voor den aanval gereed.
De Duitschers snelden hun bevelhebber te hulp, maar reeds was Zeppelin met het tweetal in een gevecht gewikkeld. De lansier stak zijn lans in Zeppelin's paard, zoodat het doodelijk gewond ter aarde stortte, maar al spoedig ontving hij van Zeppelin een sabelhouw over het hoofd, die hem dwong overhaast de vlucht te nemen. De gendarme werd genoodzaakt zich over te geven. De Duitschers vonden gewichtige papieren bij hem, die zij in beslag namen. Daarna gaven zij hem zijne vrijheid terug, omdat zij geen kans zagen, hem bij zich te houden.
Zij besloten nu zoo spoedig mogelijk deze plaats te verlaten, en daar het paard van Zeppelin den tocht niet kon voortzetten, besteeg deze het ros van den gendarme. 't Was lang zoo'n vlugge looper niet als het gewonde paard, maar Zeppelin had geen keus. Het paard van den lansier was ook buit gemaakt, en werd door een van de dragonders bij den teugel medegenomen.
Zij hadden nog niet lang gereden, toen zij in de verte een twintig Fransche ruiters zagen naderen. Schielijk trokken zij zich achter eenig geboomte terug, in de hoop, dat de vijanden hen niet gezien hadden. Maar voorzichtigheidshalve maakten zij zich toch tot den strijd gereed, vast besloten zich niet dan in den uitersten nood over te geven. Tot hun genoegen bleek het hun echter weldra, dat de Franschen hen inderdaad niet hadden opgemerkt, en zoodra zij uit het gezicht verdwenen waren, werd de tocht met spoed voortgezet. Deze voerde niet altoos over gebaande wegen, en soms hadden de ruiters met groote hindernissen te kampen. 't Gevolg daarvan was, dat het logge paard van Zeppelin bij het springen over eene sloot viel en niet meer verder kon. De graaf besteeg toen het buitgemaakte paard van den lansier, dat niet een van de beste was. Waar zij daartoe in de gelegenheid waren, vernielden zij de telegraafpalen en -draden, en namen alles in beslag, wat van hun gading was. Zoo reden zij voort tot de avond viel. Uitermate vermoeid bereikten zij het Woud van Schönenburg, en Zeppelin besloot, daar te overnachten.
Voor den luitenant von Gayling was de tijd van rusten echter nog niet aangebroken, want Zeppelin droeg hem op, zoo spoedig mogelijk naar het hoofdkwartier terug te keeren en de buitgemaakte papieren aan den generaal te overhandigen. Hij maakte inderhaast een verslag van zijn tocht op, en voegde dat bij de overige bescheiden, die hij aan de zorg van den jongen, maar dapperen luitenant toevertrouwde.
Deze besteeg zijn paard en keerde met twee dragonders naar Karlsruhe terug. Eerst ging alles geruimen tijd goed en ontmoette hij geen enkelen vijand, maar dicht bij Lauterburg kwam hij in eene plaats, die door de Franschen bezet was. De onversaagde ruiter weifelde geen oogenblik. Hij gaf zijn paard de sporen, galoppeerde dwars door de vijanden heen, wien hij een vriendelijk "Bonjour Messieurs!" toeriep, bukte zich diep over den nek van zijn paard om de kogels te ontwijken, die hem over het hoofd vlogen, en was weldra in veiligheid. Om vijf uur 's morgens kwam hij bij de zijnen terug.