Chapter 6
't Ligt niet op onzen weg, hier al die onderzoekingen, hoe belangwekkend ook, te beschrijven. Genoeg zij het te weten, dat het hem gelukte het electrisch licht zoo te volmaken, dat het thans reeds geheele steden verlicht, en dat wij het veilig het licht der toekomst mogen noemen.
De beroemde Edison, die zijn loopbaan eenmaal begon als treinjongen, is thans een van de beroemdste mannen der wereld, en met het volste recht kan van hem getuigd worden, dat hij dit werd door eigen kracht.
EEN NUTTIGE UITVINDING.
Voor een klein huis in een van de nauwste straten van de stad Boston stond, een 70 jaar geleden, een man met de grootste aandacht door een raam te turen. Blijkbaar gebeurde daar iets, dat hem meer dan gewone belangstelling inboezemde, want hij had oog noch oor voor hetgeen er rondom hem gebeurde, maar hield zijn blik onafgebroken op eenzelfde punt in het eenvoudige huisje gericht. 't Is den man aan te zien, dat hij een werkman is, die in behoeftige omstandigheden verkeert, want zijne kleeding is armoedig en zijn geheele uiterlijk verraadt kommer.
Wat mag er toch wel in dat huisje geschieden, dat zoozeer zijne belangstelling boeit?
Och, iets heel eenvoudigs en gewoons. Niets anders, dan een eenvoudige linnenwever, die voor zijn weefstoel gezeten aan den arbeid is, en zijn spoel heen en weder beweegt. En toch is het die eenvoudige arbeid, die zoo bijzonder de aandacht van onzen toeschouwer trekt.
Zijn naam is Elias Howe, en hij is werktuigkundige van beroep. Toen hij, jaren geleden, bij een patroon werkzaam was, zei deze eens:
"Ha, als het eens iemand gelukken mocht, een naaimachine uit te vinden, een toestel, dat licht, vlug en goed werkt, dan was zijn fortuin gemaakt. Ik durf voorspellen, dat hij in korten tijd millionair werd!"
Van dat oogenblik af liet de gedachte hem geen rust, dat hij een naaimachine zou uitvinden, die hem schatrijk zou maken. Maar 't kwam heel anders uit. Zijn gedachten waren niet meer bij zijn werk, en zijn lust daartoe was verdwenen. Hij werd een slecht arbeider, die overal ontslagen werd en eindelijk nergens meer werk kon vinden. En de menschen hielden hem voor niet-toerekenbaar. Zij vonden hem min of meer krankzinnig, en hielden hem meermalen voor den gek. Zijn buren en kennissen lachten om hem, en zijn vrouw was knorrig en boos en schold hem meermalen uit voor een zot, die zijn tijd wel beter kon gebruiken, dan zulk een hersenschim na te jagen. Zij zou het wijzer van hem vinden, als hij het brood voor zich en zijn gezin verdiende, in plaats van altoos te mijmeren over zijn idée om een naaimachine te maken, wat hem toch wel nooit zou gelukken.
Maar hij gaf zijne pogingen niet op. Nacht en dag hielden zijne gedachten zich met dezelfde zaak bezig, en 't was hem ten slotte onmogelijk over iets anders te denken dan over zijne machine.
Zoo ook nu weer voor het raam van den linnenwever. Hij volgde de eentonige beweging van de spoel, en was in diepe gedachten verzonken. Telkens mompelde hij zacht iets voor zich heen. 't Was hem aan te zien, dat zijn geest in heftige beroering was. Zijne handen beefden en zijne oogen schitterden.
"Juist, zoo kan het,--zoo kan het!" mompelde hij snel. "Wanneer die spoel met een naald zoodanig in wisselwerking kan worden gebracht, dat bij iederen gang--heen en terug,--een knoop wordt gelegd, dan--ha, dan was het gevonden.--Maar, dat mòèt kunnen,--dat mòèt kunnen!"
Nog langen tijd bleef hij voor het raam staan turen, tot hij opeens uitriep, zoodat de voorbijgangers het hoorden:
"Ik heb het! Ik heb het!"
De menschen keken hem lachend na, toen hij met driftige schreden de plaats verliet, waar hij zoo langen tijd in gedachten verzonken had gestaan, en zich huiswaarts spoedde.
Maar eerst liep hij een ijzerwinkel binnen, en kocht hij voor zijn laatste geld de grondstoffen, die hij voor het uitwerken van zijn idée meende noodig te hebben.
Toen snelde hij naar huis, zonder op of om te zien. Hij draafde meer, dan hij liep, en menige kennis van hem keek hem òf medelijdend, of spottend na, in de overtuiging, dat het met den ongelukkigen droomer hoe langer hoe meer mis ging. Zij twijfelden er niet aan, of hij zou zijn leven nog in een krankzinnigengesticht eindigen.
Zoodra hij thuis kwam, riep hij zijn vrouw juichend toe:
"Ik heb het gevonden! Ik heb het gevonden!"
"Je bent niet goed!" antwoordde zijn vrouw norsch. "Den heelen dag loop je door de stad te slenteren, je verluiert je tijd, je maakt je laatste geld zoek, en je laat je gezin verhongeren. 't Is eene schande, eene verregaande schande! Werk, zooals het je betaamt en verdien den kost voor je vrouw en kind!"
"Dat zàl ik, dat zal ik!" juichte de man. "En goed ook. Wacht maar, heb nog maar een poosje geduld, dan worden we schatrijk!"
"Doodarm!" viel zijne vrouw in.
"Millionair word ik, wat ìk je zeg!" riep hij zijne vrouw toe. "Wacht maar,--de wereld zal verbaasd staan..."
"En je opsluiten als een gek!"
"Zal verbaasd staan, zeg ik je, en schatrijk worden we," hield Elias vol. Maar hij gunde zich langer geen tijd om er over te praten. Hij begaf zich naar zijne werkplaats en zette zich dadelijk met moed aan den arbeid. O, hij wìst immers, dat hij het geheim eindelijk had ontdekt, hij wist immers, dat de langgezochte machine thans tot stand zou komen! Wat zouden de spotters, die hem een sukkel, een droomer, een gek hadden genoemd, verstomd staan, als hij hun eindelijk zou kunnen toonen, wat hij had gewrocht. Hoe zou hun spot in bewondering veranderen, hoe zouden zij hem zijne schoone uitvinding benijden, en wat nog het mooiste was,--hoe zou hem het geld van alle kanten toestroomen, zoodat hij in korten tijd een van de rijkste menschen van de Vereenigde Staten zou zijn.
Onverdroten arbeidde hij voort, dag aan dag,--maar 't ging lang niet zoo gemakkelijk, als hij zich nog wel had gedacht. Telkens en telkens weer bleek hem, dat zijn werk niet aan zijne verwachting beantwoordde. Wèl had hij het beginsel, waar zijne machine op moest berusten, goed in zijn hoofd en twijfelde hij niet, of ditmaal zou hij slagen, maar--'t werd een gecompliceerde machinerie, en meermalen scheen het hem een onmogelijkheid toe, om alles goed voor elkaar te krijgen. Dan brak het zweet hem uit en voelde hij stekende pijnen in het hoofd, die hem dwongen, om den arbeid eenigen tijd neer te leggen. Maar--hij rustte niet, voordat hij zijn doel bereikt had. Eindelijk--eindelijk dan toch kwam hij er mede gereed, en stond daar zijne machine kant en klaar.
Maar--zou zij werken? Zou zij aan het doel beantwoorden? Zou zij werkelijk een naad tot stand kunnen brengen, die kleine naald, die daar zoo licht en snel op en neder bewoog?
Met bevende hand stak hij een draad door het oog, en legde een stuk doek onder de naald. Toen bracht hij de machine in beweging. Rrrrt! vloog de naald door het goed. Prachtig werkte zijne machine!
Hij nam de lap in de handen,--en o, hij had wel kunnen schreiën van vreugde. De naad was gestikt,--zijne uitvinding was voltooid!
Opgetogen van blijdschap riep hij zijne vrouw bij zich, en toonde haar, wat hij gemaakt had, en toen zij alles had gezien, toen sprongen ook haar de tranen in de oogen, tranen van vreugde niet alleen over de goede dagen, die nu zouden komen, maar ook tranen van berouw over de hardheid, waarmede zij haar man zoo dikwijls had bejegend.
Diep ontroerd beschouwden zij de nieuwe machine als een grooten schat, en de vrouw zeide zacht:
"Dat had ik nooit gedacht! En wat heb ik je dikwijls onrecht aangedaan. O, Elias, vergeef het mij toch. Ik--ik meende, dat je alleen een hersenschim najoeg..."
Haar man sloot haar in zijn armen, en toen de eerste ontroering voorbij was, beraadslaagden zij, wat hun thans te doen stond, om van de uitvinding de gewenschte vruchten te plukken.
"Mijn eerste werk moet thans zijn, aan mijne uitvinding de noodige bekendheid te geven," zei Howe.
"Ja, zeker,--maar hoe moet dat gebeuren?"
"Wel, door middel van de dagbladen natuurlijk. De menschen zullen verstomd staan..."
"Ongetwijfeld,--maar 't zal veel geld kosten, en wie zal ons dat verschaffen? Wij zelf bezitten geen cent in de wereld."
Dat was zoo, en Elias begreep, dat het nog niet eens zoo gemakkelijk zou gaan, om zijne uitvinding wereldkundig te maken.
"Ja, tot wien zal ik mij wenden?" zei Elias peinzend. "De menschen zien mij toch al voor half gek aan, en niemand zal---ha, wacht eens,--mijn oude schoolvriend George Fischer vergat ik. Hij heeft mij nooit bespot en is altoos dezelfde voor mij gebleven. Ik ga hem dadelijk vragen, of hij mij helpen wil."
"Ja, ja, doe dat!" zei zijne vrouw. "Fischer is een braaf man,--als hij helpen kan, zal hij het ook doen."
Howe vertrok, en kwam spoedig terug met de blijde tijding, dat Fischer niet alleen helpen wilde aan het noodige geld, maar dat hij zelfs aangeboden had, het geheele gezin van Howe bij zich in zijn huis op te nemen, tot de betere dagen aangebroken zouden zijn, welk aanbod door Howe met de grootste dankbaarheid was aangenomen.
"God zegene hem!" riep de vrouw uit, en weldra was de verhuizing achter den rug. De arme menschen hadden trouwens niet veel over te dragen. 't Eenige stuk van waarde was eigenlijk alleen de nieuwe naaimachine,--maar die zou dan ook volgens de heilige overtuiging van den uitvinder millioenen waard blijken.
Fischer, een handelaar in hout en kolen, was van meening, dat Howe zijne uitvinding 't allereerst aan het oordeel van bekwame kleermakers moest onderwerpen, om van hen de noodige getuigschriften te verwerven.
Howe was dat met hem eens. Hij pakte zijne machine in en begaf er zich mede naar den voornaamsten kleedermaker van Boston. Maar deze hoorde hem met ongeduld aan en weigerde zelfs de machine te bekijken.
"Laat dat ding maar ingepakt, vriend. Met zulke dwaasheden bemoei ik mij niet," voegde hij Howe toe, die hem met de grootste verbazing aanhoorde. Wat? Was dàt nu de roem, dien hij gedacht had te zullen inoogsten?
Hij begaf zich naar een tweeden kleedermaker, maar daar verging het hem niet beter.
Een derde lachte hem in zijn gezicht uit, en een vierde zei, dat hij niet goed bij zijn verstand was.
Maar eindelijk was er dan toch een, die van zijne uitvinding de gewenschte notitie nam. Hij liet zelfs de machine werken en bekeek den naad met aandacht. Toen zei hij:
"Goede vriend, ik wil met dat ding niets te maken hebben. Wat moet er wel van onze arbeiders komen, als wij zulke machines in gebruik nemen? Zij zouden er door tot den bedelstaf worden gebracht. Ik raad u aan, zelfs het bestaan van deze machine geheim te houden, want zij zouden in staat zijn, u een ongeluk te bezorgen."
Ten slotte belandde hij in een magazijn van gemaakte kleederen, en de eigenaar daarvan stelde hem voor met bekwame vakmannen een wedstrijd te houden, wie het snelst en het best zou kunnen naaien. Howe nam het voorstel aan en de wedstrijd had werkelijk plaats, waarin Howe eene schitterende overwinning behaalde. De vlugste kleedermaker moest voor de snelheid van de machine zwichten. 't Gevolg er van was, dat de kleermakersgezellen in hevige woede ontstaken en het aan de ergste bedreigingen niet lieten ontbreken. Maar een machine, die wel 700 gulden moest kosten, kocht niemand.
Toen raadde zijn vriend Fischer hem aan:
"Neem een patent op uwe uitvinding, en tracht dat te verkoopen. Er zal wel iemand gevonden worden, die er veel geld voor geven wil."
Howe volgde dien raad, maar de milde kooper bleef uit.
De uitvinder werd er moedeloos onder, wat er niet beter op werd, toen Fischer zich eindelijk genoodzaakt zag, hem zijn woning op te zeggen.
"Beste vriend," zei deze, "ik heb aan de uitvinding nu reeds 5000 dollar opgeofferd,--ik mag mij om uwentwille niet geheel ruïneeren."
Dat was voor Elias Howe en zijn gezin een zware slag. Hij nam, geheel ontmoedigd, zijn intrek bij zijn ouden vader, die dicht bij Boston woonde, en daar stelde Amasa, een jongere broeder, hem voor met de machine naar Engeland te gaan en haar daar te verkoopen.
Dat gebeurde. Amasa vertrok en schreef na eenigen tijd een brief met de tijding, dat William Thomas, een fabrikant van koffers, paraplu's en schoenen in Cheapside, aangeboden had, de machine voor 3000 gulden te koopen, wanneer hem dan tevens het recht gegeven werd een patent op de uitvinding te nemen, geldig voor geheel Engeland. Daarentegen verplichtte hij zich van elke machine, die in Engeland verkocht zou worden, 36 gulden aan den uitvinder te betalen. Elias Howe nam het voorstel aan, met het gevolg, dat William Thomas een zeer rijk man werd, maar dat Elias Howe bijna even arm bleef als vroeger.
Op verzoek van Thomas begaf Howe zich in 1847 met vrouw en kind naar Londen, om nog een paar verbeteringen aan zijne machine aan te brengen. De ondankbare Thomas betaalde hem echter slechts 36 gulden per week en behandelde den uitvinder van de hem rijkmakende machine zoo lomp en uit de hoogte, dat de beide mannen hevigen twist kregen en als vijanden scheidden. Howe was zoo arm, dat hij zijn patent en zijn laatste machine verpanden moest, om het noodige geld voor de terugreis te bekomen.
Armer dan hij ooit geweest was en geheel ontmoedigd, kwam hij in New-York aan, waar hij als gewoon arbeider in een machine-fabriek in dienst trad, om niet van honger om te komen.
Drie jaar later, in 1850, zat Elias Howe 's avonds eens met zijn gezin aan het karige avondmaal, toen de deur geopend werd en zijn vriend Fischer binnentrad, die hartelijk verwelkomd werd. Nauwelijks had deze aan de tafel plaats genomen, of hij zei:
"Ik geloof, Elias, dat je je in 't geheel niet meer bekommert om de prachtige uitvinding, die je eenmaal gedaan hebt!"
"Prachtige uitvinding!" riep Howe schamper uit. "Zeg liever, eene uitvinding, die me de grootste ergernis heeft bezorgd, en me nog armer gemaakt heeft, dan ik al was. Wat bekommer ik mij nog om die ellendige machine!"
"Je hebt ongelijk, beste vriend," sprak Fischer. "Anderen plukken er de vruchten van en worden schatrijk, terwijl jij in armoede je dagen doorbrengt."
"Wat wou je zeggen? Dat anderen er rijk door worden?"
"Zeker. Je naaimachine wordt door anderen, die er niet het minste recht op hebben, nagemaakt en verkocht, en er is groote vraag naar. Een hunner, Singer genaamd, een gewezen tooneelspeler, heeft er eenige verbeteringen aan aangebracht, en verkondigt zelfs, dat hij de uitvinder van de machine is. Hij zorgt er wel voor, dat zijn lof door alle dagbladen wordt rondgebazuind, en hij heeft succes. Van alle kanten stroomen hem de bestellingen toe, zoodat hij in korten tijd schatrijk zal zijn."
Howe keek zijn vriend in de grootste verbazing aan.
"Zeker, 't is zoo," hernam deze. "En nu kom ik je vragen, of je dat alles maar rustig zijn gang zal laten gaan,--of je goedvindt, dat anderen de vruchten plukken van jou schoone uitvinding?"
"Neen, waarlijk niet!" barstte Howe uit. "Als ik maar niet zoo arm was, en wist, wat ik doen moest!"
"Wel, doodeenvoudig, je moet Singer aanklagen, dat hij zich wederrechtelijk van jouw uitvinding heeft meester gemaakt, en de rechtbank vragen, hem dat te verbieden. Een andere weg is er niet."
"Ja,--maar het geld? Dat zal veel geld kosten!" zuchtte Howe.
"Natuurlijk, maar misschien weet ik er wel raad op. Toevallig ken ik een zekeren heer Blisz, een handig advokaat en tevens een rijk man en een menschlievend man, die geen onrecht kan dulden. Mij dunkt, wij moesten hem eens een bezoek brengen."
Dat geschiedde nog dienzelfden avond, en de heer Blisz ontving de beide mannen bijzonder vriendelijk. Hij stelde dadelijk veel belang in de zaak, en zei tot Howe:
"Ik heb indertijd uwe machine gezien en de werking er van bewonderd. Het doet me daarom werkelijk genoegen, dat ge u tot mij wendt om raad, en ik verklaar me bereid, u te helpen. 't Is eene schande, dat Singer zich voor den uitvinder uitgeeft en u daardoor uwe rechtmatige winsten ontroofd. Wees er zeker van, dat het hem spoedig verboden zal worden, daar zal ik wel voor zorgen. Morgen begin ik een proces tegen hem."
"Maar de kosten?" vroeg Howe.
"Die betaal ik!" sprak de menschenvriend. "Heb daarover geen zorgen. Als ik het proces verlies, behoeft ge mij geen cent te betalen, en als ik het win, word ik uw compagnon en zullen wij samen eene fabriek van naaimachines oprichten. Er zullen goede dagen voor u aanbreken!"
Tranen van dankbaarheid vloeiden Howe over de wangen, en ontroerd drukte hij den advokaat de hand.
"Hoeveel geld zou er in de eerste plaats noodig zijn?" vroeg de heer Blisz.
"Honderd dollar, om mijn patent in te lossen, dat ik in Londen heb verpand."
"O, anders niet?" vroeg Blisz lachend. "Niet meer?"
Elias keek zijn vriend Fischer aan, en zei toen:
"Ja,--deze man heeft uit vriendschap voor mij reeds 5000 dollar opgeofferd, en hij is niet rijk..."
"Hij zal ze terugontvangen," sprak de advokaat.
Hij opende eene kast, en betaalde de 5000 dollar aan Fischer terug. Aan Howe gaf hij 100 dollar, om zijn patent in te lossen.
Het proces begon, en werd van beide partijen met groote felheid gevoerd. Soms scheen het, of Singer met vlag en wimpel als overwinnaar uit den strijd te voorschijn zou komen, dan weer twijfelde men niet, of Howe zou de zege behalen. Er werd door de rechtbank een uitgebreid onderzoek ingesteld, waarbij onomstootelijk werd bewezen, dat niet Singer, maar Elias Howe de uitvinder der naaimachine was.
Het einde van het proces was, dat Howe openlijk als de uitvinder erkend werd en dat zijn in 1846 verkregen patent geldig werd verklaard. Alle fabrikanten van naaimachines werden veroordeeld, aan Howe eene schadevergoeding uit te betalen, en zelfs moest hem voor elke machine, die van elders in de Vereenigde Staten werd ingevoerd, de somma van vijf dollar worden uitgekeerd.
Howe werd nu in zeer korten tijd niet alleen een beroemd, maar ook een rijk man. In 1862 stichtte hij te Bridgeport, in Connecticut, een groote fabriek, die nog heden bestaat en dagelijks honderden naaimachines aflevert. Voortdurend wist hij nog verbeteringen aan te brengen, die de bruikbaarheid van zijne uitvinding niet weinig verhoogden. In 1867 verkreeg hij zelfs, bij gelegenheid van eene wereldtentoonstelling te Parijs, het grootkruis van het Legioen van eer. Kort daarop, den 8en October van hetzelfde jaar, overleed hij. Hij heeft dus van zijn roem en van zijn rijkdom maar korten tijd kunnen genieten, doch zijne schoone uitvinding is thans nog duizenden menschen ten zegen. Zijn naam zal ongetwijfeld tot in verre nageslachten met eere worden genoemd.
EEN BUITENGEWOON VORST.
Den 9en September 1689 hield Czaar Peter zijn intocht binnen Moskou. Hij monsterde 18000 Strelitzen en geleidde onder de toejuichingen van het volk zijne moeder en zijne gemalin naar het Kremlin. Jaren van eindeloozen strijd en binnenlandsche twisten waren voorbijgegaan, maar van bovengenoemden datum af was Peter de alleenheerscher der Russen en brak voor Rusland een nieuw tijdperk van ontwikkeling aan.
Czaar Peter was, hoe jong ook, begaafd met groote geestkracht en onvermoeide werkzaamheid. In zijne jeugd had hij ver van het Russische hof, op het schoone landgoed Preobraschenskoi gewoond. Hij was buitengewoon leerzaam van aard. Hij wilde niet alleen alles leeren, alles weten, maar ook alles kunnen. Zijn leermeester Lefort werd later zijn gunsteling en onafscheidelijke metgezel. Hij onderwees Peter in de Nederlandsche taal en in de Duitsche krijgskunst, maar op zijne karaktervorming had hij een ongunstigen invloed. Peter was een echt zoon van het Russische volk, ruw en wreed van aard. De Russen verkeerden toen nog in een staat van barbaarschheid, zooals wij ons dien bijna niet kunnen voorstellen. Zij waren verregaand ruw en wreed, gaven zich veelvuldig aan dronkenschap over, waren zoo goed als onbekend met kunsten en wetenschappen en zeer achterlijk in handenarbeid en industrie. Wel had Peter's vader, Czaar Alexeï, bekwame handwerkslieden uit andere landen, ook uit Nederland, tot zich geroepen, om zijn volk tot voorbeeld te strekken, maar de gevolgen daarvan waren nog niet schitterend geweest.
Lefort had den blik van den jongen Czarenzoon verruimd, door hem veel te vertellen van het leven der beschaafde natiën, hunne burgerlijke en huiselijke instellingen, hunne wijze van oorlogvoeren, hun handel, hun scheepvaart en hunne bekwaamheid in handenarbeid.
En dat alles maakte op Peter een diepen indruk en riep de begeerte in hem wakker om die vreemde volken na te volgen. Hij vormde uit zijne speelmakkers de poteschnie, een compagnie van 50 kleine soldaten, die door Lefort op Duitsche wijze in den wapenhandel geoefend werden. Peter zelf marcheerde als trommelslager aan de spits. Weldra verzochten de bojarenzonen uit eigen beweging, om in de compagnie te worden ingelijfd, wat hun werd toegestaan, maar zij moesten het zich getroosten naast valkenjongens en stalknechts te marcheeren, want Peter maakte geen verschil tusschen edelen en gewone burgers. Allen, die goed hun plicht deden, waren hem welkom. Zij werden op Duitsche wijze gekleed en geoefend,--en weldra werd de poteschnie zoo groot, dat zij in twee compagniën moest worden verdeeld, en later zelfs tot twee regimenten aangroeide.
Dat soldaatje-spelen had voor Peter groote gevolgen, want zijne poteschnie werd later de steun van zijn troon.
Door een luitenant uit Straatsburg, Timmerman genaamd, werd hij onderwezen in de artillerie, de vestingbouwkunst en de wiskunde.
Toen hij nu als Czaar den troon beklom, was het zijn eerste werk, het leger te hervormen. Lefort en generaal Gordon waren daarbij zijne voornaamste helpers. Het aantal der poteschnie werd zeer uitgebreid, de knapste Strelitzen werden in hunne gelederen opgenomen en vele buitenlanders tot officieren benoemd. Lefort werd luitenant-generaal.
Meer en meer begon Peter den wensch te koesteren, dat Rusland ook een zeemogendheid zou worden. Bij het bezoeken van een magazijn vond hij toevallig een boot, die geheel van het gewone Russische model afweek. Op zijn vraag, wat dat voor een boot was, gaf men hem ten antwoord, dat zij van Hollandsch maaksel was en bijzonder goed tegen den wind kon opzeilen. Zij was gebouwd door een zekeren Brandt, Hollander van afkomst, maar nog in Rusland woonachtig. Op Peter's bevel werd de boot door den ouden Brandt weer in orde gebracht.
Door dit geval was de aandacht van den jongen Czaar op de scheepsbouwkunst gevestigd en legde hij zich daarop met ijver toe. Tegen hoog loon liet hij uit Holland bekwame scheepstimmerlieden komen; nieuwe werven werden aangelegd, en Peter zelf werkte om het hardst met de Hollanders mede. Hij liet zich door hen 't liefst "Piet de timmerman" noemen, sprak steeds Hollandsch met hen en overlaadde hen met gunstbewijzen.
Het scheppen van eene groote zeemacht was thans het ideaal, dat hem voor den geest zweefde. Op een reisje naar Archangel zag hij voor het eerst de groote zeeschepen der vreemde natiën, voornamelijk van de Hollanders, en die groote vaartuigen vervulden hem met bewondering. Naar alles, wat hij zag, deed hij onderzoek, alles wilde hij er van weten, en zelfs speelde hij voor matroos en scheepsjongen, en klom op bevel van den kapitein in den mast, om daar de gevaarlijkste bezigheden te verrichten.
Meer en meer werd het hem echter duidelijk, hoe verregaand achterlijk het Russische volk was, bij andere natiën vergeleken. Hij nam dan ook het vaste besluit, Rusland op de hoogte der Europeesche beschaving te brengen. Om daartoe te geraken, wilde hij eerst met eigen oogen gaan zien, hoe het in vreemde landen gesteld was, en daarvoor eene reis ondernemen naar Duitschland, Nederland, Frankrijk en Engeland.