Chapter 5
Eindelijk nam weer een schipbreukelinge op den rand van het wrak plaats, om langs de lijn naar beneden te glijden. Doch de moed, of misschien wel de kracht ontbrak haar, om zich te laten gaan. Meermalen greep zij het ijskoude touw met de verkleumde vingers aan, maar even dikwijls liet zij het weer los. Zij dùrfde niet, of kòn niet. De redders riepen haar woorden van moed toe, maar het baatte niet. Tot opeens de arme vrouw zich liet vallen en in de golven terecht kwam. De matrozen sprongen toe en, wat wel een wonder mag heeten,--een golf spoelde de ongelukkige tot dicht in hunne nabijheid, zoodat zij gelegenheid kregen haar te grijpen en op de pier te brengen.
Nu waren er nog drie vrouwen op het wrak over, maar dezen waren onmachtig om zich op te richten. Haar angstgeschrei en smeekbeden drongen de dappere matrozen tot diep in de ziel,--maar zij konden haar niet helpen. Ze moesten terugkeeren, om de geredden naar de stoombooten te brengen. Eerst werden zij naar de jol overgebracht en toen naar de reddingboot gevoerd. Maar in dat open vaartuig konden zij geen voldoende beschutting vinden, zoodat zij op voorstel van den Prins naar de "Hellevoetsluis" werden overgebracht. Daar wachtten hun de teederste zorgen. De Prins hielp zelf mee om hun van de druipnatte kleêren te ontdoen en droge aan te trekken. Daarna werden zij met warme kruiken in de kooien gelegd.
't Is niet doenlijk, de dankbaarheid der geredden te beschrijven. Tranen liepen hun langs de wangen en zij kusten de handen der wakkere mannen, die hen van den dood hadden gered.
Zoo snel mogelijk werd thans koers gezet naar de kust, waar reeds automobielen gereed stonden, om de geredden naar het hôtel "Américain" te brengen. En dáár wachtte hun de meest liefderijke behandeling.
Met donderend gejuich werden de matrozen door de duizenden menschen aan het strand begroet, en de koninklijke Prins, de gemaal onzer Koningin, deelde die eer met deze eenvoudige helden der zee. Als met een tooverslag had bij de liefde van zijn volk gewonnen.
Maar nog was het reddingswerk niet volbracht, nòg bevonden zich drie vrouwen op het wrak, die te zwak waren om zich op te richten. In den verschrikkelijksten toestand gingen zij den tweeden nacht vol dreigend doodsgevaar tegemoet. Haar gehuil ging in den loeien den wind verloren, en werd slechts gehoord door de zeelieden, die het wrak voorbijvoeren en onmachtig waren iets ter redding te ondernemen. Daar lagen zij op het dek te midden van de lijken van hen, die van koude en ontzetting reeds omgekomen waren. Haar gezwollen voeten weigerden allen dienst, de verkleumde handen konden niets meer vasthouden.
Maar ook voor deze ongelukkigen zou het uur der redding aanbreken. 't Was in het hartje van den nacht, toen de "Wodan", eene groote sleepboot van de firma L. Smit & Co., onder stoom ging, onder leiding van kapitein J. van Rees uit Maassluis. De bemanning bestond uit kloeke mannen, die het uiterste wilden wagen, om de vrouwen van het wrak te halen. De nacht was stormachtig en er ging eene wilde sneeuwjacht. De zee stond hol. De sterke boot schommelde zoo hevig, dat de opvarenden moeite hadden om staande te blijven. Eindelijk zagen zij op eenigen afstand het zwarte wrak omhoog steken en klonk hun het aangrijpend gehuil der vrouwen in de ooren. De bemanning schreeuwde zoo luid mogelijk terug, om het loeien van den storm en het bruisen van de zee te overstemmen, zoodat hun geluid tot de vrouwen kon doordringen.
De "Wodan" naderde behoedzaam tot op 50 Meter afstand den lichttoren. De vlet, die de boot volgde, werd opzij gehaald, en binnen enkele seconden zitten vijf dappere mannen op de riemen. Zij zijn van zwemgordels voorzien, want zij weten, dat de vlet elk oogenblik kan omslaan. Maar zij aarzelen niet. Zij roeien naar de pier, de kabel wordt vastgelegd aan een der palen, en de vlet keert terug, om nog meer mannen te halen. Zeven mannen bevinden zich weldra op de pier, en twee van hen, Marten Sparling en zijn neef Cornelis Sparling, beiden uit Dordrecht, wagen zich voetje voor voetje verder, tot zij eindelijk, trots de bijna onoverkomelijke gevaren, het lichttorentje bereikt hebben. Daar aangekomen wierp Marten Sparling een touw naar boven, naar het wrak, waar het door een der vrouwen aan een bank werd bevestigd. Het andere einde werd door zijn neef stevig vastgehouden, terwijl deze zich krampachtig aan den lichttoren klemde. Toch werd hij er tot driemaal toe bijna door de woeste golven afgeslagen. Marten Sparling klom, wat nog niemand anders had kunnen doen, langs het touw naar boven, en bereikte de vrouwen, die hem met hare zwakke krachten voorttrokken naar de plaats der verschrikking, waar zij zulke ontzettend bange uren hadden doorgebracht. De ongelukkige schepsels leefden daar te midden van de dooden....
Haar jammergeschrei sneed hem door de ziel, en het kostte hem moeite, zich van haar los te maken. Hij moest daartoe zelfs geweld gebruiken, want er mocht geen minuut ongebruikt verloren gaan. Hij greep een van de vrouwen aan, om haar langs het touw naar beneden te laten glijden, maar het dappere meisje, Mina Ripler geheeten, weigerde het wrak te verlaten vóór haar meesteres gered was. Welk een bewonderenswaardige trouw bij een zestienjarig meisje.
Het gelukte den kranigen Sparling de vrouwen alle drie langs de lijn te laten afglijden, de brave Mina Ripler op haar uitdrukkelijk verlangen het laatst. En zijn even kranige neef ving ze in zijne armen op. Daarna werden zij over een afstand van 30 Meter over de pier gedragen, waarbij de anderen dapper medehielpen, tot de vlet bereikt was. En toen was het grootste gevaar voorbij.
Een kwartier later waren allen aan boord van de "Wodan" in veiligheid, en deed iedereen zijn best om de smarten der geredden te lenigen. Men trok haar droge kleeren aan en verkwikte haar met opwekkende dranken.
Het wrak bevatte thans nog alleen dooden.
Om vier uur 's nachts was men aan de kust teruggekeerd en werden ook deze geredden per automobiel naar het Américain-hotel gebracht, waar dokter Diamant en zijne helpers de zorg voor de ongelukkigen overnamen.
De redding was volbracht! Eere den dapperen helden der Hollandsche kust, eere den dapperen Prins Hendrik der Nederlanden!
DOOR EIGEN KRACHT.
In een klein stadje, Port-Huron genaamd, in den staat Michigan, Noord-Amerika, zaten op een winteravond van het jaar 1859 drie menschen bij elkaar: Vader, Moeder en twaalfjarige zoon. De vader was een koopman in oudheden, d. w. z. zijn winkel bevatte een allegaartje van oude meubelen, schilderijen, lijsten, koffers, klokken, lampen, aardewerk, enz. Maar de meubelen waren òf zeer oud, of stuk, de schilderijen gescheurd of zonder eenige waarde, de koffers zonder deksels of met onbruikbare sloten, de klokken zonder slingers, het aardewerk gelijmd, gekramd of gescheurd.
't Was niet veel meer dan een rommelzoodje en alles te zamen niet meer waard dan enkele dollars. Toch moest de eigenaar met den handel in deze en dergelijke waardelooze dingen den kost zien te verdienen voor zijn gezin.
Jaren geleden uit Nederland naar het Verre Westen vertrokken, had hij daar nog niet veel weelde gekend. Eerst had hij als kleermaker zijn dagelijksch brood zien te verdienen, daarna had hij zich op de boomkweekerij toegelegd en was hij tegelijk een handeltje in zaden begonnen, maar 't was hem niet meegeloopen. De Fortuin had hem steeds den rug toegekeerd, hoewel het hem aan ijver noch verstand ontbrak. Eindelijk na van de eene plaats naar de andere getrokken te zijn, had hij zich in Port-Huron gevestigd en was daar zijn handel in oude voorwerpen begonnen. Maar 't ging hem nog in het geheel niet naar den vleeze, wat duidelijk blijkt uit het karige avondmaal, dat thans door het drietal wordt gebruikt.
Er heerscht stilte in de kamer. Vader en moeder zwijgen, en de zoon is, terwijl hij eet, in een boek verdiept. 't Is een eigenaardigheid van den jongen, dat hij altijd leest. Hij was teruggetrokken van aard en deed niets liever, dan lezen en leeren. Hij had nooit een school bezocht. Wat hij wist, had zijn moeder hem geleerd, die voor haar huwelijk onderwijzeres was geweest. Haar zoon was een dankbaar leerling, vlug van bevatting en ijverig, en al spoedig wist hij evenveel als zijn moeder. Hij liep de halve stad af om boeken te leenen, en als hij er weer een machtig was geworden, zocht hij een eenzaam plekje, om er ongestoord in te kunnen lezen. En hij las van alles, zonder een bepaalde voorkeur. 't Gevolg was, dat hij over velerlei zaken kon meepraten, maar toch slechts verwarde begrippen daarover had.
Toen het avondmaal afgeloopen was, verbrak de vader de stilte, en zei:
"Hoor eens, Thomas, ik moet je even spreken."
"Mij, vader?"
"Ja, m'n jongen. Je bent nu twaalf jaar oud, en 't wordt dus tijd, dat je je eigen brood gaat verdienen. We zouden het graag anders hebben gewild en je liever bij ons gehouden hebben,--maar 't gaat met de verdiensten slecht..."
"Ik begrijp het, vader,--maar wat zal ik doen? In den winkel met al die oude dingen heb ik geen lust..."
"We hebben al iets voor je gevonden, jongen. Je zult bagagemeester worden op de treinen van den Canada- en Central Michigan-spoorweg."
"Ah bah!" zei Thomas met een zuur gezicht. "'t Is me nog al een mooie betrekking!"
"Och, 't zal je wel meevallen. Je rijdt steeds van de eene plaats naar de andere, ziet altijd wat nieuws, spreekt honderden menschen, en--de trein houdt om den anderen dag te Port-Huron op, zoodat je dan thuis kunt komen. We zijn elkander dan nog niet geheel en al kwijt."
De moeder keek haar eenig kind met een blik vol liefde aan, en zei: "Neen,--Goddank niet."
"Ik heb alles al met den Stationschef afgesproken, m'n jongen. Je moet de bagage van de reizigers opladen, plaatsen en weer afladen,--maar bovendien draagt de pachter van het buffet je op, taartjes, brood en saucijzen bij de passagiers te gaan venten. Je loopt dus den geheelen trein door. En voor jezelven mag je daarbij een handeltje beginnen in plaatwerken en couranten, wat misschien nog een aardig voordeeltje kan opleveren."
"Dus 't is alles al afgesproken?" vroeg Thomas.
"Ja,--morgenochtend om half acht komt de trein aan, en dan moet je present zijn. Met den buffetpachter en den boekverkooper in het station is alles al geregeld."
Thomas had zijn aanvankelijken weerzin voor zijn aanstaande betrekking spoedig overwonnen en stapte den volgenden morgen om half acht vroolijk en welgemoed den trein in. En weldra was hij druk bezig met den verkoop van taartjes, boterhammetjes, fruit en sigaren, die in de Amerikaansche treinen veel meer gebruikt worden dan in ons land, omdat daar de afstanden veel grooter zijn. En de verkoop van platen en couranten leverde hem een aardig winstje op, waarmede hij niets beters meende te kunnen doen, dan er eenige boeken voor te koopen, die hij meenam naar zijn bagage-wagen. Maar dat pakte al spoedig verkeerd uit, want als Thomas eenmaal aan het lezen was, wist hij van geen ophouden, zoodat de reizigers zoowel van hunne versnaperingen als van hunne couranten verstoken bleven. De buffetpachter was daar zeer ontevreden over en gaf hem te kennen, dat hij beter voor zijn zaken moest zorgen.
Nu zat Thomas in zak en asch, want hij wilde veel liever lezen. Onder zijne boeken was er een over scheikunde, dat hem buitengewoon veel belang inboezemde, al begreep hij er niet bijster veel van.
Hij wist zich echter te redden. Voor enkele centen daags huurde hij een paar kinderen uit de buurt, om voor hem te venten, en zelf bleef hij in zijn bagage-wagen van zijn lectuur gemeten. En bij lezen bleef het niet. Neen, hij vond die scheikunde zoo mooi, dat hij besloot, ook proeven te gaan nemen. Hij maakte van zijn bagage-wagen langzamerhand een laboratorium in optima-forma, en hield zich bezig met het nemen van proeven, terwijl zijn jonge knechtjes het werk voor hem deden.
Dat ging zoolang goed, tot op een dag de trein een hevigen schok kreeg, met het gevolg, dat een flesch met phosphorus aan scherven op den grond terecht kwam. De phosphorus vloog in brand en de wagen begon ook vlam te vatten.
Dal gaf bij Thomas een geweldigen schrik. Gelukkig wist een conducteur de vlammen te blusschen, en toen hij dat gedaan had, gaf hij Thomas een geducht pak slaag en wierp zijn heele laboratorium den trein uit.
In het stadje Détroit hield de trein telkens eenige uren stil, en Thomas meende dien tijd niet beter kunnen besteden, dan door de geheele stadsbibliotheek te gaan lezen. Hij begaf er zich heen en greep het eerste boek van de plank, dat hij achter elkaar uitlas. Den volgenden keer nam hij het volgende boek, en, zoo ging het geregeld door. De bibliothecaris was over zooveel volharding niet weinig verwonderd, en voelde zich tot den leergierigen jongen zeer aangetrokken. Hij gaf hem goeden raad en wees hem de boeken, die hem voor den knaap het meest geschikt toeschenen. Zoo kwam er althans eenige leiding bij het lezen van Thomas.
Ook van zijn oogen maakte hij een goed gebruik. Had hij een oogenblik vrij, dan kon men er zeker van zijn hem daar te vinden, waar iets belangwekkends te zien was. Zoo trok onder anderen het telegrafeeren bijzonder zijn belangstelling, en toen hij eens eenige uren thuis was, maakte hij zelf een volledige telegraaf. Zijn batterijen bestonden uit oude potten en overgeschoten metaal uit den winkel van zijn vader.
Het station lag twintig minuten van zijne ouderlijke woning verwijderd, en het verdroot Thomas, telkens dat eind te moeten loopen, wat hem veel te veel tijd kostte. Zoo dicht mogelijk bij zijn huis wierp hij daarom langs de spoorlijn een grooten zandhoop op, en toen de trein daar weer langs reed, sprong Thomas den trein uit, op zijn zandheuvel. 't Liep goed af, en nu was hij veel eerder thuis dan vroeger. Voortaan koos hij altijd dezen korteren weg, en er gebeurde nooit een ongeluk bij. Bij die Amerikaansche treinen gaat het blijkbaar heel anders toe, dan hier.
Dat Thomas niet bang was, bewees hij ook, toen hij op een morgen te Port-Clément op den trein stond te wachten, en juist toen deze met volle kracht naderde, op twintig meters afstand van de locomotief een kind tusschen de rails zag spelen. Zonder een oogenblik te weifelen, sprong Thomas tusschen de rails, greep het kind, sleurde het in zijn vaart meê, en was juist over de rails, toen de locomotief rakelings langs hem heen snorde. Twee seconden later zouden beiden verpletterd geweest zijn.
't Geredde kind was van den Chef zelven, die hem zijn grooten dank toonde, door hem te leeren seinen met de telegraaf, waar Thomas zeer blijde meê was.
Op een dag was er op de drukkerij van een courant in Détroit eene verkooping van oude drukletters, en Thomas werd er voor eenige dollars eigenaar van. Hij kocht nu ook nog de verschillende benoodigdheden voor eene kleine drukkerij, en bracht alles naar zijn bagage-wagen, die voor hem de halve wereld vertegenwoordigde.
En nu begon Thomas iets nieuws. Hij schreef eenige artikelen, knipte wat nieuwtjes uit verschillende tijdschriften, zette wat hij geschreven had,--en verscheen in de personenwagens met een nieuwe courant, "The grand Trunk Herald", die hij zelf geschreven, gezet, gedrukt en gecorrigeerd had. Zoo iets was den reizigers nog nooit overkomen, en iedereen wilde er een exemplaar van hebben. Men vond zijn denkbeeld zoo oorspronkelijk, dat er zelfs in de groote bladen over geschreven werd. Dàt was nog eens iets echt Amerikaansch! 't Is te begrijpen, dat Thomas er een aardig duitje meê verdiende.
Door zijn succes aangemoedigd besloot hij ook in Port-Huron een courant uit te geven. Zij heette de Paul Pry, en iedereen, die lust had, mocht er in schrijven, als men maar geen betaling voor de artikelen eischte. Thomas nam alles op, wat hem ter plaatsing aangeboden werd, maar dat bekwam hem slecht. Zijn courant werd een echt scheldblaadje, waarin menigeen diep beleedigd werd. Alle instellingen, en zaken, ja zelfs personen werden over den hekel gehaald, met het gevolg, dat een zijner stadgenooten zich zoodanig gegriefd en beleedigd gevoelde, dat hij Thomas, den Redacteur, bij den nek pakte en in het water wierp.
Thomas was nu geen jongen meer, hij was een jonge man geworden. Hij liet zijn blad en zijn bagagewagen in den steek, en werd telegrafist, maar kon alleen geplaatst worden voor den nachtdienst. Nu pas had hij eene betrekking naar zijn zin, want nu was hij prachtig in de gelegenheid, om zijne bekwaamheden te toonen en verder te ontwikkelen. 't Duurde dan ook maar kort, of hij kende de telegrafie tot in de puntjes. Maar Thomas was veel te afgetrokken, om goed zijne plichten waar te nemen. In de stilte van den nacht hield hij zijn geest voortdurend bezig met het nemen van proeven en het doen van wetenschappelijke onderzoekingen. En daardoor vergat hij te seinen, wat er geseind moest worden. Zijn directeur was daar zeer ontevreden over, en besloot hem tot het vervullen van zijn plichten te dwingen. Hij beval hem namelijk elk half uur een zeker woord naar een naburig station over te seinen, in de meening, dat Thomas daardoor gedwongen zou worden, zijne aandacht bij zijn werk te bepalen. Maar 't bevel was Thomas in het geheel niet naar den zin, want hij had zich juist voorgenomen, dien nacht eens flink te studeeren. Hoe zich te redden? Hoe zou hij elk half uur een woord naar een naburig station kunnen seinen, zonder zijne geliefkoosde studie in den steek te laten?
Weldra hielp zijn vindingrijke geest hem uit de moeilijkheid. Hij bedacht een eenvoudig instrumentje, dat precies elk half uur door den grooten wijzer van het uurwerk werd aangeraakt en waardoor het voorgeschreven woord overgeseind werd. Zoo kreeg men aan het naaste station wel geregeld dat woord geseind, maar overige berichten werden er niet ontvangen.
De directeur vond zijn middel wel verbazend vernuftig, maar was er niet bijster mede ingenomen. Hij had liever een goed ambtenaar dan een uitvinder in zijn dienst, en verplaatste hem daarom naar Memphis. Thomas was toen 17 jaar. In zijn nieuwe standplaats vond hij het middel, om twee depeches in tegengestelde richting langs een zelfde lijn te seinen, wat men tot dien tijd toe voor eene onmogelijkheid had gehouden. Men verklaarde hem dan ook gewoon voor gek, maar een der beambten, die de uitlegging van Thomas gehoord had, nam er dadelijk patent op en verdiende er goed geld mede.
't Was niet prettig voor den jongen uitvinder, maar hij trok er eene goede les uit, n.l. om voortaan voorzichtiger in zijne mededeelingen te zijn. Eenigen tijd later vond hij het middel uit, om twee treinen, die in beweging zijn, telegrafisch met elkander te verbinden. Men gaf hem verlof, zijn toestel te beproeven op twee treinen op den spoorweg, waaraan Memphis gelegen is. Hij was nu echter zoo voorzichtig geweest, aan niemand iets van zijn geheim te vertellen, en dat werd nù weer zijn ongeluk. De toestellen werden niet goed geplaatst, zoodat de twee treinen met elkander in botsing kwamen in plaats van elkander te waarschuwen. Er gebeurden geen ongelukken bij, dan alleen, dat Thomas uitgelachen en uit zijne betrekking ontslagen werd.
Toch was zijn naam in Amerika door dit voorval vrij algemeen bekend geworden, waaraan hij te danken had, dat hij naar New-York ontboden werd, om eene machine te herstellen, die mechanisch den koers der verschillende effecten op de beurs aanwees.
Het gelukte Thomas, de defecte machine te herstellen, maar tevens vond hij een toestel uit, dat veel beter aan de eischen voldeed, en dat hem een grooten naam als werktuigkundige bezorgde.
De _West Telegraph Union_ besloot van den bekwamen jongen man gebruik te maken. Zij bouwde dicht bij New-York een groot laboratorium, de beroemde werkplaats van Menlo-Park, en benoemde Thomas tot ingenieur daarvan. Hij kreeg een leger van bekwame assistenten tot zijne beschikking, ieder uitmuntende in zijn vak, en men liet hem geheel vrij om te werken in de richting, die hij zelf verkoos. Wel een bewijs, dat men overtuigd was van zijne groote bekwaamheden, en van de hooge verwachtingen die men koesterde over de groote uitvindingen, die hij in de toekomst zou doen. En die verwachtingen zijn niet beschaamd, want over de geheele wereld kent men thans den naam _Thomas Alva Edison_, een van de beroemdste uitvinders van het tegenwoordige geslacht.
Zoo kon nu Thomas Edison, in den bloei zijner jeugd, volkomen onafhankelijk, zich geheel aan de wetenschap wijden. Hij kon voor zijne proeven en onderzoekingen zooveel geld gebruiken, als hij zelf verkoos,--maar de uitvindingen, die hij deed, waren ten voordeele van de _West Telegraph Union_, die hem honderd dollars per week als salaris uitbetaalde.
Eens, bij een bezoek aan eene fabriek, werd zijne aandacht getrokken door het lieve uiterlijk van een meisje, dat daar arbeidde. Dadelijk besloot hij haar tot vrouw te vragen, wat hij dan ook deed. Maria Stilvelle bedacht zich niet lang, en weldra brak de dag van hun huwelijk aan. Toen het bruidspaar uit de kerk kwam, bracht Thomas Edison zijn jong vrouwtje naar zijne woning, en toonde haar ook zijne werkplaatsen. Daar herinnerde hij zich opeens, dat hij aan een proef bezig was, die nog voltooid moest worden. Hij verzocht haar dus verlof, even naar zijn laboratorium te mogen gaan. Weldra zou hij aan het bruidsmaal komen.
Dat gebeurde des middags,--maar 's avonds was Thomas Edison nog niet teruggekeerd. Het bruidsmaal was al lang afgeloopen, toen hij eindelijk naar huis kwam. De afgetrokken geleerde had zoowel zijn feestmaal als zijne bruid vergeten!
Menlo-Park, de werkplaats van Edison, is eene kleine plaats op ongeveer een uur afstands van New-York. Het huis is van één verdieping, vijf en dertig meter lang en tien meter breed. Zijn woonhuis is op korten afstand daarvan verwijderd.
Beneden in de werkplaats staat eene stoommachine, die de beweegkracht levert, welke Edison noodig heeft, verder vindt men er een prachtige verzameling werktuigen van allerlei aard, waarmede alle bekende stoffen bewerkt kunnen worden. Een geheel leger uitgezochte werktuigkundigen zijn onder zijne directie voortdurend bezig met allerlei werkzaamheden, waarvan hèm alleen het doel bekend is.
Op de eerste verdieping is het laboratorium van Edison, waar hij het grootste deel van zijn leven doorbrengt. Daar ziet men tallooze flesschen, bekers, glazen, vazen en doozen, men vindt er alle bekende mineralen, metalen, zouten, zuren, de fijnste werktuigen en toestellen.
In een hoek van zijn laboratorium staat een fornuis met een grooten rookvang er boven, waar voortdurend een aantal lampen staan te branden, zoo ingericht en geregeld, dat zij zooveel mogelijk roet geven. Dit roet wordt aan sterke drukking blootgesteld, tot plaatjes geperst, en voor de koolplaten van telefonen en mikrofonen gebruikt. Verder ziet men er electrische batterijen, electro-magneten, en allerlei toestellen, zeer verschillend van bestemming en vorm. Er loopen telegraafdraden in alle richtingen langs de zoldering, die verbonden zijn met toestellen, welke onmiddellijk in werking kunnen worden gebracht.
In dit reusachtig laboratorium werken vele geleerden onder zijne leiding. Men vindt er scheikundigen, natuurkundigen, werktuigkundigen en zelfs wiskundigen, die hem allen bij zijne onderzoekingen behulpzaam zijn.
Sedert Edison zijn intrek in deze grootsche inrichting nam, heeft hij verscheidene ontdekkingen gedaan, die de wereld in verbazing hebben gebracht.
Voor het eerst in 1878 hield Edison zich bezig met het vraagstuk der electrische verlichting. De telefoon, mikrofoon en fonograaf hadden toen reeds hun intrede in de wereld gedaan, maar het electrisch licht verkeerde nog in zijn kindsheid. Edison meende echter, dat het mogelijk was het electrisch licht zoo te volmaken, dat het 't gaslicht verre overtreffen kon. En nu begon hij eene reeks van onderzoekingen, die met de schitterendste resultaten werden bekroond.