Gouden Daden

Chapter 3

Chapter 33,727 wordsPublic domain

Verheugd keerde Stephenson van de gevaarlijke plaats terug, stak zijne lamp opnieuw aan, en trad nogmaals de mijn binnen. En weer doofden de anders zoo verraderlijke gassen de vlam uit. De eenvoudige Stephenson had weer eene ontdekking gedaan, die voor duizenden mijnwerkers eene groote weldaad zou blijken.

Toch bracht zijne ontdekking hem den roem niet, dien hij verdiende, want na enkele dagen bleek het, dat ook Sir Humphrey Davy eene lamp had uitgevonden, die volkomen aan het doel beantwoordde.

Stephenson kreeg eene belooning van 1200 gulden, maar Sir Humphrey Davy ontving een wel tienmaal grooter geschenk. Ook werd aan deze de eer van de uitvinding toegeschreven. Twee jaar later werd Stephenson echter recht gedaan. Hij werd toen openlijk als de uitvinder der veiligheidslamp erkend en men vereerde hem een zilveren bokaal en een geschenk van niet minder dan twaalf duizend gulden.

Intusschen hield zijn geest zich al geruimen tijd bezig met het plan, eene locomotief te ontwerpen, die in staat zou zijn, als beweegkracht voor verscheidene wagens te dienen. Er waren wel al enkele locomotieven gebouwd, maar die voldeden allerminst aan de verwachtingen. Toch meende Stephenson, dat zulk eene machine kon worden gevonden, en zonder ophouden zocht hij naar de oplossing van dit moeilijke vraagstuk. Zijne vrienden en kennissen meenden, dat zijn zucht naar uitvindingen hem in het hoofd geslagen was en dat hij dus krankzinnige denkbeelden koesterde. En lachend hoorden zij hem aan, wanneer hij over zijne locomotief sprak en voorspelde, hoe eenmaal de menschen met groote snelheid van de eene stad naar de andere zouden worden vervoerd, alleen voortgetrokken door een locomotief.

Ondanks hun twijfel en dikwijls bitteren spot bracht hij het zoover, dat hij in een nieuwe mijn de steenkolen in wagens liet vervoeren, die door locomotieven in beweging werden gebracht. Metterdaad leverde hij daarmede het bewijs, dat zijne ideeën geen hersenschimmen waren, maar wel degelijk practische waarde hadden. Onophoudelijk ging hij voort in vereeniging met den ingenieur Dodd, verbeteringen aan zijne locomotieven aan te brengen. Stephenson bedacht het stelsel van gekoppelde raderen, en samen vonden zij het middel, om den ketel aanhoudend van water te voorzien. Deze locomotieven werden van 1814-1825 op den mijnspoorweg van Killingworth gebruikt, en dienden later om de kolentreinen te slepen langs den spoorweg van Darlington naar Stockton.

Die spoorweg had eene lengte van 61 kilometers en was over twee derden van zijne lengte van een dubbel spoor voorzien. De aanleg had niet minder dan 2 ton gouds per kilometer gekost. Maar de treinen liepen zeer langzaam, niet meer dan dertig mijlen in den tijd van vier uren. Het stelsel was dus nog slechts in zijne kindsheid. Spoedig zou er echter in den bouw van den stoomketel eene wijziging worden aangebracht, die eene algeheele verandering in het spoorwegwezen ten gevolge had en de locomotieven in staat stelde de treinen voort te trekken tot eene snelheid van vijftig mijl in het uur. De kracht van een stoomwerktuig hangt af van de hoeveelheid stoom, die het in een bepaalden tijd voortbrengt. Bij de eerste locomotieven van Stephenson was die hoeveelheid zeer beperkt. Op raad van zijn landgenoot Booth voorzag hij zijne ketels van een groot aantal buizen, die gevuld werden met de warme lucht en den rook, die van den vuurhaard komen. De aldus aan de werking van het vuur blootgestelde oppervlakte werd daardoor zeer groot, zoodat men in een ketel van gewone afmeting eene oppervlakte van 150 M2. aan de werking van het vuur kon blootstellen.

In Mei van 't jaar 1826 werd eindelijk tot de oprichting van een maatschappij tot aanleg van een spoorweg tusschen Liverpool en Manchester besloten, en aan George Stephenson viel de eer te beurt, tot hoofd-ingenieur van dit werk te worden benoemd. Hij had bij den aanleg van dezen spoorweg met ontzaglijke bezwaren te kampen, maar hij wist ze alle te overwinnen. Zijn jaarlijksch salaris bedroeg toen ruim twaalf duizend gulden.

Toen eindelijk deze eerste spoorweg gereed was, besloot men een wedstrijd te houden voor locomotieven, ten einde uit de verschillende systemen, welke toen bestonden, eene keuze te doen. Ook Stephenson nam aan dien wedstrijd deel met eene locomotief, die vervaardigd was in zijne machinefabriek te Newcastle. Die fabriek stond onder leiding van George Stephenson en diens zoon.

Vijf locomotieven namen aan den wedstrijd deel. De _Fire-dart_ van Stephenson, de _Novelty_ van Braithwaite en Erickson, de _Non-pareil_ van Timothy Backworth, de _Perseverance_ van Burstal en de _Cyclopède_ van Brandreth. Deze laatste locomotief moest getrokken worden door paarden, wel een bewijs, dat de fabrikant zelf weinig vertrouwen stelde in de kracht en toekomst van locomotieven. Over 't algemeen had men er zeer weinig vertrouwen in. Sommigen vreesden, dat de wielen wel zouden draaien, maar _niet_ in staat zouden zijn een aantal wagens voort te trekken. Anderen meenden, dat zóó zij al eenige kracht konden uitoefenen, de snelheid toch ver zou achterblijven bij die van een paard. Weer anderen geloofden, dat de locomotieven op den vlakken grond wel enkele wagens met eene kleine snelheid zouden kunnen voorttrekken, maar dat zelfs eene geringe verheffing van den grond reeds voldoende zou zijn, om den trein achteruit te doen rollen.

De wedstrijd zou gehouden worden op de vlakte van Rainhill, die volmaakt horizontaal lag over eene lengte van 3218 Ned. ellen.

Den 6en October 1829 had de wedstrijd plaats. 't Eerst verscheen de _Fire-dart_ van George en Robert Stephenson. Duizenden menschen waren uit alle oorden des lands samengestroomd, om van den wedstrijd getuige te zijn.

De _Fire-dart_ bleef overwinnaar. Zij trok met gemak de vastgestelde vracht voort met eene snelheid van 24 mijlen in het uur, en toen men haar geheel onbezwaard liet rijden, bracht zij het zelfs tot 40 mijlen per uur. Bij het oprijden van een hellend vlak deed zij 16 mijlen.

De _Non-pareil_ voldeed niet aan de gestelde voorwaarden en werd dientengevolge niet toegelaten.

De _Novelty_ was niet tijdig genoeg gereed, om beproefd te kunnen worden, en toen zij eindelijk aankwam, zaten de wielen niet goed. Eenige dagen later echter bracht zij het tot eene snelheid van 30 mijlen per uur, en onbezwaard van 38 tot 52 mijlen. Toen werd de ketel lek, zoodat de eigenaars zich vrijwillig uit den strijd terugtrokken.

Ook de _Perseverance_ voldeed niet aan de gestelde eischen, en bleef dus buiten mededinging.

De _Cyclopède_ moest door paarden getrokken worden, en kwam dus niet eens in aanmerking.

Aan Stephenson's locomotief werd dus de overwinning toegekend en aan zijne fabriek de levering van het noodige aantal opgedragen.

En deze eerste spoorweg werd al spoedig met vele andere vermeerderd. Stephenson's fabriek nam snel in groei en bloei toe en werd een van de grootste machine-fabrieken van Engeland. De lijn Londen-Birmingham volgde in 1832. De vrees, om van een spoorwagen gebruik te maken, bleef echter nog langen tijd bestaan. Eerst in 1843 durfde Koningin Victoria het wagen, van dat vervoermiddel gebruik te maken, maar in 1858 nog kwam de groote minister Cavour in een reiswagen van Turijn naar Parijs, omdat hij niet in een spoortrein durfde zitten.

Den 20en September 1839 werd de spoorlijn van Amsterdam naar Haarlem voor het eerst bereden, den 6en December 1843 werd de lijn Amsterdam-den Haag geopend en den 2en Juli 1847 was de lijn Amsterdam-Rotterdam voltooid. Tien van de locomotieven, daarbij gebruikt, waren door de firma Stephenson geleverd.

Zoo was dan van den eenvoudigen herdersknaap de beroemde ingenieur gegroeid, die aan het hoofd stond van eene fabriek, welke een wereldvermaardheid bezat.

In 1860 trok hij zich uit de zaken terug, om zijne laatste levensjaren in rust en kalmte door te brengen.

Hij stierf den 12en Augustus 1849.

HOE FRANKRIJK DOOR EEN EENVOUDIG MEISJE VAN DEN ONDERGANG WERD GERED.

Karel VI, de koning van Frankrijk, verkeerde gedurende de laatste jaren van zijn leven meestal in een staat van krankzinnigheid, die hem voor zijne taak ongeschikt maakte. Zijne vrouw, koningin Isabeau, hield de teugels van het bewind in handen, maar maakte van hare macht een schandelijk misbruik. Zij verried namelijk haar koninkrijk aan Hendrik V, den koning van Engeland, die met hare dochter in het huwelijk trad, en van haar het recht verkreeg, Karel VI bij diens dood als koning van Frankrijk op te volgen.

Frankrijk was toen namelijk in oorlog met Engeland en Bourgondië, die zich gezamenlijk van het grootste en voornaamste deel van Frankrijk meester gemaakt en zelfs Parijs veroverd hadden.

Door deze schandelijke daad ontroofde zij de koninklijke waardigheid aan haar eigen zoon, den dauphin, die met een legertje van 20000 man den strijd tegen de Engelschen en Bourgondiërs volhield.

En wat deed het Fransche volk? Koos het de partij van den jeugdigen kroonprins, en schaarde het zich onder diens vaandel, om onder zijn bevel de Engelschen van den Franschen bodem te verjagen?

Geenszins. Reeds lange, lange jaren zuchtte Frankrijk onder de zware belastingen, die de half of geheel krankzinnige koning Karel VI noodig had gehad, om aan zijn zucht naar schitterende feesten te kunnen voldoen. Bovendien was het van ganscher harte de onophoudelijke oorlogen moede, die nu al sinds jaar en dag op den vaderlandschen grond werden gevoerd.

Geheel het noordelijk deel van Frankrijk koos de Engelsche zijde in de hoop, dat er eindelijk wat rust zou komen en dat aan den ondraaglijken belastingdruk een einde zou worden gemaakt. Het parlement ging nog verder. Het verklaarde den dauphin onwaardig de Fransche koningskroon te dragen en verbande hem ten eeuwigen dage uit Frankrijk.

Slechts een klein gedeelte van zijn vaderland bleef hem getrouw, waardoor hij in staat werd gesteld met een klein legertje den strijd tegen de Engelschen en Bourgondiërs, en dus ook tegen zijn eigen moeder, vol te houden. Maar zijne vijanden behaalden overwinning op overwinning en dreven hem niet weinig in het nauw. Reeds hadden zij geheel Frankrijk ten noorden van de Loire veroverd. Toen trof hun echter een zware slag door het overlijden van den Engelschen koning. Hendrik V stierf den 31 Augustus 1422, en slechts enkele weken later, den 22en October, stierf ook de krankzinnige koning Karel VI.

Door het kleine gedeelte van Frankrijk, dat den Engelschen nog niet onderworpen was, werd de dauphin thans onder den naam van Karel VII als koning erkend. Hij liet zich te Poitiers de koninklijke kroon op het hoofd plaatsen. Van oudsher was het gewoonte, dat deze plechtigheid te Rheims geschiedde, en men achtte eene kroning op eene andere plaats dan deze eigenlijk dien naam niet waardig, maar 't was thans eene onmogelijkheid, daar Rheims zich in de macht der vijanden bevond.

Toch was de toestand voor den jongen koning thans betrekkelijk niet ongunstig, want in Engeland werd Hendrik V opgevolgd door een kindje, dat nog slechts enkele maanden oud was, zoodat er een regentschap moest worden ingesteld, wat een verlammenden invloed uitoefende op de ondernemingen der Engelschen in Frankrijk. Bovendien hadden de Franschen gedurende de korte regeering van den Engelschen koning reeds voldoende ondervonden, wat het zeggen wilde, door een vreemden vorst te worden bestuurd. De belastingen waren vermeerderd inplaats van verminderd, en zij werden met onverbiddelijke strengheid ingevorderd. Eindelijk nog was Filips van Bourgondië ontevreden op zijne Engelsche bondgenooten en trok zich uit den strijd terug.

Had Karel VII thans den oorlog met kracht voortgezet, ongetwijfeld zouden de Engelschen het dan kwaad te verantwoorden gekregen hebben, want het geheele Fransche volk zou hem daarbij hebben gesteund.

Helaas, Karel VII miste daartoe de noodige veerkracht. Hij was niet gemakkelijk tot het nemen van een krachtig besluit over te halen en bracht zijn tijd meestal in ledigheid door. Hoewel de Engelschen den oorlog maar slap voortzetten, behaalden zij toch nog twee overwinningen op hem, namelijk bij Crevans en Verneuil.

Eerst in 1428 werd de oorlog door de Engelschen met kracht hervat. De bevelhebber Salisbury veroverde aan het hoofd van een leger van 15000 man verscheidene steden en sloeg eindelijk het beleg voor de sterke stad Orleans. Ging ook deze plaats voor de Franschen verloren, dan lag geheel Frankrijk bezuiden de Loire voor de Engelschen open, dan was Karel VII niet langer in staat tegenweer te bieden, en bevond Frankrijk zich geheel in de macht der vijanden.

De burgers van Orleans verdedigden zich met waren heldenmoed. Zoo dikwijls waagden de Engelschen geen bestorming van de muren, of even dikwijls werden zij afgeslagen. Maar eindelijk waren de levensmiddelen in de stad zoo goed als verbruikt, en zou de dappere burgerij door den honger gedwongen worden de schoone stad te moeten overgeven. En wat deed intusschen koning Karel VII? Was hij ijverig in de weer, om de vijanden het beleg moeilijk te maken, en trachtte hij met al de middelen, waarover hij beschikken kon, de benarde vesting te ontzetten?

Neen, de zwakke koning hield zich bezig met allerlei beuzelarijen en vermaken, en bleef werkeloos toezien, dat het laatste bolwerk van zijn koninklijke macht op hem veroverd werd.

Eindelijk gelukte het zijne vrienden en bevelhebbers hem over te halen, om de stad van nieuwe levensmiddelen te voorzien. En hij slaagde daarin volkomen, zoodat de burgers van Orleans met nieuwen moed den strijd konden voortzetten. Bij een tweede poging van Karel, den 12en Februari 1429, om nogmaals levensmiddelen in de stad te brengen, werden zijne troepen verslagen. Toen gaf hij den moed geheel op. Hij begreep, dat Orleans thans verloren was, en hijzelf evenzeer. Hij besloot dan ook, Frankrijk te verlaten en zich elders in veiligheid te brengen. Maar _besluiten_ en _doen_ was bij den zwakken koning niet hetzelfde. Ook nu weer stelde hij zijn vertrek van den eenen dag naar den anderen uit, en dat werd ditmaal zijn geluk. Want hoe hopeloos zijne zaak er ook uitzag, hoe nabij hij was aan zijn algeheelen ondergang, toch zou hij gered worden, ondanks zichzelven.

In Lotharingen, in het dorp Dom-Remy, woonde een jong landmeisje, dat Jeanne d'Arc heette. Zij kon lezen noch schrijven, en bracht den dag door met de eenvoudige bezigheden, die in eene boerenhoeve gewoonlijk te doen zijn. Reeds als kind bezat zij de eigenaardigheid visioenen te zien, die voor anderen geheel onzichtbaar bleven. Zij had eene streng godsdienstige opvoeding ontvangen, die bij haar goede vruchten gedragen had. Zij dacht veel na over hetgeen zij in de kerk en van hare ouders had geleerd, en werd een innig vroom meisje. Toen zij nog maar twaalf à dertien jaar was, verklaarde zij reeds meermalen, dat haar in de eenzaamheid bovennatuurlijke wezens verschenen waren, die haar vriendelijk hadden toegesproken. Zij leefde dan ook in de stellige overtuiging, dat God en zijne heiligen zich meermalen aan de kinderen dezer aarde vertoonden, om dezen hun wil te openbaren. Zoo waren haar reeds de aartsengel Michaël en de heilige Margaretha en Catharina verschenen, en nog na hunne verdwijning was het haar, of zij de stemmen dezer heiligen in hare ooren hoorde weerklinken.

Jeanne d'Arc was, toen zij ouder werd, een trouw aanhangster van Karel VII, den eenigen man, dien zij waardig keurde den Franschen troon te bestijgen en te Rheims tot koning te worden gekroond. De kroning te Poitiers had ook voor haar geen waarde. En zij droeg een diepen haat toe aan de Engelschen en Bourgondiërs, die haar schoon vaderland overweldigden en onderdrukten.

Met diepe smart volgde zij de gebeurtenissen, die in haar vaderland plaats vonden, en zij stortte tranen bij het vernemen van het beleg van Orleans en van den tegenspoed van Karel VII, haar beminden en vereerden koning.

Zeker, zij was het volkomen eens met hare dorpsgenooten, die meenden, dat alleen een wonder haar vaderland zou kunnen redden. Eindelijk bereikte haar de mare, dat volgens eene voorspelling, die door de lagere volksklassen algemeen geloofd werd, Frankrijk door een vrome jonkvrouw zou worden gered.

Van dit oogenblik af vatte de gedachte post in hare ziel, dat zij zelve de uitverkoren maagd was, die Frankrijk voor een algeheelen ondergang zou behoeden, en die gedachte liet haar niet meer los.

Eindelijk, in de eenzaamheid, terwijl zij dacht aan haar arm vaderland en aan haar koning, kreeg zij weer een visioen. Zij hoorde wederom de stemmen van heiligen, die haar toeriepen, dat zij de uitverkorene was, die Frankrijk zou redden, dat zij geroepen was om Orleans te ontzetten en den koning naar Rheims te geleiden om gekroond te worden.

Het dappere meisje, dat geen oogenblik aan de waarachtigheid van die stemmen twijfelde, besloot de haar gegeven bevelen op te volgen. Zonder er hare ouders over te spreken, begaf zij zich naar haar oom, Durant Laxart, die in een naburig dorp woonde, en deelde hem mede, dat zij zich naar den dauphin wilde begeven. Zij noemde hem nog dauphin in plaats van koning, omdat hij nog niet te Rheims gekroond was. Zij moest zich door het met vijanden bezette land begeven om den koning te bereiken, en daarom verzocht zij haar oom, voor haar aan den bevelhebber van Vaucolours, Robert van Baudricourt, een vrijgeleide te vragen.

Haar oom had er niet veel lust in, maar zij bleef zoo dringend aanhouden, dat hij eindelijk toegaf en zich naar den bevelhebber begaf. Deze lachte hem echter uit, en zei:

"Geef haar een pak slaag, dan zullen die hersenschimmen wel uit haar hoofd verdwijnen."

Jeanne d'Arc liet zich door deze weigering niet afschrikken, maar begaf zich in persoon naar den bevelhebber. Zij verhaalde hem van de verschijningen, die zij gezien, had en smeekte hem, haar een vrijgeleide te geven.

De bevelhebber bleef weigeren, maar Jeanne hield vol. Zij richtte zich nogmaals en nogmaals tot Heer Robert, tot hij eindelijk voor hare smeekingen bezweek en haar het gevraagde vrijgeleide verschafte.

Eindelijk dus had zij haar doel bereikt en vol vreugde maakte zij zich gereed, om zich naar den koning te begeven. 't Was echter een gevaarlijke tocht, inzonderheid voor een jong meisje, want hij voerde door streken, welke door tallooze ruwe vijanden bezet waren, die zeker met hare visioenen den spot zouden drijven en haar smadelijk zouden behandelen.

Daarom vermomde zij zich in mansgevvaad, en aanvaardde zoo in gezelschap van haar broeder, twee edelen en nog twee andere personen, den gevaarvollen tocht.

Den 24en Februari kwam zij ongedeerd te Chinon aan, waar Karel VII verblijf hield.

Dadelijk stelde Jeanne zich in verbinding met hofbeambten. Zij verhaalde hen van de verschijningen, die zij gezien had, van de stemmen der heiligen, die haar geboden hadden zich naar den koning te begeven en van hare roeping om hem en het vaderland te redden.

Het eenige gevolg was, dat zij geducht werd uitgelachen, en het ontbrak niet aan wreeden spot. Maar het dappere, vrome meisje liet zich niet ontmoedigen. Zij hield vol met hare smeekingen, om tot den koning te worden toegelaten, totdat deze eindelijk van hare komst vernam. Maar ook hij dreef niet weinig den spot met haar.

Toch gelukte het haar eindelijk, toegang tot hem te verkrijgen.

Onverschrokken naderde zij den koning, die haar ontving in een hel verlichte burchtzaal, te midden van een schitterenden stoet van hovelingen. Hijzelf zag er eenvoudig uit, maar Jeanne vergiste zich geen oogenblik in zijn persoon. Zij groette hem met den diepsten eerbied, en verhaalde hem, dat God haar uitverkoren had, om Orleans te ontzetten en den koning naar Rheims te geleiden om gekroond te worden. En zij smeekte den vorst, dat hij haar aan het hoofd van zijn leger zou plaatsen, want zij wist, dat God en Zijne heiligen haar de overwinning zouden geven.

't Was intusschen ruchtbaar geworden, dat een eenvoudig boerenmeisje verklaarde door God gezonden te zijn, om Frankrijk en den koning te redden. En zie, meer en meer begon men geloof aan hare goddelijke roeping te slaan, en met eerbied zagen de krijgslieden tot haar op. Ha, zou dan eindelijk God zelf met hen strijden en hun de overwinning geven? Zou dan aan de veelvuldige nederlagen een einde komen?

Een geest van groote blijdschap vervulde het kleine leger, dat den koning nog trouw gebleven was. Een nieuw vuur doorstroomde hunne aderen en zij hunkerden weldra naar den strijd. Vanwaar zou dit eenvoudige meisje den moed hebben, om het leger tegen den machtigen vijand aan te voeren, als zij niet van God gezonden was? O zeker, zij twijfelden niet, of Gods heiligen waren haar verschenen, en dit meisje handelde op Gods bevel. Vol geestdrift grepen zij naar de wapenen, om onder haar leiding ten strijde te trekken. Zij wachtten slechts op het bevel des konings.

En dat bevel werd eindelijk gegeven, echter niet, dan nadat Jeanne aan een langdurige proef onderworpen en als een braaf en eerlijk meisje erkend was.

De koning verklaarde aan hare goddelijke zending te gelooven en vertrouwde haar het opperbevel toe over eene krijgsbende, die bestemd was om eene bezending levensmiddelen en oorlogsbehoeften naar Orleans te brengen.

Jeanne ontving eene wapenrusting, wapens en paarden. Bovendien gaf de koning haar, zooals aan andere bevelhebbers, schildknapen, jagers, herauten en een veldkapelaan. Zij voerde een prachtige banier, geheel wit, met een gouden lelie bestikt. Op die banier was de Heiland voorgesteld, gezeten tusschen heiligen, en zij droeg de woorden: "Jezus, Maria."

Toen zij door de straten der stad reed op haar witte paard, het schitterende kuras om de slanke leden, haar gelaat door donkere lokken omringd, de oogen tintelende van het vuur der geestdrift, het zwaard in de tengere vuist, toen zij daar reed omringd door hare fakkeldragers, maakte zij op allen, die haar zagen, een overweldigenden indruk, en twijfelden er maar weinigen meer aan hare goddelijke roeping.

Allen werden met den diepsten eerbied voor haar vervuld, en de krijgslieden, wier gelederen zij langs reed, waren er heilig van overtuigd, dat dit schoone, vrome meisje hen ter overwinning zou voeren.

Den 27en April 1429 stelde zij zich aan het hoofd van haar leger, dat 6000 à 7000 man telde, en rukte naar Orleans op. Tot dusver was het leger steeds vergezeld geweest van allerlei gespuis, dat op kosten der soldaten teerde, maar Jeanne had hen allen uit haar leger doen verwijderen. Zij verbood op strenge straffen het spelen en vloeken en handhaafde een zeer strenge tucht. Niemand mocht zonder toestemming de gelederen verlaten om zooals vroeger te rooven en te plunderen. Als dienaren Gods moesten zij strijden en bidden; zij moesten het vaderland verlossen, boeren en burgers beschermen, en mochten niemand overlast aandoen.

Al deze maatregelen bezielden de Fransche krijgslieden met een nieuwen geest. Zij voelden zich strijders voor een heilige zaak en kregen het zelfvertrouwen, dat zij reeds sedert lang verloren hadden, terug.

Zoo bereikte Jeanne de bedreigde stad, waar zij onder eene onbeschrijfelijke geestdrift haar intocht deed. De burgers van Orleans zagen in Jeanne d'Arc eene heilige, en volgden hare bevelen met de meeste stiptheid op.

Maar de Engelschen, die van haar komst vernamen, beschouwden haar als eene heks, die zoo spoedig mogelijk op den brandstapel gebracht moest worden.