Chapter 2
Xerxes met zijn ontzaglijk leger naderde. Wel was zijn marsch moeilijk geweest, wel had de Olympus met zijn met sneeuw bedekten kruin, zijne nauwe passen en zijne dichte wouden hem in zijn voortgang belemmerd, maar eindelijk had hij toch de noordelijke helling van het Oetagebergte bereikt.
Nu voerde zijn tocht echter door een zeer smallen doorgang, den pas van Thermopylae. Het hooge gebergte met zijn steile rotswanden strekte zich tot bijna aan de zee uit. Eerst wanneer men vlak voor den pas stond, zag men den ingang naar den weg tusschen de zee aan de eene en de hooge rotsen aan de andere zijde. En die weg was zoo smal, dat er slechts één wagen over kon gaan. Door die nauwe poort kwam men in den eigenlijken pas, waar twee waterrijke heete zwavelbronnen ontsprongen, waaraan de pas zijn naam ontleende. Op korten afstand van die bronnen naderden de rotsen ten tweeden male bijna de zee, zoo dat de doortocht ook daar slechts door weinigen tegelijk kon geschieden, en bovendien vormde de zee bijna langs de geheele lengte van den pas een onpeilbaar moeras, waaruit niemand levend wederkeerde.
Koning Leonidas was besloten, dezen smallen dam, den eenigen weg, die toegang gaf tot Midden-Griekenland, met zijne mannen te verdedigen. Hier baatte Xerxes zijn ontzaglijk leger niet, want Leonidas zou immers nooit meer dan slechts enkele vijanden tegelijk te bekampen hebben?
Zeker, hij wist, dat hij in dezen strijd geen overwinnaar kon blijven, want elk gevecht zou hem eenige zijner dapperen kosten, maar hier zou het hem toch mogelijk zijn, het machtige leger in zijn voortgang te stuiten. Daardoor konden zijne landgenooten in de gelegenheid worden gesteld, zoo mogelijk hunne maatregelen ter verdediging te nemen.
Hij wist ook, dat hij en zijne dappere strijders sterven gingen. Want een Spartaan keerde immers nooit, dan als overwinnaar, uit den strijd terug?
Men berichtte hem, dat er nog een tweede weg was, die toegang tot Midden-Griekenland gaf. Die weg bestond uit een smal voetpad over een berg. Natuurlijk moest ook deze weg verdedigd worden. Leonidas droeg die taak op aan 1000 Phocensers, die zich hiertoe vrijwillig aanboden. De verdediging van dit smalle voetpad kon hun niet moeilijk vallen.
Zoo stonden de twee legers, als een ontzaglijke reus en de kleinste der dwergen tegenover elkander.
Een overlooper, die in het Spartaansche kamp kwam, vertelde dat hij het Perzische leger gezien had, en zei:
"Het is zoo talrijk, dat de zon door de pijlen der boogschutters verduisterd zal worden."
"Wat zou dat?" antwoordde een van de Spartanen. "Zooveel te beter. Dan zullen wij in de schaduw vechten."
Leonidas was gereed, om den vijand af te wachten. En deze zou ook komen, doch eerst zond koning Xerxes zijn gezantschap, om de wapens der Grieken op te eischen.
"Kom ze halen!" gaf Leonidas lakonisch ten antwoord.
Toen beval Xerxes zijne Meden, om met den aanval te beginnen. Hij twijfelde niet, of dezen zouden spoedig een schitterende overwinning op het kleine hoopje vijanden hebben behaald, maar--hoe onstuimig hun aanval ook was, zij konden geen duimbreed gronds op de dappere Grieken veroveren.
Met woede zag hij van zijn hoogen zetel, dien hij had laten oprichten om het gevecht te kunnen zien, hoe zijne krijgers teruggeworpen werden, zich weer verzamelden en opnieuw aanvielen, doch nogmaals en nogmaals teruggeworpen werden.
Nieuwe troepen moesten hen vervangen. Benden geduchte boogschutters werden op den vijand afgezonden, maar ook zij moesten met groote verliezen terugdeinzen. Toen zond Xerxes zijne keurbende. Deze onsterfelijken werden eveneens teruggejaagd en in hun vlucht zelfs door de Grieken achtervolgd. Toen de Grieken eindelijk terugkeerden, wat op last van Leonidas den schijn van een vlucht moest hebben, vielen de Perzen hen onder luid gejuich aan, tot de Grieken zich plotseling omkeerden en hen door een onstuimigen aanval in het moeras joegen, waar zij den dood vonden.
Toen de avond daalde, telde Xerxes 6000 krijgers minder en was hij zijn doel nog geen stap naderbij gekomen.
Doch ook de Grieken telden duizend dooden.
Den volgenden dag werd de strijd hervat. Weer volgde Xerxes van zijn hoogen zetel den gang van het gevecht en tot zijn groote woede zag hij, dat ook nu weer zijn krijgers herhaalde malen teruggeworpen werden en dat de Grieken niet tot wijken gedwongen konden worden. Reeds was den geheelen morgen gestreden, maar door de zijnen nog geen enkel voordeel behaald.
In matelooze woede stond hij van zijn zetel op en strekte hij de gebalde vuisten in de richting van de strijdenden uit.
Ha, was dan zelfs zijn machtwoord niet in staat zijne soldaten de overwinning te bezorgen?
Op dit oogenblik trad een dienaar eerbiedig nader, en zeide:
"Machtige koning, een Griek wenscht u te spreken."
"Een Griek?" vroeg de koning.
"Ja, Heer, een Griek,--een slaaf."
"Laat hem komen."
De slaaf wierp zich voor den koning ter aarde.
"Wie zijt gij?"
"Ephialtes, o koning, een slaaf."
"En wat wilt ge?"
"U een anderen weg wijzen, machtige koning. Een smal voetpad over den berg brengt u veilig aan den overkant."
De koning bedacht zich een oogenblik. Zou hij dezen slaaf, die zijn eigen vaderland kwam verraden, gelooven? Wachtte hem misschien geen valstrik?
De koning besloot hem te vertrouwen.
Hij gebood zijne keurbende, den verrader te volgen, en zijn bevel werd den volgenden morgen vroeg uitgevoerd.
De verrader Euphialtes wist niet, dat Leonidas de bewaking van dit smalle voetpad aan 1000 Phocensers had opgedragen, in de stellige meening, dat niemand beter dan zij daartoe geschikt waren, omdat hun woonplaats het eerst in de handen der Perzen zou vallen, indien de vijand langs dezen weg binnenrukte.
Helaas, de Phocensers sliepen, toen de vijand naakte. Het geluid der voetstappen en het ritselen der bladeren wekte hen uit hun slaap. In hun verregaande zorgeloosheid hadden zij zelfs verzuimd schildwachten uit te zetten.
Thans, nu het te laat was, sprongen zij ijlings op en grepen naar de wapenen. Maar zij werden met een pijlenregen begroet en waren geheel verward en ontsteld. Zij waagden het niet, den strijd te beginnen en gaven met een schandelijke laaghartigheid het voetpad prijs. Op een naburige hoogte brachten zij zich in veiligheid.
De Perzen vervolgden hen niet eens, maar daalden zoo snel mogelijk den berg af.
Een bode bracht de jobstijding aan koning Leonidas, die dadelijk begreep, dat hij thans verloren was. Immers, de vijanden zouden hem nu van twee kanten tegelijk aanvallen en zijn geheele leger vernietigen?
Maar nòg was de gelegenheid tot een terugtocht niet afgesneden. Nog was hij in de gelegenheid, het gros van zijn leger te redden, maar dan moest hij zich haasten. Hij gaf dan ook onmiddellijk bevel tot den terugtocht. Maar om te verhoeden, dat de krijgers door de vijanden zouden worden ingehaald en gedood, beval hij zijne dappere Spartanen te blijven. Hij was besloten, den pas zoo lang mogelijk te verdedigen, om het gros van zijn leger gelegenheid te geven, zich in veiligheid te stellen.
De uitslag kon niet twijfelachtig zijn: hij en zijne trouwe Spartanen zouden sterven, maar 't zou een schoone dood zijn.
Zijn bevel om af te trekken werd uitgevoerd,--doch niet door allen. Demophilus, de aanvoerder der dappere Thespiërs, verklaarde, onder levendige toejuiching van zijn landgenooten, dat hij bij den koning wilde blijven en met hem sterven, omdat zijn vaderland toch verloren was, als de Perzen den pas binnenrukten. Ook zijne krijgers bleven, zoodat Leonidas met ruim 1200 hopliten den laatsten strijd zou strijden. Het overige leger, nog slechts uit 3000 man bestaande, trok terug, om zoo mogelijk het leven te redden.
De krijgers, die achterbleven, tooiden zich met kransen van bloemen en bladen, alsof zij gereed stonden om feest te vieren ter eere van een of andere godheid.
Leonidas besloot den aanval van de vijanden niet af te wachten. Hij plaatste zich aan de spits van zijn dappere schare en drong den pas binnen, de Perzen tegemoet. Nu ontstond er een vreeselijk gevecht. De Spartanen wisten van geen wijken. Zij zochten slechts een eervollen krijgsmansdood op het veld van eer. Zij wedijverden onderling in onverschrokken dapperheid en in verachting van elk doodsgevaar.
Leonidas, de dappere, viel al spoedig doodelijk gewond ter aarde, waar hij weldra stierf. Zijn val vuurde de woede der Grieken nog aan, en er ontstond een vreeselijk gevecht om het bezit van zijn lijk. De lansen vlogen aan splinters, de zwaarden flikkerden in het heldere zonnelicht. De aanval der Grieken was zoo hevig, dat de Perzen tot viermaal toe tot wijken werden gedwongen.
Toen drongen de Perzen, die den omweg over het smalle bergpad hadden volbracht, den pas van de andere zijde binnen, en werden de Grieken dus van twee kanten aangevallen. En de dapperen konden zich niet meer verdedigen, want niemand hunner bezat meer eene lans, velen geen zwaard, anderen slechts een gedeelte daarvan.
Meer en meer versmolt de kleine schare. De laatst overgeblevenen verzamelden zich op eene kleine hoogte en wachtten daar rustig de komst der vijanden af. Tot op den laatsten man werden zij neergehouwen.
Zoo stierf de dappere Leonidas met zijne getrouwe Spartanen den heldendood, zich opofferende om 3000 spitsbroeders het leven te redden. De Perzen telden niet minder dan 20000 dooden.
GEORGE STEPHENSON
1781-1848.
In het plaatsje Wyclam, op ongeveer twee mijlen afstands van Newcastle on Tyne, woonde een goede honderd jaar geleden een arm jongetje, dat hoewel reeds 8 à 9 jaren oud, nog niet eens lezen of schrijven kon. Van den morgen tot den avond speelde hij bij de armelijke hut zijner ouders, of zwierf hij buiten de plaats rond om vogelnesten te zoeken in de boomen en boschjes, of zich te baden in de rivier.
Zijn vader was een eenvoudige arbeider, die als machinist het karige loon voor zich en de zijnen verdiende. Hij was algemeen geacht, en 's avonds in den winter verzamelden zich meermalen de jongens, waaronder ook de kleine George, rondom het vuur van zijne machine, om te luisteren naar de verhalen, die Robert Stephenson hun deed. En hij kon voor een eenvoudig arbeider mooi vertellen. De jongens hingen hem aan de lippen, als hij hun de lotgevallen van Robinson Crusoë beschreef, of als hij van de ontdekking van Amerika door Columbus vertelde. Dan duurde het verhaal den kleinen George nooit lang genoeg. Maar 't liefst van alles ving hij vogels, vooral lijsters, om ze op te voeden en te verzorgen. Ook van andere dieren hield hij veel, en een mooien hond te bezitten, scheen hem de grootste rijkdom toe.
Zijn vader miste de middelen om zijne kinderen naar school te laten gaan, en al jong moesten zij hun eigen brood geheel of gedeeltelijk zien te verdienen. Zoo ook de kleine George, die reeds als als negenjarig kind in dienst trad als herdersknaap.
Nu dwaalde hij dag-in, dag-uit met zijne kudde en den herdershond over de heide, en niemand zou toen hebben kunnen droomen, dat de arme jongen, die daar rustig zijne schapen hoedde en lezen noch schrijven kon, eenmaal een van de beroemdste mannen van Engeland zou worden.
De kleine George, die in zijn eentonig leven al spoedig door de verveling werd aangegrepen, zocht zich afleiding te verschaffen door allerlei dingen te knutselen. Zoo maakte hij b.v. molentjes, en zijne vreugde kende geen grenzen, wanneer de wind de wieken lustig deed draaien. Ook vervaardigde hij schepraderen, die hij door het stroomende water van de beek in beweging liet brengen,--en eindelijk fabriceerde hij van leem, hout, touw enz. eene geheele machine, zooals die van zijn vader in de fabriek. Dergelijk werk nam zijn geest geheel in beslag, bracht hem aan het peinzen en wekte zijne scheppingskracht, die later wonderen zou doen.
Eenigen tijd later werd hij van herdersknaap landarbeider, waardoor zijn weekloon grooter werd. Hij toonde zich toen een ijverig werker, wien geen moeite te veel was. Kwam hij 's avonds thuis, dan hielp hij nog zijn oudere broeders bij het uitzoeken van de kolen, en vermeerderde daardoor zijne verdiensten. Want hij woonde in het gebied van de kolenmijnen, die zich zelfs tot ver onder de zee uitstrekten. De arbeiders, die daar hun zwaar werk verrichtten, hadden de zee boven zich,--en de schepelingen, die het zilte nat doorploegden, konden allerminst vermoeden, dat beneden hen de mijnwerkers in het hart der aarde en omringd van de grootste gevaren, hun dagelijksch werk deden.
Maar ook landarbeider zou hij niet blijven. Toen hij veertien jaar oud was, kwam hij bij zijn vader in de fabriek als stoker. Hij verdiende daarmede 60 cent per dag.
Dit werk beviel hem buitengewoon, want hij was van lieverlede groote belangstelling gaan koesteren voor de samenstelling van machines en voor de onderdeelen daarvan. En nu het zijne taak geworden was, de machine schoon te houden, verminderde die belangstelling er natuurlijk niet op. Hij was nu mooi in de gelegenheid, de verschillende deelen uit elkander te nemen en te bestudeeren, en 't kostte hem weldra geen moeite meer, de machine geheel te ontleden en weer in elkaar te zetten. Op dezen leeftijd werd hij zich ook zijne geringe kennis bewust, en betreurde hij het niet weinig, dat hij niet lezen en schrijven kon. En zijn spijt werd er niet minder op, toen hij begon te begrijpen, welke wijsheid er in de boeken schuilde en hoe hij daaruit zou kunnen leeren, hoe machines gebouwd werden en hoe de ideeën van beroemde werktuigkundigen daarover waren.
Hij besloot dus, den verloren tijd nog in te halen. Driemaal in de week bezocht hij de avondschool, en zijne onderwijzers kwamen al spoedig in de gelegenheid om zijn leerlust en volharding daarbij op te merken. Al zijn vrijen tijd besteedde hij om zijn geest te bekwamen, en dikwijls zat hij tot laat in den nacht te studeeren. Zijn dagelijksch werk leed daaronder echter in het geheel niet, want zijn plichtsgevoel was sterk ontwikkeld.
De herbergen bezocht hij nooit. Ja, wel gingen zijne makkers daar den langen winteravond doorbrengen, om verstrooiïng te zoeken na hun zwaren dagarbeid, maar George was dan nooit in hun gezelschap. Hij las, of hij knutselde eene of andere machine, maar naar de herberg ging hij niet. 't Gevolg daarvan was, dat hij al spoedig een kleinen spaarpot kreeg, die gestadig grooter werd. Zoo kreeg hij eindelijk zelfs genoeg, om een klein huisje te koopen. Hij was toen twintig jaar oud. En nu hij eenmaal een huisje had, koos hij zich ook eene vrouw, die haar leven met het zijne wilde verbinden. Hij deed eene gelukkige keuze in Fanny Henderson, een eenvoudig meisje uit den omtrek.
Zijn huwelijk bracht in zijn levenswijze niet de minste verandering, of het moest deze wezen, dat hij velerlei werk bij de hand nam om zijne inkomsten te vermeerderen. Hij nam zelfs het schoenmakersvak ter hand, en lapte in zijne vrije uren de schoenen en laarzen van zijne stadgenooten. Ook legde hij zich toe op het snijden van leesten.
Op een avond brak er een brand uit in zijn schoorsteen. De rookwolken stegen hoog in de lucht en de vlammen sloegen boven den rand van den schoorsteen uit. Stephenson plaatste een ladder tegen zijn huis en stopte het schoorsteengat toe, zoodat de vlammen door gebrek aan lucht smoorden. Maar de hitte in zijne kamer was groot genoeg geweest, om het raderwerk van zijne hangklok duchtig in de war te brengen, zoodat deze niet meer gaan kon.
George Stephenson nam haar van den wand, bestudeerde de samenstelling van het uurwerk zorgvuldig, totdat hij de beteekenis van elk radertje goed begreep, en nam toen het uurwerk uit elkaar. Weldra ontdekte hij de oorzaak van het stilstaan, en met bekwame hand bracht hij de zaak weer geheel in orde. Zijne buren en kennissen, die hem aan den arbeid hadden gezien, stonden verbaasd over zijn vernuft en zijne handigheid, en bazuinden zijn lof uit. Het gevolg daarvan was, dat hem tal van klokken ter reparatie werden toevertrouwd, van welke opdrachten hij zich schitterend kweet. Zijne bijverdiensten werden er aanmerkelijk grooter door.
Zoo leefde hij een drietal gelukkige jaren, toen hem een slag trof, die hem levenslang verdriet zou doen. Zijn lieve vrouw namelijk werd ziek en stierf. Langen tijd had Stephenson noodig, om zijne smart te overwinnen. De dood van zijne vrouw had hem allen levenslust ontnomen, en verdrietig zat hij in zijn eenzame woning bij zijn eenig zoontje, zonder dat hij lust of kracht voelde, om iets ter hand te nemen.
Eindelijk evenwel vermande hij zich en besloot hij voortaan te leven voor het kind, dat zijne geliefde Fanny hem had nagelaten. En hij nam zich voor hem eene zorgvuldige opvoeding te laten geven. Hij zou trachten zelfs zooveel te verdienen, dat hij hem later aan de akademie te Newcastle kon laten studeeren. Hijzelf wist bij ondervinding, hoe diep treurig het is, als men in de kinderjaren geen goed onderwijs heeft ontvangen.
Toen hij na eenigen tijd eene uitnoodiging ontving, om ergens in Schotland eene nieuwe machine te stellen, besloot hij daaraan te voldoen. Hij vertrouwde zijn zoontje toe aan de goede zorgen van een braaf echtpaar, dat bij hem in de buurt woonde, en begaf zich te voet naar de plaats zijner bestemming.
Na een jaar keerde hij terug met een sommetje van 360 gulden overgespaard geld, maar trof zijne bejaarde ouders in een allerongelukkigsten toestand aan. Zijn vader had geen werk, en was diep in schulden geraakt. George bedacht zich geen oogenblik, maar gebruikte zijn zuur verdiend geld om die schulden te delgen en zoo goed mogelijk voor zijne ouders te zorgen, wel een bewijs, dat hij zijn hart op de rechte plaats droeg.
Hij had zich intusschen reeds een grooten naam gemaakt als uiterst bekwaam werkman. Daaraan had hij het te danken, dat men hem opdroeg een pompmachine te herstellen, die niet meer werken wilde, en waaraan verscheidene werktuigkundigen reeds tevergeefs hunne krachten hadden beproefd.
Stephenson was zoo gelukkig, de oorzaak van het kwaad spoedig te ontdekken, en in zeer korten tijd werkte de pomp weer even goed als vroeger. Ja, beter nog, want hij had eene paar kleine wijzigingen in de samenstelling aangebracht, die groote verbeteringen bleken te zijn. Als belooning ontving hij van de Directie 10 pond sterling ten geschenke.
Van dit oogenblik af bereikten hem van alle kanten uitnoodigingen, om slecht- of in 't geheel niet werkende stoommachines in orde te komen brengen, zoodat hij veel geld verdiende. Hij nam nu geregeld les in werktuigkunde en leerde zelfs nog machineteekenen, wat hem in zijn vak dikwijls te pas kwam. Ook beschouwde men hem niet meer als een gewoon werkman, maar kende men hem den titel van werktuigkundige toe. Eene kleine machine, die hij zelf geheel ontworpen en gebouwd had, wekte de bewondering van allen, die haar zagen.
Toch hield hij zich niet alleen met zijne machineriën bezig. Neen, hij was nog evenals vroeger een groot dierenvriend, en menig uurtje wijdde hij aan het tammaken van vogels, vooral lijsters. Een van deze dieren bracht zelfs den nacht door aan het hoofdeinde van zijn bed, en wat eigenaardig was: in het voorjaar vertrok deze lijster naar de bosschen om daar te nestelen, maar in het najaar kwam hij trouw weer terug, om den winter bij zijn vriend door te brengen.
Stephenson, die nog altoos een zeer eenvoudig man gebleven was, gunde zich menigmaal in het middaguur den tijd niet, om thuis te gaan middagmalen. Hij had echter zijn Schotschen herdershond Spot afgericht, om tegen het middaguur naar huis te gaan. Die hond was verbazend verstandig en leerzaam. Hij wist dan ook zeer goed, dat zijn meester hem naar huis zond, om diens middagmaal te halen. Men hing hem thuis namelijk een blikken bus, die het warme middagmaal voor Stephenson bevatte, om den nek, en dan keerde Spot welgemoed naar de mijn terug, waar zijn heer op hem wachtte.
Die trouwe Spot! De heerlijke geur van het lekkere middagmaal drong hem tergend in den neus, zoodat het water hem tusschen de tanden doorliep, maar hij taalde er niet naar, er zich ook maar het kleinste hapje van toe te eigenen. Neen, met opgeheven kop draafde hij voort, om zoo spoedig mogelijk bij zijn meester te komen. De menschen, die hem dan zagen gaan, keken hem lachend na, want iedereen kende den hond van George Stephenson.
Dat ging langen tijd goed, tot eindelijk een groote bulldog van een slager besloot, hem het lekkere hapje afhandig te maken. 's Middags, toen Spot passeeren zou, had hij zich midden op de straat neergelegd, om zijn snoode plan ten uitvoer te brengen.
Ha, daar kwam Spot den hoek om.
De groote slagershond stond op en gaf door een dof gebrom zijn booze plannen te kennen.
Spot bromde terug. Maar opeens vloog de dog op hem aan en greep hem bij de keel, met het vaste plan, hem het geurige middagmaal te ontrooven.
Spot was over deze brutale aanranding diep verontwaardigd, en hoewel de blikken ketel hem niet weinig in zijne bewegingen belemmerde, weerde hij zich zoo dapper, dat de dog jankte van pijn! 't Werd een woedend gevecht, en de honden rolden grommende over de straat, totdat eindelijk de bulldog jankende en met den staart tusschen de beenen het hazenpad koos. Spot was overwinnaar gebleven. Hij schudde zich het stof uit de haren en vervolgde met spoed zijn weg naar de mijn, waar Stephenson op hem wachtte.
Kwispelstaartend legde hij de blikken bus aan diens voeten, en hij keek zijn meester aan, of hij vragen wilde: "Heb ik me niet goed gehouden?"
't Was voor Stephenson in 't geheel geen aangename verrassing, toen hij den ketel ledig vond. Het lekkere middagmaal was onder de vechtpartij op de straat terecht gekomen, maar daar had Spot niets van gemerkt.
Toen Stephenson later vernam, wat er gebeurd was, zei hij:
"Nu, het bezitten van zoo'n trouwen hond is waarlijk wel een middagmaal waard!"
Het aangeboren scheppingsvermogen deed hem telkens iets nieuws bedenken, waardoor zijn naam steeds grootere vermaardheid kreeg. Zoo bedacht hij o.a. ook een lamp, die onder water brandende bleef. Maar daarmede was hij niet tevreden. In de kolenmijnen hoopt zich dikwijls het steenkolengas op, en levert dan de grootste gevaren op voor de mijnwerkers, die onder den grond zonder licht natuurlijk niet werken kunnen. Als dat gas dan in aanraking met het licht kwam, hadden er menigmaal hevige ontploffingen plaats, die voor de mijnwerkers de noodlottigste gevolgen hadden.
Eens, 't was in 't jaar 1814, had er weer zulk eene ontploffing plaats gehad en stond een gedeelte van een mijn in brand. IJlings boodschapte men dat aan Stephenson, die zich dadelijk naar de plaats des onheils begaf en in de mijn afdaalde. Op grooten afstand van de brandende gang stonden vele mijnwerkers bijeen.
"Komt mannen, wie moed heeft, volge mij, dan zullen wij den brand stuiten!" riep Stephenson hun onvervaard toe.
De mijnwerkers stelden een bijna onbegrensd vertrouwen in Stephenson, maar nu weifelden zij toch een oogenblik. Doch weldra vatten zij moed, en onder zijne leiding stopten zij den ingang tot het brandende deel geheel toe, zoodat de toevoer van versche lucht afgesloten werd en het vuur uitdoofde.
Stephenson keerde naar huis terug met het vaste voornemen eene lamp te bedenken, die de mijnwerkers zonder gevaar voor hun leven zouden kunnen gebruiken. En korten tijd daarna kwam hij met eene lamp te voorschijn, die volgens zijne vaste overtuiging aan het doel moest beantwoorden.
In gezelschap van eenige bekenden begaf hij zich den 21 October 1815 's avonds om elf uur in eene mijn, die zooveel steenkolengas bevatte, dat eene gewone lamp ongetwijfeld een geweldige ontploffing zou veroorzaken.
Onverschrokken trad Stephenson met zijn brandend licht de mijn binnen en liep door tot te midden van de opgehoopte gassen. En zie--de proef gelukte volkomen. De vlam groeide eerst een weinig, begon toen te flikkeren en ging daarna uit. Maar er kwam geen ontploffing.