Gouden Daden

Chapter 16

Chapter 164,010 wordsPublic domain

Ook Prascovia had de schoone wereld met al hare heerlijkheden niet gekend. Het koude, donkere Siberië was al spoedig háár wereld geworden, waarin zij lachte en speelde, danste en zong. Heerlijk vond zij het, op haar vaders knie te zitten en paardje te rijden, of te luisteren naar de vertellingen van hare moeder.

En toen zij ouder werd, hielp zij haar vader werken op het land, of arbeidde zij zelfs wel in het dorp bij de andere bannelingen, om als loon een bundeltje rogge thuis te kunnen brengen.

Zoo groeide zij op tot een meisje van vijftien jaar, te midden van veel ijs, sneeuw en duisternis. Maar toen ook begon het langzamerhand tot haar door te dringen, hoe diep ellendig hare ouders zich wel moesten gevoelen in dit rampzalige oord, waar de zon niet door de nevelen kon dringen, waar de aarde bijna een woestenij was, en waar een ellendige hut hun tot woning diende. O, Prascovia had hare ooren goed open gehad, zoo dikwijls zij anderen hoorde spreken over die andere wereld, ver van daar, waar alles zooveel heerlijker was en waar de menschen mochten gaan en staan, waar zij wilden, en waar vroolijkheid heerschte en levenslust.

En dáár hadden immers hare ouders eenmaal gewoond, dat heerlijke leven hadden zij gekend en genoten, daar hadden zij in volle vrijheid geleefd en zich gelukkig gevoeld. En van dien tijd af werd het meisje stil en in zichzelf gekeerd. Hare vroolijkheid verdween meer en meer, en al hare gedachten waren samengetrokken op een enkel punt, namelijk hoe zij hare ouders zou kunnen verlossen uit den poel van ellende, waarin zij waren nedergestort.

Lopouloff had zich tot nog toe goed gehouden, maar nu hij bij zijn geliefd kind alle vroolijkheid en opgeruimdheid meer en meer zag verdwijnen, wat hij toeschreef aan een onuitgesproken verlangen naar de vrijheid,--toen verloor ook hij allen levenslust. Hij besloot, een verzoekschrift tot den Gouverneur van Siberië te richten, om in vrijheid gesteld te worden. Zijne ballingschap had nu reeds twaalf jaren geduurd. Hij stelde zijn geschrift aan een officier ter hand, die hem beloofde het aan den Gouverneur over te brengen en tevens zijn voorspraak te zullen zijn.

Eerst wachtte hij geduldig af, wat er het gevolg van zou zijn. Maar toen de eene koerier na den anderen van Tobolsk kwam, zonder eenig antwoord op zijn brief te brengen, toen verviel hij langzamerhand tot groote somberheid, en begon hij jammerlijk te klagen over zijn bitter lot, en stortte hij tranen, als hij aan zijn kind dacht, dat opgroeide in ellende, niet het minste onderwijs had genoten en op het land onder vreemden arbeidde als een lijfeigene.

Er heerschte toen somberheid zoowel in als buiten de armoedige stulp, die zij bewoonden. Elken avond, voordat Prascovia naar bed ging, knielde zij neer en bad God om uitredding voor haar arme ouders, die wegkwijnden van verdriet. En eenmaal, toen zij weer hare gebeden opzond tot den Allerhoogste, schoot haar plotseling als een bliksemstraal de gedachte door het hoofd:

"Waarom zou ik zelf niet naar Petersburg gaan en den machtigen Czaar om genade voor mijn vader smeeken?"

Die gedachte verliet haar geen oogenblik meer, maar zij durfde er met hare ouders niet over spreken.

't Was immers toch een onmogelijkheid?

Toch kon zij er eindelijk niet langer over zwijgen, en sprak zij er hare ouders over.

Haar vader keek haar eenigszins spottend aan, en zeide tot zijne vrouw:

"Zoo'n dwaas kind! Dat wil naar Petersburg gaan, naar den Czaar, om genade voor mij te vragen! Hoe bedenkt ze het in vredesnaam!"

"Ze deed beter met op haar werk te letten," sprak hare Moeder. En toen Prascovia in tranen uitbarstte, gaf hare moeder haar een laken, en zei lachend:

"Hier, mijn kind, dek de tafel voor het eten,--en dan mag je naar Petersburg gaan."

Prascovia hield echter, nu zij er eenmaal over begonnen was, voet bij stuk en verdedigde haar plan met al de middelen, die haar ten dienste stonden. Telkens kwam zij er opnieuw op terug en geen dag ging er voorbij, dat zij haar ouders niet smeekte haar toestemming te geven om de groote reis te ondernemen. Haar vader werd er eindelijk wrevelig over en verbood haar kort en goed, dit onderwerp ooit weer aan te roeren. 't Was immers eene onmogelijkheid? Hoe zou een jong meisje geheel alleen die groote reis maken, zonder zelfs eenig geld tot hare beschikking te hebben. En dan eene reis zoo moeilijk en vol gevaren als deze?

"Ik verbied je er ooit weder een woord over te spreken. 't Is een onzinnig plan, dat je zoo spoedig mogelijk uit je gedachten moet zetten!"

Zoo gingen weer drie jaren voorbij, jaren, waarin de ellende in de kleine kluis nog grooter werd, daar hare moeder door eene ernstige en langdurige ziekte werd aangetast, die haar aan den rand van het graf bracht.

Toen eerst leerden hare ouders de groote liefde van hun kind kennen. Niet alleen had zij voor de huishouding te zorgen, maar bovendien moest zij hare zieke moeder verplegen, van welke zware taak zij zich met zooveel liefde en zelfopoffering kweet, dat hare ouders haar niet langer als een kind beschouwden, en voortaan met meer ernst toeluisterden, als zij weer haar plan ter sprake bracht.

Eindelijk gelukte het haar toestemming te verkrijgen, om de groote reis te ondernemen. Maar daaraan had zij niet genoeg. Zonder toestemming van den Gouverneur mocht zij Ischim niet verlaten. Ze zou, indien ze het toch deed, ongetwijfeld binnen korten tijd weer naar haar dorpje worden teruggevoerd. Zij had een paspoort noodig, en het verkrijgen daarvan scheen een moeilijke zaak. Verzoekschrift op verzoekschrift zond zij aan den Gouverneur, maar al hare brieven bleven onbeantwoord.

Zoo gingen weer zes maanden voorbij, toen eindelijk een koerier het lang gewenschte stuk bracht. Zij kreeg werkelijk verlof, Siberië te verlaten en de groote reis te ondernemen.

Maar zie, nu het gewichtige oogenblik eindelijk was gekomen, trok haar vader, bevreesd voor de gevaren, die zijn geliefd kind op den grooten tocht bedreigden, zijne toestemming in, en weigerde hij haar te laten gaan. Het paspoort nam hij onder zijne berusting en sloot het weg.

Prascovia barstte in tranen uit, en smeekte zoo lang, dat haar vader ten slotte toegaf. Toch beproefde hij nog, haar van haar plan terug te brengen.

"Goed," zei hij, "je kunt gaan, kind, omdat ik zie, dat je niet anders wilt. Maar heb je wel bedacht, dat je niet eens tot den keizer zult worden toegelaten? Weet je wel, dat schildwachten zijn paleis bewaken en dat het je nooit gelukken zal, den drempel daarvan te overschrijden? En zou je in je armelijke kleeren bij den keizer toegelaten willen worden? Kom, kom, er is geen denken aan."

"Toch ga ik, en God zal mij helpen," hield Prascovia vol. Zoo had zij dan eindelijk alle bezwaren overwonnen en zou zij met toestemming van hare ouders de reis ondernemen. Het vertrek werd op den 8en September bepaald. Bij het krieken van den dag stonden zij op. Zij had het weinige, dat zij op haar tocht zou meenemen, geborgen in een klein zakje, dat zij om den hals droeg onder hare kleeren.

Vader, moeder en dochter waren hoogst ernstig gestemd en spraken weinig. Toen de eerste zonnestraal door het venster naar binnen drong, begaven zij zich volgens Russisch gebruik in het gebed, en smeekten zij God om Zijn hulp en bijstand. Daarna breidde de vader zijne armen over het hoofd van zijn dochter uit en gaf haar zijn zegen. Hij reikte haar ook een zilveren roebel toe, een geldstuk ter waarde van ongeveer twee gulden. 't Was alles, wat hij haar kon meegeven.

"Och, waartoe zou dat geld mij dienen," zei Prascovia. "'t Is te weinig, om mij van nut te kunnen zijn, terwijl het voor u een groote waarde vertegenwoordigt. Houd u het maar."

Hiervan wilde haar vader echter niet weten en hij dwong haar het geldstuk aan te nemen. Er kwamen ook nog twee van de armste bannelingen, die haar dertig kopekken aanboden en een stukje zilverwerk. Maar Prascovia, hoewel getroffen door deze eenvoudige daad, weigerde beslist, ze aan te nemen.

Toen nam zij een teeder afscheid van hare ouders en ging op weg. Hare ouders staarden haar met betraande oogen na, tot zij haar niet meer zien konden. En de beide arme vrouwtjes vergezelden haar zoover het haar geoorloofd was. Voordat zij afscheid van haar namen, achterhaalden zij eenige meisjes, die op een der dorpen woonden, waar Prascovia langs moest. Deze meisjes waren zeer vriendelijk voor haar en een van haar bood haar zelfs een nachtverblijf aan, waarvan Prascovia dankbaar gebruik maakte. 's Morgens vroeg vervolgde zij haar tocht weer, maar 't was moeilijk voor haar, den rechten weg te vinden. Als zij iemand den weg naar Petersburg vroeg, keek men haar aan, of zij niet goed bij haar verstand was, of wel men lachte haar smakelijk uit over zoo'n domme vraag. Petersburg immers lag op zoo'n verbazend grooten afstand, dat men hier in Holland even goed aan een voorbijganger zou kunnen vragen: "Loop ik zoo goed naar Rome?"

Den tweeden dag dwaalde zij dan ook van den rechten weg af en kwam eenige uren na haar vertrek tot hare verbazing in hetzelfde dorp terug, waar zij den nacht had doorgebracht. Zij gaf echter den moed niet op, maar begon haar tocht opnieuw. 't Was uiterst moeilijk voor haar, om eenigszins de richting te bepalen, die zij nemen moest, want namen van steden en dorpen, die zij op haar weg passeeren moest, kende zij niet. Eindelijk meende zij, dat de stad Kiev wel de eerste plaats van beteekenis was, die zij bereiken moest, en zoo vroeg zij steeds, hoe zij loopen moest, om daar te komen.

Als de avond viel, trachtte zij hier of daar bij vriendelijke menschen een nachtverblijf te vinden. Op kleinere plaatsen gelukte haar dat meestal nog al goed, maar op de grootere kostte het haar niet weinig moeite. Meestal werd zij aan de deur op ruwe wijze afgesnauwd, en menigmaal moest zij hooren, dat men voor dieven en landloopsters geen nachtverblijf beschikbaar had. Als zij honger en dorst kreeg, bedelde zij aan de huizen om een bete broods of een dronk waters, wat haar in de meeste gevallen gaarne gegeven werd.

Toen zij eens den geheelen dag geloopen had en vermoeid was, werd zij tegen den avond overvallen door een vreeselijken storm, en de regen viel bij stroomen neder! 't Werd zwaar weer, zoo zelfs, dat op korten afstand vóór haar een boom ontworteld werd en met een zwaren slag op den grond neerplofte. Bijna was zij er onder verpletterd geworden. Angstig keek zij uit, of zij ergens in den omtrek huizen ontwaarde, maar zij zag er geen. Alleen een dicht kreupelbosch bood haar eenige bescherming aan. Zij zocht daar dan ook haar toevlucht. Zij werd doornat en beefde van koude. En met schrik zag zij, dat de duisternis snel toenam en dat zij gedwongen zou zijn, den nacht onder den blooten hemel te moeten doorbrengen. Een vreeselijke gedachte voor de arme Prascovia. De wind loeide door het geboomte en deed haar huiveren van koude en angst. Hare kleeren waren doorweekt van den regen en de honger kwelde haar. Met den rug tegen een boomstam geleund, bracht zij den langen nacht onder angst en beving door. Eindelijk bedaarde de storm, en bij zonsopgang verliet Prascovia hare schuilplaats, om haar tocht voort te zetten.

Gelukkig reed haar een boer achterop, die haar een plaatsje op zijne kar aanbood. Zoo bereikte zij tegen acht uur een dorp, waar de boer haar midden op de straat afzette. Het arme meisje zag er ontoonbaar uit. Hare kleeren zaten vol modder en waren doornat. Zij vroeg aan verscheidene huizen om een stuk brood en smeekte hare kleeren te mogen drogen, maar zij werd overal afgewezen. De jongens jouwden haar uit voor dievegge en landloopster en wierpen haar met steenen. Uitgeput, half verhongerd en moedeloos ging zij voor een huis op den stoep zitten, maar zij werd er al spoedig vandaan gejaagd. Voor eene andere woning was ze al even ongelukkig. Ten slotte bereikte zij de kerk. Ha, dáár zou men haar toch den toegang niet weigeren. Haastig snelde zij er heen, maar helaas, de deur was gesloten. Ze ging voor het portaal zitten en barstte in tranen uit.

Op dat oogenblik naderde haar eene vrouw, die blijkbaar medelijden met haar had.

"Wat scheelt u, meisje?" vroeg ze.

Toen vertelde Prascovia haar van den verschrikkelijken nacht, dien zij had doorgebracht, en hoe hongerig en moede zij was.

"Ga mede naar mijn huis," sprak de vrouw.

Prascovia wilde opstaan, maar hare beenen weigerden haar den dienst. Zij waren geheel verstijfd, en hare voeten waren gezwollen. Ook had ze een van hare schoenen verloren.

Er kwamen meer menschen toeloopen, en toen zij hoorden, hoe dit meisje hier gekomen was en hoe zij den nacht onder den blooten hemel had doorgebracht, en toen zij zagen, hoe pijnlijk hare voeten waren,--toen hadden zij medelijden met haar en brachten haar op eene kar naar de woning van de goede vrouw, die vol medelijden haar een onderdak aanbood.

Prascovia was zoo uitgeput, dat zij verscheidene dagen in de vriendelijke woning moest blijven, eer zij haar tocht kon voortzetten. Van een der dorpelingen kreeg zij een paar nieuwe schoenen. Zij toonde hare dankbaarheid, door voor haar vriendelijke gastvrouw naaiwerk te verrichten. Toen zij hersteld was, nam zij afscheid en ging verder.

Op een anderen keer had zij eene ontmoeting, waaraan zij later niet dan met ontzetting kon terugdenken.

Ze was tegen den avond in een dorp gekomen en had overal tevergeefs om een nachtverblijf gevraagd. Eindelijk kwam zij aan het laatste huis, en herhaalde ook daar hare bede. De man keek haar een oogenblik scherp onderzoekend aan, en wees haar toen op ruwe wijze af.

Maar een oogenblik later riep hij haar terug. Zij trad dus de woning binnen, doch zag tot haar schrik, dat de deur door palen werd afgesloten. En ook zag ze, dat zoowel de man als de vrouw een zeer ongunstig uiterlijk hadden.

"Waar kom je vandaan?" vroeg de man.

"Van Ischim," zei ze. "Ik ga naar Petersburg."

"Naar Petersburg? En heb je geld genoeg voor zoo'n groote reis?"

"Slechts 80 kopekken," antwoordde Prascovia, die blij was, dat ze op dat oogenblik niet meer geld in haar bezit had. Ze was stellig overtuigd, dat de menschen, bij wie ze in huis was, slechte bedoelingen hadden en haar wilden bestelen, misschien zelfs wel vermoorden.

"Je liegt!" schreeuwde de man haar toe. "Niemand maakt zoo'n groote reis zonder geld."

En toen Prascovia volhield, dat zij niet meer bezat, werd de man ruw en woest, wat haar zeer beangstigde. Gaarne was zij dit ongastvrije dak ontvlucht, maar de deur was zorgvuldig gesloten en zij zag geen kans haar te openen. Bovendien zou haar dat stellig belet zijn.

Eindelijk zette de vrouw haar wat gekookte aardappelen voor en zei, dat ze op de kachel mocht liggen om te slapen, zooals dat bij de arme Russen gebruikelijk is.

Prascovia deed dat, maar zij durfde niet te gaan slapen. Zij was overtuigd, dat de menschen slechte bedoelingen hadden. In die overtuiging werd zij versterkt, toen zij de vrouw haar man hoorde toefluisteren:

"Zij moet meer geld hebben. Ik zag om haar hals een koord met een zakje er aan. Daar moet het geld in zijn."

Prascovia lag doodstil. Opeens bemerkte zij tot haar schrik, dat de vrouw op de kachel klom en, in de meening, dat zij sliep, haar het taschje van den hals nam en keek, hoeveel geld het bevatte. Ook onderzocht zij hare kleeren en zelfs hare schoenen. De man lichtte haar bij tijdens dat onderzoek.

Toen de beide menschen alles doorsnuffeld hadden, gingen zij slapen. Prascovia had een verschrikkelijk oogenblik doorleefd. Zij meende niet anders, of die menschen zouden haar vermoorden. Maar nu zij sliepen, werd zij kalmer en viel eindelijk ook in een diepen slaap, waaruit zij niet ontwaakte, dan toen de vrouw haar riep.

Deze was nu zeer vriendelijk voor haar en gaf haar een uitstekend ontbijt, en ze deed Prascovia allerlei vragen. 't Scheen wel een heel ander mensch dan den vorigen avond. Ze sprak ook over het onderzoek, dat zij toen had ingesteld.

"Wij dachten, dat je oneerlijk was, maar je zult later wel merken, dat wij geen dieven zijn of slechte bedoelingen hadden," zei ze tot Prascovia.

Deze was blij, toen zij de woning goed en wel verlaten had, maar toen zij later haar taschje nakeek, zag zij, dat er geen 80 kopekken in waren, maar 120. De oude vrouw moest er dus 40 bijgedaan hebben, en Prascovia had haar ten onrechte gewantrouwd.

Eenigen tijd later werd zij door eenige dorpshonden aangevallen. Verschrikt hief ze haar stok op en trachtte de woeste dieren te verjagen, maar dat gelukte haar niet. Met woest geblaf sprongen zij om haar heen. Vol angst liet zij zich eindelijk voorover op den grond vallen, haar gelaat met de handen bedekkende. O, ongetwijfeld zouden de beesten haar thans verscheuren!--Maar zie, de honden besnuffelden haar maar even en deden haar in 't geheel geen kwaad. En een voorbijkomende boer joeg hen weg met zijn stok.

Zoo reisde Prascovia steeds verder, tot zij eindelijk in haar tocht werd gestuit door een hevigen sneeuwstorm, die niet minder dan acht dagen aanhield en de aarde met een dikke laag sneeuw bedekte.

Gelukkig vond Prascovia een gastvrij onderdak, waar zij door het doen van de wasch en het verrichten van naaiwerk zich verdienstelijk trachtte te maken. Toen de storm uitgewoed had, wilde Prascovia vertrekken, maar de boeren verklaarden, dat het zelfs een sterken man het leven zou kosten, indien hij te voet eene lange reis door de sneeuwvelden ondernam. Zij raadden haar aan te wachten, tot er een convooi van sleden door het dorp kwam, dat elk jaar daar langs trok, om naar Jekaterinenburg te gaan met goederen voor het kerstfeest. Na eenige dagen verschenen de drijvers dan ook met hunne sleden. De boeren vertelden hun, dat Prascovia op weg was naar Petersburg, om genade voor haar vader te vragen, en verzochten aan de drijvers, haar een plaatsje op een van de sleden te geven. Dat wilden zij gaarne doen. De drijvers hadden medelijden met haar en bewonderden ook hare liefde voor haar ouders en haar moed.

't Was heerlijk voor Prascovia, op deze gemakkelijke manier hare reis te kunnen voortzetten, want zij was door en door vermoeid. Maar ongelukkig waren hare dunne kleeren totaal onvoldoende, om haar tegen de snerpende koude te beschutten, en zelfs, toen de mannen haar met hunne mantels bedekten, bleek de koude nog te hevig. Na eene reis van vier dagen tilde men haar aan een eenzame halte verstijfd van de slede, en bleek het, dat hare wang bevroren was. Dadelijk wreven de drijvers haar met sneeuw, waardoor erger voorkomen werd, maar zij durfden haar toch niet verder meenemen, als zij geen schapenvacht had om zich te verwarmen. Prascovia had geen geld om er een te koopen, en toen hare brave geleiders het geld bij elkaar hadden gelegd, bleek er zelfs op deze eenzame plaats geen te koop te zijn.

Toen besloten zij, Prascovia een schapenvacht van een hunner af te staan, en het om beurten zelf zonder zulk een onmisbare pels te doen. Zoo kwam Prascovia te Jekaterinenburg aan, vol dankbaarheid jegens de goede lieden, die haar met zooveel zelfopoffering hadden voortgeholpen.

In deze stad hoorde zij veel spreken over de menschlievendheid van zekere Madame Milim, en zij besloot de hulp van deze vrouw in te roepen. Toen zij bij eene kerk eene dame ontmoette en haar vroeg, waar Madame Milim woonde, bleek het de aangesprokene zelf te wezen, en deze brave vrouw vatte eene groote genegenheid voor het meisje op. Zij nam haar mede naar hare woning en hield haar den geheelen winter bij zich. Zij vond het onverantwoordelijk, het jonge meisje in het barre jaargetijde verder te laten gaan. Zij leerde haar lezen en schrijven en bracht haar zooveel algemeene ontwikkeling bij, als in zulk een korten tijd maar mogelijk was. Toen de lente intrad, vertrouwde zij Prascovia toe aan de hoede van een harer kennissen, die naar Niezjnii-Nowgorod voor zaken op reis ging. Op de boot werd hij echter zwaar ziek, zoodat men hem in een klein plaatsje moest achterlaten. Onderweg trof Prascovia nog een ander ongeluk. Zij werd met nog twee andere passagiers door een noodlottig toeval overboord geworpen. Zij werden wel dadelijk gered, maar hadden geen gelegenheid om zich te verkleeden, wat hare gezondheid in gevaar bracht. Te Niezjnii-Nowgorod overviel haar eene ernstige ziekte. Gelukkig werd zij in een klooster opgenomen, waar zij met de grootste liefde werd verpleegd. De dokter vreesde, dat zij sterven zou, doch Prascovia zeide: "Dat geloof ik niet. De goede God zal mij niet laten sterven, vóór ik mijne taak volbracht heb."

En ze genas inderdaad, maar zoo langzaam, dat de zomer voorbij was, eer ze de reis kon voortzetten.

Eindelijk vertrok ze in eene slede naar Moskou. Ze was toen nog erg zwak, te zwak zelfs om in rammelende en schokkende postwagens te rijden. Gelukkig had Madame Milim haar van eenig geld voorzien, zoodat ze nu althans niet meer te voet het land behoefde door te trekken, bedelende om een stuk brood. Ook had hare weldoenster haar brieven medegegeven voor vrienden. Van Moskou vervolgde zij haar tocht naar Petersburg, waar zij aankwam 18 maanden na haar vertrek uit Ischim. Zij was ook in het bezit van een aanbevelingsbrief voor een Prinses, maar het gelukte haar niet, deze te ontmoeten.

Op raad van een harer kennissen stelde zij een verzoekschrift op om het vonnis van haar vader te herzien, en met dit geschrift in de hand plaatste zij zich voor het regeeringsgebouw, in de hoop, dat een der hooge personen, die daar dagelijks in en uitgingen, het van haar zou willen aannemen. Er werd echter niet naar haar geluisterd, soms zelfs werd zij met ruwheid bejegend. Zoo gingen verscheidene weken voorbij.

Gedurende dien tijd was zij gastvrij opgenomen ten huize van een koopman, die echter voor zaken op reis was naar Riga.

Hoe dikwijls Prascovia ook werd teleurgesteld, zij verloor nooit den moed. Nu eens beproefde zij hier, dan weer elders haar geluk. Zij wendde zich tot verscheidene hooggeplaatste personen, en ontmoette zelfs de Prinses, voor wie zij een aanbevelingsbrief bij zich had, en al die menschen waren wel vriendelijk voor haar, maar deden weinig of niets, om haar te helpen bij het bereiken van haar doel. Tot zij eindelijk het geluk had kennis te maken met een der Secretarissen van Keizerin Maria, de weduwe van den vorigen en de moeder van den regeerenden Czaar. Hij hoorde haar droevig verhaal met groote belangstelling aan en beloofde haar, een goed woord voor haar te zullen doen bij Keizerin Maria, die om hare zachtmoedigheid en vriendelijkheid algemeen bekend en bemind was. Deze was dan ook dadelijk bereid, Prascovia te ontvangen en hare wenschen te vernemen.

Toen Prascovia dat hoorde, werd ze doodsbleek van ontroering en klopte haar hart van dankbare vreugde. Zij sloeg de armen ten hemel, en stamelde:

"O God, dan heb ik niet tevergeefs op u vertrouwd!"

Nog dienzelfden avond begaf ze zich naar het paleis van de Keizerin, en dacht bij zichzelf:

"O, als mijn vader mij nu eens kon zien, wat zou hij blij zijn!"

De Keizerin-Moeder liet Prascovia bij zich in haar eigen kamer komen. Eerst was het meisje wel wat beschroomd, maar de hooge Vrouw had zulke eenvoudige manieren, dat zij zich spoedig op haar gemak voelde. Prascovia vertelde toen van het rampzalig lot harer ouders, die nu al sedert vele jaren als bannelingen in Siberië vertoefden, en van hare langdurige reis en van hare vergeefsche pogingen, om bij den Keizer toegelaten te worden. De Keizerin hoorde haar met de grootste belangstelling aan en was diep getroffen door het ongekunstelde verhaal van het eenvoudige, brave meisje.

"Je hebt een gulden daad verricht, mijn kind," zei ze, toen Prascovia haar verhaal geëindigd had. "Ik beloof je, bij den keizer uw voorspraak te zullen zijn. Houd maar goeden moed, je zult weldra van mij hooren."