Gouden Daden

Chapter 15

Chapter 153,925 wordsPublic domain

Rechts aan het hoofdeinde der lijkbaar, een slip van het lijkkleed dragend, liep Stanley, verbrand door de Afrikaansche zon, want hij was juist van eene nieuwe reis uit Afrika teruggekeerd. Thans begeleidde hij den beroemden man naar een ander "donker werelddeel," waarvan echter geen zwerveling ooit terugkeert.

KINDER- EN OUDERLIEFDE.

In September van het jaar 1792 verkeerde geheel Parijs in een staat van groote opgewondenheid, die weldra tot razernij oversloeg. 't Was in de dagen der groote Revolutie. De koninklijke familie was gevangen genomen en Frankrijk leefde al sedert 1789 als in een roes. De woorden Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap leefden in ieders mond, maar moord en doodslag waren aan de orde van den dag, en de gevangenissen zaten opgepropt met menschen, die verdacht waren van koningsgezindheid, of zich tegen de revolutie hadden verklaard. De geringste beschuldiging was voldoende om iemand in den kerker te doen werpen, waaruit bijna niemand ontkwam, dan op den wagen, die naar de guillotine voerde.

In September 1792 bereikte die razernij haar toppunt. 't Gerucht ging door de stad, dat de vereenigde Pruisische en Oostenrijksche legers Verdun hadden bemachtigd en tegen Parijs in aantocht waren. Men balde de vuisten en knarste op de tanden. Ha! Zou dan Frankrijks laatste uur geslagen zijn? Zouden zij dan komen, die gehate vijanden, met kogel en strop, met vuur en brandstof, om de leiders der revolutie te dooden, den koning op den troon te herstellen en zich op het Fransche volk te wreken over diens vernedering?

Maar dat zou nooit,--nooit geschieden!

Hoort, de klokken luidden, niet om op dezen Zondag de menschen naar de kerken te roepen, maar om hun met zwaren dreun te verkondigen, dat Frankrijk in gevaar verkeerde. Schrik en woede staan op ieders gelaat te lezen. Het volk verdringt zich onder luide kreten in de straten, en stroomt als een menschenzee her- en derwaarts.

"Te wapen! Te wapen!" klinkt de kreet. "Op naar de gevangenissen, waar duizenden koningsgezinden wachten op hunne bevrijding, en eenmaal van de macht meester, zich op ons zullen werpen! Op, op, den dood aan de landverraders!"

Dolken, zwaarden en pieken schitteren in het helle zonnelicht. Zie, eene gevangenis wordt geopend, en dertig mannen in geestelijk gewaad worden in zes rijtuigen geplaatst, om uit hunne voorloopige gevangenis naar de kerkers der Abbaye te worden vervoerd. 't Zijn priesters, die geweigerd hebben den eed op de constitutie af te leggen. De rijtuigen zetten zich langzaam in beweging, want 't is bijna onmogelijk door den menschendrom heen te rijden. En welke menschen! Woest is hun uiterlijk, bloeddorstig zijn hunne blikken, vreeselijk hunne verwenschingen. Zij dringen om de rijtuigen heen, wat hun door de wachten niet wordt belet.

"Opent de raampjes van de rijtuigen!" roepen enkele priesters, hopende dat het grauw eerbied zal hebben voor hun geestelijk gewaad.

"Neer die ramen!" antwoordt het volk ruw.

Een van de priesters slaat met een stok op de hand van een ruwen kerel, die het raam neerdrukt. En in 't volgend oogenblik worden de portieren opengerukt, de geestelijken uit de wagens gesleurd en op den grond geworpen.

't Grauw werpt zich op hen. Hunne kreten zijn aan die van verscheurende dieren gelijk. Maar men hoort ook jammerkreten. Velen van de omstanders smeeken om barmhartigheid, maar een woedend geraas en gegil verdooft die bede. Dolken en sabels flikkeren,--het bloed stroomt, en weldra bedekken dertig lijken den grond.

En nu was het verdwaasde, opgehitste grauw niet meer te houden. Waanzinnig van bloeddorst snelde het naar de gevangenissen, maakte zich van den toegang meester en drong naar binnen. Men eischte de gevangenisrollen, die de namen der gevangenen bevatten. En nu ving er een drama aan, dat niet minder dan vier vreeselijke dagen zou duren. Haastig werd in elke gevangenis eene kamer tot gerechtszaal ingericht. Enkele bloedgierige leiders zullen als rechters dienst doen, anderen spelen voor gerechtsdienaren, en het loeiende dolzinnige volk buiten de hoofdpoort zijn de beulen, die de vonnissen zullen voltrekken. En welke vonnissen! Geen enkele zaak wordt behoorlijk onderzocht, geen getuigen worden gehoord.

Men leest een naam af. De gevangene wordt binnengebracht. Enkele vragen worden tot hem gericht.

"Is hij een samenzweerder? Is hij koningsgezind? Niet? Welnu, vrijgesproken! Vive la nation!"

Een volgende naam wordt gehoord.

Grendels knarsen, de deur wordt geopend, de gevangene verschijnt.

"Een samenzweerder?"

"Ja!" roept iemand.

"Ja? Welnu, breng den gevangene naar La Force over!" [2]

De ongelukkige wordt naar de hoofdpoort geleid en naar buiten geduwd. Maar,--o God, daar staan de beulen! 't Is het grauw, dat met dolk en spiets op zijn prooi wacht. Met hoongelach wordt het slachtoffer begroet. Op 't volgend oogenblik valt hij met honderd wonden ter aarde, en kleurt zijn bloed de straat! Zoo gaat het voort, van minuut tot minuut. Het eene slachtoffer volgt op het andere. De lijken stapelen op tot hoopen, het bloed vormt stroompjes.

Zoo ging het in die vreeselijke vier dagen in alle gevangenissen, in La Force, in het Châtelet, in de Conciergerie en nog meer andere.

Zelfs vrouwen bevonden zich voor de hoofdpoorten, om zich te verlustigen in het vermoorden der ongelukkigen. Neen, neen, die menschen waren geen menschen meer, 't waren monsters geworden.

Menschen, die nog niet door die vreeselijke razernij waren aangegrepen en de afschuwelijke moordtooneelen aanschouwden, barstten in tranen uit en snelden ijlings heen met de handen voor het gelaat, om maar niets meer te zien. Zelfs dappere mannen, die in heete gevechten zich helden hadden betoond, sidderden bij hetgeen zij hier zagen.

En de arme gevangenen, die zich als prooi zagen aangewezen? Ontzet deinsden zij terug en smeekten om erbarming, zelfs oude soldaten vreesden dezen dood. Anderen wierpen zich snel op de pieken, om er een kort einde aan te maken.

De prinses de Lamballe, de vriendin der koningin, wordt voor den rechter(!) gevoerd.

"Men brenge haar over naar de Abbaye!" luidt het vonnis.

Zij wil haar kleeding een weinig verschikken, want zij lag juist te bed, toen zij werd opgeroepen.

"Niet noodig. Gij behoeft niet ver te gaan!" voegt men haar spottend toe.

't Was waar. Haar laatste gang was maar kort, want buiten de poort werd zij neergesabeld en vreeselijk verminkt. Haar hoofd stak men op een piek, zingende en tierende droeg men het door Parijs, om het aan de koningin Maria Antoinette te toonen, die ook in de gevangenis zuchtte, maar onder bescherming stond van de regeering. Hare gevangenis, de Tempel, werd in die uren door een lang driekleurig lint beschut, met het opschrift:

"Citoyens, respectez cette barrière; elle est nécessaire à la responsabilité de vos magistrats." (Burgers, eerbiedigt deze afscheiding; zij is noodzakelijk voor de verantwoordelijkheid uwer magistraten).

Weer wordt een naam afgeroepen.

"Jacques Cazotte!"

De deur knarst open en een grijsaard verschijnt. Lange zilverwitte haren golven hem op de schouders neer. Hij is reeds twee en zeventig jaar oud. Als schrijver had hij een grooten naam verworven, wat niet belet had, dat hij als koningsgezinde in den kerker geworpen werd.

Daar verschijnt hij, terwijl zijne dochter Elisabeth teeder hare armen om hem heengestrengeld houdt. Het meisje is niet ouder dan twintig jaar.

"Is hij schuldig?"

"Hij heeft een schuldige briefwisseling gehouden met Ponteau, Secretaris der civiele lijst!"

"Naar La Force!" klinkt het vonnis.

Voort gaat het naar de poort.

Ha, daar brult en krijscht het grauw zijn slachtoffer het vreeselijk welkom toe. De bebloede pieken en zwaarden, de kreten van het volk, die lijken daar op den grond, dat bloed,--o, dat alles zegt duidelijk, welk lot den grijsaard hier wacht.

Hij slaat de handen voor de oogen.

Elisabeth strengelt haar beide armen om haar ouden vader heen. Hare oogen vullen zich met tranen.

Men wil haar losrukken van den grijsaard, maar zij wil niet van hem gescheiden worden.

"O neen, laat mij met hem sterven,--scheidt ons niet," smeekt zij hare beulen met bevende stem.

En sterker klemt zij zich aan haar geliefden vader vast, want hare liefde voor hem is sterker dan de dood.

Zie, zelfs het bloeddorstige grauw wordt er door getroffen.

"Laat haar! Laat haar!" wordt er geroepen.

De moordenaars grijpen beiden aan, en duwen hen juichende verder door den menschendrom.

"Laat haar gaan! Laat haar gaan!" schreeuwt het volk.

De rijen worden geopend, en vader en dochter zijn vrij. Het leven van den grijsaard is gered, gered door de alles overwinnende liefde van zijn kind!

Spoedig zijn zij vergeten, want de poort wordt opnieuw geopend en--de vreeselijke slachting gaat ongestoord voort.

Nogmaals verschijnt een eenvoudige grijsaard voor de rechters. 't Is een edelman, genaamd Charles de Sombreuil, en evenals Cazotte wordt ook hij door eene liefhebbende dochter vergezeld. Zij heet Maria. Heldhaftig schrijdt zij naast haar vader voort en ondersteunt hem bij het gaan. O, zij wil hem redden of--met hem sterven.

"Mijn vader is onschuldig!" roept zij den rechters toe, maar men luistert niet naar haar.

Hij wordt ondervraagd en schuldig bevonden. Ook zijn vonnis luidt als de honderden, die reeds geveld zijn:

"Naar La Force!"

Enkele seconden later staan zij voor hunne beulen.

Maar Maria vreest den dood niet. Zij plaatst zich voor haar ouden vader, om de doodelijke stooten op te vangen, en roept de moordenaars toe:

"Mijne vader is geen aristocraat! Hij is onschuldig!" 't Volk lacht.

"Geen aristocraat! En gij dan?"

"Neen, neen, ook ik niet. Wij haten de aristocraten. O, goede heeren, ik wil het u bezweren!"

Een van het volk grijpt een beker en schept dien vol met het bloed van de straat.

"Wilt gij dan aristocratenbloed drinken?" roept hij haar toe, en hij heft den verschrikkelijken beker naar haar op.

't Volk zwijgt en ziet toe, wat er gebeuren zal.

Maria aarzelt een ondeelbaar oogenblik. Dan grijpt zij den walgelijken beker en drinkt hem tot den bodem toe uit.

Een juichkreet weerklinkt.

"Hij is onschuldig!" tiert het uit den hoop. "Zij drinkt aristocratenbloed. Hij ga in vrijheid!"

De opgeheven speren zakken naar den grond, de dolken worden opgestoken, en men drukt vader en dochter tegen de bloederige borst in eene vurige omarming. Onder gejuich worden zij in triomf naar hunne woning gebracht.

"Vive la nation!" brult het volk!--

Naast deze beide schoone daden van kinderliefde vinde hier eene daad van ouderliefde eene plaats. 't Gebeurde ook tijdens de groote Révolutie in Frankrijk, ruim een jaar later. Getrouw elken avond verscheen de vreeselijke kar voor de poorten der gevangenissen, om de veroordeelden af te halen, die naar de guillotine moesten worden gevoerd. Voor het traliehek in de gevangenis werd de lijst afgelezen van hen, die aan de beurt waren om hun hoofd onder de valbijl te leggen. Vreeselijke ure! De gevangenen verdrongen zich achter het traliehek om te hooren, of ook hun naam zou worden afgeroepen.

In de gevangenis bevond zich ook Loiserolles, een edelman, gewezen luitenant-generaal, als zoovele anderen beschuldigd van landverraad. Hij wist, dat hij sterven moest, maar hij was zich zijn lot getroost. Toch droppelde den ouden man menigmaal een traan uit het oog, als hij dacht aan zijn zoon, die zich met hem in de gevangenis bevond en die, evenals hij, ten doode opgeschreven was. O neen, over zichzelven weende hij niet. Hij had het leven achter zich en moest toch eenmaal sterven. Maar dat ook zijn zoon, de fiere, jonge edelman, die wellicht nog een lang leven vóór zich had, het hoofd op het schavot zou moeten laten, o, dat schrijnde hem door de ziel, en telkens, als de bode kwam, om de namen af te lezen, sidderde hij bij de gedachte aan zijn dierbaar kind.

De deur werd geopend, en ook thans weer schreed de bode tot aan het traliehek voort, met het verschrikkelijke papier in de hand.

Angstig keek de vader rond, om te zien, waar zijn zoon zich bevond. Ach, de ongelukkige sliep, onbewust van het gevaar, dat ook nu weer, als elken avond, dreigde. Zou hij hem wekken?--Neen, waartoe zou het dienen? Om hem weer het angstige oogenblik te laten doorleven, dat geregeld elken avond terugkeerde?

Hij begaf zich naar het traliehek, waar de bode zijne taak begon. Voor de deur hadden gewapende dienaren plaats genomen, om de afgeroepenen naar de kar te brengen.

Hij luistert ademloos, als de anderen.

Eentoonig klinkt de stem van den bode, maar soms wordt zij afgebroken door de kreten der veroordeelden, wier namen worden afgeroepen. Vrienden omhelzen elkander voor de laatste maal, men hoort snikken, er vloeien tranen.

De oude man luistert met gebogen hoofd.

Maar plotseling vaart hem een schrik door de leden. Daar hoort hij den naam aflezen van zijn kind, dat daar ginds slapende nederligt.

Hij wordt doodsbleek, en zijn tanden klapperen.

Niemand geeft antwoord.

Nogmaals roept de bode denzelfden naam.

Iedereen zwijgt.

O God, moet de vader zijn eigen zoon wekken, om hem den slaap des doods te doen ingaan?

Hij beeft over al zijne leden en het angstzweet bedekt zijn lichaam.

Daar klinkt ten derden male de naam zijns zoons, en reeds maakt men zich gereed binnen te treden, om den veroordeelde te zoeken. Ongetwijfeld is hij een lafaard, die zich schuil houdt.

Maar nu klinkt het plotseling zacht van de lippen des ouden mans:

"Loiserolles,--die ben ik."

Hij werpt een laatsten, onbeschrijflijk droevigen blik op zijn slapenden zoon, murmelt enkele woorden van afscheid, en wendt zich naar de deur, waar de gerechtsdienaren hem aangrijpen en naar de kar voeren.

De bode verdwijnt, de deuren worden gesloten. De kar rijdt heen met zijn droevigen last, en even later sterft een vader onder de guillotine, zich opofferende voor zijn zoon, wien weldra de vrijheid hergeven werd.

EEN HELDENHART ONDER EEN GROVE KIEL.

In 1892 zou er bij een boerenwoning te Hilversum een put gegraven worden. De werklieden waren ijverig in de weer. Men spitte van den morgen tot den avond en wierp de aarde omhoog. Spoedig al was men zoo diep in den grond gekomen, dat de aarde door middel van een windas naar boven geheschen moest worden. Van datzelfde windas moesten de werklieden ook gebruik maken om, toen zij dieper gekomen waren, in den put af te dalen. 't Was een gevaarlijk werkje, want zij groeven in zandgrond, en moesten dus de uiterste voorzichtigheid betrachten, om instortingen te voorkomen. In kleigrond bestaat dat gevaar niet, maar zandgrond is veel moeilijker te bewerken. Telkens, als zij weer dieper in den grond waren doorgedrongen, lieten zij houten cilinders in den put zakken, om het zand in bedwang te houden. 't Gevaar voor instortingen was hier nog grooter dan gewoonlijk, omdat deze nieuwe put gegraven werd vlak naast den ouden.

Toch, ondanks alle genomen voorzorgen, gebeurde er een vreeselijk ongeluk. Toen de put bijna twaalf meter diep was, en zich een van de gravers op den bodem bevond, barstte een van de houten cilinders door de persing van den grond uit elkander, en werd de man onder het neervallende zand bedolven.

Een groote schrik maakte zich van allen, die in de nabijheid waren, meester, en 't gerucht, dat er een man levend onder het zand begraven lag, ging in Hilversum van mond tot mond. Van alle kanten stroomden de menschen toe, om op de plaats zelve te zien, wat er gebeurd was.

Dadelijk was men op redding van den ongelukkige bedacht. Men plaatste nieuwe houten cilinders in den put, om verdere instortingen zoo mogelijk te voorkomen, en ijverig ging men aan het werk, om het ingestorte zand te verwijderen.

Angstig vroeg men zich af, of de ongelukkige nog zou leven, en zoo ja, of men hem nog tijdig zou kunnen redden.

't Ongeluk gebeurde op den morgen van den 8en October, en den geheelen dag bleef men onverpoosd aan den arbeid, om het slachtoffer van den ramp te bereiken. Toen de avond viel, werden de lantarens opgestoken, want men dacht er niet aan, het reddingswerk op te geven. Neen, men arbeidde den geheelen nacht voort, tot eindelijk, om drie uur in den morgen, op hun roepen eenig geluid uit de diepte tot hen doordrong. De ongelukkige leefde dus nog. Ha, dat gaf moed, en met vernieuwde krachten werkte men voort.

Tot plotseling opnieuw een van de houten cilinders in elkaar werd gedrukt, en de put ten tweeden male met zand werd gevuld. De beide werklieden, die in den put met graven bezig waren, konden zich ternauwernood in veiligheid brengen.

Een jammerkreet steeg op uit den kring van omstanders, die zich beijverd hadden om het zand op te hijschen. De vrouw van den levend begravene, die zich bij den put bevond, stortte bij dezen nieuwen ramp bewusteloos op den grond.

't Werd Zondag. De mannen staarden elkander vragend aan. Zou de ongelukkige nog leven? Moest men opnieuw aan den arbeid gaan, om hem zoo mogelijk nog te redden? Maar--zou de put niet wederom instorten, en ook hun een ontijdig graf doen vinden? Neen, men durfde niet! 't Werk was te gevaarlijk.

En toch,--kon men den man, die misschien nog leefde, daar op den bodem van den put aan zijn vreeselijk lot overlaten?

Opeens grijpt een van hen de spade, en gaat aan den arbeid. 't Is een eenvoudige werkman van ongeveer veertigjarigen leeftijd. Onder zijn grove kiel klopt een heldenhart. Hij grijpt de spade en begint den gevaarlijken arbeid.

Twee anderen, door zijn voorbeeld aangemoedigd, doen als hij. Zwijgend werken zij voort, want er mag geen oogenblik verloren gaan.

Den geheelen dag werkt de brave Van Rheenen door, en steeds dieper daalt hij in den put neder. Zijne helpers hijschen het zand omhoog. De Zondag gaat voorbij, en de nacht komt, maar Van Rheenen gunt zich geen rust. Eene groote vermoeidheid overmeestert hem en hij kan de spade nauwelijks meer hanteeren, maar--hij weet van geen ophouden. Daar beneden immers verkeert een zijner makkers wellicht in stervensnood?

Honderden menschen staan om den put geschaard. Opeens verzocht hij stilte. Hoorde hij daar geen geluid van uit de diepte tot zich komen?

Ja, ja, het geluid herhaalt zich. De man leeft nog, en Van Rheenen roept het den omstanders toe.

"Hij leeft! Hij leeft!" klinkt het van mond tot mond.

Van Rheenen werkt zonder ophouden voort, tot hij eindelijk niet meer kan. De spade ontvalt aan zijne bevende handen, en bewusteloos zijgt hij neder.

IJlings hijscht men hem op. Zijn gelaat is doodsbleek. Spoedig opent hij de oogen weder en vragend kijkt hij met wezenlooze trekken de omstanders aan.

Ha, hij herinnert zich! Daar beneden in den put ligt een mensch bedolven onder het zand. Met inspanning van al zijne krachten heft hij zich op. Hij nadert den put, en laat zich opnieuw naar den bodem zakken. Men waarschuwt hem, toch niet te veel van zijne krachten te vergen, maar hij luistert er niet naar. Hij grijpt de spade en gaat opnieuw aan den arbeid. De houten wanden boven zijn hoofd doen een waarschuwend gekraak hooren,--doch Van Rheenen werkt door, want daar beneden hem klinkt eene menschelijke stem, die om hulp smeekt.

Hij graaft steeds verder,--tot hij met zijne spade stuit op de ingevallen duigen van een kuip. Hij nadert dus den ongelukkige en zal hem weldra hebben bereikt. O, dat geeft hem nieuwe krachten,--en sneller daalt zijne spade in den grond. Een geestelijke wil in den put afdalen, om den levend begravene toe te spreken en hem te bemoedigen, maar men weerhoudt hem, opdat er geen oogenblik verloren zal gaan.

't Wordt Maandagmiddag vijf uur,--en nog altoos zet Van Rheenen zijn edelmoedigen arbeid voort. Maar telkens duidelijker worden de kreten van het slachtoffer. Van Rheenen kan bijna de spade niet meer hanteeren, en alles aan zijn lichaam trilt en beeft van vermoeidheid. Reeds heeft hij onafgebroken dertig uren zijn zwaren arbeid verricht.

Eindelijk,--eindelijk dan toch ontvangt hij de kroon op zijn werk. Hij heeft den ongelukkige bereikt, hij schuift het laatste zand weg, hij wikkelt hem in een laken, dat men hem van boven af toewerpt, en met zijn kostbaren buit laat hij zich omhoog hijschen.

En nauwelijks is hij boven gekomen, of opnieuw wordt een gekraak vernomen en ten derden male stort de put in. Maar het bulderend geraas van het neervallende zand wordt overstemd door het oorverdoovend gejubel van de velen, die getuigen waren van het moedige reddingswerk.

Waarlijk, wel klopte onder dezen eenvoudigen werkmanskiel een heldenhart!

Onder gejuich werden redder en geredde naar hunne woningen gebracht, en van alle kanten kwamen gelden in, om Van Rheenen een blijk van hulde te kunnen aanbieden. Men liet daarvoor een eenvoudige woning bouwen, die hem als eene blijvende herinnering aan zijne moedige daad werd aangeboden.

UIT HET LAND DER VERSCHRIKKING.

Lopouloff was een kapitein van het Russische leger onder de regeering van Czaar Paul I en had, om ons onbekende redenen, een vreeselijk vonnis tegen zich hooren vellen. Een misdadiger kon hij in geen geval genoemd worden. Vermoedelijk had hij eene onvoorzichtigheid begaan, die het wantrouwen van zijn keizerlijken meester had opgewekt, en dat alleen was reeds voldoende, om levenslang naar Siberië te worden verbannen. Een vreeselijke straf! Siberië wordt het land der verschrikking genoemd, en duizenden bij duizenden hebben daar in den loop der eeuwen hun leven in droefheid en ellende gesleten. Ook nu nog wordt die straf maar al te dikwerf toegepast. Ook nu nog worden de ongelukkige bannelingen, met kettingen aan elkander verbonden en door zweepslagen voortgedreven, naar dat rampzalige oord getransporteerd. Wèl wordt de straf tegenwoordig niet meer in al hare gestrengheid toegepast, wel zijn aan de arme bannelingen enkele voorrechten toegestaan, maar nog altoos is eene verbanning naar Siberië voor elken Rus een straf, die den veroordeelde menigmaal tot vertwijfeling brengt.

Ook Lopouloff werd daarheen gevoerd, niet als een misdadiger, aan handen en voeten in ketenen geklonken, en veroordeeld om zijn verder leven door te brengen als arbeider in de mijnen,--maar als staatsgevangene. Hij mocht zijn gezin meenemen en kreeg van den Staat eene kleine toelage, waarvan hij op armoedige wijze in zijn nooddruft kon voorzien. Was die toelage onvoldoende, dan kon hij door jacht of landbouw zijne inkomsten eenigermate vergrooten. Maar--het koude klimaat en de dorre grond waren voor den landbouw ongunstig, en de jacht leverde ook bitter weinig op.

Kapitein Lopouloff werd naar het dorp Ischim gevoerd, dat gelegen was ten noorden van Tobolsk. 't Was voor den armen banneling een groote troost, dat zijn vrouw niet van hem wilde scheiden en met hem meetrok naar het oord der verschrikking. En ook zijn eenig kind, zijn driejarig dochtertje Prascovia, bleef nu voor hem behouden. O, als hij ook dat kind, zijn oogappel, had moeten missen, als hij haar lief, kinderlijk gebabbel niet meer had gehoord, hare lachjes niet meer had gezien, hare mollige armpjes niet meer om zijn hals had gevoeld,--dan zou de dood hem welkomer zijn geweest. Hij ontving slechts tien kopekken per dag, niet meer dan twintig cents dus, om in de behoeften van zijn gezin te voorzien. Wel een klein bedrag voor iemand, die tot nog toe als kapitein bij het Russische leger in de hoogere standen der maatschappij in weelde had geleefd. Gelukkig, dat zijn vrouw hem in de grootheid van haar hart ter zijde bleef en hem troostte en bemoedigde. Met een moed boven ieders lof verheven schikte zij zich in de moeilijke omstandigheden, waarin het lot haar had geplaatst, en toonde zij haar man en kind steeds een blij gezicht. Zij was het zonnetje in het huis der ellende, dat met hare stralen de huisgenooten verkwikte en verwarmde.

De kleine Prascovia leed het minst van allen onder de veranderde omstandigheden. 't Ging met haar als met een vogel, die nooit de vrijheid heeft gekend, nooit op trillende wieken het zonnelicht al zingende is tegemoet gesneld, nooit rondgedarteld heeft in de takken en twijgen der boomen. Hij beschouwt immers zijne kooi als de wereld en haakt niet naar de vrijheid.