Chapter 14
Toen eens weer een verwoede oorlog was gevoerd tusschen de broeders Theodorik, die het zuidelijk deel van Gallië beheerschte, en Childebert, die koning was over het vroegere Romeinsche gebied, bestaande uit Parijs met de daarom liggende landen,--werd de vrede na een langen strijd bezegeld met wederkeerig aan elkander eenige gijzelaars over te leveren, bestaande uit de aanzienlijkste jongelingen der beide landen.
Zoo zag ook Gregorius, de Bisschop van Langres, zich gedwongen, zijn neef Attalus te zien vertrekken naar een vreemd land, waar hij als gijzelaar moest verblijven. Het afscheid viel den hoogen geestelijke zwaar, want hij hield veel van den jongeling. Wel wist hij, dat Attalus niet als gevangene werd weggevoerd, en dat hij in den vreemde als gast bij een van de hoofden zou worden gehuisvest, maar hij zag hem toch met droefheid vertrekken naar de ruwe, onbeschaafde Franken, die als ware barbaren leefden. Hoe ongelukkig moest zijn jonge neef, die eene beschaafde opvoeding had genoten, zich wel onder die ruwe mannen gevoelen!
Hij bleef echter hopen, dat Attalus vroeger of later weder in vrijheid zou worden gesteld en naar hem zou kunnen terugkeeren. Maar deze hoop was vergeefsch. Attalus keerde niet terug, en de Bisschop toonde zich daarover meermalen zeer bedroefd. Zijne dienaren, welke in die dagen nog lijfeigenen of slaven waren, spraken meermalen over hun jongen meester, van wien zij om zijn beminnelijk karakter allen veel hielden.
En 't zou nog erger worden. Tusschen de beide broeders ontstond een nieuwe twist, waarvan de wederkeerig uitgeleverde gijzelaars de treurige slachtoffers werden. Zij hielden op de gasten te zijn van hunne meesters, en werden tot slaven verlaagd. Iets ergers had deze jongelingen, die tot de aanzienlijkste geslachten huns lands behoorden, niet kunnen treffen. Zij, die vroeger zelf meester over vele slaven waren geweest, moesten thans het geringste werk verrichten en zich voeden met het karige maal, dat ook aan de andere slaven werd toebedeeld. De jonge Attalus werd tot paardenknecht verlaagd.
Nauwelijks was de oorlog ontbrand, of eene groote droefheid maakte zich van Bisschop Gregorius meester. Hij begreep zeer goed, dat het thans met de vrijheid van zijn jongen bloedverwant voor goed gedaan was en dat hij ongetwijfeld een bitter lot te verduren moest hebben.
Ach,--en hij wist niet eens, waar de ongelukkige zich bevond. Alleen had hem wel eens het gerucht bereikt, dat hij ergens in den omtrek van Metz leefde, maar wáár precies, wist hij niet. Eindelijk kon hij die onzekerheid niet langer verdragen, en besloot hij boden uit te zenden, om zijne verblijfplaats op te sporen. Zoo deed hij, met het gevolg, dat hij te weten kwam, wáár hij zich bevond, en dat hij, als gemeene slaaf, tot paardenboef was verlaagd.
Dadelijk besloot de Bisschop een bode naar den meester van Attalus te zenden met geschenken, om hem te verzoeken, den ongelukkigen jongeling in vrijheid te stellen.
De Frank hoorde den bode met een spottenden lach aan, weigerde de geschenken aan te nemen, en zeide:
"Ik denk er niet over. Als Attalus inderdaad de neef is van Bisschop Gregorius, en tot eene zoo voorname familie behoort, kan hij alleen voor een groote som zijne vrijheid terugkrijgen. Zeg aan den Bisschop, dat ik hem voor tien ponden goud wil ontslaan, en voor niets minder. Voor iemand, zoo machtig en rijk als de Bisschop, is het niet moeilijk, deze som bij elkaar te brengen. Tot zoolang blijft Attalus mijn slaaf."
Met deze boodschap kon de bode terugkeeren, en de Bisschop was ten einde raad, toen hij den hoogen eisch van den Frank vernam. Dadelijk begon hij op middelen te peinzen, om den losprijs op de eene of andere wijze bij elkaar te krijgen, maar hij koesterde weinig hoop, dat hem dit gelukken zou.
Ook onder de lijfeigenen van den Bisschop werd over het geval gesproken, en allen koesterden innig medelijden met hun jongen meester, die onder den ruwen Frank ongetwijfeld een zwaar lot te verduren had. Een van hen, Leo genaamd, die als kok in de keuken van den Bisschop werkzaam was, begaf zich naar zijn heer, en stelde hem voor eene poging te wagen, om Attalus uit zijn slavernij te verlossen. Hij smeekte den Bisschop hem toe te staan, zich naar den Frank te begeven om te zien, wat hij doen kon. Hij begreep, dat hij zich aan groote gevaren ging blootstellen, maar hij had zijn leven gaarne over om zijn jongen meester de vrijheid te hergeven.
De Bisschop gaf zijne toestemming, en Leo vertrok. Te voet begaf hij zich op weg naar Trèves, waar Attalus zich bevond, en daar wachtte hij een gunstig oogenblik af, om zich met hem in verbinding te stellen. Eindelijk zag hij Attalus, maar in welk een staat! Zijne sierlijke kleeding, waarin hij hem vroeger had gezien, was vervangen door lompen, zijne haren slingerden hem ordeloos om het hoofd, zijn gelaat was groezelig en vuil. De jonge slaaf had moeite zijn vroegeren meester te herkennen.
Leo begaf zich naar een Gallier en zei:
"Wilt ge geld verdienen? Ga dan met mij mede naar gindschen Frank, en verkoop mij aan hem als slaaf..."
De Galliër keek hem ongeloovig aan.
"Ge begrijpt, dat ik hiermede mijne bedoeling heb," ging Leo voort, "maar die houd ik geheim. Alleen verzoek ik u, mij als slaaf aan dien Frank te verkoopen. Het geld moogt gij behouden. 't Is dus voor u een gemakkelijke en voordeelige zaak."
De Galliër stemde toe, en beiden begaven zich naar den Frank, wien Leo te koop werd aangeboden.
De Frank bekeek den slaaf van het hoofd tot de voeten, en vroeg:
"Wat kan hij doen?"
Leo haastte zich te zeggen:
"O Heer, ik ben een bekwaam kok en kan u de lekkerste tafel bereiden, die maar te bedenken is. Zelfs al kreeg u koningen aan uw disch, zij zouden niet anders dan Uw tafel prijzen, Heer!"
"Ha, dat treft!" riep de Frank uit. "Zondag komen mijne vrienden en kennissen bij mij eten. Maak dan een tafel gereed, waarvan zij zeggen: "ik heb zelfs aan de tafel des konings niet lekkerder gegeten."
"Het zal geschieden, Heer," sprak Leo eenvoudig.
De koop werd gesloten voor twaalf goudstukken, en zoo kregen Leo en zijn jongen meester denzelfden heer.
De gasten kwamen en kregen een feestmaal, zooals alleen de bekwaamste Romeinsche koks dat konden bereiden, en de gasten betuigden herhaaldelijk hunne groote verwondering over de fijne gerechten, die hun werden voorgezet.
Geen wonder, dat Leo bij zijn nieuwen heer in de grootste gunst kwam, wat juist zijne bedoeling was. Weldra mocht hij in de woning van den Frank doen en laten, wat hij wilde.
Attalus had hij al meermalen ontmoet, maar hij had hem al dadelijk te kennen gegeven, dat zij zich moesten houden, of zij vreemden voor elkander waren. Tevens had hij hem gezegd, dat hij gekomen was, om hem te redden.
Zoo ging een jaar voorbij. Leo was nu de verklaarde gunsteling geworden van zijn heer. Hij gaf toen aan Attalus te kennen, dat thans het oogenblik gekomen was, om de vlucht te wagen.
"Houd u van avond wakker, en wees dadelijk gereed, als ik u een teeken geef."
Zoo werd afgesproken. Leo had het dien dag zeer druk, daar zijn meester gasten had, waaronder ook zijn schoonzoon.
Deze gebood Leo, toen hij naar bed ging:
"Breng mij wat honigwater in mijn slaapvertrek; ik zal vannacht wel dorstig wezen."
Toen Leo aan dat verlangen voldeed, zei de jonge man vroolijk:
"Wel, je ziet er uit of je van plan bent, dezen nacht op een van mijn paarden de vlucht te nemen."
Leo schrok niet weinig, toen hij zoo onverwachts hoorde uitspreken, wat hij werkelijk voornemens was, maar hij hield zich goed, en antwoordde lachend:
"Ik was juist van plan, dat dezen nacht te doen."
De Frank, die slechts geschertst had, beschouwde dit antwoord ook als een grap, en lachte er om.
Toen allen sliepen, begaf Leo zich naar den stal en gaf zacht een teeken aan Attalus, die zijne slaapplaats bij de paarden had. Dadelijk liet deze Leo binnen en zadelden zij twee van de vlugste rossen.
"Ik heb geen ander wapen dan deze kleine lans," zei Attalus.
"Wacht, ik zal andere halen," zei Leo.
Hij begaf zich naar het huis van zijn heer en drong zelfs tot diens slaapvertrek door, om diens zwaard en schild weg te nemen. Maar tot zijn grooten schrik werd de Frank wakker en vroeg:
"Wie is daar?"
"Ik ben het,--ik Leo!--Ik ben opgestaan om Attalus te zeggen, dat hij de paarden morgen vroeg buiten moet brengen, maar hij slaapt als een dronkaard."
De Frankische edelman luisterde al niet meer naar hem en sliep weer in. Toen haastte Leo zich met schild en zwaard naar buiten, en gelukte het hem en Attalus ongezien buiten de omheining te komen.
Zij sprongen te paard en reden snel den grooten Romeinschen weg op, die naar Trier voerde. Den eersten hinderpaal ontmoetten zij aan eene rivier, waar zij de brug bewaakt vonden. Zij zagen zich daardoor gedwongen zich met hunne paarden op eenigen afstand te water te begeven en de rivier over te zwemmen. Ongedeerd bereikten zij den anderen oever, en zoo snel het gaan kon, vervolgden zij hun tocht. Zij voedden zich met eenige pruimen, die zij aan een boom vonden. 's Morgens reden zij verder in de richting van Rheims, steeds voortgejaagd door de vrees, dat hunne ontvluchting ontdekt zou zijn en hunne vervolgers wellicht reeds op weg waren, om hen te achterhalen. O, als dat gebeurde, zou hun lot bij den wreeden Frank ongetwijfeld vreeselijk zijn.
Voort dus, altoos voort! Zij gunden hunne rossen ternauwernood de noodige rust, en 't was de dieren aan te zien, dat zij vermoeid werden en slechts met moeite verder konden.
Opeens hoorden zij werkelijk ver achter zich hoefgetrappel op den hard geplaveiden weg. Angstig keken zij rond, waar zij zich verbergen konden, en ontdekten gelukkig een kreupelbosch, dat misschien gelegenheid bood om zich te verschuilen. Haastig sprongen zij van hunne paarden en drongen zoo diep mogelijk in het bosch door. Op eene plaats achter veel takken en bladeren bonden zij hunne paarden vast, en wachtten toen met getrokken zwaard de komst der vervolgers af.
Zij naderden! Het hoefgetrappel kwam snel naderbij, en de vluchtelingen zagen de harnassen hunner vervolgers schitteren in de zonnestralen. Nu hadden zij het kreupelbosch bereikt. En o schrik,--daar hielden zij stand en sprongen van de paarden.
Hadden zij hun spoor ontdekt? De beide ongelukkigen hielden vol spanning den adem in.
Neen,--zij namen slechts een oogenblik rust, om hunne harnassen te verschikken en even te verpoozen. Weldra sprongen zij weder te paard en vervolgden hun tocht.
O, hoe heerlijk was het voor hun beiden om te luisteren naar het zich steeds verwijderende hoefgetrappel, dat weldra geheel wegstierf in de verte.
Zij hielden zich nog langen tijd schuil en bereikten den volgenden nacht de stad Rheims, waar zij een priester kenden, Paul geheeten, die een vriend was van Bisschop Gregorius. Zij waren zoo gelukkig hem te vinden, juist toen de bel werd geluid voor den morgendienst, wat hun aangenaam in de ooren klonk. Dadelijk maakte Attalus zich aan hem bekend, en de goede man gaf hun brood en wijn, om zich te verkwikken. Zij hadden in langen tijd niets gegeten. Bovendien wees hij hun eene schuilplaats aan, waar zij zich verbergen konden. Dat was maar goed ook, want op datzelfde oogenblik doolde de Frank reeds door de straten van Rheims, om zijne weggeloopen slaven op te sporen.
Eindelijk kwam hij zelfs bij den priester Paul, om hem te ondervragen, want hij wist, dat de priester een vriend was van Attalus' oom,--maar de brave man verried hen niet.
Na twee dagen vruchteloos in Rheims te hebben gezocht, gaf de Frank zijne pogingen op en keerde naar huis terug. En toen waagden Attalus en Leo het uit hun schuilplaats te voorschijn te komen, en, na den Priester hartelijk dank te hebben gezegd, hun weg te vervolgen. Het grootste gevaar was nu geweken, en ongedeerd bereikten zij het doel van hunne reis.
Ontroerd vielen Bisschop Gregorius en Attalus elkander in de armen, en Leo ontving het loon, dat hij door zijn trouw en moed dubbel had verdiend. Hij werd met groote plechtigheid naar de kerk geleid, waarvan alle deuren wijd werden open gezet ten teeken, dat hij een vrij man was, die zich begeven mocht, waarheen hij wilde.
Toen nam de Bisschop hem bij de hand, en staande voor den Aarts-bisschop verklaarde hij, dat hij hem de vrijheid gaf en tot Romeinsch burger maakte. Nooit meer kon hij tot den staat van slavernij vervallen. Wie in de kerk, ten aanhoore van Bisschoppen, dekens of priesters eenmaal tot een vrij man was verklaard, bleef dat gedurende zijn geheele leven.
En dat geluk viel Leo te beurt als loon voor zijn moed en trouw.
DAVID LIVINGSTONE.
Te Ulva, een der Hebridische eilanden, die ten noorden van Schotland liggen, werd in 1813 een knaapje geboren, dat eenmaal zijn naam wereldberoemd zou maken. Hij heette David Livingstone en was de zoon van eenvoudige, maar zeer geachte ouders. Van zijn grootvader vertelt hij, hoe deze, toen hij op zijn sterfbed lag, al zijne kinderen tot zich riep en tot hen sprak:
"Ik heb mijn leven lang alle overleveringen, op onze familie betrekking hebbende, verzameld,--en nooit heb ik gevonden, dat een onzer voorouders oneerlijk is geweest. Wordt dus een uwer of een uwer kinderen oneerlijk, dan zit dat niet in het bloed, dat door uwe aderen stroomt. Ons bloed is niet eerloos. Ik laat u dezen levensregel na: "Weest rechtschapen!"
Welnu, als dat werkelijk de levensregel van het geslacht der Livingstones is geweest, dan is het knaapje, dat in 1813 op het genoemde eiland het eerste levenslicht aanschouwde, dien regel getrouw gebleven. De kleine David groeide op tot een vroom Christen, eenvoudig van hart en rein van levenswandel.
Zijne ouders waren te arm om hem eene wetenschappelijke opleiding te doen geven, hoewel David al vroeg toonde zeer leergierig te zijn en altoos met zijn neus in de boeken zat. Op tienjarigen leeftijd reeds werd hij op eene fabriek geplaatst en moest hij daar werk verrichten van den morgen tot den avond. Zijne leergierigheid had hij echter niet aan de deur der fabriek achtergelaten,--neen, hij kocht reeds voor zijn eerste weekloon een Latijnsche spraakkunst, en wist zijn werk zoo in te richten, dat hij in de fabriek zijn taak kon verrichten en tegelijkertijd toch zijne leergierigheid bevredigen. Hij kon werken en lezen tegelijk. Hij legde zich met zooveel ijver op de studie van het Latijn toe, dat zijne moeder hem dikwijls na middernacht het boek met geweld ontrukken moest. En niet alleen op het Latijn legde hij zich toe, maar hij bestudeerde ook de plantenkunde, de genees- en de sterrenkunde. Ook las hij een tal van reisbeschrijvingen, waardoor de lust tot het bezoeken van vreemde landen en volken bij hem werd gewekt, welke hem eenmaal tot een beroemd ontdekkingsreiziger zou maken. In zijne vrije uren zwierf hij later gaarne over de bergen, en was het hem een genot eene verzameling aan te leggen van de schelpen, die hij op zijn weg ontmoette.
Later vestigde hij zich metterwoon te Glasgow, waar hij nog beter gelegenheid kreeg om zich te ontwikkelen. Hoewel ook hier in een fabriek werkzaam, vond hij toch gelegenheid in die academiestad de voorlezingen te volgen over wijsbegeerte en theologie, en lessen te nemen in de Grieksche taal en de medicijnen. Hij studeerde met zooveel ijver en volharding, dat hij eindelijk zelfs den graad van doctor in de medicijnen en in de chirurgie verwierf. Hij was intusschen opgegroeid tot een geloovig Christen, en zijn liefste wensch was het geworden, als zendeling onder de heidensche volken werkzaam te zijn, en hun het Evangelie te brengen.
Hij bood zijne diensten aan het Londensche zendeling-genootschap aan en vertrok in 1840 naar Zuid-Afrika, waar hij mede-arbeider werd van den verdienstelijken zendeling Robert Moffat, met wiens dochter hij later in het huwelijk trad.
Bijna tien jaren bracht Livingstone onder het volk der Betschuanen, en wel het meest te Kolobeng door, ten noorden van Kuruman, bij de Bakuena, waar hij geheel en al met de taal, de zeden en gewoonten der Betschuanen op de hoogte kwam. Hij was een weldoener voor de onbeschaafde zwarten, en toonde zich een ernstig tegenstander van hunne oostelijke naburen, de boeren, van wie zij veel te lijden hadden. Door de oprichting van scholen, door zijne diensten als tuinier, timmerman of smid, door zijn hulp als geneesheer, en door zijne groote gaven van geest en hart kreeg hij op de wilde volksstammen een grooten invloed en was zijne aanwezigheid daar voor hen een ware weldaad. Zijne vrouw stond hem bij zijn arbeid trouw ter zijde en was in alle opzichten zijne helpster en zijn steun. Hij stichtte zendings-stations te Mabotsa en Kolobeng en breidde zijn arbeidsveld steeds verder uit.
Eindelijk besloot hij dieper de binnenlanden in te trekken, en bereikte zoo in 1849 het Ngami-meer en den Sugastroom. Van 1851-1853 zette hij zijn tocht voort en deed daarbij vele ontdekkingen, die voor de aardrijkskundige wetenschap van het grootste belang waren. Hij werd nu van lieverlede meer ontdekkingsreiziger dan zendeling, en doorkruiste van 1854-1856 het geheele Afrikaansche vasteland van Loanda aan de west- tot Quillemane aan de oostkust. Bijna overal gelukte het hem het vertrouwen der volksstammen, die hij op zijne reizen bezocht, te winnen, maar dikwijls ook was hij aan de grootste gevaren blootgesteld en werd hij met den dood bedreigd.
Eindelijk keerde hij na een verblijf van zestien jaren in het donkere Afrika naar Engeland terug, waar hij van zijne reizen eene beschrijving gaf onder den titel: "Missionary travels and researches in South Africa."
Later heeft hij nog meer reizen in dat werelddeel gemaakt, maar de resultaten van zijn eerste verblijf aldaar bleven de belangrijkste.
In zijn tweede reis van 1858 tot 1864 was Livingstone niet meer de zendeling van het Londensche zendelinggenootschap, maar het hoofd eener expeditie, door het Engelsche gouvernement uitgezonden, en wel door lord Clarendon, minister van buitenlandsche zaken op touw gezet, om de reeds verkregen kennis van de geografie, de minerale producten en veldgewassen van Oost- en Centraal-Afrika te vermeerderen, betrekkingen met de inboorlingen aan te knoopen of uit te breiden, en eene ruilhandel tusschen hen en Engeland te openen. Hij onderzocht op dien tocht de Zambezi-mondingen, voer met een stoomboot de Schire op tot aan het meer Schirwa, en ontdekte het Nyassa-meer. Een zware slag trof hem den 27en April 1862, toen hem zijne geliefde vrouw door den dood ontnomen werd. 's Avonds blies zij den laatsten adem uit, en reeds den volgenden morgen werd zij onder een grooten babab-boom begraven. Zij was eene edele vrouw, die hem op zijne vele en moeilijke zwerftochten getrouw ter zijde had gestaan.
In 1864 werd zijne expeditie door de regeering ontbonden, maar reeds twee jaar later begaf hij zich opnieuw op weg naar het hem lief geworden werelddeel. Deze reis was zijn laatste, en veel meer dan vroeger bracht hij zijne vrienden en bewonderaars in ongerustheid, door weinig of geen berichten te zenden. Eindelijk bereikte hun zelfs het gerucht van zijn dood. Men wist te vertellen, dat hij van Ngomano in Zuidwestelijke richting naar het meer Nyassa was gereisd, hetwelk hij was overgestoken. Daar zou hij echter door een troep Mazitu overvallen en door een bijlslag doodelijk getroffen zijn. De boodschappers van deze droevige tijding verklaarden zelfs, dat zij hem zelf een graf gegraven en hem daarin neergelegd hadden.
Er waren echter enkelen, die niet aan zijn dood geloofden, zoodat, om zekerheid dienaangaande te verkrijgen, door het geografisch genootschap te Londen eene expeditie werd uitgezonden, om naar den moord een onderzoek te doen en de plaats, waar de misdaad zou hebben plaats gehad, vast te stellen.
't Bleek toen, dat het slechts een gerucht was geweest, en niets meer.
Eindelijk werd alle twijfel opgeheven door een brief van Livingstone zelf, die geschreven was op 1 en 2 Februari 1867, maar eerst ontvangen werd in April 1868. Hij was dus langer dan een jaar onderweg geweest. Later kwam er nog een brief van hem, geschreven den 16en December 1867. Daarna werd weer gedurende langen tijd niets van hem gehoord, en reeds begon men weer ongerust over hem te worden, toen men opnieuw een brief van hem ontving, waarin hij berichtte, dat hij de bronnen van den Nijl had ontdekt.
Na dien tijd hoorde men niets meer van den beroemden man, en eindelijk begon men te vreezen, dat hij òf vermoord zou zijn, òf in groote moeilijkheden verkeerde. Eindelijk besloot de Redactie van de New-York Herald eene expeditie uit te zenden, om hem op te sporen en hem, zoo noodig, hulp te verschaffen.
Den 16en October ontving Henri M. Stanley, een van de correspondenten van dat blad, in Spanje een telegram van den uitgever, afgezonden uit Parijs, met de tijding, dat hij onmiddellijk voor eene gewichtige opdracht naar Parijs moest komen.
Stanley haastte zich aan dat bevel te voldoen. Hij begaf zich dadelijk op reis, meldde zich aan het hôtel van den uitgever, wiens naam James Gordon Bennett was, en vroeg dezen heer te spreken. De heer Bennett lag reeds te bed, want 't was in het hartje van den nacht, toen Stanley daar aankwam,--maar hij stond dadelijk op.
Zoodra Stanley bij hem binnenkwam, vroeg hij:
"Mijnheer, weet gij ook, waar zich op 't oogenblik Livingstone bevindt?"
"Mijnheer," antwoordde Stanley, "ik heb daar niet het flauwste denkbeeld van."
"Welnu, ga hem dan zoeken. Neem vooreerst duizend pond sterling op. Zijn die verbruikt, neem er dan weer duizend. Zijn, ook die uitgegeven, beschik dan andermaal over duizend pond, en desnoods nog eens daarna,--maar vind dr. Livingstone. Goeden nacht, mijnheer Stanley, God behoede u!"
Stanley reisde af, om Livingstone te zoeken. In 1871 kwam hij te Zanzibar aan. Nadat hij met de behoedzaamheid van den man, wien het "ontdekken" in totaal vreemde streken bijna van zijne kinderjaren af eigen was, eene groote expeditie georganiseerd en uitgerust had, begon hij 21 Maart den tocht naar het binnenland. 't Was eene moeilijke reis, maar zij werd met een gelukkigen uitslag bekroond. Aan den oostelijken oever van het Tanganajika-meer, in het dorp Oedsjidsji vond hij den 10en November den lang vermisten natuurvorscher. Op ongeveer 3000 schreden afstands van Livingstone's verblijf ontmoette hij eerst Soesi, den bediende van den beroemden man. Stanley beschrijft zijne ontmoeting met Livingstone aldus:
"Ik duwde de menigte terug en schreed tusschen een laan van menschen vooruit, totdat ik aan den door Arabieren gevormden halven cirkel was gekomen, waarvóór de grijsgebaarde blanke stond. Langzaam naderend merkte ik op, dat hij er bleek en vermoeid uitzag, eene blauwachtige muts met verschoten gouden band op het hoofd had en een buisje met roode mouwen en eene grijze broek droeg. In dit oogenblik zou ik gaarne op hem zijn losgestormd, maar ik was in tegenwoordigheid van zulk een hoop gespuis te laf daartoe. Ik zou hem gaarne om den hals zijn gevallen, maar wist niet hoe hij, Engelschman, mij zou ontvangen. Ik deed dus, wat lafheid en valsche trots mij als het beste ingaven, trad voorzichtig op hem toe, nam mijn hoed af en zei: 'Dr. Livingstone, naar ik vermoed.'"
"Ja," antwoordde hij met een vriendelijk lachje en even aan zijn pet lichtend. Ik zette mijn hoed weer op, hij zijne pet, wij schudden elkander hartelijk de hand, en ik zeide luide: "Ik dank God, heer doctor, dat Hij mij vergund heeft, u te zien."
"En ik ben dankbaar," antwoordde hij, "dat ik u begroeten kan."
In December hebben deze twee beroemde mannen samen den noordelijken oever van het Tanganajika-meer bereisd, en den 18en Februari 1872 bereikten zij Oenjanjembe, waar Livingstone bleef om de noodige middelen tot voortzetting van zijne navorschingen af te wachten. Stanley nam een hartelijk afscheid van hem en aanvaardde 14 Maart den terugtocht.
David Livingstone stierf in het zwarte werelddeel den 1en Mei 1873, in den ouderdom van zestig jaar. In 1874 werd zijn lijk naar Londen overgebracht en in de Westminster-abdij, de rustplaats van talrijke beroemde mannen, bijgezet.