Chapter 13
Ondanks zijne vreeselijke wonden liet de Ruyter zich door zijne scheepsbevelhebbers over verschillende zaken inlichten en hield met hen krijgsraad. Ook liet hij drie dagen na den strijd nog verslagen opmaken omtrent hetgeen door de vloot was verricht. Hij was toen echter reeds te zwak om de stukken te kunnen onderteekenen. Den 29en April blies hij den laatsten adem uit, beweend door gansch het Nederlandsche volk.
Den 30en Januari 1677 kwam zijn lijk aan boord van _de Eendragt_ te Hellevoetsluis binnen. Vandaar werd het eerst naar Rotterdam en daarna naar Amsterdam vervoerd.
Met groote statie werd het den 18en Maart in de Nieuwe kerk bijgezet, waar eene prachtige tombe de plaats aanwijst, waar zijn stoffelijk overschot rust.
DRIE SCHOONE DADEN.
Mathieu Martinel was een Fransch officier, die in de eerste helft der vorige eeuw leefde. Van hem zijn in de geschiedenis der menschheid drie schoone daden opgeteekend, wel waardig aan de vergetelheid te worden ontrukt.
Als adjudant van het eerste regiment kurassiers lag hij te Straatsburg, toen het geroep van brand! brand! hem naar buiten deed snellen. Dadelijk begaf hij zich naar het tooneel van den ramp. Een dikke rookkolom wees hem de plaats des onheils. De barakken stonden in brand.
Van alle kanten snelde men toe om naar den brand te kijken, en onder de toeschouwers bevonden zich vele soldaten, doordat de barakken dicht bij de kazerne gelegen waren.
De vlammen grepen snel om zich heen, en van de omstanders maakte zich een groote schrik meester toen hun het gerucht bereikte, dat in de gebouwen buskruit werd bewaard en er ook een duizend patronen lagen opgestapeld. Elk oogenblik kon het vuur daarmede in aanraking komen, waardoor de gebouwen ongetwijfeld in de lucht zouden vliegen. Men ontvluchtte dus zoo snel mogelijk deze gevaarlijke plaats en bracht zich in veiligheid.
Onder de vluchtenden bevond zich echter niet Mathieu Martinel. Zoodra hij zag, welk gevaar er dreigde, snelde hij naar het brandende gebouw, en riep hij een paar soldaten toe hem te vergezellen. Hij wierp de deur open en snelde de trap op, om zich naar het vertrek te begeven, waar het kruit en de patronen lagen.
Een verstikkende rook echter belette hem den toegang! 't Was hem schier onmogelijk adem te halen. Zijn twee volgers deinsden vol schrik terug en snelden heen. Maar Mathieu gaf zijn poging nog niet op. Hij klom de trap op, door rook en vlammen heen. De hitte was verschrikkelijk. Hij begreep, dat zijn pogen vergeefsch zou zijn, en dat hij in den rook zou stikken of in de vlammen omkomen.
Reeds wilde hij terugkeeren, toen hij zich plotseling herinnerde, dat in het vertrek naast dat, waarin het kruit en de patronen lagen, zich negen zieken bevonden, die niet in staat waren, de noodlottige plaats te ontvluchten.
Neen, nu weifelde de dappere officier geen seconde langer. Rook, vlammen en hitte ten spijt zette hij zijn gevaarvollen tocht voort. Die ongelukkigen mocht hij niet aan hun vreeselijk lot overlaten, en zoo mogelijk moest hij hen redden van een verschrikkelijken dood. Hij snelde voort, zijn oogen gesloten, den mond stijf dicht om den verstikkenden dood niet in te ademen. Zijne haren verzengden, zijne kleeren schroeiden, de vlammen lekten zijne handen, maar hij liet zich niet weerhouden.
Zoo bereikte hij de patronen, die in papier verpakt waren. Hij zag tot zijn schrik, dat die papieren reeds brandden. IJlings rukte hij ze los en wierp ze op eenigen afstand. Toen opende hij het raam, en riep, de brandweermannen toe, hunne stralen op deze plaats te richten.
"Hier! Hier! Water!" klonk zijn kreet.
En men begreep hem. Stroomen van water werden naar binnen geworpen, en in korten tijd waren èn buskruit èn patronen zóó nat, dat van een ontploffing geen sprake meer kon zijn. De zieken, voor enkele seconden nog zoo nabij aan hun dood, waren gered. Zij werden met spoed in veiligheid gebracht.
Dit was niet de eerste heldendaad, die door den braven officier werd verricht. Korten tijd te voren bevond hij zich aan den oever van de snelstroomende rivier de Ill, toen een van zijn soldaten het ongeluk had, in de rivier te vallen. De stroom maakte zich van den ongelukkige meester en sleepte hem met woeste vaart mede in de richting van een watermolen, die door den snellen stroom in beweging werd gebracht. Men hoorde het kletteren van het water, dat van het sneldraaiende rad in den stroom terug viel. Was de ongelukkige eenmaal tot daar afgedreven, dan was hij bijna zeker verloren.
Dit begreep ook Mathieu Martinel, die dadelijk het groote gevaar inzag, waarin de drenkeling verkeerde. Onmiddellijk besloot hij zijn leven in de waagschaal te stellen, om dat van zijn evenmensch te redden.
Tijd om zich te ontkleeden had hij niet. Zonder een oogenblik te weifelen wierp hij zich in den stroom, en zwom tot zoo dicht mogelijk bij den molendam. Daar omklemde hij, met één arm een paal en wachtte, tot de drenkeling hem bereikt had. Met de andere hand greep hij hem krachtig vast om hem in zijn vaart te stuiten, maar dit gelukte hem niet. De stroom was te sterk en trok hem onweerstaanbaar voort naar het gevaarlijke rad, dat door het water snel werd rondgedraaid.
Mathieu Martinel was er de man niet naar, een eenmaal gesteld doel op te geven. Hij liet den paal los, en dook met den drenkeling diep onder water. Stevig hield hij den man omklemd.
De stroom sleepte beiden voort, onder het molenrad door, dat hen niet bereiken kon. Nauwelijks deze gevaarlijke plaats voorbij, sloeg Mathieu de armen uit, den drenkeling met de tanden vasthoudende, en bereikte den oever. Tot zijn groote vreugde bemerkte hij, dat het leven van den soldaat nog niet geweken was. Door den moed en de vastberadenheid van Mathieu was hij gered.
Vele jaren later verrichtte hij zijn derde heldenstuk. 't Was in den nacht van den 14en Juni 1837 te Parijs. Bij gelegenheid van het huwelijk van den Hertog van Orleans was er eene schitterende illuminatie ontstoken, en op het Champ de Mars hadden duizenden bij duizenden een prachtig vuurwerk bijgewoond.
Toen het afgeloopen was, ontstond er een hevig gedrang bij den ingang van eene passage, die naar het Militaire College leidde. De stroom van menschen was zoo ontzaglijk groot, dat er eene opstopping ontstond, die de verschrikkelijkste gevolgen had. Eene vrouw kreeg het in de opgepropte menigte, waarin bijna geen voortgang was, zoo benauwd, dat zij door eene flauwte overvallen werd en bewusteloos nederviel. Anderen struikelden over haar lichaam, en vielen ook. De menschen in de onmiddellijke nabijheid begrepen dadelijk het gevaar, waarin dezen verkeerden, en wilden hun door terugdringen de gelegenheid geven om op te staan en zich te redden. Maar de achtersten wisten niet, wat er vóór hen gebeurde, en drongen voorwaarts. Er ontstond nu eene groote verwarring. Velen struikelden over hen, die reeds gevallen waren, en van opstaan was in die ophooping geen sprake meer. Een angstig geschrei steeg uit de menigte op. Men drong terug, men schreeuwde,--maar de stroom van menschen wist van geen stilstaan,--zoodat met elke seconde de ramp grooter werd. Men trapte op degenen, die reeds gevallen waren. Het angstgeschrei werd ontzettend,--maar de menschen, die volgden, hoorden het niet. In levendige gesprekken over het vuurwerk, dat men gezien had, drong men langzaam maar zeker voorwaarts...
Op dit oogenblik kwam Mathieu Martinel op de rampzalige plaats aan, en oogenblikkelijk begreep hij, dat hier krachtig moest worden gehandeld, wilde het ongeluk niet nog veel erger worden. En dat het reeds zeer erg was, zag hij met een enkelen oogopslag.
Hij snelde een poort door, waardoor hij den menschenstroom van een anderen kant bereikte, en trachtte door schreeuwen de menschen tot teruggaan te bewegen. Hij riep hun toe, dat er een ongeluk gebeurde, dat er menschen gevallen waren, die door de voeten der anderen vertreden werden,--maar zijn roepen mocht niet baten. Wel drongen de voorsten terug, maar verder naar achteren hoorde men hem niet. Steeds drong men voorwaarts!
Toen ijlde hij weg naar de kazerne, om hulp te halen. Hij gunde zich echter den tijd niet, om zijne mannen te verzamelen, maar snelde opnieuw, door slechts enkelen gevolgd, naar de plaats van den ramp. De meesten van hen echter, het gevaar ziende waarin zij zich begeven zouden, keerden terug. Alleen Private Speulée volgde hem, en zij spanden samen hunne uiterste krachten in, om den doorgang vrij te maken.
't Was een vreeselijk schouwspel, dat zich aan hunne oogen vertoonde. De grond lag bezaaid met dooden,--en met levenden, die door anderen vertreden werden en de ijselijkste jammerkreten slaakten. Mathieu richtte een bewusteloozen man op, daarna een jongen, eene vrouw en een klein meisje. Hij droeg ze snel naar eene plaats, waar zij in de frissche lucht herstellen konden. En telkens keerde hij naar de rampplaats terug, om anderen te redden. Elk oogenblik verkeerde hij in gevaar, om in 't gedrang omvergeworpen en doodgetrapt te worden,--maar hij ging onbevreesd met het reddingswerk voort. Niet minder dan negen personen wist hij te midden van 't gedrang op te richten en naar eene veilige plaats te brengen. En nog, altoos drong men van achteren op...
Speulée stond hem moedig ter zijde en redde een man en een kind. Langzamerhand kwam er meer hulp opdagen. Officieren schoten toe, om hunne makkers bij te staan. Een van hen zette een jongen op zijn rug, nam een meisje in zijne armen, en wist beiden buiten het gedrang te brengen, waarvoor hij niet minder dan een half uur noodig had. Hij werd zoo moê en benauwd, dat hij zich bijna niet langer staande kon houden.
Eindelijk daagde er hulp. Eenige kurassiers te paard kwamen van het Champ de Mars en reden bedaard, stap voor stap, in de menigte. Overal waar zij kwamen, stak men hun kinderen toe, hun smeekende, die bij zich op het paard te nemen, wat zij deden. Zij drongen met groot geduld en de uiterste voorzichtigheid steeds verder in de menigte door, eerst in rijen van één, toen twee aan twee, vervolgens bij drieën, en vormden zoo een wig, die scheiding maakte tusschen de menigte en den nauwen doorgang. Zoo ontstond er eenige kalmte en kwamen de menschen tot bezinning. De stroom werd nu in verschillende richtingen geleid, waardoor verdere ongelukken voorkomen werden. De slachtoffers werden opgenomen en naar de kazerne gebracht, waar men al het mogelijke deed, om de levensgeesten weder op te wekken en de wonden te reinigen en verbinden. Daarna werden zij, voor wie dit noodig was, naar de hospitalen vervoerd, terwijl anderen naar hunne woning werden gebracht.
Martinel, die ook hier weer zijn grooten moed en wijs beleid had getoond, ontving een jaar later den eereprijs, die voor het verrichten van daden van moed en menschlievendheid was uitgeloofd.
NIELS FINSEN.
In den laatsten tijd hebben beroemde mannen eigenschappen in het licht ontdekt, die nog niet bekend waren. Dat wij zonder licht niet kunnen leven, wist natuurlijk sedert langen tijd iedereen. Als we de zon niet hadden, werd onze aarde in korten tijd een ijsbol, waarop geen levend wezen bestaan kan. Zij is het, die onze aarde vruchtbaar maakt, onze heerlijke vruchten rijpt, en onze schoone bloemen doet bloeien. Maar zij is het ook, die onzen levenslust opwekt, ons vroolijk en opgeruimd doet zijn, ons kracht tot werken geeft. Maakt een grauwe lucht ons droefgeestig en somber, het schoone zonnelicht, die heerlijke gave Gods, verjaagt alle zwartgalligheid en melancholie.
't Was ook bekend, dat men het licht kan ontleden, zooals dat ook gebeurt als de zon schijnt en het gelijktijdig regent. Dan verschijnt aan den hemel de regenboog met zijne roode, oranje, gele, groene, blauwe en violette stralen. Diezelfde kleuren verkrijgt men ook, wanneer men wit licht door een prismatisch geslepen glas laat gaan. We verkrijgen dan het zoogenaamde zonnespectrum.
In de laatste jaren echter zijn de Röntgen-, Becquerel- en radiumstralen ontdekt. Van deze stralen is het eigenaardige, dat zij door vaste stoffen heendringen, en dat men de radiumstralen zelfs door metalen voorwerpen heen kan zien. De Röntgenstralen hebben aan de menschheid reeds groote diensten bewezen. Vooral in oorlogstijd maakt men er gebruik van om te zien, waar zich in een menschelijk lichaam een kogel bevindt, die verwijderd moet worden. De lichtstralen dringen door het vleesch heen, maar niet door den kogel. De plaats, waar deze zich bevindt, wordt dus met groote juistheid aangewezen.
In Denemarken woonde een professor, Niels Finsen genaamd, die reeds lang de wonderbare kracht had opgemerkt, welke de zon op zijn ziekelijk lichaam uitoefende. Van zijn jeugd af was hij zwak en ziekelijk geweest, en het was hem niet ontgaan, dat hij zich veel prettiger en opgewekter voelde, als het zonnetje aan den hemel schitterde, dan bij somber, druilig weer. Datzelfde verschil merkte hij op, wanneer hij in een vroolijke, zonnige, of wel in eene donkere, sombere kamer was. Hij begreep, dat dit groote verschil niet alleen een gevolg kon wezen van stemming, maar dat het wel degelijk moest worden toegeschreven aan de genoemde kracht van het licht. De gedachte maakte zich van hem meester, dat het licht dienstbaar kon worden gemaakt aan de geneeskunde, en dat het wellicht niet onmogelijk zou zijn, de lijdende menschheid in sommige gevallen door de kracht van het licht genezing te brengen. Inzonderheid meende hij, dat huidziekten, die door bacteriën ontstaan, door middel van het licht zouden kunnen worden genezen.
Toen die gedachte zich eenmaal van hem had meester gemaakt, begon hij verschillende proeven te nemen. Hij onderzocht, of de kleuren, waarin men het licht kon ontleden, gelijken of verschillenden invloed uitoefenden op de voorwerpen, die er door werden beschenen. En zoo bleek het hem al spoedig, dat de invloed van die verschillend gekleurde lichtbundels niet dezelfde was en dat men te doen had met twee soorten van lichtstralen, n.l. de _warmtestralen_, waartoe de roode behooren, en de _chemische stralen_, waaronder de violette vielen. Finsen onderzocht, welken invloed die verschillende stralen hadden op vlinders, die hij in een bak plaatste, welke hij met verschillend gekleurde glazen: roode, groene, gele, blauwe, enz. afsloot. Hij merkte op, dat de vlinders kalm en rustig bleven onder het roode glas, waardoor dus alleen de roode stralen toegang hadden,--terwijl zij zeer onrustig werden onder de blauwe glazen. Zij trachtten dan zoo spoedig mogelijk weer hunne schuilplaats onder het roode licht te bereiken. De verschillende werking der roode en blauwe stralen werd daardoor duidelijk aangetoond.
Finsen had zich ook de vraag gesteld, waarom de Schepper de bewoners der tropische gewesten eene donkere huidskleur had gegeven. Hij had de overtuiging, dat dit niet zonder doel was geschied, en dus niet te denken was aan bloot toeval. Hij nam daarom de volgende proef. Op zijn arm schilderde hij met Oostindischen inkt een zwarte plek, waarin hij echter twee plekken, die den vorm hadden van zijne voorletters N. F., onbeschilderd liet. Die plekken bleven dus wit. Vervolgens bevestigde hij op zijn arm door middel van vischlijm verschillend gekleurde reepjes glas, een stuk gewoon glas, en ook nog een stuk bergkristal. Hij liet nu onder voortdurende afkoeling licht van bepaalde sterkte en op een bepaalden afstand op dien arm inwerken. Hij gebruikte daarvoor zoowel zonnelicht als electrisch licht, en wel booglicht van 20 ampères.
Het bleek hem, toen de belichting lang genoeg geduurd had, dat op de plaatsen, waar de gekleurde glaasjes, het gewone glas en de Oost-indische inkt hadden gezeten, het licht zijne inwerking niet vertoonde, maar dat onder het bergkristal en op de plaats der beide letters N. F. een ontsteking van de huid was opgetreden. Na verloop van tijd verdween die ontsteking wel weer, doch nog wel een half jaar later kon hij door sterke wrijving de beide letters weer zichtbaar laten worden. Hij begreep nu, waarom de bewoners der tropische gewesten met een donkere huidskleur waren gezegend.
Meermalen was het ook gebleken, dat gletscherbeklimmers bij hunne tochten onder aan de kin uitslag kregen tengevolge van de reflexwerking van de zonnestralen op het bergkristal, terwijl proeven hadden aangetoond, dat bergkristal alleen de chemische of blauwe stralen doorlaat. Finsen kwam daardoor tot het besluit, dat alleen de chemische stralen de ontsteking op zijn arm hadden veroorzaakt.
Hij nam nog meer proeven, en zag, dat salamandereieren, die gedurende langen tijd aan den invloed van electrisch licht waren blootgesteld, afstierven. Ook op kikvorsch-eieren hadden de chemische stralen eene doodelijke inwerking. Bovendien hadden de geleerden reeds sedert langen tijd opgemerkt, dat rood licht op pokkenlijders een zeer eigenaardigen invloed had. 't Was namelijk gebleken, dat de ongelukkige lijders aan deze ziekte in kamers, waarin alleen rood licht kon doordringen, niet zulke hooge koortsen kregen als gewoonlijk bij deze ziekte het geval is, en dat de pokpuisten niet in verettering overgingen, zoodat de patienten sneller herstelden en geen litteekens behielden. Dit reeds was een groote schrede voorwaarts op het gebied der geneeskunde, die den armen lijders ten goede kwam.
Ook Finsen had reeds lang proeven in die richting genomen. Eindelijk kwam hij tot het besluit te onderzoeken, of het mogelijk zou zijn ziekte-veroorzakende bacteriën door middel van het licht te dooden. Hij liet voor zijne proeven, glazen buizen vervaardigen met vlakke wanden, en kweekte daarin verschillende soorten bacteriën. Toen liet hij de chemische stralen op deze kolonies inwerken, en kwam tot het verrassende resultaat, dat de bacteriën inderdaad werden gedood. Dit was een reuzenschrede voorwaarts naar het doel, dat hij zich had gesteld, n.l. het middel te vinden om den tuberkel-bacil, waardoor de gevreesde lupusziekte ontstaat, te dooden. Wie kent niet de beklagenswaardige lupuslijders met hunne bloederige gezichten, weggeteerde neuzen, opgezette lippen, tranende oogen? Wie voelt geen medelijden met deze ongelukkigen, die weten, hoe afzichtelijk hun uiterlijk is en zich door allen geschuwd zien? 't Was voor Finsen het levensdoel geworden, voor hen het middel te vinden, dat hun redding bracht. En hij heeft het gevonden.
Hij was zoover gevorderd, dat hij wel de lupus-bacillen in zijne glazen buizen kon dooden, maar bij de lijders zitten zij tot diep in de huid doorgedrongen. Hij moest dus nu onderzoeken, of de chemische stralen ook daar hunne doodende uitwerking zouden hebben, of zij zouden doordringen tot de diepere lagen van de huid.
Om dit na te gaan nam hij proeven op honden en katten. Buisjes gevuld met chloorzilver, dat bij de inwerking van 't licht ontleed werd, bracht hij onder de huid van deze dieren, en zie, toen hij het licht een geruimen tijd had laten inwerken, bleek het hem tot zijne groote vreugde, dat ook in de diepte de chemische stralen hun invloed hadden doen gelden. Het chloorzilver was wel degelijk ontleed.
Zoo achtte hij dan eindelijk het oogenblik gekomen, om zijne studiën ten bate der lijdende menschheid in toepassing te brengen. En hij mocht in 1897 de voldoening smaken een lupus-patient volgens de door hem gevonden methode te genezen, voorwaar een gulden daad, die zijn naam voor altoos terecht beroemd zou maken.
Bij de behandeling van zijne patienten gebruikte hij in den eersten tijd het zonnelicht, maar daar in het hooge noorden de zon zich al even weinig laat zien als bij ons, ging hij er toe over, het electrisch licht voor zijn doel aan te wenden. Dat licht bevat betrekkelijk een veel grooter aantal chemische stralen dan het zonnelicht, wat een groot voordeel voor hem was. Hij bedacht nu een instrument, bestaande uit een koperen cilinder met bergkristallenzen, veel gelijkend op een grooten verrekijker. Hieruit liet hij een bundel electrische lichtstralen op zijne patienten vallen. Dit licht is zoo schel, dat de patient zijn oogen moet sluiten en de verpleegsters, die de lens richten, schermen voor de oogen moeten dragen.
Hij bemerkte al spoedig eene leemte. 't Bleek hem namelijk, dat het bloed de genezing van de ziekte tegenhield. Hij bedacht daarom, het zieke deel zoodanig met bergkristal te drukken, dat het bloedledig werd, en tot zijn groote blijdschap verrichtten de lichtstralen toen wonderen. Al na weinige dagen trad de beterschap in, en zoo mocht het hem gelukken, zeer vele lijders van de gevreesde ziekte te doen herstellen.
Als een bewijs, hoe de Deensche Staat Finsen's werk waardeerde, zij vermeld, dat deze dadelijk eene groote som gelds beschikbaar stelde, waardoor Finsen de gelegenheid kreeg, een grootsche inrichting voor lupuslijders te openen. Ook viel hem de Nobelprijs ten deel, welke alleen wordt uitgereikt aan hen, die zich jegens de menschheid buitengewoon verdienstelijk hebben gemaakt.
Finsen, die gedurende zijn geheele leven zwak en ziekelijk was geweest, stierf op den leeftijd van 44 jaar. Ware hem een langer leven beschoren geweest, wie weet, wat hij misschien nog meer ten bate der lijdende menschheid had gedaan,--maar 't heeft zoo niet mogen zijn.
Gedurende zijne laatste levensjaren was hij aan het ziekbed gekluisterd, maar zijn geest bleef even onvermoeid en werkzaam. Hij liet zijn ledikant naar zijn instituut overbrengen, en iederen morgen kwamen de dokters en verpleegsters aan zijn bed om zijne bevelen te vernemen. Tot aan zijn dood toe bleef hij denken en zoeken, om zoo mogelijk zijn instrumenten nog te verbeteren. 't Schijnt evenwel, dat die de volmaaktheid reeds nabij komen, want niettegenstaande velen getracht hebben zijn werk te verbeteren, zijn toch overal in de wereld lampen in gebruik, zooals Finsen die heeft uitgedacht. Er is nog zoo goed als niets aan veranderd.
Uit alle streken der wereld bezoeken geneeskundigen de inrichting van Finsen, om zijne geneeswijze te bestudeeren en die in hun vaderland toe te passen. Honderden bij honderden lupus-lijders zijn sedert van hunne ziekte genezen, en zullen zeker den naam van den Deenschen professor Niels Finsen levenslang in gezegend aandenken houden.
EEN TROUWE SLAAF.
Frankrijk was in de macht geraakt van de Salische Franken onder hun koning Chlodvig. Wel is waar had deze niet meer dan een legertje van vijf duizend man onder zijne bevelen, maar hij vergoedde aan dapperheid, wat hem aan macht ontbrak. Hij was uit het geslacht der Merovingers, die zich van de andere Franken door hunne lange, op de schouders neergolvende lokken onderscheidden.
Chlodvig was dapper, maar trouweloos en wreed. In 486 begon hij den oorlog tegen de Romeinen, die toen nog een deel van Gallië in hun bezit hadden. Hij versloeg Syagrius en doodde hem. Vele kerken werden in dien tijd door Chlodvig's soldaten geplunderd, want evenals hun koning waren zij toen nog heidenen.
Daarin zou echter verandering komen. Hij koos zich Chlotilde, de nicht van den Bourgondischen koning, tot gemalin, en daar deze eene Christin was, rustte zij niet, voordat ook Chlodvig den Christelijken godsdienst had omhelsd.
In verscheidene oorlogen maakte hij zich van een groot deel van Gallië meester, en overal voerde hij den Christelijken godsdienst in. 't Moet echter gezegd worden, dat zijne Franken meer in naam dan metterdaad Christenen waren, want zij bleven een zeer ruw volkje, dat het woord zachtmoedigheid niet kende.
De Roomsch-Katholieke geestelijken werden door Chlodvig met de meeste onderscheiding behandeld, en daar hij veel deed om den Christelijken godsdienst uit te breiden, stond hij bij hen zeer hoog aangeschreven en vergaven zij hem menige daad van geweld, ja zelfs moord en doodslag, die zij in een ander zeker streng zouden hebben afgekeurd. Hij stierf in 511, en liet zijn machtig rijk na aan zijne vier zonen, die elk een deel in bezit namen, maar voortdurend met elkander in oorlog waren. 't Waren ruwe mannen, die voor geen daad, hoe slecht ook, terugdeinsden. Geen denkbare misdaad was er, die niet door hen werd gepleegd.