Gouden Daden

Chapter 12

Chapter 123,946 wordsPublic domain

Ook in het Noorden behaalde de Ruyter grooten roem. Zweden en Denemarken voerden een langen en bloedigen oorlog. De Hollanders besloten Denemarken hulp te verleenen, en zonden eene vloot onder bevel van Wassenaar van Obdam naar de Oostzee. Later werd eene nieuwe vloot ter versterking daarheen gezonden onder bevel van de Ruyter. Hij landde in November 1659 op Funen, maar werd daar door de Zweden met kanongebulder ontvangen. Vele Hollanders sneuvelden, en er ontstond onder hen zelfs een oogenblik van wankelmoedigheid. Maar de Ruyter riep hun toe:

"Valt aan, mannen, valt aan, of gij zult allen te zamen worden vermoord!"

De dappere Ritmeester Buat sprong met het rapier in de vuist vooruit, en riep:

"Mannen, dat gaat u voor, volgt mij na!"

Toen vielen de onzen kloekmoedig op de Zweden aan en behaalden eene schitterende overwinning, welke tengevolge had, dat Nyborg op de vijanden werd vermeesterd.

De koning van Denemarken, die zijn redding geheel aan den moed der Hollanders te danken had, verhief de Ruyter met al zijne nakomelingen in den adelstand en schonk hem een gouden keten van groote waarde. Bovendien verleende hij hem een lijfwedde van twee duizend gulden 's jaars.

Er brak nu een kort tijdperk van rust voor hem aan. Acht maanden mocht hij in den schoot van zijn gezin doorbrengen. Hij woonde toen in Amsterdam en had acht kinderen. Zijn zoon Adriaan was zeeman, evenals zijn vader. Een andere zoon, Engel genaamd, koos eveneens die loopbaan, en zou weldra zijn eersten tocht op het zilte nat ondernemen. Adriaan stierf jong als luitenant ter zee. Van zijne dochters huwde Cornelia met den kapitein der zeesoldaten Johan de Witte, Alida huwde met een schepen van Vlissingen, later met den Predikant Potts aldaar, en Margaretha trad in het huwelijk met Somer, Predikant te Amsterdam.

In den zomer van 1661 kreeg de Ruyter bevel opnieuw zee te kiezen, om de Algerijnsche zeeschuimers te tuchtigen, die weer brutaler dan ooit onze koopvaarders roofden en de bemanning als slaven verkochten. Ook Fransche en Spaansche zeeroovers maakten het onzen koopvaarders in die dagen zeer lastig. Welke groote afmetingen die rooverijen hadden aangenomen, kan blijken uit het feit, dat de Algerijnen niet minder dan dertig groote roofschepen in zee hadden.

De Ruyter bleef in de Middellandsche zee tot in het begin van 1663, en maakte het den zeeschuimers geducht lastig. Toen kreeg hij bevel naar het vaderland terug te keeren. Cornelis Tromp zou zijne taak van hem overnemen, maar na het vertrek van den gevreesden de Ruyter traden de roovers met vernieuwde brutaliteit op. De dappere Tromp had te weinig schepen, om hun voldoende ontzag in te boezemen.

Opnieuw werd de Ruyter uitgezonden, om de roovers te kastijden. Zijn zoon Engel maakte dezen tocht, die zijn eerste was, met hem mede. De Ruyter werd door een hevige ziekte overvallen en men had geen hoop, dat hij daarvan herstellen zou. Zijn leven bleef echter behouden. Het mocht hem evenwel niet gelukken, de zeeroovers tot onderwerping te brengen. Het uitbreken van een nieuwen oorlog met Engeland riep hem naar elders.

De Engelschen, die naijverig waren op den bloei der Nederlanden en op onzen handel, hadden reeds langen tijd blijken gegeven van hunne vijandelijke bedoelingen. Zij hadden, zonder dat er eene oorlogsverklaring aan was voorafgegaan, Hollandsche koopvaarders bemachtigd, en maakten zich in 1664 zelfs meester van onze bezittingen in Afrika en Amerika.

De Ruyter kreeg toen den geheimen last, die bezittingen te heroveren, welk bevel hij ten uitvoer bracht. 't Was op zijn tocht naar Afrika, dat de Vice-admiraal Michiel de Ruyter Jan Kompanie weder ontmoette, het vroegere negerjongetje, dat op hetzelfde schip was, waarop hij zijne eerste reis maakte. Toen Jan Kompanie vernam, dat Michiel, zijn vroeger speelkameraadje, de admiraal was, die over de machtige vloot bevel voerde, liet hij zich bij hem aan boord brengen, waar een hartelijk wederzien volgde. Jan had het ook ver in de wereld gebracht, want hij was zelfs onderkoning over eenige negers geworden. Hij kende toen nog, na een tijdsverloop van meer dan veertig jaren, al de namen der bruggen, straten en kaden van Vlissingen, wel een bewijs, dat hij een goed geheugen bezat.

Na eene afwezigheid van vijftien maanden keerde de Ruyter in het vaderland terug, waar hij met groote blijdschap ontvangen werd, omdat men gevreesd had, dat hij op zijn terugtocht den Engelschen in handen zou vallen. Hier had men zich intusschen met kracht tot den oorlog uitgerust. Een aanzienlijke vloot lag gereed, om op het eerste bevel zee te kiezen. Dat bevel zou niet lang op zich laten wachten.

De Engelsche vloot was uitgevaren en maakte over de honderd onzer koopvaarders buit. Toen koos ook onze vloot het ruime sop. Zij telde 105 oorlogsschepen, 7 jachten, 11 branders en 12 galjoten, te zamen voerende 4900 vuurmonden en 22000 koppen. De vijand had 110 schepen in zee, en stond onder bevel van den Hertog van York, die zich aan boord bevond van de _Royal Charles_.

Wassenaar van Obdam voerde onze vloot aan. Reeds bij het eerste treffen, dat ter hoogte van Lowesthoff plaats had, leden wij een gevoeligen slag, doordat het schip van onzen admiraal in de lucht vloog. Het lijk van Obdam werd nooit teruggevonden, en met hem vond de geheele bemanning, bestaande uit 500 koppen, den dood. Ook de dappere Kortenaar sneuvelde. Deerlijk gehavend keerde onze vloot in het vaderland terug, terwijl bij de Engelsche uitbundige vreugde heerschte over de behaalde overwinning. Wij hadden vele schepen verloren, terwijl verscheidene kapiteins op lafhartige wijze de vlucht hadden genomen.

In weinige weken was de vloot hersteld en in staat weder uit te loopen. Voorloopig werd Cornelis Tromp tot opperbevelhebber benoemd, want de Ruyter was op dat tijdstip nog niet uit het Verre Westen teruggekeerd. Maar nauwelijks had hij hier voet aan wal gezet, of hij werd door de Staten benoemd tot Luitenant-Admiraal van de vloot, de hoogste waardigheid, die voor hem te bereiken was. Cornelis Tromp was daar zoo verontwaardigd over, dat hij zijn ontslag uit 's lands dienst verzocht. Hij wilde niet onder de Ruyter dienen. De houding van den dapperen Evertsen, eertijds de meerdere van de Ruyter, was geheel anders. Deze verklaarde rondborstig, dat aan de Ruyter, om zijne hooge verdiensten, het opperbevel toekwam. Tromp kreeg zijn gevraagd ontslag niet, maar ontving van de Staten eene scherpe terechtwijzing, waarop hij besloot, zich den nieuwen stand van zaken te laten welgevallen.

In een geweldigen zeeslag, die den 12 Juni 1666 begon en eerst den 14 Juni werd beslist, bevocht de Ruyter eene schitterende overwinning op de vijanden. Hij bevoer het Admiraalsschip _De Zeven Provinciën_. Voor den aanvang van den strijd, toen de Engelschen in 't gezicht kwamen, liet hij op de geheele vloot het gebed doen. Daarna begon het bloedige gevecht, dat in de geschiedenis bekend staat als de Vierdaagsche Zeeslag, en waarin de Ruyter zich met roem en eer overdekte. Toen eindelijk de vijanden hun heil zochten in de vlucht, nadat de Vice-admiraal Ascue zelfs gedwongen was geworden zich over te geven,--vielen onze kapiteins elkander weenend van blijdschap in de armen. De Ruyter, nederig en bescheiden als altijd, ontblootte zich het hoofd, hief den blik hemelwaarts, en dankte God voor de overwinning. Zwaar gehavend, maar met 3000 gevangenen en zes veroverde schepen, keerde de vloot in het vaderland terug.

In een volgend treffen waren wij niet zoo gelukkig. 't Had plaats bij Duinkerken. De dappere, nobele Cornelis Evertsen werd daar doodelijk getroffen, en de Ruyter zag zich gedwongen, te wijken. Zijn terugtocht was echter zoo beleidvol, dat de Engelschen niet het minste voordeel met hunne overwinning behaalden en onze vloot behouden in onze haven binnen kon vallen. Hij schreef den slechten afloop van dezen strijd voor een groot deel toe aan Cornelis Tromp, die zich van de vloot had afgescheiden en haar daardoor te zeer verzwakt had. Tromp verdedigde zich met de bewering, dat hij zich onbewust in de hitte van den strijd te ver van de vloot had verwijderd, en dat in geen geval de zucht om de Ruyter te benadeelen, de drijfveer van deze daad was geweest. Het treurige gevolg was echter, dat Cornelis Tromp van zijn ambt werd ontzet, en dat er tusschen hem en de Ruyter eene verwijdering ontstond, die gedurende vele jaren zou blijven bestaan.

De Engelschen begaven zich noordwaarts en staken ruim 100 van onze koopvaardijschepen, die in het Vlie lagen, in brand. Bovendien verwoestten zij een gedeelte van het weerlooze eiland Terschelling,--voorwaar geen groot heldenstuk. 't Was een lage en schandelijke daad van de anders zoo moedige Engelschen, en zij zou hun eerlang berouwen.

Den 17en Juni 1667 stak de Ruyter met eene machtige vloot in zee, niet om een weerloos Engelsch eilandje af te loopen, maar om weldra de ankers te laten vallen voor den mond van de Theems, en den leeuw in zijn eigen hol te gaan bestoken. Den 20en Juni zeilde het eerste smaldeel onder den Vice-admiraal van Gent de Medway op, en veroverde kapitein van Brakel het fort Sheerness, dat ons den toegang wilde beletten. Tevens vermeesterde hij het schip _de Unity_, en maakte daardoor den weg naar Londen voor onze schepen vrij. Onze vloot lichtte de ankers, en voer de rivier op. Het vroegere admiraalsschip _Royal Charles_ werd veroverd en verscheidene andere schepen werden in brand gestoken. Een geweldige schrik maakte zich van de Engelschen meester. Londen sidderde. "De Hollanders komen!" klonk het alom. Men pakte het kostbaarste bijeen en vluchtte de stad uit. Iedereen verwachtte, dat Londen geplunderd en verwoest zou worden, dat moord en doodslag het Engelsche volk in rouw zou dompelen.

Dat geschiedde echter niet. Wel bleef onze vloot nog een paar maanden in dien omtrek kruisen, maar Londen werd niet aangetast. Deze beroemde tocht naar Chattam, zooals hij gewoonlijk wordt genoemd, verhaastte niet weinig het sluiten van den vrede, die in Juli 1667 tot stand kwam. De _Royal Charles_ was als zegeteeken naar het vaderland medegevoerd.

In 1672 raakte ons land opnieuw in oorlog, thans met Frankrijk, Engeland, Munster en Keulen. 't Was het rampjaar onzer geschiedenis. De Franschen drongen tot diep in ons land door, terwijl de noordelijke provinciën ernstig door de Munsterschen en Keulenaars werden bedreigd. 't Land was reddeloos, de regeering radeloos, het volk redeloos. Willem III werd onder den drang van het volk tot stadhouder benoemd, en de gebroeders de Witt werden op schandelijke wijze door het grauw vermoord.

't Gemeenebest scheen verloren. Alleen ter zee bleek Neerlands meerderheid tegenover de vijanden.

Den 7en Juni leverde de Ruyter een slag tegen de vereenigde Engelsche en Fransche vloten, die onder bevel stonden van den Hertog van York en d'Estrées, bij Solebay. Dadelijk bij het begin van het gevecht wees de Ruyter zijn stuurman Zeger het schip van York aan, met de woorden:

"Stuurman Zeger, dàt is onze man!"

Waarop de stuurman antwoordde:

"Mijnheer, dat zal u gebeuren."

Onmiddellijk daarop voer _de Zeven Provinciën_ tot op een pistoolschot afstands van _the Royal Prince_, en gaf het de volle laag. Een hevig gevecht ontstond, dat omstreeks twee uren aanhield. De Hertog van York zag eindelijk zijn schip zoo zwaar geteisterd, dat hij het noodig vond op een ander vaartuig over te stappen.

't Werd een verwoede zeeslag, die strand en zee deed daveren van 't kanongebulder, zooals een dichter 't uitdrukte.

De Ruyter verklaarde zelf, "dat hij veel zeeslagen had bijgewoond, maar nooit in scherper en langduriger gevecht was geweest." Wie in dezen slag overwinnaar bleef, is niet te zeggen, maar zeker is het, dat de Engelschen en Franschen geen voordeel behaalden en niet minder dan 2500 gesneuvelden en gekwetsten telden. Een Engelschman, die op het schip van de Ruyter den slag had bijgewoond, getuigde van hem: "Is dat een Admiraal! Dat is een Admiraal, een stuurman, een matroos en een soldaat! Ja, die man, die held is dat alles te gelijk!"

't Was bekend, dat Michiel de Ruyter een groot vriend was van de gebroeders de Witt. Hij liet dan ook niet na zijn afkeurend oordeel over den moord op deze beide mannen uit te spreken, wat hem door velen hoogst kwalijk genomen werd. Zijn vrienden waarschuwden hem zelfs voor zijne groote vrijmoedigheid in dat opzicht, en gaven hem den raad, zijne gedachten niet zoo luid uit te spreken. Zijn antwoord daarop klonk fier:

"Wanneer 't hier in het vaderland zoo gelegen is, dat men de waarheid niet mag spreken, zoo is 't er ellendig gesteld. Nochtans zal ik die spreken, zoo lang als mijne oogen openstaan." Gedurende hunne gevangenschap was hij zelfs hun voorspraak geweest.

Toen dan ook de de Witten waren vermoord en 't grauw tot daden van geweld was overgeslagen, verzamelde zich ook voor het huis van de Ruyter een troep volks, dat luide de beschuldiging uitte, dat de Ruyter 's lands vloot aan de vijanden verraden en verkocht had. Men hoorde met groot lawaai schreeuwen, dat men het huis wilde plunderen. Mevrouw de Ruyter ontbood dadelijk Wessel Smit, een kapitein van een vendel burgers, bij zich, en deze riep van zijn stoep af het volk toe:

"Wat wilt gij? Wat is er te doen?"

't Antwoord was niet bemoedigend.

"Jij dikke schelm, kom van de stoep, men zal je op zijn Jan de Witts behandelen," klonk het hem toe.

De dappere Smit daalde dadelijk van de stoep af, en zei: "Heb ik 't verdiend, zoo kunt ge mij zoo behandelen."

Men deed hem echter niets, en hij spoedde zich naar het huis van de Ruyter, waar diens vrouw in grooten angst verkeerde. Dadelijk begaf hij zich naar zijn vaandrig Nicolaas Duizendt, om met hem te overleggen, wat er gedaan moest worden. Een trommelslager, om het vendel bijeen te roepen, hadden zij niet bij de hand; daarom zond hij zijne dienstboden uit, om de schutters op te roepen.

't Grauw begon intusschen al sterker op te dringen, en er was nog maar eene kleinigheid noodig, om hen tot plundering te doen overgaan.

De heer Smit bleef het volk toespreken, maar men antwoordde hem, dat de admiraal de vloot aan de Franschen had verkocht, en dat hij voor iederen matroos een dukaton had ontvangen. Ook beweerden sommigen, dat zij de Ruyter aan handen en voeten gebonden in den Haag gevankelijk hadden zien binnenbrengen.

Toen riep Mevrouw de Ruyter het volk toe:

"Hoe is dat mogelijk? Ik heb op dezen dag een brief van mijn man ontvangen, die gisteren pas geschreven is."

Smit vroeg dien brief te zien. Hij wilde hem als een middel gebruiken, om het opgeruide grauw aan de praat te houden, wat hem ook gelukte.

"Wie kent het schrift van den Admiraal?" vroeg hij.

"Ik! Ik!" riepen sommigen.

"Komt dan hier, en leest zelf!" zei de heer Smit.

Dat geschiedde, maar onderwijl naderden de schutters, die de straten afzetten en het grauw geboden, uiteen te gaan. Toevallig naderde in de gracht ook een vaartuigje gewapend met 6 kanonnen, en de kapitein daarvan verklaarde zich op het verzoek van Smit dadelijk bereid, den Admiraal een dienst te doen.

Het volk vond het toen raadzaam, de voorgenomen plundering op te geven en een veiliger plaats op te zoeken. Zoo bleef de Ruyter voor een grooten ramp bewaard.

Eenigen tijd later dreigde de Ruyter een nieuw gevaar, en ditmaal gold het zijn eigen persoon. Op een morgen thuis zijnde, drong iemand zijne woning binnen, roepende:

"Waar is Michiel de Ruyter? Ik wil Michiel de Ruyter spreken."

De Admiraal kwam uit eene opkamer te voorschijn, om te zien, wat er aan de hand was.

De indringer liep op hem toe met een ontbloot mes in de hand en zou de Ruyter zeker doorstoken hebben, indien niet een dienaar, die toevallig kwam toeloopen, den moordenaar een kleine ladder over hoofd en armen geworpen had, waardoor hij mis stak. De schurk ontkwam en werd later tevergeefs gezocht.

De Prins van Oranje wenschte Cornelis Tromp tot vice-admiraal bij de vloot te benoemen, maar begreep zeer goed, dat eerst een verzoening tot stand moest komen tusschen Tromp en de Ruyter. Tromp was daar aanvankelijk niet toe te bewegen, doch eindelijk bezweek hij voor den aandrang van den Stadhouder, en zoo mocht het Prins Willem III gelukken, de beide groote mannen tot elkander te brengen.

Tromp gaf al dadelijk het bewijs, dat de verzoening van zijn kant welgemeend was, door met zijn schip, toen hij zich bij de vloot voegde, achter het Admiraalsschip om te varen, het met eereschoten te begroeten en zich dadelijk bij de Ruyter aan boord te begeven, om hem zijne opwachting te maken. Daar werd hij met alle vriendschap ontvangen. De Ruyter richtte zelfs ter eere van Tromp een feestmaaltijd aan, een beleefdheid, die enkele dagen later door Tromp op dezelfde wijze werd beantwoord. Nog zat men aan tafel, toen de tijding werd gebracht, dat de vijand in aantocht was. Zoo ver men zien kon, was de zee met hunne kielen bedekt.

Het gevecht nam een aanvang en het gelukte den vijand niet, ondanks zijne overmacht, eenig voordeel te behalen. De Hollanders weerden zich dapper. "Overwinnen of sterven!" was de leuze. Tromp streed met heldenmoed. Hij was van de vloot afgedwaald, en lag tusschen eenige zware Britsche en Fransche schepen ingeklemd. De overmacht was te groot, en het hopelooze van den strijd inziende, verloren zijne mannen den moed. Tromp deed, wat hij kon, om hen te bemoedigen, maar 't mocht hem niet baten. Reeds waande hij zich verloren, toen hij in de verte de Ruyter met zijne schepen zag naderen. Deze had Tromp gemist, en was dadelijk besloten, hem te hulp te snellen.

"Mannen," riep Tromp de zijnen toe, "daar is Bestevaar! Die komt ons helpen! Ik zal hem ook niet verlaten, zoolang ik adem kan scheppen!"

Zoo werd Tromp door de Ruyter gered, en werd hunne verzoening door deze schoone daad bezegeld.

Onze groote Admiraal behaalde ook in dezen slag weer de schoonste lauweren. Zelfs de Fransche vlootvoogd d'Estrées schreef over hem:

"De Ruyter is een groot meester in de kunst van den oorlog ter zee: hij heeft mij in dezen slag schoone lessen gegeven. Gaarne zou ik mijn leven laten voor den roem, dien hij daarbij heeft verworven."

Den 15en Juni volgde een nieuwe zeeslag, waarin de Ruyter een schitterende overwinning behaalde, en den 21en Augustus wist hij bij Kijkduin de vijanden tot een slag te dwingen, die buitengewoon bloedig was, maar waarbij de vijanden gedwongen werden, van onze kusten af te houden. De landing, die zij op het gebied der Vereenigde Nederlanden hadden beoogd, was er voor goed onmogelijk door gemaakt.

Bovendien had de uitslag van dezen geweldigen strijd ten gevolge, dat Engeland vrede met ons sloot, zoodat wij ter zee alleen de Fransche vloot nog tegenover ons hadden.

"Ons volk had gesidderd gedurende dezen slag. Terwijl het kanongebulder den kalmen oceaan beroerde, was aan het strand alles bekommering en gebed," zegt een geschiedschrijver. "Van daar sloegen duizenden, vol angstige spanning, den loop des gevechts gade. Langs de geheele kust riep het klokkengelui de gemeenten naar de kerken. Ook te Amsterdam waren, zoolang de slag duurde, de kerken gevuld, en uit ieders mond, uit ieders hart rees een gebed op tot den Hemel, om uitredding uit den grooten nood." En van de Ruyter zegt dezelfde:

"Men verhief (in het vaderland) vooral de Ruyter. Elk gewaagde van de groote diensten, door hem aan den Staat bewezen. Zijn naam, te voren genoeg vermaard, steeg nu nog hooger in top der doorluchtigheid, en de galm zijner glorie klonk door alle gewesten." Maar de Ruyter zelf gaf, nederig en bescheiden als hij was gedurende gansch zijn leven, alleen Gode de eer. Hij smaakte de voldoening, dat zijn zoon Engel, die in verscheidene gevechten den grootsten moed en veel beleid had getoond, tot Schout bij nacht werd benoemd.

Ook Munster en Keulen hadden intusschen vrede met ons gesloten, zoodat wij nu alleen nog met Frankrijk in oorlog waren. Bovendien hadden wij bondgenooten gevonden, ook in Spanje.

Het grootste gevaar, dank zij den moed en de bekwaamheid van de Ruyter, die eene landing van de vijanden op onze kusten onmogelijk had gemaakt, en mede aan het beleid van Willem III, was dus voorbij.

Zoo komen wij aan den laatsten tocht van onzen grooten Admiraal. Hem werd opgedragen zich naar de Middellandsche Zee te begeven, om aldaar de Fransche vloot aan te tasten. Voor dezen tocht waren echter naar de meening van de Ruyter veel te weinig schepen uitgerust, en hij gaf daarover tegen een der leden van de Admiraliteit zijn ongenoegen te kennen. Deze had de onbeschaamdheid den grooten held toe te voegen:

"Ik denk niet, Mijnheer, dat gij op uwe oude dagen bevreesd begint te worden en den moed laat vallen?"

Waarop de Ruyter waardig antwoordde:

"Neen, ik begin den moed niet te laten vallen. Ik heb mijn leven veil voor den Staat, maar ik ben verwonderd, en 't is mij leed, dat de Heeren de vlag van den Staat zoo veil hebben en wagen."

Men verzocht hem dringend, ondanks zijne bezwaren, in zee te gaan. Waarop hij zei:

"De Heeren hebben mij niet te verzoeken, maar te gebieden, en al werd mij bevolen 's lands vlag op een enkel schip te voeren, ik zou daarmeê in zee gaan, en waar de Staten hunne vlag betrouwen, zal ik mijn leven wagen."

De held verliet het vaderland in de vaste overtuiging, dat hij niet levend zou wederkeeren. Tot een vriend zei hij bij het afscheid:

"Mijn vriend, ik zeg u adieu, en niet alleen adieu, maar adieu voor eeuwig, want ik denk niet weêr te komen. Ik zal op dezen tocht blijven. Ik voel het."

Bij Stromboli had de eerste ontmoeting tusschen de beide vloten plaats. De Fransche schepen stonden onder bevel van Admiraal Du Quesne. Deze hield dadelijk op het Hollandsche admiraalsschip _de Eendracht_ aan. Van weerszijden werd er gedurende drie uren hevig gevochten, maar geen der partijen behaalde een beslist voordeel.

Voor de Ruyter geen geringe eer, want zijne vloot was aanmerkelijk zwakker dan de Fransche. Deze telde 24 groote en 6 kleine schepen, terwijl de Ruyter slechts bevel voerde over een achttiental vaartuigen, met veel minder geschut en kleiner bemanning.

Eenigen tijd later gelukte het hem 26 Hongaarsche predikanten, die om het geloof als galeislaven een wreed lot te verduren hadden, uit hunne gevangenschap te doen ontslaan. Zij werden aan hem overgeleverd in den erbarmelijksten toestand, met verscheurde kleederen, half naakt, en met uitgemergelde lichamen.

Met tranen in de oogen dankten zij den held voor hunne verlossing, maar de Ruyter, nederig als altoos, zeide: "Dankt uw God, ik heb niet meer dan mijn plicht gedaan."

Eindelijk, na een lang en roemvol leven, zou Michiel de Ruyter zijn laatsten strijd strijden.

Den 22 April 1676 ontmoette hij de Fransche vloot in het gezicht van den Etna. Dadelijk liet hij zijne schepen in slagorde stellen en viel hij met alle kracht aan. Er ontstond een geweldige strijd, waarbij velen 't met den dood moesten bekoopen. "De Siciliaansche zee," schreef een geschiedschrijver, "scheen in een vuurbrakenden Etna veranderd, en alles stond in vuur en vlam, met dikken rook vermengd."

Onze bondgenooten, de Spanjaarden, hielden zich lafhartig achteraf. Maar de Ruyter vocht met leeuwenmoed, zooals zelfs Fransche ooggetuigen van hem schreven.

Helaas, een half uur na het begin van den strijd trof een vijandelijke kanonskogel den grooten held, en nam hem het grootste deel van zijn linkervoet weg; tevens verbrijzelde hij hem de beide pijpen in het rechterbeen. De Ruyter stond op dat oogenblik op het zonnedek en was bezig zijne bevelen te geven.

Hij stortte neder en viel bovendien nog van het zonnedek, ter hoogte van zeven voet, naar beneden.

Dadelijk snelde men hem ter hulp. Hoewel zwaar gekwetst, riep hij de zijnen nog toe:

"Houdt moed, mijne kinderen, houdt moed; zóó moet men doen, om de zege te bevechten!"

En zij hielden moed; zij streden zoo dapper, dat de vijanden hun heil in de vlucht moesten zoeken, terwijl de onzen hen tot het invallen van de duisternis achtervolgden.