Gouden Daden

Chapter 11

Chapter 113,911 wordsPublic domain

Dit antwoord verbitterde de Ruyter, en hij gaf last, alle gevangenen over boord te werpen. Hij zou dien Spanjaard wel een toontje lager leeren zingen.

De matrozen schoten toe en grepen de gevangenen aan, om hen volgens de gewoonte dier tijden de voeten te spoelen, dit is, over boord te werpen. Maar nu had er bij den trotschen Spanjaard een algeheele omkeering plaats. Hij wierp zich voor Michiel neder en smeekte hem om lijfsbehoud.

Dat was 't alleen, wat de ronde Zeeuw had bedoeld, en hij schonk allen het leven.

Op een anderen tocht, ditmaal naar Salee, bemerkte hij, dat vijf Algerijnsche zeeroovers het op hem voorzien hadden. Daaronder bevonden zich zelfs de admiraal en de vice-admiraal der Algerijnen. 't Zag er niet mooi uit voor Michiel, één tegen vijf, en hij begreep, dat hij veel kans had zijn schip te verliezen en zelf als slaaf naar de binnenlanden te worden gevoeld. Hij trachtte dus de vijanden te verrassen. Eerst hield hij zich, of hij hen wilde ontwijken, maar hij liet zijn schip terdege in staat van tegenweer brengen, en maakte 's avonds van de duisternis gebruik, om hen ongemerkt te naderen. Onverwachts gaf hij het schip van den admiraal de volle laag. De Algerijn deinsde van schrik terug en raakte in een ander vaartuig verward. De beide schepen namen schielijk de vlucht.

Intusschen had de Ruyter zich naar het schip van den Vice-admiraal gekeerd, en gaf hem de andere laag. Ook dit vaartuig zocht zijn heil in de vlucht, zoodat de Ruyter nu nog slechts twee vijanden tegenover zich zag. Zonder een oogenblik te aarzelen, zette Michiel koers tusschen de beide Algerijnen door en bereikte ongedeerd de kust van Salee, waar hij door de Mooren, die dit gevecht van één Hollander tegen vijf Algerijnsche zeeroovers met bewondering hadden aangezien, met groot gejuich ontvangen werd. Zij bewezen den dapperen kapitein de grootste onderscheiding en lieten hem zelfs in triomf te paard de stad doorrijden, terwijl de opperhoofden der roofschepen, onder 't geschimp van het grauw, te voet moesten volgen.

Weer een anderen keer raakte hij met eenige andere schepen onder de Duinkerker kapers verzeild. Zijn schip was geheel weerloos, en voerde weinig of geen geschut.

't Was avond. Alleen list kon hem redden. De koopvaarders doofden de lichten en zochten in de duisternis te ontsnappen, maar de Ruyter liet integendeel verscheidene lichten bijzetten en dreef langzaam met weinig zeilen voort. Die groote kalmte en de vele lichten brachten de Duinkerkers in den waan, dat zij met een oorlogsschip te doen hadden, en zij bleven daarom op een eerbiedigen afstand. De list slaagde volkomen. Hij zeilde ongedeerd tusschen de kapers door, die het niet waagden hem aan te vallen, en kwam weldra in behouden haven.

Dit was niet de eenige maal, dat hij door list aan de handen zijner belagers ontsnapte. Eens kwam hij met een lading boter uit Zeeland, koers houdende naar Vlissingen, toen hij weer zoo'n Duinkerker op zich zag afkomen. Dadelijk gaf hij last, eenige tonnen boter op het dek te smeren. De Duinkerker kwam snel nader, draaide bij en wierp de enterhaken uit, om zich aan het Hollandsche schip vast te klampen. Dadelijk sprongen de vijanden op Michiel's vaartuig over, maar o wee, zij hadden niet op de gladheid van het dek gerekend, en maakten de zotste sprongen of gleden uit en vielen voor de voeten der Hollandsche matrozen, die hen alles behalve vriendelijk ontvingen. Zij werden met haastigen spoed naar het kaperschip teruggejaagd, en kozen hun heil in de vlucht.

Op een andere reis van Salee komende, werd hij vervolgd door een Franschen kaper, die hem zoo in het nauw bracht, dat de Ruyter zich genoodzaakt zag, bij te draaien. Hij begaf zich op het vijandelijke vaartuig, waar hij voor den gezagvoerder werd gebracht, en eischte, dat deze hem ongehinderd zijne reis zou laten vervolgen. Met welk recht wilde deze hem van zijn schip berooven? Holland was immers niet met Frankrijk in oorlog?

De Franschman kon voor zijne handelwijze geen goede gronden aanvoeren, maar was toch niet bereid, de Ruyter te laten vertrekken. Hij liet zich wijn brengen, en bood ook zijn onvrijwilligen gast een glas aan. Maar Michiel sprak fier:

"Ben ik vrij, geef mij wijn,--maar ben ik een gevangen man, zoo geef mij water." En hij weigerde den wijn te drinken. Dit vrijmoedige antwoord behaagde den kapitein zoo zeer, dat hij zijn glas ophief, en zeide:

"Met dezen dronk wensch ik u goede reis!"

En ongehinderd liet hij den kranigen Hollander vertrekken.

Diezelfde vrijmoedigheid en kloekheid toonde de Ruyter later te Salee. Het opperhoofd aldaar kwam bij hem aan boord, en vroeg naar den prijs van een stuk laken, dat de Ruyter hem te koop aanbood. Maar het opperhoofd vond den prijs te hoog, en wilde afdingen.

"Neen," zei de Ruyter, "tegen dien prijs mag ik het u niet afstaan. Wel wil ik, indien het u behaagt, het u ten geschenke aanbieden."

Hier begreep het opperhoofd niets van.

"Wat!" riep hij uit. "Tegen een minderen prijs moogt gij het niet afstaan, en gij wilt het mij ten geschenke geven? Dat is vrij raadselachtig."

"Allerminst," was de Ruyter's antwoord. "Ik mag mijne goederen niet onder den prijs verkoopen, maar desnoods mag ik ze wel ten geschenke geven."

Het opperhoofd werd boos en eischte, dat het laken hem tegen den geboden prijs zou worden afgestaan. En toen de Ruyter onbevreesd bleef weigeren, dreigde hij, dat hij èn schip èn lading zou nemen, daar de Ruyter zich geheel in zijne macht bevond.

"Dat kunt ge doen," zei de Ruyter fier, "maar dan zullen alle kooplieden weten, dat in Salee geen schip veilig is!"

In de grootste verbolgenheid verliet het opperhoofd met zijn gevolg het Hollandsche vaartuig, de Ruyter in volslagen onzekerheid achterlatende van wat hem te wachten stond.

Een paar uur later keerde de Moor aan boord terug. "Welnu," vroeg hij, "wilt gij mij het laken tegen den geboden prijs afstaan?"

De Ruyter volhardde bij zijne weigering.

Toen wendde het opperhoofd zich tot zijn gevolg, en riep uit:

"Ziet eens, hoe kloek en trouw die Christen voor zijne meesters is. Zijt gij dat allen ook voor mij?"

Door dit voorval, gevoegd bij de Ruyter's heldhaftig gedrag tegen de vijf zeeroovers, kwam hij in Salee zoodanig in aanzien, dat de Mooren bijna met geen andere schippers zaken wilden doen, dan met hem. Zijn handel met die roofzuchtige lieden was buitengewoon voordeelig, en alles ging zoo vlug van de hand, dat hij wel twee reizen kon doen tegen anderen één.

Toen zijn schip eens op de kusten van Salee verging en de goederen aan land spoelden, gaf het anders zoo diefachtige volk hem alles trouw en eerlijk terug, en verschaften zij hem bovendien een wrak, dat hij liet opbouwen en waarmede hij zijne meesters zooveel voordeel aanbracht, dat zij het verloren schip niet behoefden te betreuren. Hij waagde zich meermalen diep in de binnenlanden om handel te drijven, en had daardoor gelegenheid, vele Christenslaven los te koopen, waarvoor hij zelfs diep in eigen beurs moest tasten.

Dikwijls was hij door dreigende gevaren omringd, en moest hij de hevigste stormen trotseeren. Van zes schepen, vergingen er eenmaal vijf; alleen dat van de Ruyter keerde in het vaderland terug. Later gebeurde dat met zeventien en nog eens met acht en twintig schepen. Telkens was het alleen het schip van de Ruyter, dat behouden bleef. De andere vergingen.

Den 25en September 1650 trof hem het ongeluk, dat ook zijne tweede vrouw stierf. Hij besloot toen het zeeleven vaarwel te zeggen en zijne verdere levensdagen aan land door te brengen. Hij had genoeg verdiend, om dat onbezorgd te kunnen doen. En dat besluit werd nog vaster, toen hij in 1652 voor de derde maal in den echt trad. Deze vrouw heette Anna van Gelder, en was de weduwe van den schipper Jan Pauluszoon, die mede in dienst van de heeren Lampsens gevaren had en op reis gestorven was. Daar zij vreesde, dat ook de Ruyter eenmaal een dergelijk lot zou treffen, sterkte zij hem in zijn voornemen, om aan land te blijven. Hij nam dus afscheid van zijne reeders en werd een eenvoudig rentenier. Weinig kon hij toen vermoeden, dat hij weldra tot de zee terugkeeren, daar opklimmen tot de hoogste voor hem te bereiken waardigheid, en eenmaal de roem van de geheele wereld worden zou.

In 1652 raakten wij in oorlog met Engeland. Onze beroemde zeeheld Maarten Harpertszoon Tromp voer met zijn vloot op de hoogte van Dover en ontmoette daar een vijftiental Engelsche bodems onder bevel van Robert Blake. De Engelschen noemden zich in die dagen de heerschers der zee en eischten, dat schepen van andere naties hun de noodige eer bewezen door het strijken van de vlag en het lossen van kanonschoten. Juist maakte Tromp zich gereed om de Engelsche vloot op die wijze te begroeten, toen Blake hem tweemaal een kogel over zijn schip zond, en daarna een derden door zijn want, waardoor een van de matrozen een arm verloor.

Tromp, de held van Duins, was er de man niet naar, om zich deze handelwijze te laten welgevallen. Hoewel de beide rijken niet in oorlog waren, al was de houding tusschen hen dan ook zeer gespannen, gaf hij last de kanonnen te lossen. Een hevig gevecht was er het gevolg van; niet minder dan vier uur werd er verwoed gestreden. Toen zag Tromp zich gedwongen naar het vaderland te wijken.

Eene oorlogsverklaring was thans niet meer noodig, en de Staten namen het Tromp hoogst kwalijk, dat hij het schot van Blake met kanongebulder beantwoord had, in plaats van de vlag te strijken. Men ontnam hem het opperbevel over de vloot en benoemde Witte Corneliszoon de With tot admiraal. Maar nu had men behoefte aan een bekwaam man, wien men het opperbevel over een deel van de vloot kon toevertrouwen. De Staten van Zeeland besloten, die hooge betrekking op te dragen aan Vlissinger Michiel, thans koopvaardij-kapitein in ruste. Het kostte veel moeite om hem over te halen, die waardigheid te aanvaarden. Toen men echter een beroep deed op zijne vaderlandsliefde, toen men hem er op wees, dat het vaderland in nood verkeerde en hem niet missen kon,--toen stapte hij over alle bezwaren heen, en koos, thans als vice-kommandeur, wederom zee.

Zijn schip heette _Neptunus_, voerde 28 stukken en was met 134 koppen bemand. In Augustus 1652 stak hij in zee, om eenige koopvaarders, die van Texel moesten komen, veilig door het Kanaal te brengen. 't Was eene groote teleurstelling voor de Ruyter, dat zijne vloot zoo zwak was in vergelijking met die van den vijand. Ook liet de tucht veel te wenschen over. Zoo gebeurde het, dat een paar branders eigendunkelijk wegzeilden,--en later, in de hevige zeegevechten, die er gevoerd werden, zelfs kapiteins de vloot verlieten, om zich hier of daar in veiligheid te brengen. De Ruyter zond al spoedig bericht aan de Staten van Zeeland, dat de hem toevertrouwde vloot te zwak was om zich met succes te kunnen wagen tegen den vijand, wiens schepen niet alleen meer in getal, maar ook veel grooter van stuk waren. Bovendien waren zij veel sterker bemand en gewapend.

Bij Plymouth had de eerste ontmoeting tusschen de Ruyter en de Engelschen plaats. De Ruyter had zijne vloot in drie smaldeelen gescheiden, en de koopvaarders onder deze smaldeelen verdeeld. De vijandelijke vloot stond onder bevel van Ascue. 's Middags om 4 uur begon de strijd. De Ruyter gaf al dadelijk blijken van grooten moed. Met zijn smaldeel sloeg hij zich tot tweemaal toe door den vijand heen, en gedurende eenigen tijd lag zijn schip tusschen die van den admiraal en den vice-admiraal in. Hij werd geducht bestookt, maar wist van geen wijken. En zijn voorbeeld werkte begeesterend op zijn ondergeschikten, die zich kloekmoedig van hun plicht kweten. Een Friesch kapitein, Douwe Aukes genaamd, geraakte zoo diep met zijn schip onder de vijanden verzeild, dat alle hoop verloren scheen. Reeds eischten zijne matrozen, dat hij zich overgeven zou, toen Douwe Aukes een lont greep en deze in het kruit dreigde te werpen, indien zij den strijd opgaven. Dit bewijs van moed en doodsverachting gaf nieuwe geestkracht aan de matrozen, die zich nu zoo dapper weerden, dat zij twee Engelsche schepen in den grond boorden en een derde op de vlucht joegen.

's Avonds om 8 uur weken de Engelschen naar het Noorden. Michiel de Ruyter had zijne eerste overwinning behaald. Ascue verloor in dezen slag niet minder dan 1300 man en drie zijner beste schepen, terwijl de Ruyter geen enkel schip en maar 50 dooden en 40 gekwetsten te betreuren had. Bovendien kon hij thans ongehinderd de koopvaardijvloot door het Kanaal geleiden, en wisten de Engelschen, dat zij in Michiel de Ruyter een tegenstander hadden gevonden, die niet licht te achten was.

Korten tijd daarna kreeg de Ruyter bevel, de koopvaarders, die met hun rijkbeladen schepen uit Indië terugkeerden en een rijken buit voor den vijand beloofden, veilig in de Hollandsche havens te brengen. Dat was geen gemakkelijke taak, want Blake was met eene vloot van 72 zeilen in zee, terwijl de vloot van de Ruyter veel kleiner was en aan alles gebrek had. Hij gaf daarvan schriftelijk kennis aan de Zeeuwsche Staten, berichtende, dat mondkost en krijgsvoorraad zoo goed als verbruikt waren.

Toen hij een 25-tal Engelsche oorlogsschepen ontdekte, waagde hij het toch, daarop jacht te maken. Maar in den avond werd zijne vloot door storm verstrooid, waarvan verscheidene kapiteins gebruik maakten, om op eigen gezag naar het vaderland terug te keeren. Bovendien bleek het de Ruyter, dat vele schepen onder bevel stonden van onbedreven bevelhebbers en bemand waren met onkundige matrozen.

Hij besloot daarom zich te vereenigen met de vloot, die onder bevel stond van admiraal Witte Cornelisz. de With, den opvolger van Tromp. Deze beschikte nu over 45 oorlogsschepen, maar 10 daarvan en 5 branders, behoorende tot de vloot van de Ruyter, moesten naar het vaderland teruggezonden worden, omdat zij niet meer zeewaardig waren. Daartoe behoorde ook de _Neptunus_, zoodat de Ruyter op de _Louize_ overging.

Den achtsten October vielen de Engelschen op ons aan, 's middags om 3 uur. De With en de Ruyter streden met leeuwenmoed, maar--verscheidene Hollandsche kapiteins sloegen in het heetst van het gevecht op de vlucht en brachten daardoor groote verwarring teweeg, zoodat zelfs Hollanders op Hollanders schoten. De Ruyter kreeg vele dooden en gekwetsten, en zijn groot- en marszeil werden aan flarden geschoten. Toch wist hij van geen wijken en hield hij den strijd moedig vol, tot de avond rust bracht. Maar des morgens ontbrandde de strijd opnieuw, doch ook nu verlieten eenige schepen het tooneel van den slag, waardoor de overmacht van de Engelschen zoo groot werd, dat de onzen tot wijken werden gedwongen. Den 10en October kwam de vloot de Maas binnen.

De With was over den afloop van dit zeegevecht bitter ontstemd, en de Ruyter was zoo diep verontwaardigd over den onwil, de lafhartigheid en de onbedrevenheid van vele kapiteins, dat hij besloot, zijn ambt neer te leggen en zijn verder leven in zijn huisgezin door te brengen. De Staten verzochten hem evenwel zoo dringend in het belang van het vaderland aan te blijven, dat hij ten tweeden male op zijn besluit terug kwam en nogmaals zee koos.

Opnieuw werd het opperbevel opgedragen aan Maarten Harpertszoon Tromp, den bij het scheepsvolk zoozeer geliefden zeeheld, dien zij met den naam van Bestevaar vereerden. De Ruyter bevoer _Het Lam_, dat 34 stukken voerde. De vloot telde 100 schepen, meestal echter van kleinen omvang, zwak van bemanning en slecht bewapend. Zij was bestemd, om een 400 koopvaarders veilig door het Kanaal te brengen.

De vloot zeilde uit, maar hevige wind- en regenvlagen deden Tromp besluiten, de koopvaarders naar het vaderland terug te zenden. Bij Dover kwam het tot een gevecht, waarin de Hollanders met zooveel geestdrift streden, dat de vijanden een goed heenkomen moesten zoeken. Blake had zijn voorsteven verloren en werd zelf gekwetst. Op schitterende wijze was de smaad uitgewischt, die door lafheid en onwil in den vorigen strijd onze vlag was aangedaan.

Onze koopvaardijvloot kon thans ongehinderd uitzeilen, want de zee was vrij. De zoogenaamde heerschers der zee hadden zich in hunne havens in veiligheid gebracht.

In het begin van 1653, den 28 Februari, 1 en 2 Maart, had een zeeslag plaats, die zijne weergade in de geschiedenis nog niet kende. De Ruyter had den last ontvangen een vloot koopvaarders, die zich bij St. Martin verzameld hadden, af te halen en naar het vaderland te geleiden. Hij wilde dus de Engelsche oorlogsschepen onder Blake, Deane en Monk ontzeilen, maar zoowel door storm als door het langzaam vorderen van de koopvaardijschepen was hem dat onmogelijk. Het gelukte hem echter wel, zich met Tromp te vereenigen.

Bij Portland kregen zij den vijand in zicht, en 's morgens om tien uur begon het gevecht, dat onder den naam van den driedaagschen zeeslag bekend zou worden. Terwijl Tromp in een strijd gewikkeld was met den Engelschen admiraal, viel de Ruyter een groot schip aan, _the Prosperity_ genaamd, dat 44 stukken en 170 man voerde. Hardnekkig werd van beide kanten gestreden, en de Ruyter leed zware verliezen. Onbevreesd gebood hij echter het schip te enteren en den strijd op den vijandelijken bodem over te brengen. Als katten klommen de Hollanders tegen het schip op, maar zij werden zoo warm ontvangen, dat zij terugdeinsden. Toen riep de Ruyter de zijnen toe:

"Mannen, dat gaat niet aan! Eens daarin, altijd daarin!" Zijne woorden verleenden zijne matrozen zooveel moed, dat het hun inderdaad gelukte, het schip te veroveren. Eenigen tijd later bevond hij zich tusschen niet minder dan 20 vijanden, en was hij den ondergang nabij. Met behulp van den dapperen Jan Evertsen sloeg hij er zich doorheen, en wist hij het gevaar te ontkomen.

De strijd duurde voort tot den avond, maar werd den volgenden dag hervat. Tromp en de Ruyter streden in elkanders nabijheid, en 's middags raakte de laatste in zoo'n benarden toestand, dat hij ook nu weer verloren scheen. Hij raakte in zulk een drom van vijanden en werd zoo vinnig beschoten, dat hij het schip niet meer besturen kon, en dit als een vat op de baren dobberde. De admiraal gaf kapitein Duins last, het op sleeptouw te nemen.

't Was een schrikkelijke strijd. De kanonnen bulderden zonder tusschenpoozen, zoodat de schepen in een wolk van smook gehuld waren. 't Geschrei der gewonden was hartverscheurend.

Toen de avond kwam, wist nog geen der beide vloten van wijken. De strijd zou dus den derden dag worden voortgezet. Maar de krijgsvoorraad van de Hollanders was grootendeels verbruikt, bijna uitgeput.

Toch werd 's morgens de strijd hervat. Hoewel de onzen nog slechts dertig schepen overhadden, gaf Tromp toch bevel tot den aanval. De Ruyter vocht weer met heldenmoed, hoewel zijn schip niet bestuurd kon worden en door een ander op sleeptouw genomen werd. Zijn moed en geestkracht bleven onverzettelijk, zelfs toen zijn schip geen zeil of mast meer had en er bijna niets meer aan heel was. Het getal gekwetsten aan boord was gestegen tot 42.

't Was een geluk voor de onzen, dat de vloten al strijdende afdreven naar de Duinkerksche banken, waar de grootere Engelsche schepen dreigden te stranden. Deze maakten daarom een einde aan den verschrikkelijken strijd en deinsden af.

Tromp gaf bevel naar het vaderland terug te keeren, waar de vloot in een ontredderden staat aankwam. Het doel was bereikt: de Engelschen waren er niet in geslaagd, onze rijke koopvaardijvloot te bemachtigen.

Tromp, de Ruyter en vele andere bevelhebbers ontvingen den dank van de Algemeene Staten voor hun heldhaftigheid en wijs beleid. Tromp en de Ruyter werden zelfs met een gouden keten, versierd met een eerepenning, vereerd.

Omstreeks Mei 1653 koos de vloot weder zee, en raakte in Juni slaags met den vijand, die over 16000 koppen en 3800 kanonnen beschikte. De Hollandsche vloot was veel minder sterk, maar waagde toch den strijd. Tegen den avond hadden wij wel eenig voordeel behaald, maar dat ging verloren door de verwarring, die op onze vloot heerschte. Alweer hadden wij gebrek aan buskruit, en vooral de With en de Ruyter hadden nog maar een geringen voorraad.

's Morgens greep Tromp het vice-admiraalsschip aan, maar daar hij zich door een paar lafhartige kapiteins verlaten zag, moest hij afdeinzen en kwam tusschen 13 vijandelijke bodems in het gedrang. Zijn schip werd doornageld en zou den vijand in handen gevallen zijn, indien Tromp niet eenige vaatjes buskruit had doen ontploffen, dat hen op de vlucht dreef. De With en de Ruyter kwamen hem te hulp en redden hem verder uit het gevaar.

De vloot keerde naar huis terug, en nu drong Tromp er met klem op aan, dat zij de noodige versterking zou ondergaan. Hij verklaarde, dat bij de Engelsche vloot zeker 50 schepen waren, die het Hollandsche admiraalsschip in grootte overtroffen. Beslist gaf hij te kennen, dat hij niet weder in zee wilde steken, als de vloot niet voldoende kruit en lood aan boord had.

Ook de Ruyter verklaarde, dat hij niet in zee ging, als de vloot niet zeer versterkt en goed bewapend werd.

De Staten traden thans krachtig op. De lafhartige kapiteins werden gestraft, aanzienlijke belooningen werden beloofd voor het verrichten van grootsche wapenfeiten, en de vloot werd met vele schepen versterkt. Men begreep, dat de eer van het vaderland op het spel stond. Van alle kanten stroomden de vrijwilligers toe, om dienst te nemen. Zwaardere kanonnen werden op de schepen gebracht, kruit en kogels in groote hoeveelheden ingeladen.

Tromp was nog wel niet tevreden over het gehalte der macht, waarover hij het bevel kreeg, maar hij meende toch den vijand nu onder de oogen te kunnen zien. Den 8en Augustus kreeg hij de Engelschen in 't gezicht, en tegen den middag begon, niet ver van Katwijk, de strijd. De Ruyter en Evertsen werden hevig aangevallen, maar leden geen gevoelige verliezen. Alleen hadden hun zeilen en masten het kwaad te verantwoorden. De avond bracht rust, en den volgenden dag was de zee te onstuimig om den strijd te kunnen hervatten. Den 10en Augustus echter raakten de vloten wederom slaags, ter hoogte van Ter Heide. De Hollanders leden hier het grootste verlies, dat voor hen denkbaar was. De dappere held, Maarten Harpertsz. Tromp, de lieveling der matrozen, hun Bestevaar, zooals zij hem noemden, stierf den heldendood. De Ruyter toonde zich overal in het heetst van 't gevecht, met het gevolg, dat hij van zijn volk eindelijk nog maar de helft had overgehouden en zijn schip zoowel fokkemast als grooten steng verloor. Alleen de bezaansmast was staande gebleven. 't Was daardoor, en ook doordat zijn krijgsvoorraad verschoten was, dat hij zich aan den strijd onttrekken moest. Hij keerde naar de Maas terug, om zich daar zoo goed mogelijk te herstellen.

Ook de With moest wijken. Niet minder dan 24 kapiteins hadden hem schandelijk in den steek gelaten.

De Staten benoemden Jacob, Graaf van Wassenaar, Heer van Obdam tot admiraal van de vloot, terwijl de Ruyter tot de waardigheid van vice-admiraal werd verheven. Hij verzocht echter van de aanneming verschoond te blijven, maar eindelijk bezweek hij voor het aanhouden van den Raadpensionaris Jan de Witt, en werd het ambt door hem aanvaard.

Kort daarop volgde de vrede met Engeland.

Gedurende de jaren 1654-1656 deed de Ruyter meermalen tochten naar de noordkust van Afrika, om de Algerijnsche zeeroovers te tuchtigen, die met de grootste brutaliteit onze rijke koopvaardijschepen kaapten, zich de goederen toeëigenden en de bemanning als slaven verkochten. Duizenden van deze ongelukkigen ondergingen in de binnenlanden een jammerlijk lot.

't Gelukte de Ruyter op zijne veelvuldige tochten, de zeerooverij aanmerkelijk te beteugelen en vele slaven te bevrijden.