Chapter 10
"Bij het geliefkoosde rennen met een vierspan liepen de paarden naast elkander, het beste als linker handpaard, de middelsten gingen in het juk. De wagenmenners stonden op den wagen, gekleed in een korte tunica zonder mouwen, die om het midden door een gordel werd samengehouden; op het hoofd hadden zij een soort van helm, die voorhoofd en wangen beschermde en bij een onverhoedschen val lichte kneuzingen kon voorkomen. In de hand hielden zij eene zweep, en in den breeden gordel stak een mes, om in geval van nood de teugels los te snijden. Dit laatste was vooral noodzakelijk, daar de leidsels gewoonlijk aan den gordel verbonden waren.
Als het schouwspel beginnen zou, liep door de opgewonden menigte een dof gemompel, gelijk aan het gebruis der onstuimige baren. Aller oogen waren gevestigd op de poorten, achter welke de paarden, die aan den wedren zouden deelnemen, zich al stampend en brieschend lieten hooren.
De voorzitter, die geplaatst was op een balkon boven den hoofdingang, gaf het teeken om te beginnen door een witten doek in de baan te laten vallen. Men hoorde gekletter, op hetzelfde oogenblik vlogen de deuren open, de wagens stormden de baan in, en een oorverdoovend gejuich vervulde de lucht.
Weldra omhulde een dichte stofwolk de rennende wagens, op welke de menners, ver voorover gebogen, hunne paarden door een luid geroep aandreven. De afstand, dien zij moesten afleggen, (eerst langs den rechterkant van den circus, terug langs de andere zijde van den lagen muur, welke rit zevenmaal moest gedaan worden) bedroeg ongeveer twee uren.
Ervaren menners spaarden aanvankelijk de kracht hunner rossen tot den laatsten, beslissenden tocht, en haalden dan dikwijls de oningewijden in, die in het begin vooruitgesneld waren, doch thans tevergeefs de uitgeputte paarden door zweepslagen zochten voort te drijven. Meermalen stortten de menners van hun wagen en werden zij door de paarden vertreden. De meeste moeite en het grootste gevaar bestond bij het maken van den bocht aan de einden van den muur, waar drie zuilen geplaatst waren. Ieder wilde zijn draai zoo kort mogelijk nemen, maar--werd een der wagens tegen de zuilen geslingerd, dan stortten de volgenden over dezen heen, en menschen, dieren en splinters lagen daar als één bloedende klomp op en onder elkander."
Hoe meer de woeste ren het einde naderde, des te meer klom de opgewondenheid, de spanning, de angst, de razernij van het volk. Het geschreeuw van de toeschouwers ontaardde in een dierlijk gebrul, men juichte, zwaaide met doek of kleedingstuk, strekte de armen uit, knarste op de tanden, of jubelde zijne blijdschap uit, tot eindelijk een van de wagens het eerst de eindstreep bereikte en dus de overwinning had behaald.
Deze wedrennen duurden met korte tusschenpoozen van den morgen tot den avond. Telkens kwamen nieuwe renners in de baan, om elkander te bekampen, en het volk werd nooit moede om er naar te zien. Het bleef er den geheelen dag.
Nog veel menschonteerender waren de schouwspelen, die het amphitheater te zien gaf. Daar werd ook om den prijs gestreden, maar die prijs was het leven. Overwonnen te worden beteekende te sterven. En die er streden, waren menschen! Zij werden gladiatoren of zwaardvechters genoemd. 't Waren meestal krijgsgevangenen, slaven, of misdadigers, die in plaats van tot den dood, tot den strijd in de arena werden veroordeeld. Soms ook waren het vrije mannen, die door woesten strijdlust, of ook wel door honger en armoede gedreven, het onteerend bedrijf aanvaardden.
De gladiatoren werden voor hun afschuwelijk werk opgeleid in scholen, waar zij met verschillende wapens leerden omgaan. En het schouwspel, dat zij te zien gaven, werd steeds bloediger. Reeds ten tijde van Julius Caesar kon een wedstrijd te zien gegeven worden, waar niet minder dan 320 paar elkander bestreden.
't Getuigt wel voor de diepe ontaarding van het Romeinsche volk, dat het in dergelijke bloedige vertooningen behagen schepte. Het kwaad nam steeds grooter afmetingen aan, en de gladiatorengevechten verdrongen zelfs langzamerhand de wedrennen.
De gladiatoren zelf werden door de Romeinen diep veracht. Gedurende den keizertijd werden op kosten van den Staat oefenscholen voor de gladiatoren opgericht, waar door middel van de gruwelijkste wreedheid een strenge tucht werd gehandhaafd.
's Avonds vóór den strijd werd hun een overvloedig maal voorgezet, waarbij het publiek toegang had om de menschen, die den volgenden dag om hun leven zouden kampen, te gaan monsteren. Daar werden, reeds weddingschappen aangegaan op het leven van den een, op den dood van den ander.
Het feest begon met een optocht van de gladiatoren door de arena. Zij waren dan in feestgewaad gekleed, en de schetterende tonen der muziek vulden het gebouw.
Dan werden eerst spiegelgevechten gehouden, die dikwijls wonderen van behendigheid te zien gaven, tot plotseling een signaal weerklonk, dat het teeken was om den bloedigen strijd te beginnen.
De gladiatoren waren op verschillende wijzen gewapend. Sommigen waren half naakt, en gewapend met een drietand, een dolk,--en tevens een net, dat zij over hun tegenstander moesten zien te werpen om hem onschadelijk te maken. Dan konden zij hem met hun dolk of drietand dooden. Hun tegenstanders waren gewapend met helm, schild en zwaard, maar moesten desondanks toch dikwijls het onderspit delven.
Sommige strijders bezaten een groot vierkant schild, van een manslengte, en een kort zwaard, terwijl hun tegenpartij een geducht kromzwaard hanteerde, doch slechts een klein schild tot dekking had. Zoo was er bij deze bloedige tooneelen gezorgd voor veel afwisseling, welke de spanning ervan voor de in wreedheid verfijnde toeschouwers verhoogde.
Viel een der strijders nog levend in de handen van zijn vijand, dan kon hij van de toeschouwers zijn leven afsmeeken door den wijsvinger omhoog te heffen. Werd dat gebaar door het publiek beantwoord door het zwaaien met doeken, dan was zijne bede verhoord en werd zijn leven gespaard, maar wee hem, indien door het draaien met den duim het teeken werd gegeven, dat hij sterven moest. Hij werd dan afgemaakt als een dier.
Menigmaal ook moesten menschen optreden tegen uitgehongerde verscheurende dieren.
Toen echter in den loop der eeuwen het Christendom ook in Rome meer vorderingen maakte, begon men de stem tegen deze verschrikkelijke schouwspelen te verheffen. De leer van Christus, die liefde en zachtheid, zelfs jegens zijne vijanden, predikte, liet meer en meer haar beschavenden invloed gelden, en vervulde zijne volgelingen met afschuw voor de bloedige tooneelen, die in de arena werden afgespeeld.
Maar het aantal der Christenen was gering, en hun stemmen gingen verloren onder het gehuil der bloeddorstige toeschouwers, die dronken van opgewondenheid waren bij het zien dezer vreeselijke spelen.
Maar eindelijk toch zou een einde komen aan deze ontaarde wreedheid. Na eene overwinning tegen de vijanden trok de jonge keizer Honorius in triomf de stad binnen. 't Was een luisterrijke zegetocht, maar--de laatste, die Rome binnen hare muren zou zien. Er werden gedurende vele dagen schitterende feesten gevierd. In den circus zoowel als in het amphitheater verkeerde de bevolking in een roes van razernij bij het zien van de stroomen bloeds, die er vloeiden.
Een Christen-dichter, wien deze ontzettende tooneelen tegen de borst stuitten, smeekte in een roerend gedicht den keizer, om de bloedige spelen te staken, maar zijne stem werd niet gehoord. Tevergeefs wees hij op de wreedheid en doelloosheid van deze menschenslachting; slechts spot en hoon was zijn deel. De spelen duurden voort, de menschenslachting hield aan. Elke nieuwe dag bracht nieuwe offers.
Het amphitheater was tot in de verste rijen gevuld, geen plaats bleef onbezet. Gevolgd door een schitterenden stoet trad de jonge Keizer binnen, om van de spelen getuige te zijn. De Voorzitter geeft het teeken om te beginnen, en onder schetterende muziek treden de gladiatoren binnen in feestgewaad gekleed, om den gewonen ommegang te doen.
De spiegelgevechten nemen een aanvang, tot eindelijk de langgerekte, doffe toon van een tuba den strijd op leven en dood aankondigt.
Ha,--nu zal het bloedige spel beginnen. De toeschouwers rekken de halzen, hun oogen glanzen van een dierlijken gloed. In de arena worden de zwaarden getrokken en vangt de strijd op leven en dood aan. 't Wordt weldra een oorverdoovend gejoel in den circus. Het volk huilt en schreeuwt in dolle razernij, en wil bloed zien, veel bloed...
Onder de toeschouwers is er slechts een, die zwijgt,--een, wien het hart samengenepen wordt van smart bij het zien van het vreeselijke schouwspel, dat in de arena wordt afgespeeld. Zijne lippen beven, zijne neusvleugels trillen zenuwachtig, zijne oogen vullen zich met tranen.
't Is een Christen,--een monnik, die hier op deze plaats des bloeds verschenen is, om zijne stem te verheffen tegen dit schandelijke spel, dat de menschen verlaagt tot dieren, die geen kennis hebben van goed en kwaad.
Hij vouwt de handen en prevelt een gebed. Zijn boezem zwoegt. Plotseling heft hij zich op en dringt naar voren. Zijne oogen schieten vlammen. Een heilig vuur gloeit in zijn binnenste. Hij legt zijn hand op den rand, die de arena omgeeft, en springt te midden der gladiatoren, die den strijd om het leven strijden.
Hij schrijdt voorwaarts tot voor den zetel van den jongen Keizer, die met zijn hofstoet ademloos den strijd volgt.
Telemachus, de monnik, heft de armen ten hemel, en roept den Keizer toe:
"In den naam van Christus, houd op met dit spel, dat den mensch onwaardig is..."
Twee gladiatoren strijden dicht in zijne nabijheid. Hij snelt op hen toe, en poogt hen te scheiden.
Deze daad van den monnik heeft een geweldige opschudding ten gevolge. Wat? Wil men den Romeinen hun geliefd spel ontnemen? Wil men de verachte gladiatoren in bescherming nemen. "Weg met dien monnik! Doodt hem! Doodt hem!"
In woede ontstoken en onder een helsch getier rukt men de steenen uit den grond, en werpt ze naar den monnik, die met luider stem van den Keizer eischt, dat het bloedige spel gestaakt worde. Kalm en onverschrokken staat hij in de arena. De woorden vloeien hem snel van de lippen, en de jonge Keizer luistert met ontzetting naar de stem van dezen Christen-held. Zijne woorden, die de woorden waren van een stervende, maken een onvergetelijken indruk op hem. Hoor, hij smeekt in den naam van Christus, dat de Keizer het spel verbieden zal...
Maar de steenen vliegen bij honderden rondom den held, die keer op keer getroffen wordt. Het volk joelt en krijscht. Men eischt zijn dood. De steenen beuken zijn lichaam.
De edele held stort op de knieën, maar nog verheft hij zijne stem, om den Keizer te smeeken...
Weldra zwijgt hij voor altoos. Zielloos ligt zijn lijk te midden van dat der overwonnen gladiatoren. Maar het doel is bereikt. 't Was het laatste bloedige tafereel, dat in het amphitheater werd afgespeeld.
De Christelijke geestelijken zetten na den dood van Telemachus den strijd tegen het afschuwelijke spel voort, met het schoone gevolg, dat keizer Honorius een wet uitvaardigde, welke de menschenoffers in het amphitheater afschafte. De prediking van de Christenen en de edele zelfopoffering van Telemachus hadden niet nagelaten zooveel indruk op de Romeinen te maken, dat zij zich zonder morren aan de wet van Honorius onderwierpen.
EEN GROOT ZEEHELD.
In de nederige woning van een eenvoudigen bierdrager, binnen de wallen van Vlissingen, werd den 24en Maart 1607 een jongetje geboren, dat eenmaal de roem van zijn vaderland zou worden en wiens naam over de geheele wereld met eere zou worden genoemd. Zijn vader heette Adriaan Michielszoon en zijne moeder Alida Jans. Het pasgeboren kind werd naar zijn grootvader genoemd en kreeg den naam Michiel Adriaanszoon. Daar zijne moeder ook den bijnaam de Ruyter droeg, ging hij ook op het kind over, zoodat deze in de geschiedenis bekend geworden is onder den naam Michiel Adriaanszoon de Ruyter. Hij was het vierde kind, waarmede zijne ouders gezegend werden, en nog zeven zouden er volgen. 't Is dus te begrijpen, dat de kleine Michiel het bij zijne ouders niet te breed had, want het gezin moest bestaan van het schrale weekloontje, dat zijn vader als bierdrager verdiende.
In het kleine huisje was voor zooveel kinderen bijna geen plaats, zoodat het geen wonder is, dat onze Michiel, toen hij wat ouder werd, meestal op straat te vinden was. Hij kwam alleen thuis om te eten en te slapen. Hij was een levendige jongen en stond bekend als een echte deugniet. In de school, waar Michiel lezen, schrijven en rekenen moest leeren, hadden de onderwijzers niet weinig last van den ondeugd. Als hij niet vocht met de jongens, die naast hem op de bank zaten, trok hij den schoolmakker, die vóór hem zat, aan de haren, of kletterde zijne lei aan scherven op den grond, of maakte hij zijn leerboek stuk. Nooit zat hij stil en meestal deed hij kattekwaad. Er ging dan haast ook geen dag voorbij, dat hij niet de noodige slagen met de plak kreeg of na moest blijven. Maar 't een hielp al even weinig, als 't ander. Hij was in één woord de plaag van zijn onderwijzers.
Onder de jongens echter was hij een geliefde makker. Geen wonder! Hij was een groot liefhebber van vechtpartijen, en als er wat aan de hand was, steeds haantje de voorste. Hadden de jongens van de eene straat twist met die van de andere, Michiel was een van de aanvoerders en behaalde bijna zonder uitzondering de overwinning. Hij was dapper van aard, ja, zijn moed grensde zelfs aan vermetelheid.
Toen eens de kerktoren hersteld werd, klom Michiel ongevraagd, ongeweigerd naar boven, steeds hooger. tot hij eindelijk den grooten bol boven de spits bereikte. Ha, daar had hij een prachtig gezicht op de zee, en vroolijk wuifde hij met zijn muts. Hij merkte niet op, dat de ambachtslieden de ladders wegnamen, waarlangs hij omhoog geklommen was, en naar huis gingen. Maar hij miste ze wèl, toen hij genoeg van het prachtige uitzicht genoten had en naar beneden wilde gaan. Nu was goede raad duur. Menige jongen van zijn leeftijd zou in deze omstandigheden in de grootste verlegenheid hebben verkeerd, ja, misschien wel schreiend om hulp hebben geroepen.
Michiel echter niet. De jonge waaghals toonde, dat hij geen hulp noodig had om naar beneden te komen. Hij wist namelijk met zijne hielen zoo behendig een lei van het dak stuk te slaan, dat hij daardoor vastigheid onder de voeten bekwam, en 't gelukte hem verder, door zich met de grootste tegenwoordigheid van geest aan stellages en andere voorwerpen vast te houden, beneden te komen, zender eenig letsel te hebben geleden.
Op school maakte hij het eindelijk zoo bont, dat hij voor goed weggestuurd werd. Dat werd hem door zijne ouders geenszins in dank afgenomen, en daar zijn vader niet gedoogde, dat hij den geheelen dag als een nietsdoener langs de straten zou slenteren, deed hij hem op de lijnbaan van de gebroeders Lampsens, waar hij voor één stuiver daags in de baan moest loopen of het wiel draaien.
Dat was Michiel in het geheel niet naar den zin. De levendige woelwater voelde er zich diep ongelukkig, en wenschte niets liever dan zeeman te worden. Dat scheen hem een heerlijk leven toe, altoos op de onstuimige baren, nu hier-, dan daarheen in de wereld, altijd wat nieuws, telkens wat anders. Als Michiel daar goed over dacht, vergat hij het wiel te draaien, zoodat de werklieden niet met hun arbeid voort konden gaan. En zag hij de kans schoon, dan liep hij stil de lijnbaan uit, om zich bij zijne makkers te voegen en onder een woest spelletje te vergeten, dat thuis weer een geduchte straf op hem wachtte.
't Duurde dan ook niet lang, of Michiel werd ook van de lijnbaan weggejaagd. Zijne ouders besloten toen hem zijn zin te geven en hem naar zee te zenden. Hij vond het heerlijk, en hunkerde naar het oogenblik, dat hij het scheepsdek zou betreden.
Hij was elf jaar oud, toen hij als bootsmansjongen zijne eerste zeereis maakte. Aan boord was nog een jongen van zijn leeftijd, een negertje, dat in Vlissingen gedoopt was en bij die gelegenheid den naam Jan Kompanie ontvangen had. Van 't oogenblik af, dat Michiel zijne voeten op 't dek zette, had er een algeheele ommekeer bij hem plaats. De ondeugende Vlissinger Michiel, die de schrik was geweest van zijne buren en onderwijzers, werd een ijverig en gehoorzaam matroosje, zooals men geen beteren kon wenschen. Iets meer is met zekerheid uit dezen leeftijd van Michiel de Ruyter niet bekend.
Hoewel wij hem later, in 1622, in dienst van Prins Maurits aantreffen als busschieter, waaruit blijkt dat de vijftienjarige Michiel reeds de diensten van een volwassen man moest verrichten,--bleef toch zijn hart hem naar de zee trekken. Nog in hetzelfde jaar keerde hij naar het scheepsdek terug als hoog-bootsmansmaat, en maakte vervolgens als zoodanig verscheidene tochten. In dien tijd was het zeemansleven vol gevaren, ook al diende men ter koopvaardij. Immers, in 1622 eindigde het twaalfjarig bestand, en werd de roemrijke oorlog tegen de Spanjaarden hervat. De kaperschepen, die het op de rijke koopvaardijvloot voorzien hadden, maakten de zee onveilig. De Duinkerker kapers hadden zich zelfs een beruchten naam verworven. Geen wonder dus, dat de koopvaardijschepen op tegenweer bedacht waren en zich van kanonnen en andere wapenen voorzagen, om in staat te zijn zich zoo noodig te verdedigen. Toen eens het schip, waarop Michiel voer, door een kaper werd aangegrepen, werd hij met een piek aan het hoofd gekwetst. Dit schijnt wel de eenige keer geweest te zijn, dat hij in zijn gevaarvolle loopbaan gekwetst werd, hoewel honderden kogels hem gedurende zijn leven om de ooren gevlogen moeten zijn, tot eindelijk het doodelijke schot hem uit het land der levenden wegrukte.
Michiel heeft ook met gevangenschap en ontbering te kampen gehad. Eenmaal werd het schip, waarop hij voer, door de kapers buit gemaakt, en de bemanning gevankelijk naar Spanje gevoerd. Maar Michiel wist met nog twee andere matrozen aan zijne bewakers te ontsnappen, en trok toen met hen bedelende het land door, vervolgde zijn tocht dwars door Frankrijk, en keerde eindelijk in het vaderland terug.
Dit avontuur had hem echter in 't geheel geen schrik voor het zeeleven ingeboezemd. Integendeel, hij nam weer dienst op een van de schepen der heeren Lampsens, en maakte als matroos verscheidene reizen. Hij legde zich met ijver toe op het beoefenen van de stuurmanskunst, benevens op het bepalen van lengte en breedte, en alles, wat een bekwaam zeeman behoort te weten.
In 1631, dus op vierentwintigjarigen leeftijd, trad hij in het huwelijk met Maria Velters, van Grijpskerke, die hem nog geen jaar later echter door den dood weder ontviel.
In 1633 werd hij tot stuurman bevorderd, en maakte hij, onder anderen op _de Groene Leeuw_, tochten naar Groenland, Mauritius en het oostelijk deel van het land van Magellaan. Meermalen verkeerde zijn schip in groote gevaren tusschen de reusachtige ijsbergen, die het dreigden te verpletteren, maar--steeds keerde hij behouden in het vaderland weer.
In 1636 hertrouwde Michiel. Zijne tweede vrouw heette Cornelia Engels, en was geboortig van Vlissingen. Met deze vrouw is hij tien jaar gehuwd geweest, toen ook zij door den dood werd opgeëischt.
Een jaar later, dus in 1637, werd hij door eenige kooplieden, die twee kaperschepen hadden uitgerust, tot kapitein op een daarvan benoemd. Maar al spoedig kregen de matrozen van die beide schepen twist over de verdeeling van den buit, en sloeg het volk van Michiel aan het muiten. Hij besloot dus zoo spoedig mogelijk naar het vaderland terug te keeren. Dicht bij de kust kwamen dertien Duinkerker kapers opzetten, die recht op hem aanhielden. Hij wist echter van de duisternis gebruik te maken om hun te ontkomen.
Hij keerde toen tot de koopvaardijvaart terug, en werd schipper, (tegenwoordig zouden wij zeggen kapitein) op een vaartuig van de heeren Lampsens, dat _Vlissingen_ heette.
Hij maakte verscheidene reizen naar Brazilië, en had het meermalen met de kapers te kwaad. Hij schijnt echter niet bijster veel vrees voor die beruchte lieden te hebben gehad, want toen hij eens op de huisreis een kaper ontdekte, die een buitgemaakt schip medevoerde, ging Michiel er recht op af en eischte de overgave van het veroverde schip, wat de kaper hem dadelijk afstond. Dat hij een bekwaam zeeman geworden was, toonde hij door de vele verbeteringen, die hij in de toen bestaande zeekaarten aanbracht. Hij mocht dan geen geleerde zijn, een practisch man was hij zeker.
Dat zijne bekwaamheden niet onopgemerkt gebleven waren, bleek duidelijk in 1640, toen Portugal zich van Spanje afscheidde en zich onafhankelijk verklaarde. De Nederlanders, die nog steeds in den oorlog met de Spanjaarden gewikkeld waren, besloten dadelijk Portugal hulp te verleenen, en zonden eene vloot daarheen, bestaande uit 15 schepen en vijf fregatten, onder bevel van den admiraal A. Gijsels. Zijn vice-admiraal was J. P. Tolck. Tot Schout-bij-nacht werd, op voorstel van de Zeeuwsche vlootvoogden, Michiel Adriaanszoon de Ruyter benoemd, terwijl hem tevens het kapiteinschap op het schip _de Haze_ werd opgedragen. Zoo klom dus Michiel, de eenvoudige Vlissinger jongen, door eigen verdienste van trap tot trap hooger op de maatschappelijke ladder, en was hij tot een man opgegroeid, die de oogen der hooge regeering op zich gevestigd wist. Maar zelf bleef hij de eenvoudige Michiel, nederig, bescheiden, vroom en dapper.
In zijn brief aan de Admiraliteit van Zeeland schreef hij: "Ick sal mij als een heerlyck (_eerlijk_) capiteyn in mijn harte gedraghen, in de hoope, dat God het werck, waer wij om sijn gesonden, sal segenen tot heere (_eere_) van ons lieve Vaderlandt."
Machgyel Adriaense de Ruyter.
In een treffen, dat met den vijand plaats had, gedroegen zich vele kapiteins van de Hollandsche vloot op lafhartige wijze, maar Michiel de Ruyter kwam eervol uit den strijd te voorschijn. Zijn onverschrokkenheid en beleid hadden de algemeene opmerkzaamheid getrokken.
Den 21 December keerde de oorlogsvloot in het vaderland terug. Hare diensten waren niet meer noodig, dan alleen om koopvaardijschepen te geleiden door de onveilige wateren, waar de kapers op hen loerden.
Michiel kwam dus weer in dienst van de heeren Lampsens, en voer gedurende de jaren 1643-1651 als kapitein ter koopvaardij. Door menig stout stukje deed hij van zich spreken. Zoo bevond hij zich eens in de Caraïben, en vernam daar, dat een der eilanden, St. Martin, door de Spanjaarden verlaten was. Dadelijk begaf hij er zich heen, en nam het eiland in naam van de Staten der Vereenigde Nederlanden in beslag. Wel beweerden de Franschen, dat ook zij recht op dit eiland hadden, maar 't gevolg was toch, dat de Nederlanders daar vasten voet kregen en hielden.
Op een anderen tocht naar de West-Indiën kreeg hij een groot Spaansch schip in 't gezicht, dat hij liever niet wilde ontmoeten. Maar de Spanjaard, ziende dat de Hollandsche koopvaarder hem ontwijken wilde, en meenende dat dit uit vrees geschiedde, hield op hem aan en liet zijn geschut donderen. Dadelijk draaide de Ruyter bij en gaf den Spanjaard de volle laag. Ai! Dat had deze niet verwacht! Maar de Hollander was veel kleiner en bovendien veel lichter bewapend. Opnieuw liet hij dus de kanonnen bulderen, waarop de dappere Michiel het antwoord niet schuldig bleef. De Hollandsche matrozen zonden den Spanjaard zooveel kogels in den romp, dat het schip weldra begon te zinken. De ongelukkige bemanning zag den dood in de golven tegemoet. Nu toonde de Ruyter echter zijne grootheid van ziel. De ongelukkigen, die met den dood worstelden in de golven, waren thans zijne vijanden niet meer, maar menschen, die in nood verkeerden. Dadelijk liet hij de booten uitzetten, en smaakte de voldoening, dat de kapitein en een groot deel der bemanning behouden bij hem aan boord werden gebracht.
Toen de Ruyter den kapitein vroeg, of ook hij zoo zou gehandeld hebben, als de Hollanders de overwonnenen waren geweest, gaf deze trotsch ten antwoord:
"Ik zou u en uw volk hebben laten verdrinken."