Gösta Berling

Part 9

Chapter 94,147 wordsPublic domain

Nooit in zijn leven is hij zoo dicht bij den hongerdood geweest als toen.

De kleine Faber wil naar den leensman Scharling om den koster voor poging tot moord aan te klagen; maar de Majoor zegt hem, dat het niet helpt in dit land, want hier is 't niet strafbaar een Duitscher dood te slaan.

Dan kalmeert de kleine Faber wat en noodigt den Majoor uit, het avondeten bij hem aan huis te gaan gebruiken.

De Majoor neemt de uitnoodiging aan, want, denkt hij, de organist zal wel een sleutel van de kerk hebben. En zoo gaan ze den Brobyheuvel op, waar de kerk, de pastorie, 't huis van den organist en dat van den koster bij elkaar liggen.

"Bitte, bitte," zegt de kleine Faber, terwijl hij en de Majoor zijn huis binnentreden. "U moet 't eenvoudige voor lief nemen. Ik heb opruiming gehouden, mijn zuster en ik. Wij hebben een haan geslacht."

"Dat treft prachtig," roept de Majoor uit.

De kleine gedistingeerde juffrouw Faber komt dadelijk binnen met een verfrisschenden dronk in groote aarden kruiken. Nu weet ieder, dat de Majoor geen goed oog op de vrouwen heeft; maar de kleine juffrouw Faber moet hij toch met welgevallen aanzien, toen ze daar met haar keurig mutsje binnenkwam. Het lichte haar lag zoo glad om het voorhoofd, het zelf geweven kleedje was zoo net en vlekkeloos rein, haar kleine handen waren zoo vlug en vlijtig en haar gezichtje zoo roozerood en rond, dat hij niet laten kon te denken, dat als hij zulk een vrouwtje voor twintig jaar geleden ontmoet had, hij haar dadelijk ten huwelijk gevraagd zou hebben.

Maar hoe net en vlug en handig ze ook is, haar oogen zijn geheel beschreid. Dat juist maakt hem zoo zacht gestemd tegenover haar.

Terwijl de mannen eten en drinken, gaat zij de kamer in en uit. Eens komt ze naar haar broeder toe, maakt een kniks en zegt: "Hoe zullen we de koeien in de schuur zetten."

"Zet twaalf links en elf rechts, dan vechten ze niet," antwoordde de kleine Faber.

"Wel verbazend! Heeft Faber zooveel koeien?" roept de Majoor.

Maar de zaak was, dat de organist maar twee koeien had. Hij noemde de eene: "elf" en de andre "twaalf" omdat 't goed zou klinken, als hij over hen sprak. En hij vertelt den Majoor, dat zijn stal verbouwd wordt en de koeien daarom overdag buiten en 's nachts in de schuur staan.

De Majoor vraagt den organist, waarom zijn zuster zulke roode oogen heeft en hoort nu, dat ze schreit, omdat hij haar niet wil laten trouwen met den armen koster, die geen cent bezit en in schulden steekt.

Door dit alles raakt de Majoor al dieper en dieper in gedachten verdiept. Hij ledigt de eene kroes na de andere en eet de eene worst na de andere op, zonder het zelf te merken. De kleine Faber is verstijfd van schrik over zulk een eetlust! Maar hoe meer de Majoor eet en drinkt, hoe helderder zijn hoofd wordt en hoe meer zijn besluit rijpt, iets voor de kleine Faber te doen.

Hij heeft intusschen den grooten sleutel in 't oog gekregen, die aan een knop bij de deur hangt, en zoodra de kleine Faber, die den Majoor onder 't drinken bescheid moest doen, 't hoofd op de tafel legt en snurkt, heeft majoor Fuchs den sleutel, zet zijn muts op en haast zich weg.

Een minuut later stommelt hij den torentrap op, door zijn hoornen lantaarntje bijgelicht en komt zoo eindelijk boven in den klokkentoren, waar de klokken hun groote monden boven hem openen. Daar boven schraapt hij wat metaal van een der klokken met een vijl, en wil juist den kegelvorm en den vuursteen te voorschijn halen, toen hij merkt, dat hij 't allergewichtigste nog mist, dat hij geen zilver bij zich heeft. Als er eenige kracht in die kogel zal zijn, moet hij immers in dien toren gegoten worden. Nu is alles in orde: donderdagavond is het nieuwe maan en niemand vermoedt, dat hij hierboven zit, en nu kan hij niets doen. Hij vloekt in de stilte van den nacht zóó krachtig, dat het weerklinkt in de klokken.

Onmiddelijk daarna hoort hij een zwak gedruisch beneden in de kerk en meent stappen op de trap te hooren. Ja, waarlijk het is zoo, met zware schreden hoort hij iemand de trap opkomen.

Majoor Fuchs, die daar boven stond te vloeken, dat 't weerklonk in de klokken, werd een beetje bezorgd. Hij zou wel eens willen weten, wie hem daar bij 't kogelgieten wil komen helpen. De stappen komen al nader, zelfs tot bij den klokkentoren.

De Majoor verstopt zich tusschen de balken en blaast het licht uit. Niet, dat hij nu juist bang is; maar alles is immers bedorven, als iemand hem daar ziet. En nauwelijks heeft hij zich daarboven verstopt, of de nieuw aangekomene steekt zijn hoofd boven den grond.

De Majoor kent hem wel. 't Is de gierige dominé van Broby. Hij, die nu zoo goed als waanzinnig is van gierigheid, heeft de gewoonte zijn geld op de wonderlijkste plaatsen te herbergen. Nu komt hij met een pakje muntbiljetten, die hij in den klokkentoren verstoppen wil. Hij weet niet, dat iemand hem ziet. Hij licht een plank op uit den vloer, legt 't geld daar onder en gaat weer heen.

Maar de Majoor licht snel dezelfde plank op. Och, wat een geld! 't Eene pakje muntbiljetten naast 't andere en daar tusschen in lederen zakjes met geld, vol zilvren munten. De Majoor neemt juist zooveel zilver, als hij voor een kogel noodig heeft; 't overige laat hij liggen.

Als hij beneden op 't veld komt, heeft hij een zilveren kogel op zijn geweer. Hij loopt er over te denken, hoe alles hem meeloopt en vraagt zich af hoe 't geluk hem verder dienen zal in dezen nacht. Want 't is wonderlijk met die donderdagavonden, zooals ieder weet. Hij gaat maar eerst naar 't huis van den organist. Want 't kon zijn, dat dat canaille van een beer wist, dat Fabers koeien in een oude schuur staan zoo goed als onder den blooten hemel.

Jawel! ziet hij daar niet iets groots en donkers over 't veld op de schuur aankomen. Dat moest de beer zijn.

Hij legt 't geweer aan; en zal juist schieten maar dan krijgt hij berouw.

't Is hem of hij in 't donker de beschreide oogen van juffrouw Faber voor zich ziet. Hij denkt er aan, dat hij haar en den koster wil helpen; maar 't gaat hem aan 't hart den grooten beer van Gurlita Klätt niet zelf te dooden. Hij heeft zelf later gezegd, dat niets in de wereld hem meer gekost heeft, maar omdat 't meisje zoo fijn en teer en zoo lief was, moest dat offer gebracht worden.

Hij gaat naar 't huis van den koster, wekt hem, haalt hem half gekleed uit huis en zegt hem, dat hij den beer moet schieten, die om de schuur van Faber sluipt.

"Als je den beer schiet, dan geeft hij je zijn zuster wel," zegt hij, "want dan word je opeens een geacht en geëerd man. 't Is geen gewone beer, die daar, en de beste man van 't land zou het voor een eer houden hem te vellen."

En hij duwt hem zijn eigen geweer in de hand, met den kogel van zilver en klokkenmetaal er in, in een kerktoren op donderdagavond gegoten, met nieuwe maan. En hij kan niet laten te trillen van afgunst, omdat nu een ander dan hij den grooten woudkoning, den ouden beer in Gurlita Klätt, zal schieten.

De koster mikt. De hemel beware mij! Hij mikt alsof hij den grooten beer aan den hemel moet schieten, ook wel de wagen genoemd, die in een kring om de poolster draait, en niet een beer, die op 't veld loopt. En 't schot gaat af met een knal, die over heel Gurlita Klätt gehoord wordt.

Maar hoe hij ook gemikt had--de beer viel. Zoo gaat het, als men met zilvren kogels schiet. Men treft den beer in het hart al mikt men ook op den wagen.

Uit alle nabijliggende hoeven komen menschen toeschieten en zijn verbaasd over 't gebeurde; want nooit knalde een schot zóó sterk en wekte zooveel slapenden, als dit--en de koster werd zeer geprezen, want de beer was een echte landplaag.

De kleine Faber komt ook naar buiten, maar nu wordt de Majoor Fuchs bitter teleurgesteld. Daar staat de koster met eer overladen en heeft nog op den koop toe Faber's koeien gered; maar de kleine organist is niet dankbaar, niet eens bewogen. Hij ontvangt hem niet met open armen en begroet hem niet als een held of als zijn zwager.

De Majoor staat met gefronste wenkbrauwen en stampvoet van boosheid over zulk een ellendigen kerel. Hij wil spreken en den hebzuchtigen snaak aan 't verstand brengen welk een heldendaad dat is; maar hij begint te stotteren en kan er geen woord uitbrengen.

Ach 't is hem ook onbegrijpelijk, dat iemand, die zulk een heldenstuk volbracht, niet de fierste bruid op aarde waard zou zijn.

De koster en eenige jonge mannen zullen den beer villen; zij gaan slijpsteenen en scherpe messen halen; de anderen gaan naar huis en naar bed. Majoor Fuchs blijft alleen bij den dooden beer achter.

Dan gaat hij nog eens naar de kerk, steekt weer den sleutel in het slot, klimt de smalle trappen op, schrikt de slapende duiven op uit hun rust en bereikt nog eens den klokkentoren.

Later, als de beer onder toezicht van den Majoor gevild wordt, vindt men tusschen zijn kaken een pakje bankbriefjes. 't Zijn vijfhonderd rijksdaalders. Niemand weet, hoe die daar gekomen zijn; maar dit is immers een wonderlijke beer, en daar de koster 't dier geveld heeft is 't geld voor hem, dat spreekt van zelf.

Toen dit bekend werd, begreep de kleine Faber plotseling welk eervol heldenstuk de koster heeft uitgevoerd, en verklaart, dat hij er trotsch op wezen zal hem zijn zwager te noemen.

Op Vrijdagavond keert Majoor Anders Fuchs naar Ekeby terug, na meegeweest te zijn naar 't feest in 't huis van den koster ter eere van zijn meesterschot en naar 't verlovingsfeest bij den organist aan huis. Hij loopt voort met een droevig hart. Hij voelt geen vreugd over den val van zijn vijand, en is niet blij met de prachtige berenhuid, die de koster hem ten geschenke heeft gegeven. Nu meenen velen zeker, dat hij er over treurt, dat het fijne, mooie juffertje een ander toebehoort? Ach neen! dat baart hem geen smart. Maar wat hem aan 't hart knaagt is, dat de oude eenoogige woudkoning nu geveld is, zonder dat hij den zilverkogel op hem heeft mogen afschieten.

Zoo komt hij boven in den kavaliersvleugel, waar de kavaliers om 't vuur zitten, en werpt zonder een woord te zeggen het berenvel voor hen neer. Niemand moet denken, dat hij iets van zijn tocht vertelde, eerst veel, veel later heeft men uit hem gekregen, wat er eigenlijk gebeurd was. Ook verraadde hij de geheime bergplaats van den dominé van Broby niet, en deze merkte misschien nooit den diefstal.

De kavaliers onderzoeken 't vel.

"'t Is een mooie huid," zegt Beerencreutz.

"Hoe zou die snaak uit den winterslaap gewekt zijn? Of heb je hem in zijn hol geschoten?"

"Hij is in Bro geschoten."

"Ja, zoo groot als de beer van Gurlita was hij toch niet," zegt Gösta; "maar 't was een mooi dier."

"Als hij één oog had gehad," zegt Kevenhüller, "dan zou ik denken, dat het de oude zelf was, zóó groot is hij; maar deze is aan de oogen niet gewond geweest dus 't is de oude niet."

Fuchs vloekt over zijn eigen domheid, maar dan heldert zijn gezicht op. Hij straalt van vreugd en dat maakt hem bijna mooi.

Dus is dan de groote beer toch niet door 't schot van een ander gevallen.

"Heere God, wat zijt gij goed!" fluistert hij en vouwt de handen.

VIII.

DE VERKOOPING OP BJÖRNE.

Vaak verwonderen wij jongeren ons over de verhalen der ouden.

"Was er dan elken dag bal, heel uw heerlijke jeugd door?" vroegen wij hen. "Was het leven dan één voortdurend sprookje? Waren alle jonge dames toen mooi en beminlijk? En eindigde ieder feest met een schaking door Gösta Berling?"

Dan schudden de ouden hun eerwaardige hoofden en begonnen te vertellen van het snorren der spinnewielen en 't klapperen der weefstoelen, van de drukte in de keukens, van 't slaan van den dorschvlegel op den dorschvloer, van 't klinken van den bijl in 't bosch. Maar het duurde niet lang, of ze waren weer op den ouden toon aan 't vertellen.

Dan hielden de sleden voor de stoep stil, dan snelden de paarden voort door donkere bosschen, met de vroolijke jonge menschen, dan ging de dans door de zalen en de snaren van de viool klonken. Dan suisde met gezang en gedruisch de wilde jacht om 't Löfvenmeer. Ver weg kondt ge hen hooren. De boomen in 't bosch wankelden en vielen. Alle machten des verderfs werden ontketend, de vlammen knetterden, de waterval verwoestte geheele gebouwen, de wilde dieren slopen rond om de hoeven. Onder de hoeven der achtvoetige paarden werd alle stille geluk vernield. Waar de wilde jacht voorbij kwam werden de harten der mannen wild en de vrouwen moesten bleek van schrik vluchten van hun haardsteden. En wij luisterden--verwonderd, zwijgend, bang en toch met stil genot.

"Wat voor menschen waren dat toch!" dachten wij.

"Nooit zullen we zulke menschen zien!"

"Dachten die menschen nooit over wat zij deden?" vroegen wij.

"Ja zeker dachten ze, kinderen," antwoordden de ouden.

"Maar niet, zooals wij denken," beweerden wij. Maar dan begrepen de ouden niet wat wij meenden.

Maar wij dachten aan den wonderlijken geest der zelfbeschouwing, die reeds zijn intrede in onze harten gedaan had. Wij dachten aan hem, aan zijn ijzige oogen en zijn lange, kromme vingers;--aan hem, die in den donkersten hoek van onze ziel zit en ons zieleleven uit elkaar haalt, zooals oude vrouwen met lapjes wol doen,--en stuk pluist.

Stuk voor stuk hadden die lange, harde kromme vingers uit elkaar gehaald, tot onze heele ziel daar lag als een bundel vodden en toen waren onze beste gevoelens, onze meest impulsmatige gedachten, alles, wat we gedaan en gezegd hadden, onderzocht, doorgekeken en uit elkaar gehaald en de ijzige oogen hadden er naar gekeken en de tandelooze mond had hoonend gelachen en gefluisterd. "Zie, 't zijn vodden, enkel vodden."

Er waren ook in dien tijd wel menschen, die hun ziel hadden opengezet voor den geest met de ijzige oogen. Bij één van hen zat hij aan de bron der handelingen, honend lachend om goed en kwaad, alles begrijpend, niets veroordeelend, onderzoekend, vorschend, uit elkaar pluizend, de bewegingen van haar hart en de kracht harer gedachten verlammend door onophoudelijk honend te lachen.

De schoone Marianne droeg den geest der zelfbeschouwing in zich. Zij voelde dat zijn koude oogen en zijn hoonlachen ieder van haar daden en woorden volgde. Haar leven was een tooneelstuk, waarvan hij de eenige toeschouwer was. Zij was geen mensch meer, zij leed niet, genoot niet, had niet lief; zij speelde de rol van de mooie Marianne Sinclaire en de zelfbeschouwing zat met ijskoude oogen en vlijtig, pluizende vingers en zag haar optreden.

Zij was als 't ware in twee helften verdeeld. Bleek, onsympathiek en hoonend zat de éene helft van haar ziel spottend neer te zien op de andere, die handelde en nooit had die wonderlijke geest, die haar ziel uit elkaar pluisde, een enkel woord van meêgevoel.

Maar waar was hij dan geweest, die bleeke bewaker van de bron harer handelingen, in dien nacht toen zij 's levens volheid had leeren kennen?

Waar was hij toen zij, de verstandige Marianne, Gösta Berling kuste, terwijl honderden oogen op hen rustten, en toen zij in wanhoop zich neerwierp in de sneeuw om te sterven? Toen waren de ijskoude oogen verblind, de hoonlach verdwenen, want de hartstocht was haar ziel binnengestormd. 't Gedruisch van de wilde jacht had gebruist in haar ooren. Zij was geheel en al mensch geweest in dien éénen verschrikkelijken nacht.

O! gij hoonende geest der zelfbeschouwing. Toen Marianne met onuitsprekelijke inspanning haar verstijfde armen ophief en ze om Gösta's hals legde, toen moest gij, als de oude Beerencreutz uw oogen opheffen van de aarde en de sterren aanzien. In dien nacht was uw macht gebroken. Ge waart dood, terwijl zij haar hymne aan de liefde dichtte, dood, terwijl zij naar Sjö ijlde, naar den Majoor, dood, toen zij de vlammen den hemel rood zag tinten boven de toppen der boomen.

Zie, zij waren gekomen, de sterke stormvogels, de demonische arenden van den hartstocht. Met vlammende vleugels en stalen klauwen daalden zij ruischend neer over u, gij geest met de ijzige oogen. Zij sloegen hun klauwen in uw nek en slingerden u ver weg in de onbekende ruimte. Dood en verbrijzeld waart ge. Maar nu waren ze voorbij gevlogen, de fieren, de geweldigen, wier wegen niet te berekenen zijn en die geen menschenoog ooit heeft gevolgd. En van uit de onbekende diepte was de geest der zelfbeschouwing weer verrezen en had opnieuw zijn intocht gehouden in de ziel der schoone Marianne.

De geheele maand Februari lag Marianne ziek op Ekeby. Op Sjö was zij door de pokken besmet. Die vreeselijke ziekte had haar geweldig aangetast, uitgeput en verkouden als ze was. Zij was den dood nabij; maar aan 't eind der maand werd zij beter. Zwak was zij voortdurend en zeer geschonden. Nooit meer zou men haar "de mooie Marianne" noemen.

Het verlies van haar schoonheid, dat rouw over heel Wermeland zou brengen, alsof 't land een zijner kostbaarste schatten verloren had, was nog aan niemand dan aan haar zelf en haar verpleegster bekend.

Zelfs de kavaliers wisten 't niet. Niemand werd in de besmette ziekenkamer toegelaten.

Maar wanneer is de macht der zelfbeschouwing grooter dan bij 't herstellen van een ernstige ziekte? Dan zit hij en staart ons aan met zijn ijzige oogen; en plukt en pluist met zijn harde, kromme vingers. En als men goed toekijkt, ziet men achter hem nog een bleek schepsel en dat staart ons aan en verlamt ons met zijn hoonenden glimlach en daarachter nog een en nog een, allen glimlachend om elkaar en om de geheele wereld.

En terwijl Marianne daar lag en zich zelf bekeek met al die ijzige oogen, stierf alle sterk en warm gevoel in haar.

Zij lag daar--en ze speelde, dat zij ziek was, dat ze ongelukkig, verliefd, wraakzuchtig was. Wel was ze dat alles; maar 't was maar spel. Alles werd onwerkelijk, werd spel onder 't staren van die ijzige oogen, die haar aanzagen, en die zelf weer door andren werden bekeken in een eindelooze rij. Alle sterke levenskrachten sluimerden weer in haar. Zij had kracht gehad tot gloeienden haat, tot toewijdende liefde voor ééne nacht, langer niet. Zij wist niet eens of ze Gösta Berling wel lief had. Zij verlangde hem te zien om te probeeren of hij haar buiten zichzelve kon brengen. Zoolang de ziekte duurde, had zij maar één heldere gedachte gehad: zij had er voor gezorgd, dat haar ziekte niet bekend werd. Zij wilde haar ouders niet zien; zij wilde geen verzoening met haar vader. Ze wist, dat hij berouw zou hebben over wat hij gedaan had, als hij wist hoe ziek ze was.

Daarom beval zij, dat aan haar ouders en alle anderen gezegd zou worden, dat een oogziekte, die ze vaak had, haar noodzaakte achter dichte gordijnen te zitten. Zij verbood de kavaliers een dokter uit Karlstad te halen. Ze had wel pokken, maar in een zeer lichten graad en in de huisapotheek te Ekeby was genoeg om haar leven te redden.

Zij dacht niet aan sterven; zij lag er alleen op te wachten, dat ze beter zou zijn om met Gösta naar den geestelijke te gaan om hun huwelijk te laten sluiten. Maar nu was de ziekte voorbij, de koorts af. Zij was weer koud en verstandig. 't Was haar, alsof zij de eenige wijze in een wereld van dwazen was. Zij haatte niet en had niet lief. Zij begreep haar vader, zij begreep hen allen. Hij die begrijpt, haat niet meer.

Zij had gehoord, dat Melchior Sinclaire van plan was auctie te houden op Björne en alles te vernielen, wat hij bezat, opdat zij 't niet van hem erven zou. Men zei, dat hij alles zoo grondig mogelijk bederven wilde: eerst zou hij de meubels en 't huisraad verkoopen, dan 't vee en de landbouw-gereedschappen en eindelijk de geheele hoeve. En al het geld zou hij in een zak doen en die in 't Löfvenmeer gooien. Verstrooid, vernield, vernietigd zou haar erfdeel worden. Marianne glimlachte goedkeurend, toen zij dat hoorde. Zóó was zijn karakter, zoo moest hij handelen.--Zonderling kwam het haar voor; dat zij ooit den lof der liefde gezongen had. Zij had gedroomd van een hut en van zijn hart; nu kon ze niet begrijpen, dat zij zoo gedroomd had.

Zij snakte naar natuur! Zij was dat eeuwige tooneelspelen zoo moe. Nooit voelde zij diep en sterk. Ze betreurde nauwlijks haar schoonheid, alleen huiverde ze voor 't medelijden van vreemden.

O als ze maar één oogenblik zichzelf vergeten kon. Eén woord zeggen, één beweging maken, één daad doen, die niet berekend was.

Op een morgen toen haar kamer ontsmet was en zij gekleed op de sofa lag, liet zij Gösta Berling roepen. Het antwoord was, dat hij naar de verkooping op Björne was.

't Was een groote verkooping op Björne.

't Was een oud rijk huis. Van alle kanten stroomden de menschen toe om te bieden. De groote Melchior Sinclaire had alles wat in huis was, opeengehoopt, in de groote zaal. Duizenden dingen waren er op groote hoopen gestapeld, die tot aan den zolder reikten. Hij was zelf 't huis rond gegaan, als de engel der verwoesting op den dag des oordeels en had alles, wat hij wilde verkoopen, bijeen gesleept. Keukengerei: zwarte pannen, houten stoelen, tinnen kroesen--dat alles liet hij met rust, want daaraan was niets wat hem aan Marianne deed denken; maar dat was ook 't eenigste, wat aan zijn toorn ontkwam.

In Mariannes kamer brak hij in en vernielde alles. Haar poppenkastje stond daar en haar boekenrekje, het stoeltje, dat hij voor haar had laten maken, haar versierselen, haar kleeren, haar sofa, haar bed,--dat alles moest weg.

Daarna ging hij van de eene kamer naar de andere. Hij rukte alles weg, wat hem hinderde en droeg zware lasten naar de auctiezaal. Hij steunde onder 't gewicht der zware sofa's en marmeren tafels, maar hij hield vol. En hij haalde alles door elkaar in een ontzettende verwarring. Hij brak de kasten open en haalde er 't prachtige familiezilver uit. Weg er meê: Marianne had het aangeraakt. Hij nam armen vol van 't sneeuwwitte damast, sterke zelfgeweven stukken, de vrucht van vele jaren arbeid en smeet het op hoopen. Weg er meê. Marianne was niet waard het te bezitten. Hij stormde door de kamers, met stapels porcelein. Hij gaf er niet om of hij dozijnen borden brak, en greep de oude servies koppen, met het familiewapen er in gebakken. Weg er meê. Wie ze hebben wil, mag ze nemen. Hij gooide bergen beddengoed van den zolder: kussens en dekens zóó zacht, dat men er in neerzonk, als in een golf. Weg er meê! Marianne heeft er op geslapen. Hij wierp de oude, welbekende meubels verbitterde blikken toe. Was er wel een stoel of een sofa, waar zij niet op gezeten had, een schilderij waar zij niet naar gezien, een kroon, die haar niet had verlicht, een spiegel, die haar beeld niet had weerkaatst. Hij balde somber de vuist tegen deze wereld van herinneringen. 't Allerliefst was hij er op ingestormd met een knods en had alles kort en klein geslagen.

Maar 't scheen hem toe, alsof hij nog grondiger wraak nam door 't alles te verkoopen. Weg naar vreemden moest het. Weg om te vervuilen in de huizen der armen, weg om te worden verwaarloosd onder de handen van onverschillige vreemden. Kende hij ze niet van uit de kamers der boeren, de slordige meubelen op verkoopingen gekocht, verkocht en onteerd, zooals nu zijn mooie dochter was. Weg met hen. Laat ze staan met 't paardenhaar uitpuilend uit de gaten, met afgestooten verguldsel, met gebroken pooten en gesprongen tafelbladen: laat ze 't heimwee hebben naar hun vroeger tehuis. Weg er meê naar alle wereldstreken! zoodat geen oog ze meer zien, geen hand ze weer bijeenbrengen kan.

Toen de auctie begon, had hij de halve zaal gevuld met een ongelooflijk verwarden hoop huisraad.

Dwars door de zaal had hij een lang aanrecht laten zetten. Daarachter stond de verkooper en riep op; daar zaten de schrijvers en noteerden, en daar had Melchior Sinclaire een vat brandewijn staan. In de andre helft der zaal in de vestibule en buiten op de plaats stonden de koopers.