Gösta Berling

Part 8

Chapter 84,255 wordsPublic domain

Kleine, grijze Noorsche paardjes worden voor een hooge spookachtige sjees gezet en hoogbeenige, magere rijpaardjes voor lage kapsleedjes. De oude dieren grijnzen en proesten als 't gebit in hun tandeloozen bek gelegd wordt, de oude voertuigen ritselen en kraken. Ellendige gebreken, die rustig hadden moeten verborgen blijven tot het einde toe: stijve achterpooten, manke voorpooten, spatten en gehoest komen nu aan het licht.

De staljongens hebben de paarden toch allen ingespannen en komen nu aan de Majoorske vragen, waar Gösta Berling in moet rijden, want ieder weet, dat hij in de slee van de Majoorske naar Ekeby is gekomen.

"Span Don Juan voor onze beste kapslee," antwoordt de Majoorske, "en leg daar een berenvel met zilveren klauwen over heen." En als de jongens aarzelen, gaat ze voort: "Er is geen paard op mijn stal, dat ik niet zou willen geven om dien kerel kwijt te zijn, vergeet dat niet."

Ziezoo, nu zijn de wagens en de paarden gewekt,--maar de kavaliers slapen nog altijd.

Nu is het tijd hen naar buiten te brengen in den winternacht. Maar 't is moeilijker hen uit hun bedden te krijgen dan de stijfbeenige paarden en de rammelende oude voertuigen voor den dag te halen. Ze zijn kloeke, sterke schrikaanjagende mannen, door honderd avonturen gehard, gereed zich tot den dood te verdedigen. 't Is zoo makkelijk hen tegen hun zin uit hun bedden en in de oude voertuigen te krijgen, die hen weg zullen voeren.

Dan laat de Majoorske een hooiberg in brand steken, die zóó dicht bij het huis staat, dat de vlammen tot in de kamer schijnen, waar de kavaliers slapen.

"'t Is mijn hooiberg," zegt ze, "heel Ekeby hoort mij toe."

En als nu de hooiberg in lichtelaaie vlam staat roept ze: "Wek hen nu!"

Maar de kavaliers slapen achter de vast gesloten deur. De menschenmassa daarbuiten roept dat verschrikkelijke, ontzettende woord: "Brand! brand!"

Maar de kavaliers slapen.

De smid slaat met zijn zwaren hamer op de deur, maar de kavaliers slapen.

Een harde vaste sneeuwbal vliegt door de ruiten in de kamer tegen een bedgordijn. Maar de kavaliers slapen.

Zij droomen, dat een mooi meisje hen een zakdoek toewerpt, zij droomen van applaus achter een neergelaten theatergordijn. Zij droomen van vroolijk lachen en feestgedruisch te middernacht.

Een kanonschot aan hun ooren, een stroom ijskoud water is noodig om hen te wekken.

Ze hebben gebogen, gedanst, gemusiceerd, tooneelgespeeld en gezongen. Ze zijn door wijn verhit, uitgeput en slapen vast en diep als dooden.

Die gezegende slaap zal hen redden.

't Volk begint te gelooven, dat achter deze rust een gevaar steekt. Gesteld, dat de kavaliers al uit zijn om hulp te halen; gesteld, dat ze al wakker zijn en met den vinger aan den trekker achter deuren en vensters staan, gereed den eerste, die binnentreedt, neer te vellen.

Die mannen zijn slim en dapper. Zij hebben wel een bedoeling met hun zwijgen. Wie kan gelooven, dat ze zich laten overvallen als een beer in zijn hol? 't Volk brult: "Brand! brand!" keer op keer; maar niets helpt.

Toen, terwijl allen beven, neemt de Majoorske zelf een bijl en slaat de hoofddeur open. Dan snelt ze de trappen op, rukt de deur van de slaapkamer open en roept naar binnen:

"Brand! Brand!"

Dat is een stem, die beter klinkt in de ooren der kavaliers dan 't schreeuwen van het volk. Gewend die stem te gehoorzamen, springen onmiddellijk de twaalf mannen 't bed uit, zien den vuurgloed, trekken haastig hun kleeren aan en stormen de trappen af en de plaats op.

Maar aan de deur staat de reusachtige smid en twee sterke molenaarsjongens,--en een groote schande komt over de kavaliers. Want wie beneden komt, wordt gepakt, op den grond gegooid, aan handen en voeten gebonden de plaats opgedragen en elk in zijn eigen kariool of slee gelegd.

Niemand ontkwam: allen werden gevangen. Beerencreutz, de barsche overste, werd gebonden en weggebracht, evenzoo Kristiaan Bergh, de sterke kapitein en Oom Eberhard. Zelfs de onoverwinnelijke, de schrikverwekkende Gösta Berling werd gevangen. De Majoorske overwon. Zij is toch machtiger dan alle kavaliers.

't Is akelig hen te zien, zooals ze daar zitten, gebonden in de vervallen oude voertuigen; met hangende hoofden of toornige blikken zitten ze, en de plaats weêrgalmt van hun vloeken en wilde uitbarstingen van onmachtige woede.

De Majoorske gaat van den een naar den ander.

"Je moet zweren," zegt ze, "dat je nooit meer naar Ekeby terug zult komen."

"Och loop, oude tooverheks!"

"Je moet zweren," zegt zij, "anders gooi ik je in den kavaliersvleugel, gebonden en wel, en dan verbrand je levendig, want van nacht verbrand ik den kavaliersvleugel. Nu weet je 't!"

"Dat durft de Majoorske toch niet."

"Durf ik 't niet? Behoort Ekeby mij niet toe? Jelui schelmen! Meen je, dat ik 't niet meer weet, hoe je me bespot hebt, als je me op den weg tegenkwaamt. Meen je niet, dat ik er grooten lust in heb een vuurtje te stoken en jelui allen te verbranden? Heb je een vinger uitgestoken om me te verdedigen, toen ik uit mijn huis verdreven werd? 't Is je geraden te zweren!"

En daar staat de Majoorske met een gezicht om bang voor te worden, want ze houdt zich veel boozer, dan ze is. En al die mannen met bijlen gewapend! De meesten leggen den eed af om erger ongelukken te voorkomen.

Maar ondertusschen is de tijd voorbij gegaan en Marianne heeft Sjö bereikt.

De Majoor houdt niet van lang slapen. Zij trof hem aan in den tuin, waar hij zijn beren voerde.

Hij antwoordde niet veel op haar verhaal. Hij ging in 't berenhok, bond een ketting aan den neusring van de dieren, bracht ze naar buiten en haastte zich naar Ekeby.

Marianne volgde hem. Zij zeeg bijna ineen van vermoeidheid, maar daar zag zij den vuurgloed en voelde een doodelijken angst in zich opkomen.

Wat was dit toch voor een nacht! Een man slaat zijn vrouw en laat zijn kind bevriezen voor zijn deur. Zal nu een vrouw haar vijanden verbranden en de oude Majoor de beren loslaten op zijn eigen bedienden?

Ze overwint haar vermoeidheid, snelt den Majoor voorbij en ijlt in wilde vaart naar Ekeby.

Zij kwam daar veel eerder aan dan hij; ze vliegt de plaats op, baant zich een weg door de menschenmassa, en toen ze in den kring vlak voor de Majoorske staat, roept zij zoo hard zij kan:

"De Majoor komt, de Majoor komt met zijn beren."

Allen waren verschrikt en keken de Majoorske aan.

"Jij hebt hem gehaald," zei ze tegen Marianne.

"Vlucht!" roept deze nog dringender. "Weg van hier, in Godsnaam! Ik weet niet wat de Majoor wil, maar hij heeft zijn beren bij zich."

Allen bleven staan en zagen de Majoorske aan.

"Ik dank jelui voor je hulp, kinderen," zei deze kalm tot het volk. "Alles wat van nacht gebeurd is was zóó geschikt, dat geen van jelui voor 't gerecht kon komen of er schade door hebben. Ga nu naar huis. Ik wil niemand van mijn volk zien moorden of vermoord worden. Ga nu heen."

Maar zij bleven dralen.

Toen wendde de Majoorske zich tot Marianne.

"Ik weet, dat je liefhebt," zeide ze. "Je handelt in waanzin, door liefde gedreven. 'k Hoop, dat nooit de dag voor je komt, dat je machteloos moet aanzien, dat je huis vernield wordt. Wees altijd meester over je hand en je tong, als je ziel vol toorn is!

"Komt nu kinders, komt nu!" met deze woorden wendde ze zich weer tot het volk. "God behoede Ekeby. Ik moet naar mijn moeder. O Marianne! als je weer tot je zelf gekomen bent. Als Ekeby verwoest is en 't land in nood, denk dan aan wat je nu hebt gedaan en zorg voor deze arme menschen."

Toen ging ze heen, door 't volk gevolgd.

Toen de Majoor op het landgoed aankwam, vond hij daar geen sterveling behalve Marianne en de lange rij voertuigen en paarden,--een lange treurige rij. Want met de paarden, de voertuigen en de koetsiers was 't al even droevig gesteld. 't Leven had geen van allen gespaard.

Marianne ging rond en maakte de banden om handen en voeten los. Zij zag hoe de kavaliers zich op de lippen beten en de oogen afwendden. Zij schaamden zich als nooit te voren. Zulk een schande hadden ze nog nooit gedragen.

"Ik had het niet beter, toen ik voor een paar uur op de stoep van Björne knielde," zeide Marianne.

En dan, lieve lezer, wat er verder gebeurde in dien nacht, hoe de oude voertuigen weer in 't wagenhuis kwamen, de paarden in den stal en de kavaliers in den kavaliersvleugel, dat alles zal ik niet vertellen. De dageraad vertoonde zich over de oostelijke bergen en de dag kwam met licht en rust. Hoeveel veiliger zijn niet de lichte zonnige dagen, dan de duistere nachten onder wier vleugelen de roofdieren jagen en de uilen krassen.

Maar dit alleen wil ik nog zeggen, dat toen de kavaliers weer in huis waren gekomen en in den laatsten bowl nog een paar droppels vonden om in de glazen te schenken, kwam een plotselinge verrukking over hen.

"Leve de Majoorske!" riepen zij.

Ach zij was een vrouw zooals er geen tweede bestond! Wat begeerden ze meer dan haar te dienen, haar te vereeren.

Is het niet bitter treurig, dat de duivel macht over haar kreeg, dat heel haar streven is de zielen der kavaliers naar de hel te zenden?

VII.

DE GROOTE BEER OP GURLITA KLÄTT.

In de duisternis der wouden huizen de onheilige dieren, de kaken gewapend met glinsterende tanden of scherpe bekken; en scherpe klauwen aan de pooten. Zij verlangen er naar zich aan een bloedigen hals vast te klampen,--hun oogen vonkelen van moordlust.

Daar huizen de wolven, die 's nachts te voorschijn komen om de slede der boeren te jagen, tot de vrouw het kindje, dat op haar schoot zit, moet opnemen en het uit de slee werpen om haar leven en dat van haar man te redden.

Daar huist de los, die 't volk "göpä" noemt, want, in het bosch ten minste, is 't gevaarlijk hem bij zijn rechten naam te noemen. Hij, die op den dag over hem gesproken heeft, mag 's avonds wel goed de deuren en luiken van 't schapenhok nazien, anders komt hij. Hij klautert recht tegen 't schapenhok op, want zijn klauwen zijn sterker dan ijzeren nagels. Hij glijdt door 't nauwste luikje en werpt zich op de schapen. En hij hangt aan hun hals en drinkt hun bloed uit de aderen en vermoordt en verscheurt ze tot er geen enkel schaap meer over is. Zijn woede bedaart niét zoolang nog éen van hen teekenen van leven geeft.

En 's morgens vindt de boer alle schapen dood in 't hok met afgebeten halzen; want de los laat geen levend vee achter, waar hij komt.

Daar huist de uil, die huilt in de schemering. Als ge hem dan nadert, komt hij op zijn breede vleugels aansuizen en steekt u de oogen uit. Want hij is geen gewone uil. Een boschduivel is hij!

En daar huist de verschrikkelijkste van allen, de beer, die zoo sterk is als twaalf man en die, nu hij volwassen is, alleen met zilveren kogels geveld kan worden. Kan iets een dier verschrikkelijker maken dan dat het alleen met zilveren kogels kan geveld worden? Wat zijn dat voor vreeselijke, geheime krachten, die in hem wonen, die hem voor gewoon lood onkwetsbaar maken? Kan niet menig kind vele uren wakker liggen en beven voor het wilde dier, dat door booze machten beschut wordt.

En als men hem in 't bosch tegen mocht komen, groot en hoog als een wandelende rots, dan moet men niet opspringen, zich ook niet verdedigen; maar zich op den grond laten vallen en zich dood houden. Vele kinderen hebben in gedachten op 't veld gespeeld en den beer bij zich gehad. Hij heeft ze met de poot om en om gerold, en ze hebben zijn heeten, snuivenden adem in hun gezicht gevoeld, maar ze hebben stil gelegen, tot hij wegging om een gat te graven, waar hij ze in bewaren wilde.

Toen zijn ze stil opgestaan en weggeloopen,--eerst langzaam, maar later in vliegende vaart.

Maar o! Stel u eens voor, dat de beer ze niet goed dood gevonden had, maar nog eens had toegebeten, of dat hij ergen honger had en ze dadelijk had willen opeten, of dat hij ze gezien had, toen ze zich bewogen en ze nagesprongen was! O God!

Een heks is de angst. Ze zit in de schemering der wouden, dicht tooverliederen voor de oogen der menschen en vult hun harten met ontzettende gedachten. Daardoor ontstaat die verlammende vrees, die 't leven zwaar maakt en de schoonheid der lachende dreven verwoest. Boosaardig is de natuur, valsch als een slapende draak. Nergens kan men op vertrouwen.

Daar ligt het Löfvenmeer in zijn heerlijke schoonheid, maar vertrouw het niet. Het loert op roof; ieder jaar moet het zijn schatting van drenkelingen brengen.

Daar ligt het woud; verlokkend vredig; maar vertrouw het niet. 't Bosch is vol onheilige dieren, waarin de zielen van booze toovenaars en moordlustige schurken gevaren zijn.

Vertrouw de beek niet met het zachte water. 't Brengt u vreeselijke ziekten en den dood, als ge er in baadt na zonsondergang. Vertrouw den koekoek niet, die zoo vroolijk riep in 't voorjaar. In den herfst wordt hij een havik met booze oogen en scherpe klauwen. Vertrouw het mos niet, noch het heidekruid, noch de berghelling. Boosaardig is de natuur, bezield door onzichtbare machten, die de menschen haten. Er is geen plaats waar ge een voet veilig neer kunt zetten. Wonderlijk is 't, dat dit zwak geslacht zoo veel vervolging ontkomen kan.

Een heks is de angst. Zit ze nog in de duisternis der bosschen van Wermeland haar tooverliederen te zingen? Verduistert ze er nog de schoonheid van 't lachend landschap, verlamt ze nog de vreugde over 't leven? Groot is haar macht geweest, ik weet dat! Ik, die haar ijzeren hand om mijn hart heb gevoeld.

Maar nu moet niemand meenen, dat ik nu iets griezeligs of vreeselijks vertellen zal. 't Is maar een oud verhaal van den grooten beer in Gurlita Klätt, dat ik moet doen en 't staat ieder volkomen vrij het te gelooven of niet, zooals 't immers met alle echte jachtverhalen het geval is.

De groote beer heeft zijn hol op den prachtigen bergtop, die Gurlita Klätt heet en zich steil en ontoegankelijk aan den oever van 't boven-Löfvenmeer verheft.

De wortels van een omgevallen den, waartusschen 't mos is blijven hangen, vormen de wanden en 't dak van zijn woning; takken en twijgjes beschutten die en de sneeuw dekt ze toe. Daar binnen kan hij liggen en rustig slapen van den eenen zomer tot den andren.

Is hij dan een dichter, een verweekelijkt droomer, die ruige boschkoning, die roover in de sneeuw verborgen? Zal hij de koude nachten en de grauwe dagen van den winter verslapen om door murmelende beekjes en vogelgezang gewekt te worden? Zal hij daar liggen droomen van heuvels met roode boschbessen bedekt en van mierenhoopen vol lekkere, bruine miertjes en van de lammeren die op de groene berghellingen weiden? Zal hij, de gelukkige, aan 's levens winter ontkomen?

Buiten giert de sneeuwjacht door de dennen; buiten zwerven wolven en vossen rond, waanzinnig van honger. Waarom zou alleen de beer slapen? Hij zal opstaan en voelen hoe snerpend de kou is, hoe zwaar het valt door de diepe sneeuw te waden.

Hij ligt daar zoo heerlijk. Hij lijkt de prinses uit de sage wel. Zooals zij door de liefde gewekt werd, zoo zal hij door de lente gewekt worden. Door een zonnestraal, die door de takjes heen glijdt en zijn snuit verwarmt; door droppeltjes smeltende sneeuw, die zijn pels nat maken, zal hij gewekt worden. Wee hem, die hem ontijdig stoort.

Als nu maar iemand er rekening meê hield, hoe de woudkoning zijn leven heeft ingericht. Als nu maar niet plotseling een zwerm hagel door de takjes kwam suizen en de korrels in zijn huid kropen als nijdige muggen.

Hij hoort plotseling geraas, roepen en schieten. Hij schudt zich den slaap uit de leden en breekt door de takken om te zien wat er is. Daar is werk voor den ouden strijdheld. De lente is het niet, die buiten zijn hol ruischt en buldert; ook de wind niet, die de dennen omrukt en de jachtsneeuw doet opstuiven; 't zijn de kavaliers, de kavaliers van Ekeby,--oude kennissen van den woudkoning.

Hij herinnert zich den nacht nog wel toen Fuchs en Beerencreutz op den loer zaten bij de schuur op de hoeve van den boer van Nygaard, waar men een bezoek van hem wachtte. Ze waren juist bij hun brandewijn flesch ingeslapen, toen hij kwam en door 't met plaggen gedekte dak van den stal kroop; maar ze werden wakker, toen hij de gedoode koe uit de stal wilde slepen. De koe namen ze hem af en zijn ééne oog; maar 't leven redde hij. Ja, zoowaar! de kavaliers en hij zijn oude kennissen. De woudkoning herinnert zich nog hoe ze hem een anderen keer overvielen, toen hij en zijne hooge gemalin zich juist ter ruste hadden gelegd voor den winterslaap in den ouden koningsburcht hier op Gurlita Klätt en hun jongen bij zich hadden. Hij herinnert zich nog, hoe onverwacht ze kwamen. Hij ontkwam wel, maar moest loopen wat hij kon, en mank werd hij voor zijn leven, door een schot in de dij. En toen hij des nachts naar den Koningsburg terug keerde, vond hij de sneeuw rood van 't bloed van zijn hooge gemalin, en de vorstelijke kindren waren weggevoerd naar de vlakte, om daar als dienaren en vrienden der menschen op te groeien.

Ja, nu beeft de grond, en de sneeuw trilt, die 't dak bedekt, nu breekt hij los, de groote beer, de oude vijand der kavaliers. Geeft nu acht, Fuchs, oude berendooder, geef nu acht, Beerencreutz, in 't spel bedreven overste, geef acht, Gösta Berling, held van honderd avonturen!

Wee de dichters, de droomers, de helden van liefdesavonturen! Daar staat nu Gösta Berling met den vinger aan den trekker en de beer komt recht op hem af. Waarom schiet hij niet, waar denkt hij aan?

Waarom zendt hij niet fluks den beer een kogel in de breede borst? Hij staat juist op de rechte plaats om dat te kunnen doen. De andren kunnen niet schieten op dat oogenblik. Meent hij soms, dat hij voor zijn woudmajesteit op parade staat?

Gösta staat natuurlijk te droomen van de schoone Marianne, die in deze dagen zwaar ziek ligt op Ekeby, ziek, na dien nacht, dat ze in de sneeuw heeft geslapen.

Hij denkt aan haar, die ook een offer van den vloek van den haat is, van dien vloek, die over de aarde rust en hij beeft als hij bedenkt, dat hij is uitgegaan om te vervolgen en te dooden.

En daar komt de groote beer recht op hem af, blind aan één oog, door een houw van 't mes van een kavalier, mank aan één poot door een kogel uit 't geweer van een kavalier, ruig en knorrig en alleen; sinds zij zijn vrouw gedood hebben en zijn kinderen weggevoerd. En Gösta ziet hem zooals hij is: een arm, vervolgd dier, dat hij niet van 't leven berooven wil, 't eenige, wat hij nog over heeft, sinds de menschen hem alles ontnamen,

"Hij mag mij dooden," denkt Gösta, "maar ik schiet niet."

En terwijl de beer op hem aankomt, blijft hij stil staan, precies als op een parade. En als de woudkoning vlak voor hem staat, presenteert hij 't geweer en gaat op zij.

De beer vervolgt zijn weg, wel wetende, dat hij geen tijd te verliezen heeft. Hij baant zich een weg door de manshooge sneeuw, rolt van de steile hellingen en vlucht zonder ophouden, terwijl alle kavaliers, die met overgetrokken hanen op Gösta's schot hebben staan wachten, hun geweer op hem afschieten.

Maar 't is te vergeefs. De ring is gebroken en de beer is weg. Fuchs bromt en Beerencreutz vloekt; maar Gösta doet niets dan lachen.

Hoe kunnen ze toch willen, dat een mensch, zoo gelukkig als hij, één van Gods schepselen kwaad zal doen?

De groote beer van Gurlita Klätt kwam er dus levend af. Uit zijn winterslaap is hij gewekt, dat zullen de boeren gewaar worden. Geen beer is behendiger dan hij in 't openscheuren van de daken op hun lage kelderachtige veestallen; geen kan beter wegsluipen uit een gestelde hinderlaag.

De menschen daar aan 't Löfvenmeer wisten weldra geen raad meer met hem. Den eenen bode na den anderen zenden ze naar de kavaliers, met verzoek, dat ze toch zullen komen en den beer dooden.

Dag aan dag, nacht op nacht, de heele maand Februari door, trekken nu de kavaliers naar 't boven Löfvenmeer om den beer te zoeken; maar hij vermijdt hen. Heeft hij de sluwheid van den vos geleerd en de snelheid van den wolf? Als ze op wacht liggen op een hoeve, dan teistert hij een naburige hoeve, en zoeken ze hem in 't bosch, dan vervolgt hij de boeren op het ijs. Hij is de brutaalste aller roovers geworden. Hij kruipt naar binnen op den zolder en likt moeders honingpotten leeg. Hij scheurt het paard weg voor vaders slee?

Maar langzamerhand begint men te begrijpen wat het voor een beer is en waarom Gösta niet op hem schieten kon. Akelig is 't om te zeggen, vreeselijk te gelooven; maar 't is geen gewone beer. Niemand kan er aan denken hem te vellen, die niet een zilvren kogel in zijn geweer heeft. Een kogel van zilver en klokkenmetaal, gegoten op een donderdagavond, met nieuwe maan op den kerktoren, zonder dat de predikant of de koster of eenig ander mensch 't weet. Die zou hem wel dooden; maar die is zoo makkelijk niet te krijgen.

Op Ekeby is een man, die meer dan iemand anders zich ergert over dit alles. Men begrijpt wel, dat dit Anders Fuchs, de berendooder is. Hij kan niet slapen en niet eten, zoo spijt het hem dat hij den grooten beer in Gurlita Klätt niet vellen kan. Eindelijk begrijpt hij ook, dat de beer alleen met een zilvren kogel geschoten kan worden.

De grimmige Majoor Anders Fuchs was geen mooi man. Hij had een zwaar lomp lichaam, een breed, rood gezicht met hangwangen en meer dan één onderkin. Stijf als een borstel zat de kleine zwarte knevel boven zijn dikke lippen en 't zwarte haar stond stijf en recht uit om zijn hoofd. Hij sprak weinig en at veel. Hij hoorde niet tot hen, die de vrouwen met zoeten lach en open armen te gemoet komen en hij zond haar ook geen vriendelijke blikken toe. Men geloofde niet, dat er een vrouw was met wie hij 't eens zou kunnen worden en alles wat op dweperij en liefde leek, was hem vreemd.

't Is een donderdagavond; de maan is juist twee vingers breed en blijft een paar uur boven den horizont na zonsondergang. De Majoor gaat heen van Ekeby zonder te zeggen wat hij van plan is. Hij heeft vuursteen en staal en kogelvormen in zijn jachttasch, 't geweer op den rug. Hij gaat naar de kerk van Bro om zijn geluk te beproeven.

De kerk ligt op 't oostelijke strand van de smalle straat tusschen 't boven en beneden Löfvenmeer en de Majoor moest over de brug om daar te komen.

Hij gaat dus diep in gedachten daarheen zonder naar den Brobyheuvel op te zien, waar de huizen zich scherp afteekenen tegen den helderen avondhemel, of tegen Gurlita Klätt die zijn ronden top in 't avondrood opheft. Hij kijkt naar den grond en peinst er over, hoe hij den sleutel zal krijgen, zonder dat iemand het weet.

Toen hij bij de brug komt, hoort hij iemand zóó wanhopig schreeuwen, dat hij wel opkijken moet.

In dien tijd was de kleine Duitscher Faber organist in Bro. Hij was een mager klein kereltje, en niet veel waard. En de koster was Jan Larsson, een flinke boer maar arm, want de predikant van Broby had hem zijn vaderlijk erfdeel afhandig gemaakt,--volle vijfhonderd rijksdaalders.

De koster wil met de zuster van den organist trouwen, met de kleine, fijne juffrouw Faber; maar de organist wil het niet hebben en daarom waren die twee mannen geen vrienden. Dezen avond is de koster den organist op de brug tegengekomen en is recht op hem toegevlogen. Hij pakt hem bij de borst, en houdt hem met gestrekten arm over de leuning en zweert bij hoog en laag, dat hij hem in 't water zal gooien, als hij hem niet de kleine, fijne jonge dame wil geven.

Het Duitschertje wil toch niet toegeven; hij spartelt en schreeuwt en zegt aldoor: "neen!" hoewel hij onder zich 't donkre water door de witte ijsschotsen ziet schijnen.

"Neen, neen," schreeuwt hij. "Neen! neen!"

En 't is niet zeker dat de koster in zijn toorn hem niet naar beneden had laten dansen in 't koude, donkre water, als niet juist toen Majoor Fuchs over de brug was gekomen. Toen werd de koster bang, zette Faber op vasten grond en liep weg zoo hard hij kon.

De kleine Faber valt nu den Majoor om den hals en dankt hem, omdat hij zijn leven heeft gered; maar de Majoor schudt hem af en zegt, dat het niet de moeite waard is om voor te bedanken. De Majoor houdt niet van de Duitschers sinds hij te Putbus op Rügen ingekwartierd is geweest, in den oorlog met Pommeren.