Part 4
Maar hij is razend; zijn gerimpeld voorhoofd, zijn grove gebalde vuisten jagen allen schrik aan. Gasten en bedienden beven, en durven hem niet aanraken. Wie zou het wagen, nu de woede zijn verstand verbijsterd heeft?
Hij staat vlak over de Majoorske en dreigt haar met de vuist:
"Ik smeet de kraaien tegen den muur. Had ik daar het recht niet toe?"
"De deur uit, kapitein!"
"Leelijk wijf! Kristiaan Bergh kraaien voor te zetten! Als ik je gaf wat je verdiende, dan nam ik jou en je zeven duivelsche bergwerken...."
"Duizend duivels! Vloek niet, Kristiaan Bergh. Hier mag niemand vloeken dan ik!"
"Meen je, dat ik bang voor je ben, jou heks? Meen je, dat ik niet weet waar je je zeven bergwerken vandaan hebt?"
"Zwijg, kapitein!"
"Toen Altringer stierf, gaf hij ze aan je man, omdat jij zijn liefje geweest was."
"Zwijg!"
"Omdat je zoo'n trouwe huisvrouw waart, Margaretha Samzelius. En de Majoor nam de zeven bergwerken aan en liet ze door jou besturen en deed alsof hij niets wist. En de Satan heeft dat alles bestuurd, maar nu zal 't met je gedaan zijn."
De Majoorske zinkt op haar stoel terug. Ze is bleek en beeft. En dan bevestigt ze zijn woorden met een wonderlijke zachte stem; "Ja nu is 't met me gedaan, en dat is jouw werk, Kristiaan Bergh."
Bij dien toon beeft de sterke kapitein; zijn gezicht wordt vertrokken, en de tranen van angst komen hem in de oogen.
"Ik ben dronken!" roept hij uit; "ik weet niet wat ik zeg; ik heb niets gezegd! Een hond en een slaaf--niets anders ben ik veertig jaar lang voor haar geweest. Zij is Margaretha Celsing, die ik levenslang gediend heb. Ik zeg niets kwaads van haar. Hoe zou ik iets van de mooie Margaretha Celsing kunnen zeggen! Ik ben een hond, die haar deur bewaak, een slaaf, die haar lasten draag. Zij mag mij schoppen en slaan; ik zwijg en verdraag. Ik heb haar veertig jaar lang liefgehad. Hoe zou ik nu van haar iets kwaads kunnen zeggen!"
En wonderlijk is het te zien, hoe hij zich op de knieën werpt en haar om vergeving smeekt, en omdat ze aan den anderen kant van de tafel zit, sleept hij zich op de knieën naar haar toe, buigt zich neer en kust den zoom van haar kleed, terwijl zijn tranen op den vloer vallen.
Maar niet ver van de Majoorske zit een kleine, stevige man. Hij heeft stoppelig haar, kleine, schuinstaande oogen en een groote onderkaak. Hij lijkt op een beer. Hij spreekt weinig, gaat liefst zijn eigen wegen en laat de wereld haar gang gaan. Dat is Majoor Samzelius.
Hij staat op, zoodra hij de laatste woorden van den kapitein hoort. En de Majoorske staat op, en al de vijftig gasten; de vrouwen schreien van angst voor wat nu volgen zal, de mannen staan vervaard, en aan de voeten van de Majoorske ligt Kaptein Kristiaan en kust den zoom van haar kleed, terwijl zijn tranen op den vloer vallen.
De breede, met haar begroeide handen van den Majoor ballen zich; hij heft den arm op.
Maar zij spreekt eerst. Er is een doffe, ongewone klank in haar stem. "Je hebt mij gestolen!" barst ze uit. "Je kwam als een roover en nam me weg. Ze hebben me thuis gedwongen met stompen en slaan, met honger en booze woorden, om je vrouw te worden. Ik heb tegenover je gehandeld zooals je verdiende.
"Een levende paling kromt zich onder het mes; een vrouw, die tot een huwelijk gedwongen wordt, neemt een minnaar. Wil je me nu slaan, om wat voor twintig jaar gebeurd is? Waarom sloeg je me toen niet? Ben je vergeten, dat hij op Ekeby woonde, en wij op Sjö? Weet je niet hoe hij ons hielp in onze armoede? Wij reden in zijn wagen, wij dronken zijn wijn. Hebben we ooit iets voor je verborgen? Waren niet zijn knechten jouw knechten? Vulde zijn goud niet jouw zak? Heb je zijn zeven bergwerken niet aangenomen? Toen zweeg je en nam alles aan. Toen hadt je me moeten slaan, Bernt Samzelius, toen hadt je me moeten slaan."
De man keert zich van haar af en ziet de aanwezigen aan. Hij leest op hun gezichten, dat zij haar gelijk geven; dat ze allen geloofd hebben, dat hij dat alles aangenomen heeft als loon voor zijn zwijgen.
"Ik wist het niet," zegt hij stampvoetend.
"Dan is 't goed, dat je het nu weet," valt zij hem in de rede, met snijdende stem. "Ik was bang dat je sterven zoudt, zonder het te hooren; 't is goed, dat je 't nu weet, dat ik vrij met je spreken kan, mijn meester en cipier! Weet 't dan nu, dat ik hem toch heb toebehoord, hem, van wien jij me gestolen hadt! Laat allen 't weten, die me belasterd hebben."
't Is de oude liefde, die jubelt in de stem der Majoorske, die straalt uit haar oogen. Zij ziet haar man voor zich, met omhoog geheven, gebalde vuist; schrik en verachting leest ze op al die gezichten om zich heen. Ze voelt, dat het laatste uur van haar macht geslagen is, maar ze kan toch niet laten er in te genieten, dat ze vrij spreken kan over de schoonste herinnering van haar leven.
"Hij was een man, een heerlijk man! Wie was jij, die zich durfde zetten tusschen hem en mij? Nooit heb ik zijns gelijke gezien: hij gaf me geluk: Geluk en schatten! Gezegend zij zijn nagedachtenis!"
Daar laat de Majoor zijn arm zinken, zonder te slaan. Nu weet hij, hoe hij haar straffen moet.
"Weg!" brult hij, "weg uit mijn huis!"
Zij staat versteend.
En de kavaliers staan bleek en zwijgend elkaar aan te staren. Nu komt immers alles uit, zooals de Booze 't voorspeld heeft. Nu zien ze er de gevolgen van, dat de Majoorske haar contract dit jaar niet heeft kunnen vernieuwen. Als dit nu waar is, dan is 't zeker ook wel waar, dat ze meer dan twintig jaar lang kavaliers naar de hel heeft gezonden, en dat zij allen voor dezelfde reis bestemd waren. O, die heks!
"Weg met jou," gaat de Majoor voort. "Bedel je brood langs den weg. Je zult niet langer pleizier van zijn geld hebben; je zult op zijn goed niet wonen; nu hebben we afgerekend met de Majoorske op Ekeby. Als je ooit weer je voet in mijn huis zet, sla ik je dood."
"Wil je mij uit mijn huis jagen?"
"Je hebt geen huis. Ekeby behoort mij!"
Nu ontzinkt der Majoorske de moed. Ze wijkt achteruit tot de deur, en hij volgt haar op den voet.
"Je hebt me levenslang ongelukkig gemaakt," klaagt zij; "zul je nu ook nog de macht hebben mij dit aan te doen?"
"Weg met jou!"
Zij leunt tegen den deurpost en bedekt haar gezicht met de gevouwen handen. Zij denkt aan haar moeder en mompelt: "je zult verloochend worden, zooals je nu mij verloochent; moge de straatweg je thuis, de wegkant je bed zijn. Dus moest het toch zoo gebeuren....!"
De goede oude predikant te Bro en de rechter te Munkerud gaan naar den Majoor toe en trachten hem te kalmeeren. Ze zeggen hem, dat 't beste is die oude historie nu te laten rusten, alles te laten zooals het is, te vergeten en te vergeven. Maar hij schudt hun handen van zijn schouders. Hij is verschrikkelijk in zijn toorn, zooals voor een oogenblik Kristiaan Bergh.
"Het is een oude historie!" roept hij. "Ik wist van niets vóór vandaag. Ik heb de echtbreekster niet eerder kunnen straffen."
Bij dat woord heft de Majoorske het hoofd en vat weer moed.
"Jij zult van hier, vóor ik ga! Meen je dat ik voor jou wijk," zegt ze. En zij gaat van de deur weg.
De Majoor antwoordt niet; maar hij volgt elke beweging, die zij maakt, met de oogen, gereed om toe te slaan, als ze zonder dat niet gaan wil.
"Helpt mij toch!" roept ze; "laat ons dien man binden en naar buiten brengen, tot hij zijn verstand teruggekregen heeft. Bedenkt toch wie ik ben en wie hij is. Bedenkt dit, eer ik voor hem moet wijken. Ik bestuur alles op Ekeby, en hij zit den heelen dag de beren te voeren in den berenkuil! Helpt mij toch, vrienden en geburen. Hier komt ellende zonder einde, als ik er niet meer ben. De boer leeft van 't houthakken in mijn bosschen en 't erts vervoeren uit mijn bergwerken, de kolenbrander door 't kolen leveren aan mij, de houtvlotter door 't halen van mijn houtvlotten. Ik ben 't, die den winst brengende arbeid geef. Meen jullie, dat hij daar mijn werk gaande kan houden? Ik zeg je: jaag jullie mij weg, dan haal je den hongersnood binnen."
Weer verheffen zich vele handen om de Majoorske te helpen; weer legt men vriendelijk de hand op den schouder van den Majoor.
"Neen," zegt hij, "ga weg! Wie wil de echtbreekster verdedigen? Ik zeg je, als ze niet vrijwillig gaat, neem ik haar op en draag haar naar den berenkuil beneden."
En bij die woorden zinken de helpende handen neer.
Nu, in haar uitersten nood, wendt zich de Majoorske naar de kavaliers.
"Zal jelui toestaan, dat ik uit mijn huis gejaagd word, kavaliers? Heb ik jelui ooit kou laten lijden in den winter, heb ik jelui ooit sterk bier en zoeten brandewijn geweigerd? Heb ik loon of werk van je verlangd, omdat ik jelui voedsel en kleeren gaf? Zijn jelui niet veilig in mijn huis geweest als kinderen bij hun moeder? Was niet vreugde en vroolijkheid je dagelijksch brood? Laat die man, die 't ongeluk van mijn leven was, mij toch niet uit mijn huis jagen, kavaliers! Laat mij geen bedelares langs den weg worden."
Gösta Berling buigt zich neer tot een mooi, donker meisje, dat aan de groote tafel heeft gezeten. "Je kwaamt veel op Borg voor vijf jaar, Anna," zegt hij zacht; "weet je of het de Majoorske was, die Ebba vertelde, dat ik een ontslagen predikant was?"
"Help de Majoorske, Gösta," is haar eenig antwoord.
"Je kunt wel begrijpen, dat ik eerst weten moet of zij me tot een moordenaar gemaakt heeft."
"Och, Gösta, wat zijn dat nu voor gedachten? Help haar, Gösta."
"Je wilt niet antwoorden, dat merk ik wel. Dan is 't wel waar wat Sintram zei."
En Gösta gaat naar de kavaliers terug, en steekt geen vinger uit om de Majoorske te helpen.
Och! had de Majoorske de kavaliers toch maar niet aan een aparte tafel in den hoek gezet! Nu zijn de gedachten van den vorigen nacht in hun hersens ontwaakt. Nu vonkelt er toorn in hun oogen, niet minder dan in die van den Majoor. Moet niet alles, wat zij zien, de visioenen van den nacht bevestigen?
"Je kunt wel merken, dat zij haar contract niet vernieuwd heeft," mompelden zij.
Neen, van die toornige, dreigende schare kan de Majoorske geen hulp verwachten. Weer wijkt zij naar de deur terug en heft de gevouwen handen tot voor haar gezicht. "Je zult verloochend worden zooals je mij verloochent," roept zij zichzelf toe in haar bittere smart. "Moge de straatweg je thuis, de wegkant je bed worden!"
Dan legt ze de eene hand op de deurklink en heft de andere omhoog:
"Zie toe, jullie allen, die mij nu afvalt. Zie toe, jullie tijd komt ook spoedig. Nu zul je verspreid worden, en je plaats zal leeg staan. Hoe zul je je staande houden, als ik niet meer steun? Jij, Melchior Sinclaire, met je ijzeren vuist, die je je vrouw laat voelen, neem je in acht! Predikant van Broby, nu komt je straf? Uggla, pas op je huis; de armoede komt! Jonge, mooie vrouwen daar, Elisabeth Dohna, Marianne Sinclaire, Anna Stjärnhök, meen niet, dat ik de eenige ben, die uit zijn huis verdreven zal worden. Neem je in acht, kavaliers, nu zal er een storm over 't land varen, nu is jullie tijd voorbij; waarachtig, hij is voorbij. Ik klaag niet om mijzelf, maar om jullie, want een storm zal losbarsten over je hoofd, en wie zal staan blijven, nu ik gevallen ben? Ach, mijn hart bloedt voor die arme, ellendige menschen. Wie zal ze werk geven, als ik weg ben!"
De Majoorske doet de deur open; maar nu heft kapitein Kristiaan het hoofd en zegt:
"Hoe lang moet ik aan je voeten leggen, Margaretha Celsing? Wil je mij niet vergeven, zoodat ik op kan staan en voor je strijden?"
De Majoorske strijdt een harden strijd met zichzelf; maar ze ziet, dat, als zij hem vergiffenis schenkt, hij opstaan zal en haar man aanvallen. En die mensch, die haar veertig jaar zoo trouw heeft liefgehad, zal een moordenaar worden.
"Moet ik nu ook nog vergeven?" zegt zij. "Heb je niet schuld aan al mijn ongeluk, Kristiaan Bergh? Ga naar de kavaliers terug, en verheug je over je werk."
Toen ging de Majoorske. Ze ging rustig heen, maar liet ontzetting achter. Ze viel; maar zelfs in haar vernedering was ze groot. Ze gaf zich niet over aan weekhartig treuren, maar jubelde nog in haar ouderdom over de liefde van haar jeugd. Ze klaagde en jammerde niet erbarmelijk, toen ze alles begreep. Ze deinsde er niet voor terug, met bedelstaf en zak door het land te gaan. Ze had alleen medelijden met de arme boeren en de vroolijke, zorgelooze menschen aan de oevers van het meer, met de arme kavaliers, met allen, die ze gesteund en beschermd had. Door allen werd zij verlaten, en toch had zij de kracht haar laatsten vriend van zich te stooten, om hem niet tot een moordenaar te maken.
Een merkwaardige vrouw was ze, groot van kracht en werklust. Haars gelijke zullen wij niet zoo gauw weer ontmoeten.
Den volgenden dag verliet de Majoor Ekeby, en verhuisde naar Sjö, dat dicht bij de groote ijzergroeven ligt. In Altringer's testament, waarin de zeven bergwerken aan den Majoor vermaakt waren, stond duidelijk, dat géen daarvan verkocht of weggegeven mocht worden, maar dat zij na den dood van den Majoor het erfdeel van zijn vrouw of haar erfgenamen zouden zijn. Hij kon dus dat gehate erfstuk niet kwijt worden; maar hij stelde de kavaliers als heerschers daarover aan, overtuigd, dat hij daardoor Ekeby en de zes andere bergwerken de grootst mogelijke schade deed.
Daar nu niemand in het land er aan twijfelde, dat de booze Sintram de handlanger van den duivel was, en omdat alles, wat hij hun beloofd had, zoo schitterend was uitgekomen, waren de kavaliers overtuigd, dat het contract tot op de laatste letter zou gelden, en zij namen zich vast voor, zich het heele jaar als ware kavaliers te gedragen, d. w. z. "niets verstandigs, nuttigs of oudewijfachtigs uit te voeren;" en ze waren er nu zeker van, dat de Majoorske een booze heks was, die hen in het verderf had willen storten.
De oude Eberhard, de philosoof, stak hierom den gek met hen; maar wie gaf er nu iets om wat hij zei? Hij was zóó verhard, dat hij, al lag hij ook in helsche vlammen, terwijl al de duivels er bij stonden en tegen hem grijnsden, toch beweerd zou hebben, dat ze niet bestonden, omdat ze niet kònden bestaan, want Eberhard was een groot philosoof.
Gösta Berling zei tegen niemand wat hij dacht. Maar dit is zeker, dat hij niet meende der Majoorske dank verschuldigd te zijn, omdat zij hem tot kavalier op Ekeby gemaakt had. Hij vond, dat 't beter voor hem geweest was dood te zijn, dan te leven met de bewustheid, schuld te hebben aan Ebba Dohna's zelfmoord. Hij verhief zijn hand niet om zich op de Majoorske te wreken, maar ook niet om haar te helpen. Dat kon hij niet.
Maar de kavaliers waren tot groote macht en heerlijkheid gekomen. De Kerstweek stond voor de deur met haar feesten en genoegens. Hun harten waren vol vreugd--en wat smart ook Gösta Berling drukken mocht, hij spreidde die niet op 't gelaat of op de lippen ten toon.
III.
GÖSTA BERLING, DE DICHTER.
't Was Kerstfeest en er zou een bal gegeven worden op Borg.
In die dagen woonde een jonge graaf Dohna op Borg; hij was pas getrouwd en had een jonge, schoone vrouw. 't Zou vroolijk toegaan op het oude grafelijke goed.
Ook naar Ekeby was een uitnoodiging gezonden; maar het bleek, dat van allen, die er dit jaar 't Kerstfeest vierden, Gösta Berling, "de dichter," zooals ze hem noemden, de eenige was, die lust had er heen te gaan. Borg en Ekeby liggen beide aan het lange Löfvenmeer, maar elk aan een anderen kant. Borg ligt in Svartsjö en Ekeby in Bro. Als het meer toegevroren is, moet men een paar mijl rijden, om van Ekeby naar Borg te komen.
De arme Gösta Berling werd voor dit feest uitgerust door de oude heeren, alsof hij een koningszoon was en de eer van zijn rijk moest ophouden. Nieuw was zijn kleed met de blinkende knoopen, stijf waren de kanten kraag en lubben, en glimmend was zijn lederen schoeisel. Hij kreeg een pels van het fijnste bevervel en een bonten muts op de blonde krullende haren. Zij spreidden een berenvel met zilveren klauwen over de sleede en gaven hem den zwarten Don Juan, den trots van den stal, om er voor te spannen. Hij floot zijn hond, den witten Tancred, en greep de gevlochten teugels. Jubelend reed hij weg, door rijkdom en pracht omgeven, hij, die toch al zonder dat straalde van schoonheid en tintelde van geest.
Hij reed weg in den voormiddag. Het was Zondag, en hij hoorde psalmgezang uit de kerk te Bro, toen hij er voorbij reed. Daarop koos hij den eenzamen boschweg, die naar Berga leidde, waar kapitein Uggla toen woonde en waar hij wilde gaan eten.
Berga was niet het huis van een rijk man. De honger wist den weg naar de met zoden gedekte woning van den kapitein; maar die werd met scherts ontvangen, met zang en spel vermaakt, zooals de andere gasten, en vertrok even ongaarne als zij.
De oude juffrouw Ulrika Dillner, zij, die voor het koken en weven zorgde op het goed Berga, stond op de stoep en heette Gösta Berling welkom. Zij boog voor hem, en de valsche krullen, die over haar bruin, gerimpeld gezicht hingen, dansten van vreugde. Zij bracht hem in de groote zaal en begon te vertellen van de lieden op de hoeve en hun wisselvallig lot.
De zorg stond voor de deur, zeide zij. 't Waren moeilijke tijden op Berga. Zij hadden niet eens mierikwortel bij het zoute vleesch voor dien middag; maar Ferdinand en de meisjes hadden Disa voor de slee gespannen en waren naar Munkerud gereden, om wat te leenen. De kapitein was in het bosch en zou wel met een taaien haas terugkomen, die meer aan braadboter kostte, dan hij zelf waard was. Dat noemde hij "voor den pot zorgen." Maar dat kon er nog door, als hij maar niet met een ellendigen vos thuiskwam, 't ongelukkigste dier, dat Onze Lieve Heer geschapen heeft, even onbruikbaar of hij dood of levend is.
En de genadige vrouw? Ja, zij was nog niet opgestaan. Zij lag romans te lezen, zooals ze iederen dag deed. Zij was niet geschapen om te werken, die engel.
Neen, dat moesten de ouden en grijzen doen, dag en nacht door 't huis draven, om den boel bij elkaar te houden. En dat was niet altijd gemakkelijk. Zooveel was zeker, dat ze den heelen winter geen andere vleeschspijze gehad hadden dan een berenham. Een groot loon verwachtte ze niet; tot nu toe had ze 't nog niet gezien; maar ze zouden haar ook niet op straat zetten, als ze niet meer werken kon. Ze rekenden een huishoudster ook voor een mensch daar in huis, en zouden de oude Ulrika wel een behoorlijke begrafenis geven, als ze ten minste iets hadden, om haar een kist te koopen.
"Want hoe moet het toch gaan?" riep ze uit en droogde haar oogen, die telkens vol tranen schoten, "wij hebben schuld aan den boozen Sintram, en hij kan ons alles afnemen. Nu is Ferdinand wel verloofd met de rijke Anna Stjärnhök, maar hij verveelt haar. Hij verveelt haar! En wat zal er dan van ons worden met onze drie koeien en onze negen paarden, met onze lieve, vroolijke jonge dames, die van 't eene bal naar 't andere willen, met onze dorre akkers, waar niets groeit, met onzen besten Ferdinand, die nooit een man wordt! Wat moet er worden van dit heele gezegende huis, waar alles tiert--behalve arbeid!"
Maar toen het middag werd, kwamen de huisgenooten bijeen. De beste Ferdinand, de zoon des huizes, en de vroolijke dochters kwamen thuis met de geleende mierikwortel. De kapitein kwam, opgefrischt door een bad in een wak in het meer en een jacht in het bosch. Hij gooide een venster open, om lucht te krijgen, en gaf Gösta een manlijken handdruk. En de genadige vrouw kwam, in zij gekleed, met breede kanten over de witte handen, die Gösta kussen mocht.
Allen begroetten Gösta met vreugde; met hem kwam de scherts in hun kring. Vroolijk vroegen ze hem: "Hoe gaat het op Ekeby, hoe leeft ge daar in het beloofde land?"
"Daar vloeien melk en honig," antwoordde hij. "Wij halen 't ijzer uit de bergen en vullen onze kelders met wijn. De akkers brengen goud voort; daarmeê vergulden we 's levens ellende, en we houwen onze bosschen om, om kegelbanen en prieelen te bouwen."
Maar de genadige vrouw zuchte en glimlachte bij dat antwoord, en over haar lippen kwam maar één woord: "dichter!"
"Veel zonden heb ik op mijn geweten," antwoordde Gösta, "maar nooit heb ik een regel poëzie geschreven."
"Toch ben je een dichter, Gösta; dien naam moet je voor lief nemen. Je hebt meer gedichten beleefd dan onze dichters geschreven hebben."
Later sprak de genadige vrouw zacht en vriendelijk als een moeder met hem over zijn misbruikt leven. "Ik zal 't nog wel beleven, dat je een man wordt," zei ze. En hem scheen 't toe, dat 't hem goed deed vermaand te worden door die vriendelijke vrouw, die zoo trouw een vriendin voor hem was en wier groot, sterk hart een zoo vurige liefde koesterde voor groote daden.
Maar toen zij den vroolijken maaltijd geëindigd hadden, toen zij 't vleesch met mierikwortel, de kool en de wafels gegeten en 't kerstbier gedronken hadden, toen Gösta hen had doen lachen en schreien, door hun van den majoor en zijn vrouw en den predikant van Broby te vertellen, hoorden zij sleêbellen voor de deur, en onmiddellijk daarna trad de booze Sintram binnen.
Hij straalde van genoegen, van zijn kalen kop tot zijn lange, breede voeten. Hij slingerde zijn lange armen en trok gezichten. 't Was duidelijk, dat hij slechte berichten kwam brengen.
"Heb je 't gehoord?" vroeg de Booze; "heb je 't gehoord, dat vandaag voor 't eerst het huwelijk van Anna Stjärnhök en den rijken Dahlberg in de kerk te Svartsjö is afgekondigd? Ze heeft zeker vergeten, dat ze met Ferdinand verloofd is."
Zij wisten er geen woord van. Ze waren verbaasd en bedroefd.
En zij zagen hun huis al geplunderd voor hun schuld aan dien boozen man, hun geliefde paarden verkocht, en hun versleten meubels, een erfenis uit het huis van de genadige vrouw. Zij zagen het eind van hun vroolijk leven met feesten en bals. De berenham zou weer op tafel komen, en de jongeren zouden onder vreemden moeten gaan. De moeder liefkoosde haar zoon, en gaf hem den troost van haar onveranderlijke liefde.
Maar--in hun midden zat Gösta Berling, en de onoverwinlijke maakte duizend plannen.
"Hoor," riep hij uit, "nog is 't geen tijd van klagen! 't Is de dominé's-vrouw van Svartsjö, die dit tot stand heeft gebracht. Zij is het die Anna bewogen heeft Ferdinand te verlaten en den ouden Dahlberg te nemen. Maar ze zijn nog niet getrouwd en zullen 't nooit worden. Nu ga ik naar Borg, en daar ontmoet ik Anna. Ik zal met haar spreken, ik zal ze weghalen van de dominé's-familie, van haar bruidegom. Ik zal ze van avond mee hierheen nemen, dan zal de oude Dahlberg tenminste geen pleizier van haar hebben."
Zoo werd afgesproken. Gösta reed alleen naar Borg, zonder éen van de vroolijke meisjes naar 't bal te nemen; maar de vurige wenschen van de achterblijvenden volgden hem. En Sintram, die er in juichte, dat de oude Dahlberg bedrogen zou worden, besloot op Berga te blijven, om Gösta met de trouwelooze te zien terugkeeren. In een aanval van vriendelijkheid wikkelde hij hem zelfs in zijn groene reissjaal.
De genadige vrouw kwam naar buiten op de stoep met drie kleine boekjes, rood gebonden, in de hand.
"Neem die," zeide ze tegen Gösta, "en houd ze, als je niet slaagt. 't Is Corinna, van Mevrouw de Staël; ik wil niet dat ze mee verkocht zullen worden."
"Ik slaag altijd."
"Ach, Gösta, Gösta," antwoordde ze, en streek met de hand over zijn ontbloot hoofd, "sterkste en zwakste onder de menschen! Hoe lang zul je 't onthouden, dat 't geluk van een paar arme menschen in je hand ligt!"
Weer stoof Gösta voort over den weg, door den zwarten Don Juan getrokken, door den witten Tancred gevolgd, en de vreugd van het avontuur vervulde zijne ziel. Als een jonge veroveraar voelde hij zich, de geest was vaardig over hem. Zijn weg ging langs de pastorie van Svartsjö. Hij reed er binnen en vroeg of hij Anna Stjärnhök naar 't bal mocht rijden. En dat mocht hij. Een mooi, eigenzinnig jong meisje kwam bij hem in de slee. Wie zou niet graag met den zwarten Don Juan willen rijden!
Eerst zwegen de jongelieden; maar zij begon het gesprek, trotsch en overmoedig,
"Heb je gehoord, Gösta, wat de dominé vandaag voorgelezen heeft?"