Part 30
Als de stoet Helgesaeter nadert, is daar alles stil en verlaten. En weer slaat de overste met zijn vuisten op de gesloten deur. Alle bedienden zijn op de markt. De kapiteinsvrouw is alleen thuis en bewaakt het huis. En nu ook doet zij de deur open.
En ze vraagt,--zooals ze al eens te voren vroeg: "Wat wilt gij?"
En de overste antwoordt,--zooals hij al eens te voren geantwoord heeft:
"Wij zijn hier met uw man."
Zij ziet hem aan. Hij staat daar stijf en rustig als altijd. Ze ziet naar de dragers achter hem, die schreien en naar heel die menschenmassa daar achter. Ze staat daar op de trap en ziet in honderden schreiende oogen, die angstig naar haar opzien. Eindelijk ziet ze haar man, die op de baar uitgestrekt ligt en drukt de hand tegen haar hart.
"Dat is zijn eigen gezicht!" mompelde zij. Zonder meer te vragen, buigt ze zich neer, trekt een grendel weg, slaat de vestibule-deur wijd open, en gaat de anderen voor naar de slaapkamer.
De overste helpt haar 't groote ledikant naar voren trekken, bed en kussens schudden, en zoo wordt kapitein Lennart weer op zacht dons en wit linnen gelegd.
"Leeft hij nog?" vraagt ze.
"Ja," antwoordt de overste.
"Is er nog hoop?"
"Neen, er is niets aan te doen."
't Blijft een poos stil in de kamer;--dan komt plotseling een gedachte in haar op:
"Schreien die allen om hem?"
"Ja."
"Wat heeft hij dan gedaan?"
"'t Laatste wat hij deed was zich dood te laten slaan, om vrouwen en kinderen van den dood te redden."
Zij zit weer een poos stil en denkt na.
"Wat had hij toch voor een gezicht, overste, toen hij twee maanden geleden thuiskwam?"
De overste springt achteruit. Nu begrijpt hij alles, nu eerst!
"Gösta had hem immers geschilderd!"
"Was het dan om een streek van de kavaliers, dat ik hem buiten zijn huis gesloten heb? Hoe wil jelui dat verantwoorden, overste?"
Beerencreutz haalde de breede schouders op.
"Ik heb veel te verantwoorden."
"Maar ik geloof, dat dit het ergste is wat je gedaan hebt."
"Ik heb ook nooit zwaarder gang gedaan dan vandaag naar Helgesaeter. En dan ook--hier hebben nog twee anderen ook schuld aan, behalve wij."
"Wie dan?"
"Sintram is de eene en u is de andre, nicht! U is een strenge vrouw. Ik weet, dat velen beproefd hebben met u over uw man te spreken."
"Dat is waar," antwoordt zij.
Toen vroeg ze hem, haar alles van dat drinkgelag in Broby te vertellen.
Hij vertelt alles, zoo goed als hij 't zich herinneren kan. Zij luistert zwijgend. Kapitein Lennart ligt nog altijd bewusteloos op het bed. De kamer is vol schreiende menschen; niemand denkt er aan die bedroefde schare te verwijderen. Alle deuren staan open, alle kamers, trappen en gangen zijn vol zwijgende, angstige menschen, tot ver buiten op den weg staan ze op elkaar gepakt.
Toen de overste alles verteld heeft, verheft de kapiteinsvrouw haar stem:
"Als hier kavaliers in de kamer zijn, verzoek ik ze heen te gaan. 't Valt mij zwaar hen te zien, nu ik bij het sterfbed van mijn man zit."
Zonder een woord meer te spreken staat de overste op en gaat heen. Zoo doen ook Gösta Berling en de andere kavaliers, die kapitein Lennart gevolgd zijn. Schuw wijken de menschen op zij voor die kleine schare verootmoedigde mannen.
Als ze weg zijn, zegt de kapiteinsvrouw: "Wil iemand van hen, die mijn man in dezen tijd gekend hebben, mij zeggen waar hij geweest is en wat hij gedaan heeft?"
En nu beginnen zij daar binnen getuigenis af te leggen over kapitein Lennart voor zijn vrouw, die hem miskend heeft en in strengheid haar hart tegen hem verhardde. Nu luidt weer de taal der oude hymnen. Daar spreken mannen, die nooit een ander boek dan den bijbel gelezen hebben. Met beeldspraak uit het boek Job, met zinswendingen uit de dagen der patriarchen, spreken zij over Gods gezant, die rondging om het volk te helpen.
't Duurt lang eer ze uitgesproken hebben. Terwijl de schemering komt en de avond valt, staan ze daar nog en getuigen! De een na de ander treedt vooruit en vertelt van hem aan zijn vrouw, die zijn naam niet heeft willen hooren noemen.
Er zijn er, die vertellen hoe hij hen op 't ziekbed gevonden heeft en verzorgd. Daar zijn wilde vechtersbazen, die hij getemd heeft, bedroefden, die hij heeft getroost, dronkaards, die hij heeft geleerd nuchter te blijven. Ieder die ondragelijk leed te verduren had, heeft den gezant Gods geroepen en hij kon helpen, ten minste hoop en geloof wekken.
Heel dien avond klonk de taal der hymnen in de ziekenkamer.
Buiten op de hoeve staat de dichte schare en wacht op 't eind. Zij weten wat daar binnen gebeurt. Wat aan 't ziekbed gesproken wordt, fluistert de een den ander toe. Wie wat te zeggen heeft dringt zachtjes vooruit. "Daar is een die getuigen kan," zeggen de anderen, en laten hem door. En zij treden te voorschijn uit het duister, leggen hun getuigenis af en treden weer in 't duister terug.
"Wat zegt zij nu?" vragen zij, die buiten staan als iemand naar buiten komt. "Wat zegt zij nu, de strenge vrouw van Helgesaeter.
"Zij straalt als een koningin. Zij glimlacht als een bruid! Zij heeft zijn leuningstoel voor 't bed gezet en de kleederen er op gelegd, die ze zelf voor hem geweven heeft."
Plotseling wordt het stil. Allen zwijgen. Niemand zegt het; maar allen weten het: "hij sterft."
Kapitein Lennart slaat de oogen op, ziet rond en ziet genoeg.
Hij ziet zijn huis, de menschen, zijn vrouw en kinderen, de nieuwe kleeren.... en glimlacht! Maar hij kwam alleen bij om te sterven. Hij haalt diep adem en geeft den geest.
Dan zwijgen de getuigen; maar een stem heft den doodpsalm aan. Allen stemmen in. En gedragen door honderden sterke stemmen stijgt het lied omhoog. 't Is de afscheidsgroet van de aarde aan de scheidende ziel.
XXXIII.
DE KLEINE HOEVE IN 'T BOSCH.
't Was lang vóór 't jaar, waarin de kavaliers Ekeby bestuurden.
De herdersjongen en 't herderinnetje speelden samen in 't bosch, bouwden huizen van steenen, plukten boschbessen en maakten herdersfluitjes. Beiden waren in 't bosch geboren. 't Woud was hun tehuis en hun zomerweide. Zij leefden er in vrede met hun omgeving, zooals men in vrede leeft met zijn bedienden en huisdieren.
De kinders noemden de los en de vos hun hofhonden, de wezel hun kat; hazen en eekhorens maakten hun veestapel uit. Uilen en korhoenders zaten in hun vogelkooi; de dennen waren hun dienaars en de jonge berken gasten op hun feesten. Zij kenden de holen wel, waar de adder lag ineengekruld voor den winterslaap en als zij baadden, zagen zij de ringslang door 't klare water aankomen; maar zij waren voor slangen en kabouters niet bang. Die hoorden nu eenmaal in 't bosch en daar voelden zij zich tehuis. Daar waren zij nergens bang voor.
Diep in 't bosch lag het huisje, waar de jongen woonde. Een boschweg leidde over heuvels daarheen; bergen stonden er om heen en sloten de zon buiten; bodemlooze moerassen lagen in de nabijheid en zonden 't heele jaar ijskoude dampen uit. Weinig bekoorlijk was zulk een woonplaats voor stedelingen.
De herdersjongen en 't herderinnetje zouden eenmaal trouwen, daar op die kleine hoeve wonen en van hun handenwerk leven. Maar eer ze trouwden, kwam de ellende van den oorlog over 't land en de jongen werd soldaat. Hij kwam heelhuids en ongedeerd terug, maar zijn ziel behield een lidteeken door dien tocht. Al te veel van het kwaad der wereld en der menschen wreedheid had hij gezien. Hij was niet meer in staat het goede te vinden.
In 't begin merkte niemand eenige verandering aan hem. Hij ging met zijn meisje naar den predikant en hun huwelijk werd ingezegend. De kleine hoeve in 't bosch bij Ekeby werd hun tehuis, zooals zij al lang geleden afspraken, maar in dat huisje vonden zij het geluk niet.
De vrouw liep daar rond en zag haar man als een vreemde aan. Sinds hij uit den oorlog teruggekomen was, herkende ze hem niet meer. Ze lachte hard en luid en sprak weinig. Ze was bang voor hem.
Hij deed niemand kwaad en was een vlijtig werkman. Toch was hij niet bemind, want hij geloofde van ieder kwaad. Zelf voelde hij zich als een gehate vreemdeling. Nu waren de dieren in 't bosch zijn vijanden. De berg, die de zon verborg en 't moeras, dat dampen uitzond waren zijn tegenstanders.--'t Bosch is een gevaarlijke woonplaats voor hem, die booze gedachten in zich omdraagt.
Wie in de wildernis wonen wil, verwerve zich vriendelijke herinneringen. Anders ziet hij enkel moord en verdrukking bij planten en dieren, zooals hij die vroeger onder de menschen zag. Hij verwacht kwaad van allen, die hij ontmoet.
Jan Hök, de soldaat kon zelf niet verklaren wat hem scheelde. Hij voelde alleen, dat niets hem goed ging. Zijn tehuis bood hem geen vrede. Zijn zonen die daar opgroeiden werden sterk, maar woest. Geharde en moedige mannen werden het; maar ook zij leefden in oneenigheid met allen.
Zijn vrouw begon in haar verdriet de geheimen van de wildernis te bespieden. In 't moeras en 't kreupelbosch zocht zij heelende kruiden. Zij peinsde over 't doen en laten der onderaardsche machten en zij wist welk offer hun welgevallig was. Zij kon ziekten genezen en hun, die door liefde leden, goeden raad geven. Zij kreeg de naam van een heks te zijn, en men schuwde haar, hoewel zij veel menschen tot groot nut was.
Eens begon de vrouw tegen haar man over haar kommer te spreken:
"Sinds je naar den oorlog ging," zei ze, "ben je heelemaal veranderd. Wat hebben ze je daar toch gedaan?"
Maar hij stoof op en had haar bijna geslagen, en zoo ging het ieder keer, als zij over den oorlog sprak. Dan werd hij bijna waanzinnig van drift. Van niemand kon hij het woord "oorlog" hooren; spoedig werd het bekend, dat hij niet kon verdragen, dat men daarvan sprak, en dus vermeden de menschen dit onderwerp.
Maar geen van zijn kameraden wist er iets van, dat hij meer kwaad zou gedaan hebben dan anderen. Hij had gevochten als een goed soldaat. 't Was alleen al dat vreeselijke wat hij gezien had, dat hem zóó verschrikt had, dat hij sinds dien tijd niets anders zien kon. Aan den oorlog had hij al zijn verdriet te danken. Hij meende dat heel de natuur hem haatte, omdat hij aan zulke dingen had meêgedaan. Zij, die ontwikkelder zijn, kunnen zich troosten met de gedachte, dat zij voor hun vaderland en hun eer streden. Maar wat wist hij daarvan? Hij voelde alleen, dat alles hem haten moest, omdat hij bloed vergoten had en anderen geschaad.
In den tijd, dat de Majoorske van Ekeby verdreven werd, woonde hij alleen in zijn huisje. Zijn vrouw was dood en zijn zonen heengegaan. Maar op markttijden was toch zijn kamer vol gasten. Zwartharige, donkergekleurde landloopers kwamen daar binnen. Zij voelen zich 't meest op hun plaats bij hen, die de menschen schuwen. Kleine, langharige paardjes klauteren 't boschpad op, en trekken karretjes met vertinde pannen, met kinderen en hoopen vodden. Vrouwen, oud vóór hun tijd, met gezichten door rooken en drinken opgezwollen, en mannen met bleeke, scherpe gezichten en gespierde lichamen volgen de karren. Als de landloopers aan de kleine hoeve komen, begint daar een vroolijk leven. Brandewijn en kaartspel en vreugdegedruisch brengen ze mee. En ze spreken van dieverijen en paardenhandel en van bloedige vechtpartijen weten ze te vertellen.
Op Vrijdag begon de jaarmarkt in Broby en toen werd kapitein Lennart gedood. Sterke Mons, die den doodelijken slag toebracht, was de zoon van den grijsaard in de boschhut. Toen dus de landloopers Zondagmiddag daar bijeenzaten, reikten ze Jan Hök de brandewijnflesch vaker dan gewoonlijk en spraken met hem over 't leven in de gevangenis, over gevangeniskost en huisonderzoek, want dat alles kenden zij bij ondervinding.
De oude zat op het aambeeld in 't hoekje bij den haard en sprak weinig. Zijn groote, glanslooze oogen staarden heen over dien wilden troep in de kamer. De schemering was gevallen, maar 't turfvuur gaf licht.
Lompen, ellende en nood verlichtte het!
Heel zacht werd de deur geopend en twee vrouwen traden binnen, 't Was de jonge gravin Elisabeth, gevolgd door de dochter van den predikant van Broby.
Wonderlijk scheen zij den oude toe, toen zij beminlijk en stralend in haar liefelijke schoonheid in den lichtkring van 't vuur trad. Zij vertelde hun, dat Gösta Berling sinds den dood van kapitein Lennart niet meer op Ekeby gezien was. Zij en haar dienstmeisje hadden in 't bosch heen en weer geloopen en hem dien heelen middag gezocht. Nu zag zij, dat hier binnen mannen waren, die veel gezworven hadden en alle paden kenden. Hadden zij hem gezien? Zij was hier gekomen om wat te rusten en te vragen of zij hem gezien hadden.
't Was vruchteloos vragen. Niemand van hen had hem gezien.
Zij boden haar een stoel. Zij zonk er op neer en bleef een poosje zwijgend zitten. 't Gedruisch in de kamer was verstomd. Allen zagen haar verwonderd aan. Toen schrikte ze van de stilte om zich heen en zocht een onverschillig onderwerp om over te spreken.
Zij wendde zich tot den grijsaard in den hoek. "Ik meen gehoord te hebben dat u soldaat geweest zijt, vadertje," begon ze. "Vertel me eens iets van den oorlog."
Maar toen werd 't nog stiller. De grijsaard bleef zitten, alsof hij niets gehoord had.
"Ik zou heel graag eens van den oorlog hooren vertellen, door iemand die er zelf bij geweest was," ging de gravin voort.
Maar ze hield plotseling op; want de dochter van den predikant van Broby zag haar aan en schudde met het hoofd. Zij moest iets gezegd hebben wat ongepast was. Alle menschen in de kamer keken haar aan, alsof ze tegen de allereerste regelen van wellevendheid gezondigd had. Plotseling vroeg een landloopster met harde, scherpe stem:
"Is zij dat niet, die vroeger gravin op Borg was?"
"Ja, dat is ze."
"Dat was toch heel wat anders, dan in 't bosch naar den gekken dominé te loopen zoeken. Wel foei wat een ruil!"
De gravin stond op en nam afscheid. Zij had genoeg gerust. De vrouw, die gesproken had ging met haar mee tot buiten de deur.
"Mevrouw de gravin, u begrijpt wel, dat ik wat zeggen moest. Want 't gaat niet aan met den oude over den oorlog te praten. Hij kan niet verdragen dat woord te hooren. Ik meende het goed."
Gravin Elisabeth haastte zich voort; maar spoedig bleef ze staan. Zij zag het dreigende, donkre bosch, de groote berg en het dampend moeras. Akelig moest het wezen hier te wonen voor hem, die 't hart vol booze herinneringen had. Zij kreeg medelijden met den oude, die daar binnen zat met de donkergekleurde landloopers tot gezelschap.
"Anna Lize," zeide ze, "laat ons omkeeren. Die menschen daarbinnen waren vriendelijk voor ons; maar ik heb mij leelijk gedragen. Ik wil den oude over prettiger dingen praten."
En blij, dat ze iemand gevonden had, wien ze troosten kon, ging zij de kamer weer binnen.
"Ik geloof," zei ze, "dat Gösta Berling hier in 't bosch rondzwerft en er over denkt zich van kant te maken. Hij moet dus gauw gezocht en daarin verhinderd worden. Juffrouw Anna Lize en ik hebben gemeend hem nu en dan te zien; maar dan verdween hij weer. Hij houdt zich in die streek bij den berg op, waar 't meisje van Nygaard gevonden is. En nu kwam ik op de gedachte, dat ik niet naar Ekeby hoef te gaan om hulp te halen. Hier zitten zooveel flinke mannen, die hem gemakkelijk zullen vinden."
"Ga dan toch heen, kerels!" barstte de landloopster uit. "Als de gravin zich niet te goed rekent om jelui een dienst te vragen, moet jelui dadelijk gaan!"
De mannen stonden onmiddellijk op en gingen uit om te zoeken.
De oude Jan Hök zat stil voor zich uit te staren met zijn doffe oogen. Afschrikwekkend, somber en hard zat hij daar. De jonge vrouw vond geen woorden om hem aan te spreken. Toen zag ze, dat een kind ziek lag op een bos stroo en dat een vrouw een gekwetste hand had. Dadelijk begon zij hen te helpen. Zij was spoedig goede vrienden met de babbelende vrouwen en vroeg om de kleinste kinderen te mogen zien.
Een uur later kwamen de mannen terug. Zij brachten Gösta Berling gebonden in de kamer. Op den vloer voor het vuur legden zij hem neer. Zijn kleeren waren gescheurd en vuil, zijn gezicht uitgeteerd en zijn oogen woest. Vreeslijke dagen had hij gehad. Op de vochtige aarde had hij gelegen, met gezicht en handen in 't mos gewroet, zich langs steenhellingen en door 't dichtst van 't bosch voortgesleept. Hij wilde de mannen niet goedwillig volgen; daarom hadden zij hem overmand en gebonden.
Toen zijn vrouw hem zoo weerzag werd zij boos. Ze maakte zijn banden niet los, maar liet hem op den grond liggen. Met verachting wendde ze zich van hem af.
"Wat zie je er uit," zei ze.
"Ik had niet meer onder je oogen willen komen," antwoordde hij.
"Ben ik dan je vrouw niet? Heb ik dan geen recht te verwachten, dat je bij mij zult komen met je verdriet? Met bittre angst heb ik deze twee dagen op je gewacht."
"Ik heb immers kapitein Lennart ongelukkig gemaakt. Hoe zou ik bij je durven komen. Hoe kon ik dat?"
"Je bent nooit bang geweest, Gösta."
"De eenige dienst, dien ik je bewijzen kan, Elisabeth, is je van mij te bevrijden."
Onuitsprekelijke verachting vonkelde in haar oogen.
"Wil je me dan tot de vrouw van een zelfmoordenaar maken?"
Zijn gezicht vertrok zich smartelijk.
"Elisabeth, laat ons samen 't stille bosch ingaan en daar met elkander spreken."
"Waarom zouden deze menschen ons niet mogen hooren?" barstte ze uit, met harde, verbitterde stem sprekend. "Zijn wij dan beter dan zij? Heeft één van hen zooveel verdriet en ellende in de wereld gebracht dan wij? Zij zijn de kindren van 't bosch en den grooten weg; ieder haat hen. Laten zij 't hooren, hoe zonde en smart ook den heerscher over Ekeby vervolgt, den door allen beminden Gösta Berling. Meen je, dat je vrouw zich voor beter houdt dan zij? Of doe jij dat?"
Hij hief zich met moeite op de ellebogen op en zag haar met opvlammende fierheid aan: "Ik ben zoo'n ellendeling niet als je wel meent."
En toen hoorde ze wat er in de laatste twee dagen gebeurd was.
't Eerste etmaal had Gösta in 't bosch rondgeloopen, door gewetenswroeging voortgejaagd. Hij kon niet verdragen, dat de menschen hem aanzagen. Maar aan sterven had hij niet gedacht. Hij wilde ver weg trekken, naar een ander land. Maar op den Zondagmorgen kwam hij neer van de heuvels en ging naar de kerk te Broby. Nog ééns wilde hij 't volk zien, het arme, hongerige volk van Löfsjö, dat hij verlangd had te helpen, toen hij bij den schandeheuvel zat van den predikant van Broby, en dat hij had liefgehad toen hij het in den nacht had zien wegtrekken met 't doode meisje van Nygaard.
De godsdienstoefening was begonnen, toen hij bij de kerk kwam. Hij sloop naar boven naar de galerij en zag neer op het volk. Bittre smart greep hem aan. Hij had tot hen willen spreken, hen troosten in hun armoede en hulpeloosheid. Had hij maar mogen spreken in Gods huis! Hij zou--zoo hopeloos als hij zelf was, wel woorden van hoop en redding voor hen allen gevonden hebben.
Toen verliet hij de kerk, ging in de sakristy en schreef het bericht, dat zijn vrouw ontvangen had. Hij had geloofd, dat de arbeid zou hervat worden op Ekeby en koren uitgedeeld, aan die er 't meest behoefte aan hadden. Hij had gehoopt, dat zijn vrouw en de kavaliers zijn beloften zouden vervullen als hij weg was.
Toen hij uit de kerk kwam, zag hij een kist staan voor de sakristy. Die was grof en haastig in elkaar geslagen, maar met rouwfloers en bloemkransen versierd, hij begreep, dat het de kist van kapitein Lennart was. Men had zeker de kapiteinsvrouw verzocht, de begrafenis te verhaasten, zoodat de groote menigte marktbezoekers aan de plechtigheid deel kon nemen.
Hij stond naar de kist te zien, toen hij een zware hand op zijn schouders voelde. Sintram stond achter hem.
"Gösta," zei hij, "als je iemand goed plagen wilt ga dan heen en sterf. Er is niets wat zóó een eerlijk man, die geen kwaad vermoedt, in de war kan brengen. Ga heen en sterf, zeg ik je."
Ontzet luisterde Gösta naar wat de booze sprak. Hij klaagde er over, dat zijn goed beraamde plannen in de war gestuurd waren. Verlaten dorpen had hij willen zien aan het strand van het Löfvenmeer. Daarom had hij de kavaliers tot Heeren van Ekeby gemaakt; daarom had hij de predikant van Broby de gemeente laten uitmergelen; daarom had hij droogte en honger over het land gebracht. Op de markt te Broby zou de beslissende slag zijn gevallen. Door ellende aangehitst zou 't volk tot moord en diefstal zijn overgegaan. Daarna zou 't gerecht zijn gekomen en 't volk nog ellendiger gemaakt hebben. Hongersnood, oproer en allerlei ellende zouden het geteisterd hebben. Zoo akelig en gehaat zou op 't laatst dit land geworden zijn, dat niemand er meer wilde wonen en dat alles zou dan Sintrams werk geweest zijn. En dat zou zijn vreugde en trots geweest zijn, want hij was boos! Hij had verlaten streken en onbebouwde velden lief. Maar deze man, die op 't juiste oogenblik gestorven was, had hem 't spel bedorven.
Toen vroeg Gösta hem, waartoe dit alles gediend zou hebben.
"'t Zou mij genot gegeven hebben, Gösta. Want ik ben boos! Ik ben de wilde beer op de rotsen, de sneeuwstorm op de vlakte. Moorden en vervolgen is mijn lust. Weg met de menschen en hun werk! Ik houd niet van menschen. Ik kan ze wel een poosje laten loopen en met hen spelen als een kat met de muis, dat is wel eens aardig voor een poosje! maar nu was ik 't spelletje moe, Gösta, nu wilde ik toebijten, dood en verderf brengen!"
Hij was krankzinnig, volslagen krankzinnig. Hij was lang geleden voor de grap met deze duivelskunstenarijen begonnen en nu had de boosheid macht over zijn ziel gekregen en hij meende een booze geest uit de hel te zijn. Zóólang had hij het booze in zijn ziel gekweekt en gevoed, dat het zijn geest verduisterde. Zoo kan de boosheid menschen krankzinnig maken, zoo goed als de liefde en smart.
De booze mijneigenaar was razend. En in zijn woede begon hij aan de kransen en 't rouwfloers van de kist te rukken, maar toen riep Gösta:
"Raak die kist niet aan!"
"Zie eens hier! Zou ik die niet aanraken? Ja zeker, ik zal mijn vriend Lennart op 't veld gooien en zijn kransen vertrappen. Zie je dan niet, wat hij mij heeft gedaan? Zie je niet in welk een mooie grauwe koets ik rijd?"
En toen zag Gösta, dat een paar gevangenwagens met politiedienaars en veldwachters buiten den kerkhofmuur stonden te wachten.
"Zie eens hier! Moet ik de vrouw van den rechter niet bedanken, omdat zij gisteren in oude papieren is gaan zitten pluizen om bewijzen tegen mij te vinden in die oude kruithistorie? Moet ik haar dan niet vertellen, dat ze zich liever had moeten bezighouden met brouwen en bakken, dan mij 't recht op den hals te sturen? Moet ik niet wat hebben voor al de tranen, die ik geschreid heb om Scharling te bewegen mij hierheen te laten gaan om te bidden bij 't lijk van mijn goeden vriend?"
En weer begon hij aan 't rouwfloers te rukken.
Toen ging Gösta dicht bij hem staan en hield zijn armen vast.
"Alles wil ik er voor geven als u die kist niet aanraakt," zei hij.
"Doe wat je wilt!" zei de krankzinnige, "en roep wie je wilt! Ik zal toch nog wel iets gedaan krijgen eer de leensman hier is. Vecht maar met me als je lust hebt. 't Zal mooi staan als we hier bij de kerk vechten. Laten we eens vechten bij al die kransen en het rouwkleed."
"Ik wil de rust van dezen doode koopen tegen welken prijs u wilt," zei Gösta; "neem alles wat ik heb, neem mijn leven!"
"Dat zijn groote woorden, jongetje!"
"U kunt 't immers probeeren."
"Nu maak je dan van kant."
"Dat wil ik graag doen; maar eerst moet deze kist ongedeerd in 't graf staan."
En hierbij bleef het. Sintram liet Gösta zweren, dat hij 12 uren na de begrafenis van kapitein Lennart er niet meer zou zijn. Want dan weet ik ten minste, dat je geen brave kerel meer worden kunt."
Dat was gemakkelijk te beloven voor Gösta Berling. Hij was er blij om dat hij zijn vrouw de vrijheid hergeven kon. Zijn wroeging had hem voortgejaagd, tot hij doodmoe was. 't Eenige wat hem bezorgd maakte was, dat hij aan de Majoorske beloofd had niet te sterven, zoolang de dochter van den predikant van Broby op Ekeby diende. Maar Sintram zei, dat ze nu niet meer als een dienstmeisje kon beschouwd worden, nu ze haar vaders schatten geërfd had.